Vandaag is het precies 175 jaar geleden dat Marie-Henri Beyle is overleden, een naam die u niets zal zeggen (mij ook niet), maar zijn schrijverspseudoniem Stendhal hopelijk wel.

De twee grootste Franse romanciers uit de negentiende eeuw, Stendhal en Balzac, staan ieder om een speciale reden buiten de heersende stroming van de romantiek. Stendhal was bepaald een buitenbeentje, weinig geapprecieerd tijdens zijn leven, later zoveel te meer (o.a. bij de latere psychologische romanciers). Het realisme in Stendhals romans uit zich dan ook niet door uitvoerige beschrijvingen zoals bij Honoré de Balzac, maar eerder in het feit dat Stendhal zich voor het basisgegeven van zijn verhaal baseerde op een waargebeurd feit (wat hij bestempelde als “être vrai”). Zijn faam berust op twee romans “Le Rouge et le Noir” (1830), de roman over de mateloos ambitieuze amorele gelukszoeker, en “La Chartreuse de Parme” (1839) over de intriges aan een klein Italiaans hof – beide handelend over de liefde waarvan Stendhal ook als theoreticus optrad (“De l’Amour”, 1822). Het merkwaardige van deze romans zit enerzijds in de koele, ongeëngageerde observatie van het milieu en anderzijds in de nuchtere, gedepouilleerde, ironische en technisch meesterlijke stijl.
Stendhal, pseudoniem van Marie-Henri Beyle (Grenoble, 23 januari 1783 – Parijs, 23 maart 1842) werd geboren te Grenoble in een gegoede royalistische familie die behoorde tot de lokale burgerij. Zijn vader, Chérubin Beyle, was advocaat in het parlement van de Dauphiné. Henriette Gagnon, Stendhals moeder, die hij aanbad, overleed op 23 november 1790, hetgeen een grote indruk naliet op de jonge man. Vanaf dat moment werd in zijn opvoeding voorzien door zijn vader, zijn tante en, vanaf 1792, zijn leermeester, abbé Raillane. Stendhal verteerde deze voogdij slecht en had een onprettige kindertijd in een duffe provinciestad. Zijn enige vriendin was zijn jongere zus Pauline.
Uiteindelijk zocht hij zelfs toevlucht bij zijn grootvader van moederskant, dokter Gagnon. Deze liet hem kennismaken met de ideeën van vrijheid van de philosophes van de verlichting en bijgevolg die van de Franse Revolutie, waarvan Stendhal trouwens een zeer gepassioneerd toeschouwer was. Hij verzette zich tegen zijn conformistische en formeel-christelijke familie en studeerde vanaf 1796 wiskunde aan de École Centrale de l’Isère te Grenoble. Op school werd hij beïnvloed door republikeinse en antiklerikale denkbeelden en werd hij ook aanhanger van de sensualistische filosofie van de School van Condillac.
In oktober 1799 ging Stendhal naar Parijs om toelatingsexamen voor de École polytechnique te doen. Hij zag daar echter van af en werd dankzij zijn neef, graaf Pierre Daru, tewerkgesteld bij het ministerie van Oorlog. In mei 1800 ging hij in dienst bij het Italiaanse leger van Napoleon. Zo ontdekte hij tot zijn grote genoegen Italië en met name Milaan.
Het legerbestaan begon Stendhal echter al gauw te vervelen en in 1802 nam hij ontslag. Hij keerde terug naar Parijs om zich daar met zijn nieuwe zakelijke en literaire ambities bezig te houden. Hij bezocht het Théâtre Français, waar hij de jonge actrice Mélanie Guilbert ontmoette. In 1805 volgde hij haar naar Marseille om er een makelaarskantoor en een handel in koloniale voedingswaren te beginnen. Door gebrek aan motivatie werd dit geen groot succes. Ook zijn literaire aspiraties leidden tot niets.
Hij keerde terug naar Parijs en ging, opnieuw met steun van zijn neef Pierre Daru, in staatsdienst, deze keer in de huishoudelijke dienst van het leger, het Grande Armee van de keizer. Hij oefende zijn functie uit in Brunswijk als militair administrateur en vanaf 1809 in Oostenrijk. De winstgevende baan als leverancier van het leger zorgde ervoor dat hij een leven als dandy kon leiden.
Bij zijn terugkeer naar Parijs in 1810 werd Stendhal benoemd tot auditeur bij de Raad van State (Conseil d’État) en iets later tot inspecteur van de roerende goederen en gebouwen van de Kroon. In augustus 1811 vertrok hij weer naar Milaan. Tijdens zijn eerste verblijf in de stad werd hij de minnaar van Angela Pietragua, een jongedame die hij al in 1800 had leren kennen.
In 1812 werd Stendhal opgeroepen voor het leger van de keizer en nam hij deel aan Napoleons veldtocht naar Rusland. Zo was hij in augustus 1812 getuige van de brand die Moskou verwoestte. De uiteindelijke nederlaag van Napoleon in 1814 liet Stendhal berooid en zonder baan achter.
Stendhal verhuisde daarop naar Milaan. Tijdens Napoleons korte terugkeer naar Frankrijk schreef hij zijn eerste werk “Vie de Haydn, de Mozart et de Métastase”, onder het pseudoniem Louis César Alexandre Bombet.
Tijdens de jaren die volgden maakte Stendhal verscheidene reizen doorheen Italië en bezocht hij de grote kunststeden. In Milaan nam hij deel aan het mondaine leven en ging hij vaak naar La Scala. Hij werd tijdens deze periode ook verliefd op Matilde Viscontini, de echtgenote van generaal Dembowska, die hem echter afwees. In 1817 publiceerde hij “Histoire de la peinture en Italie” en vervolgens “Rome, Naples et Florence” en dat onder het pseudoniem Stendhal, ontleend aan de Duitse stad Stendal, dat de geboorteplaats was van Johann Joachim Winckelmann, die hij zeer bewonderde. Stendhal had een tijd lang in de stad verbleven als soldaat van Napoleon.
Doordat hij vaak vertoefde in liberale kringen kwam Stendhal in 1821 onder de groeiende verdenking van de Oostenrijkse politie te staan, die hem uiteindelijk beschuldigde van spionage en van sympathie voor de carbonari, een geheim politiek genootschap in Italië. Uiteindelijk werd Stendhal gedwongen om Milaan te verlaten en in juni 1822 terug naar Parijs te keren.
Stendhal was nu verplicht om in zijn dagelijks brood te voorzien met zijn schrijverswerk aangezien hij de erfenis van zijn vader er al door had gejaagd. Hij publiceerde “De l’Amour” in 1822 als een soort dagboek van zijn liefde voor Matilde Viscontini, samen met enkele overpeinzingen over de liefde zelf. In 1823 verschenen “La Vie de Rossini” en “Racine et Shakespeare”, een verdediging van de Romantiek. Hiermee nam Stendhal deel aan de strijd tussen de klassieken en de romantici.
Stendhal schreef eveneens een kroniek van de artistieke gebeurtenissen van zijn tijd in de krant Le Journal de Paris. Daartoe bezocht hij de salons van de Franse hoofdstad. Zo bouwde hij een vriendschap op met de schilder Eugène Delacroix.
Stendhals liefdesleven was tijdens deze jaren zeer actief. In 1824 begon hij een relatie met gravin Clémentine Curial, daarna met Alberthe de Rubempré en vervolgens met Giulia Rinieri.
Pas op 43-jarige leeftijd schreef Stendhal zijn eerste roman. In 1828 schreef hij “Armance”, gevolgd door “Promenades dans Rome” twee jaar later. Op 15 november 1830 publiceerde hij “Le Rouge et le Noir”, in het Nederlands vertaald als “Rood en zwart”. Over deze titel is al heel wat te doen geweest. Volgens sommigen staat hij symbool voor het hazardspel van het lot (de vakjes van een roulette zijn zwart en rood), anderen zien er een toespeling op de politieke verhoudingen, namelijk op de botsing tussen de liberalen (rood) en de klerikalen (zwart). Stendhal zelf zou hebben verklaard: “Rood zou moeten betekenen dat Julien Sorel soldaat zou zijn geworden, indien hij geboren was in de tijd van Napoleon, nu echter was hij wel gedwongen om priester te worden: het zwart.”
“Le Rouge et le Noir” is inderdaad het verhaal van een mateloos ambitieuze en amorele jongeman, Julien Sorel, die als zoon van een timmerman (die hij haat) zijn weg wil maken in de maatschappij, naar het voorbeeld van zijn idool, Napoleon. De intrige zelf is gebaseerd op waar gebeurde feiten. Hij wordt onder de arm genomen door de pastoor en weet het door zijn kennis van de bijbel tot gouverneur bij de burgemeester (de Renal) te brengen. Daar wordt hij verliefd op mevrouw de Renal, wat hem uiteindelijk zijn baantje kost. Hij wordt echter op haar kosten naar het seminarie in Besançon gestuurd, waar de jansenist pater Pirard hem een baan van secretaris van de heer de la Mole weet te bezorgen. Hier maakt hij de dochter Mathilde zwanger. Hij wordt luitenant der huzaren benoemd en staat op het punt om de toelating te krijgen met Mathilde te huwen, als mr.de la Mole een brief krijgt van mevrouw de Renal, waarin deze het heeft over de immoraliteit en de eerzucht van Sorel en over hun vroegere verhouding.
Sorel poogt mevr.de Renal te vermoorden, maar zij wordt slechts licht gewond. Hij komt nu tot inkeer en moet toegeven dat hij meer van mevr.de Renal houdt en zij van hem, dan dat dit met Mathilde het geval is. Nochtans is Mathilde, nu hij de doodstraf niet meer kan ontlopen, hem nu ook toegewijd. Zij en Fouqué, een vriend van Sorel, doen een poging om de jury om te kopen, maar tevergeefs: Julien Sorel zal worden geguillotineerd. Mevrouw de Renal komt hem opzoeken in zijn cel en nu bereikt hij pas het geluk waar hij al die tijd in de verkeerde richting naar streefde. Zij sterft drie dagen na hem.
Het boek kent geen succes en bij aanvang van de Julimonarchie opteert Stendhal dan ook, deels uit geldnood, voor een nieuwe politieke carrière. Koning Louis-Philippe benoemt hem tot Consul van Frankrijk te Triëst. De Oostenrijkse overheid (met o.a. Metternich) was Stendhals verleden onder het Keizerrijk en zijn liberale ideeën echter nog niet vergeten en weigerde hem een exequatur (i.e. de goedkeuring door een regering van een consul). Stendhal werd daarop naar Civitavecchia gestuurd, in de Kerkelijke Staat. Hoewel Rome dichtbij lag, kon de stad hem toch niet bekoren. Om zijn verveling tegen te gaan, begon Stendhal opnieuw te schrijven, bezocht hij de Italiaanse bibliotheken en maakte hij reizen naar het Zuiden van Frankrijk en Parijs. De meeste van zijn werken bleven echter onvoltooid, zoals “Souvenirs d’égotisme” en “Lucien Leuwen” uit 1834 en “Vie de Henri Brulard” uit 1835.
Stendhal ontving toen een verlof van drie jaar van Adolphe Thiers, die toen net was benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken. Stendhal keerde terug naar Parijs in 1836 en ging wonen in de rue Caumartin. Hij nam opnieuw deel aan het leven van de Parijse high society en vond er inspiratie voor zijn werk. Stendhal bezocht de literaire salons van o. a. Destutt de Tracy en madame Ancelot. Hij publiceerde in 1839 “Les Chroniques italiennes”, waarvoor hij inspiratie had gehaald uit manuscripten van de bibliotheek van Civitavecchia, en “Mémoires d’un touriste”, na een reis naar Engeland. In 1839 verscheen “La Chartreuse de Parme”. Daarna kwam nog “L’abbesse de Castro” uit.
In 1839 werd Stendhal weer verplicht zijn ambt in Italië op te nemen. Daar vernam hij o. a. de publicatie van een lovend artikel over hem van de hand van Balzac, gepubliceerd in “La Revue parisienne”. Ondanks dit artikel en het verschijnen van zijn laatste werken, bleef Stendhal een weinig bekende schrijver.
Bij het beginnen van zijn werk “Lamiel” werd Stendhals gezondheid slechter. Op 15 maart 1841 werd hij getroffen door een beroerte. Hij verliet Civitavecchia en keerde terug naar Parijs om er verzorgd te worden. Een jaar later, op 22 maart 1842, tijdens een wandeling, werd hij opnieuw getroffen door een beroerte. Hij stierf in de nacht van 23 maart, om twee uur ’s ochtends in zijn huis in Parijs zonder nog bij bewustzijn gekomen te zijn. Hij werd begraven op het kerkhof van Montmartre.

Ronny De Schepper
(met dank aan wijlen prof.Bolckmans voor de inleiding en aan Wikipedia voor de – iets te gedetailleerde, maar moeilijk te excerperen – biografische gegevens)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s