De Amerikaanse actrice Glenn Close viert vandaag haar zeventigste verjaardag en toch heb ik geen artikel aan haar gewijd. Waarom niet?

Alvast niet omdat ik niks over haar heb geschreven. Integendeel, ik heb haar juist heel vaak vermeld in filmartikels. Té veel zelfs, als men er rekening mee houdt hoe laat het op dit moment al is. Als ik dat dan allemaal nog moet gaan bijeenzoeken en bij elkaar puzzelen…

Het is dus zeker ook niet omdat ik geen fan ben van mevrouw Close. Want dat is een puur persoonlijke aangelegenheid (ik zou zelfs niet echt kunnen definiëren wat mij in haar tegenstaat) en dat belet niet dat ik wel inzie dat zij een belangrijke schakel is in de filmgeschiedenis en dan vooral op het vlak van de rol van de vrouw in Hollywood.

Nee, wegens dat tijdsgebrek en om haar dan toch enigszins recht te doen heb ik haar verjaardag aangegrepen om zo weer eens een van die ellenlange artikels van mij in twee te breken. In dit geval gaat het over humor in de film. Geef toe, geen genre dat men met Close zou vereenzelvigen. In “Maxie” van Paul Aaron uit 1985 (bovenstaande foto) verandert een saaie huisvrouw in een zwoele nymfomane, nadat een overleden Hollywood-diva haar geest in bezit heeft genomen. De film is echter een mislukking, grotendeels wegens de irritante overacting van Glenn Close. En dat moet ik blijkbaar ergens afgeschreven hebben, want zelf heb ik de film nog niet gezien…

Al vlug bleek dat Hollywood het toch allemaal onder controle wilde houden: in “Pretty woman” werden de puntjes alweer op de i gezet. Toch blijven met name vrouwen binnen het verplichte kader (huwelijk als slot) aanvaardbare films maken: Nora Ephron, Susan Seidelman en vooral Amy Heckerling. Deze laatste is zo cynisch als ze groot is en gelooft helemaal niet in de moraal die ze de toeschouwer verplicht moet oplepelen. Dat kan je tussen de lijnen door ook merken in scènes zoals de surfende spermatozoïden, waarmee “Look who’s talking” begint. Haar “Clueless”, zowaar losjes gebaseerd op Jane Austen, wil een satire zijn op de Beverly Hill bimbo’s. Zelf vond ik het vreselijk, maar toch bracht deze film 1,8 miljard in ’t laadje, zodat hoofdvertolkster Alicia Silverstones volgende film “Excess baggage” eigenlijk gratis kon worden gedraaid.

Een flop was echter “Speechless”, die in ons land enkel als video (in 1995) werd uitgebracht. Hierin worden Geena Davis en Michael Keaton verliefd op elkaar, zonder aanvankelijk te beseffen dat ze beroepshalve voor elkaars concurrenten werken, met name de democratische en republikeinse kandidaat voor een senaatszetel in New Mexico. Het is een interessant vertrekpunt dat zelfs op de realiteit was gebaseerd (de verhouding tussen James Carville, de PR-adviseur van Bill Clinton, met Mary Matalin, de speech-schrijfster van George Bush), maar het werd dus alweer een mislukte poging om de screwball comedy te doen herleven.

Michael Keaton (die eigenlijk Michael Douglas heet, maar om voor de hand liggende redenen een pseudoniem hanteert) is trouwens meestal te zien in zogenaamde “high concept” komedies, d.w.z. dat ze op een technische vondst gebaseerd zijn (en vaak ook niet meer dan dat). “Multiplicity” van Harold Ramis uit 1996 (waarin hij naast zichzelf ook nog drie cloons speelt, die resp. zijn macho, zijn vrouwelijke en zijn kinderlijke kant tonen) en “Beetlejuice” van Tim Burton zijn daarvan een voorbeeld. Daarnaast was hij in 1988 ook nog te zien in “The dream team” van Howard Zieff, dat toch wel beter was, aangezien het tevens een sociaal thema (integratie van mentaal gehandicapten) aanboorde. Mits enige overdrijving zou men kunnen stellen dat dit een komische versie van “One flew over the cuckoo’s nest” was.

In “Multiplicity” werd de (weinig uitgediepte) vrouwelijke hoofdrol vertolkt door Andie MacDowell, die een gelijkaardige rol ook mocht vertolken in een andere “high concept” komedie, “Groundhog day”, eveneens van Harold Ramis, waarin Bill Murray dezelfde dag steeds opnieuw beleeft. Ramis is trouwens min of meer “gespecialiseerd” in dergelijke “high concept” komedies, want in 1984 regisseerde hij reeds “Ghostbusters” (of was dat nu toch Ivan Reitman?).

Alle ingrediënten van een screwball comedy zaten ook in “One fine day” van Michael Hoffman uit 1996, waarin Michelle Pfeiffer en George Clooney elkaar een hele film lopen uit te schelden om uiteindelijk toch in elkaars armen te belanden. Hun wederzijdse kinderen hebben dit reeds veel vlugger door, maar het is precies het gedrag van deze ettertjes dat er voor mij toch te veel aan was.

Het prototype van alle etters is ongetwijfeld Macaulay Culkin. Hij brak door met “Home alone” van Chris Columbus, voor eeuwig bekend door zijn eigen interpretatie van “de schreeuw” van Edvard Munch. Deze low-budget film brak zowat alle records, zodat Columbus dit een jaar later trachtte over te doen met “Only the lonely”. De jonge Macaulay Culkin mocht trouwens ook in deze film een klein rolletje vertolken. De voornaamste taak rust echter op de brede schouders van John Candy, die het stroperige verhaal over de goedhartige politieman, die zowel zijn oud moederke (poging tot come-back van Maureen O’Hara) als zijn ietwat gefrustreerde verloofde (Ally Sheedy) te vriend wil houden, echter niet kan overeind houden.

In 1991 is er “My girl”, waar Culkin echter van de planken wordt gespeeld door de titelrol Anna Chlumsky (*). Zelfs Jamie Lee Curtis en Dan Ackroyd maken hiertegen geen kans, ook al omdat hun personages een karbonnetje zijn van de twee hoofdfiguren van “Only the lonely”. In een bijrolletje is zelfs John Candy opnieuw te zien als een dikke klarinettist. Ik verwarde Candy voortdurend met de even omvangrijke John Goodman, die in hetzelfde soort films speelt, maar veel grappiger is en minder sentimenteel. Ondertussen heb ik daar geen problemen meer mee, aangezien op 4 maart 1994 Candy op 43-jarige leeftijd in Mexico tijdens de opnamen van “Wagons East” overleed aan een hartaanval.

In “Richie Rich” debuteert ook Claudia Schiffer met een bliksemoptreden. Ze is daarin immers gedurende vijf minuten de aerobics-lerares van Macaulay Culkin. Zijn ouders hadden eerst een voorstel voor “Home alone II” afgewimpeld omdat de producers te weinig geld boden. Uiteindelijk ging het feestje dan toch door, maar de familie Culkin ging wel uit elkaar. Er werd een ferm robbertje over het hoederecht over Macaulay uitgevochten, maar dat was dan natuurlijk enkel uit liefde voor het joch. Alhoewel “liefde”… Die mocht hij op dat moment eerder ontvangen van kindervriend Michael Jackson. Zodanig zelfs dat hij werd uitgenodigd op het trouwfeest van diens “tante”, Liz Taylor. Culkin ging niet, want “hij wist niet wie die mevrouw was”.

Toen hij 17 was, luidden voor hemzelf reeds de bruiloftsklokken. Zijn partner was Rachel Miner, eveneens 17 en op dat moment de hoofdvertolkster in “Het dagboek van Anne Frank” op Broadway. Nog voor ze twintig waren, was het alweer gedaan.

It’s a mad world

“It’s a mad, mad, mad, mad world” van Stanley Kramer zet aan het begin van de jaren zestig (in 1962 om precies te zijn) ook een nieuwe trend: ook komedies moeten grootscheepse spektakels worden om de mensen van hun televisie weg te houden. Zo zijn er: “The great race” (Blake Edwards, 1965), “Those magnificent men in their flying machines” (Ken Annakin, 1965), “Monte-Carlo or bust” (Ken Annakin, 1969). Zelfs de Walt Disney-studio’s komen zich ermee bemoeien met “Blackbeard’s ghost” en “The love bug”, hier beter bekend als “De dolle kever”, twee films van Robert Stevenson. Een en ander kan echter wel eens uit de hand lopen. In “Cannonball run” (Hal Needham, 1980) verliest stuntvrouw Heidi von Beltz een hand en raakt vanaf haar middel verlamd bij een onbedoelde botsing tussen twee auto’s.

In zekere zin zijn films als “Romancing the stone” (Robert Zemeckis) en “The jewel of the Nile” (Lewis Teague) hiervan de opvolgers. De drijvende kracht achter deze films is telkens Danny De Vito en men zou kunnen stellen dat hij die combinatie actie plus humor ook verder zet in zijn samenwerking met Arnold Schwarzenegger (zoals in “Twins” en “Junior”). Andere Zemeckis-producten zijn “I want to hold your hand”, “Who framed Roger Rabbit?” en de drie “Back to the Futures” en “Used cars”.

18 richard pryor“Brewster’s Millions” (Walter Hill, 1985) was al de zevende, maar wel een uitermate zwakke verfilming van het bekende verhaal over een man die één maand tijd heeft om één miljoen dollar op te doen, zo niet verliest hij een nog grotere erfenis van maar liefst driehonderd miljoen dollar. Richard Pryor is hierin Montgomery Brewster, die als middelmatige basketbalspeler nooit zal uitblinken, maar ook niet als komische acteur, evenmin als zijn tegenspeler John Candy. Nee, regisseur Walter Hill deugt duidelijk niet voor komedie.

Ondeugende humor is dan weer eerder een typisch Brits gegeven, waar we het in 1951 terugvinden in “Laughter in paradise” (Mario Zampi) en ook in “The Ladykillers” (Alexander Mackendrick) met Alec Guinness en Peter Sellers. Alexander Mackendrick, geboren in Engeland in 1912, had in 1951 reeds “The man in the white suite” gedraaid met Alec Guinness en “Whisky Galore”, alle drie voor Ealing Studio’s. Nog in 1955 werden deze verkocht aan de BBC en Mackendrick week toen uit naar de VS.

Slapstick overleefde in Engeland met Norman Wisdom, b.v. in “The square peg” (John Paddy Carstairs, 1958) of “The early bird” (Robert Asher, 1965). Het is in Engeland immers ook niet alle dagen zondag, zoals de eindeloze reeks “Carry on”-films bewijzen (gestart met “Carry on constable” van Gerald Thomas in 1960).

Blake Edwards draait in 1961 “Breakfast at Tiffany’s” naar de roman van Truman Capote, een “sophisticated comedy” met een geut slapstick over een Newyorkse callgirl met Audrey Hepburn in de hoofdrol. Hij is echter vooral bekend geworden door zijn “Pink Panther”-films (vanaf 1963).

Monty Python

Engelse humor is ook veel absurder dan de Amerikaanse, zoals de Monty Python-films briljant illustreren, al gaat die humor juist terug op oudere Amerikaanse voorbeelden zoals The Marx Brothers en “Hellzapoppin” (H.C.Potter, 1942). De respectievelijke hoogtepunten van Sellers en Python zijn ontegensprekelijk “The party” en “The life of Brian” (Terry Jones, 1979), al zijn de solo-uitstappen van John Cleese in “Clockwise” (Christopher Morahan, 1985) en “A fish called Wanda” zeker niet te versmaden! (**)

« Clockwise » is een vrij geslaagde humoristische fabel over mensen die wat al te zeer gehecht zijn aan hun principes. En principes heeft Brian Stimpson bij de vleet. Deze rector van een rijksschool is tot de bevinding gekomen dat het allerbelangrijkste voor elk menselijk wezen hierin gelegen is dat hij/zij weet waar hij is, en waar hij naartoe gaat. Dit is — nog steeds volgens onze schooldirecteur — alleen maar mogelijk wanneer iedereen precies weet hoe laat het is. Te laat komen is dus voor hem het toppunt van onfatsoen. Zijn devies luidt dan ook « De zon komt niet te laat op onder voorwendsel dat zij de bus heeft gemist ».

Door zijn grote strengheid is deze bijzonder rechtlijnige heer erin geslaagd zijn leerlingen tot de meest briljante van het Verenigd Koninkrijk te maken. Hierdoor valt hem dan op een mooie dag de eer te beurt gekozen te worden om als eerste directeur van het officieel onderwijs het voorzitterschap van de Vereniging van Rectoren op zich te nemen — een vereniging die tot dan geleid werd door schoolhoofden van strenge particuliere scholen.

Goed gemutst begeeft Stimpson zich dan ook op weg naar Norwich waar hij de openingstoespraak moet houden op de jaarlijkse vergadering van de prestigieuze vereniging. Maar als gevolg van een verbaal misverstand mist hij zijn trein. Zonder dralen lanceert hij zich dan in een dolle ren tegen het uurwerk, waarbij hij elke koelbloedigheid verliest. Hierbij overtreedt hij zowat alle morele, juridische en beleefdheidsregels, geobsedeerd als hij is om ten allen prijze zijn basisprincipe te vrijwaren : steeds en overal op tijd komen.

Zonder dat de cineast zijn toevlucht heeft genomen tot al te groteske buitenissigheden, is « Clockwise » uitgegroeid tot een echt pittige komedie. Gieren en bulderen is er niet direct bij, maar wel bezorgt deze film de kijker enkele genoeglijke ogenblikken dankzij zijn intelligente situatiehumor, zijn alert ritme en zijn vriendelijk-subversieve filosofie.

In het begin zien wij onze in hemd of das uitgedoste sprinter als de incarnatie zelf van flegma en efficiëntie. De humoristische basis van de film wordt dan geleverd door de kloof tussen deze waardige houding en de regelrechte hysterie die zich steeds meer en meer van Stimpson meester maakt.

De realisator heeft het uitstekende idee gehad om de hoofdrol toe te vertrouwen aan John Cleese van de Monty Pythons. Stijver en Britser dan ooit hoeft hij alleen maar op het scherm te verschijnen om de toeschouwer te doen lachen. Wat de regie van Christopher Morahan betreft, ook zij blijkt sober en afstandelijk als een bolhoed. Door deze aaneenschakeling van absurde situaties te filmen met de pink omhoog als bij het drinken van een kop tee, heeft de regisseur zich laten kennen als een discipel van Jacques Tati.

“Fierce creatures”, de opvolger van “A fish called Wanda”, werd door John Cleese zelf geschreven en heeft buiten de hoofdpersonen eigenlijk niets vandoen met “Wanda”. Cleese speelt erin immers eerder een soort Basil Fawlty, maar die dan deze keer een kleine zoo in zijn beheer heeft. Om volk te lokken wil hij alleen maar wilde dieren tonen. Vandaar de titel. De film moest reeds een aantal keren herwerkt worden (vooral de Amerikanen konden er totaal niet mee lachen – ze begrepen de humor ongetwijfeld niet) en daarom werd de release steeds uitgesteld. Toen hij uiteindelijk uitkwam, gaven de meeste critici de Amerikanen gelijk: zelfs in herwerkte versie (door Fred Schepisi) voldeed de film niet. Bovendien kon men goed het verschil zien tussen wat Robert Young had gedraaid en het aandeel van Fred Schepisi, zegt men. Ikzelf was daartoe zeker niet in staat, meer zelfs ik vond het niet eens zo’n slechte film! De misverstanden over de seksuele exploten van Cleese vind ik zelfs hilarisch.

“Fierce creatures” was niet de eerste Cleese-film die tegenviel. “Rentadick” b.v. was een Britse komisch bedoelde film van Jim Clark uit 1972 naar een scenario van John Cleese en Graham Chapman met Ronald Fraser als Major Upton, de directeur van het detectivebureau Rentadick, die de dieven moet opspeuren van een zenuwgas dat de onderste ledematen verlamt. Daar staat tegenover dat in 1975 ondanks het feit dat het team van “Monty Python” eigenlijk ook al dood is (in 1973 werd de derde en laatste TV-reeks gedraaid, de spanningen tussen de twee uitersten, John Cleese en Terry Jones, waren te groot geworden), zij toch nog de zeer aan te raden film “The holy grail” draaien.

In 1983 is er het kotsfestijn in “Monty Python’s The Meaning of Life”, terwijl de Engelse komiek Marty Feldman overlijdt tijdens de opnames van “Yellowbeard”, een film van Mel Damski naar een scenario van (vooral) Graham Chapman. Deze speelde ook mee naast nog tal van andere komieken: John Cleese, Eric Idle, Peter Boyle, Richard “Cheech” Marin, Tommy Chong, Peter Cook, Michael Hordern, Madeline Kahn en zelfs James Mason en Susannah York. Het mocht allemaal niet baten: het werd een terechte flop.

Marty Feldman zal altijd in mijn herinnering blijven leven, al was het maar door dat ene zinnetje uit “Young Frankenstein”: “Walk this way”. Mede dankzij Gene Wilder uiteraard, die in 1970 reeds “Start the revolution without me” (Bud Yorkin) had gedraaid, gevolgd in 1971 door “Willy Wonka and the chocolate factory” (Mel Stuart) en in 1977 door “The world’s greatest lover”. Deze laatste film regisseerde hij ook zelf net zoals “The woman in red” uit 1984.

Solo-uitstappen van andere Pythons waren dan weer wél succesvol. Michael Palin in “American friends” b.v. en “Splitting heirs” van Eric Idle ondanks het feit dat hij erg slecht werd ontvangen in Cannes 1993. Naast regisseur Eric Idle stonden ook John Cleese en Barbara Hershey ter beschikking. Het thema (het verwisselen van baby’s) kon met andere voorbeelden als “Toto le héros” en “La vie n’est pas une fleuve tranquille” wel moeilijk origineel worden genoemd, zeker als het dan ook nog over adellijke personen gaat, want dan was er ook al “Little Lord Fauntleroy” en “Kind Hearts and Coronets”, waarin Alec Guiness liefst acht rollen voor zijn rekening neemt. Ongeveer tegelijk met “Splitting heirs” was er “King Ralph” met John Goodman, waarvoor oorspronkelijk trouwens Idle was aangezocht. In de fond gaan al deze verwisselkomedies terug op Oscar Wilde’s “The importance of being earnest”.

In 1991 vertolkte Eric Idle ook de hoofdrol in “Missing pieces” van de Amerikaan Leonard Stern. Hierin speelt hij een schrijver van wenskaarten die van zijn pleegvader een fortuin kan erven als hij een aantal raadsels kan oplossen. Samen met zijn vriend, de cellist Robert Wuhl, begint hij eraan, maar dan merkt hij dat er nog andere “goudzoekers” zijn. Dankzij de vrouwtjes Lauren Hutton en Kim Lankford halen ze uiteindelijk toch hun slag thuis.

Daarvóór had Idle reeds “Nuns on the run” geschreven, een komedie geregisseerd door Jonathan Lynn, die daarvoor reeds de BBC-reeks “Yes minister” had gemaakt. “Nuns on the run” is gebaseerd op een scenario van Eric Idle (van Monty Python) die ook de hoofdrol speelt, samen met Robbie Coltrane.

Billy Crystal regisseerde zichzelf en Debra Winger in “Forget Paris” met verder ook Joe Mantegna en basketter Kareem Abdul-Jabbar in dit typisch Amerikaanse pleidooi voor het huwelijk. Billy Crystal was ook al te zien in twee “City slickers”

Maar de nieuwste vedette is sedert “Ace Ventura, pet detective” Jim Carrey, al moet die het vooral van bekkentrekkerij à la Jerry Lewis hebben. Toch bevatte de film wel een paar leuke scènes, zoals die met de huisdieren, zowel als ze zich moeten verbergen voor de huisbaas, als wanneer ze toeschouwer zijn bij de bedexploten van de “detective”. In “The mask” zou hij bewijzen wat meer in zijn mars te hebben. Deze special effects-film van Charles Russel (scenarist van “Dreamscape” over “virtual reality”) met het filmdebuut van supermodel Cameron Diaz zou men als “Tex Avery live” kunnen omschrijven. Maar de volgende film van Jim “Mask” Carrey heette trouwens “Dumb and Dumber”: kan het nog duidelijker? (***)

Carrey (°1962), die zichzelf “Fred Astaire on acid” noemt, is zelf blijkbaar niet zo onnozel: voor zijn bijrolletje in “Batman” ving hij zeven miljoen dollar i.p.v. telkens zo’n 400.000 dollar voor zijn vorige twee, en voor “Ace Ventura II – When nature calls” (1996) werd zelfs 600 miljoen frank opzij gelegd. In ruil mag Carrey bijna voortdurend in beeld lopen en… daarom is de film vreselijk “overdone”. In 1996 huwde hij ook met de 32-jarige Lauren Holly, die hij had leren kennen tijdens “Dumb and Dumber”.

In Amerika waar men een IQ moet hebben lager dan dat van een kleuter om van films te kunnen genieten was “Forrest Gump” echter het grootste succes, een loflied op een debiel die het heel ver schopt in de Amerikaanse samenleving (wat nu niet precies heel moeilijk is). Eigenlijk is het qua vorm een kruising van “Zelig” (van Woody Allen) en de technieken die op punt gesteld zijn met “Jurassic park” (zodat men Hanks kan zien in scènes samen met Kennedy, Johnson, John Lennon en vele anderen) en qua inhoud een herkauwen van “Being there” met Peter Sellers in de rol van Chauncey Gardiner, wiens platitudes ook als cryptische wijsheden werden geïnterpreteerd (al kan dat nauwelijks worden gezegd van “I like to watch”, wat door Shirley MacLaine juist erg letterlijk werd opgevat en waardoor ze zich ging masturberen, terwijl hij naar televisie zat te kijken).

Zwarte humor

In 1970 wint de bittere satire “M.A.S.H.” van Robert Altman de Gouden Palm in Cannes en van dan af konden alle vormen van zwarte humor aan bod komen, zoals “Frauds”, een film van Stephan Elliott met Phil Collins als een perfide verzekeringsinspecteur. Een ander uitstekend voorbeeld hiervan is “The Addams Family Values”, waarin de Amerikaanse waarden op hun kop worden gezet. Zo is er b.v. de hilarische passage in het vakantiekamp, waar een kind de kamer van een ander kind binnenkomt en daar een poster van Michael Jackson ziet hangen en gillend de kamer uitloopt. Anjelica Huston, die in 1990 reeds te zien was in “The witches” (Nicolas Roeg), en Raul Julia zijn weer schitterend (b.v. de “vurige” tango). Voor Julia was het echter de laatste prestatie. Hij stierf immers in oktober ’94 aan een hartinfarct. “The Addams Family Values” was voor een keer een sequel die beter werd onthaald dan de oorspronkelijke film, natuurlijk ook wel omdat ook die “oorspronkelijke” film niet origineel was, maar louter een afkooksel van de TV-serie, die dan weer zelf terugging op de strip uit 1935 van Charles Addams, die zijn jeugd in een Victoriaans huis, recht tegenover een kerkhof op die manier afreageerde. Daarom werd het scenario van Paul Rudnick voor de tweede film (tegenover Caroline Thompson en Larry Wilson bij de eerste) zo enthousiast onthaald. En terecht, b.v. door de introductie van “zwarte weduwe” Debbie (gespeeld door Joan Cusack, die met haar zinnetje “Coffee? Tea? Me?” uit “Working girls” heeft bewezen dat je door één zinnetje inderdaad aan grote rollen kunt geraken), ook al is het niet erg logisch dat de Addams Family ook maar een schijntje onder de indruk komt van een “serial killer”. Integendeel, volgens hun eigen logica moesten ze haar eigenlijk aan het hart drukken. Daarnaast lijdt zelfs deze prent aan “political correctness” (de speech van Wednesday als ze als namaak-indiaan de blanken aan de totempaal mag spijkeren).

“Political correctness” ontbreekt gelukkig helemààl bij “Serial mom” van John Waters, de Koning van de Slechte Smaak met eindelijk nog eens een betere rol voor Kathleen Turner. In 2005 was er een soort van Engelse versie met “Keeping mum” van Niall Johnson. Maggie Smith mag hier dwars door het lint gaan om al wie het gezin van haar kind (het gezin bestaat uit Rowan Atkinson en Kirstin Scott Thomas, ik hou het onderscheid opzettelijk vaag, aangezien dit deel uitmaakt van de intrige) te na komt uit de weg te ruimen. Dat loopt o.a. voor Patrick Swayze uiterst slecht af. Dat op het einde echter ook twee gewone gemeentebedienden hetzelfde lot ondergaan is er echter “over”. Tussendoor was er “To die for” van Gus Van Sant (naar de roman van Buck “The graduate” Henry) over een aartsgevaarlijke bimbo, gespeeld door Nicole Kidman.

Amerikaanse komedies munten echter meestal niet uit door spitsvondige humor, al is een bepaalde scène in “L.A.Story” van Mick Jackson (1991) toch het onthouden waard. Hoofdfiguur Steve Martin gaat geld afhalen bij het fameuze kastje in de muur. Hij dient daarvoor in de rij te gaan staan. Het valt meteen op dat er zich ook nog een tweede rij heeft gevormd. Als hij aan de beurt is, stelt een man uit die andere rij zich beleefd aan hem voor: “Good evening, sir, I am your personal robber. Hoeveel had u gedacht af te halen?” En uiterst beheerst deelt Martin zijn opgevraagde geld met de beleefde overvaller. Van Steve Martin heb ik nochtans nooit erg gehouden, ook niet in 1983 met “The man with two brains” van Carl Reiner evenmin als van “Housesitter”, waarin ook Goldie Hawn weer tegenvalt. “Father of the bride, part two” en “Sergeant Bilko” werden uiteindelijk zelfs niet uitgebracht in ons land. En terecht.

Naast de vrouwen zijn ook de zwarten steeds onderdrukt geweest in Hollywood. Ook zij kennen hun bevrijding in de jaren tachtig. Op het gebied van komedies is dit dan met mensen als Richard Pryor en vooral Eddie Murphy. Vaak worden zij gekoppeld aan een blanke. Opmerkelijk daarbij is dat “political correctness” ervoor heeft gezorgd dat de jongere Eddie Murphy de meerdere is van partner Nick Nolte, terwijl Pryor nog even dom was als Gene Wilder.

Langs vrouwelijke kant is er Whoopi Goldberg in “Sister Act” van Emilio “Dirty Dancing” Ardelino, een vrouwelijke versie van “Nuns on the run” en vooral een typisch Disney-product. Op dat moment was Ardelino al seropositief en tegen dat “Sister Act 2: back in the habit” eraan kwam, was zijn ziekte reeds in de terminale fase getreden, zodat Bill Duke overnam. Was de eerste film nog tamelijk grappig (zij het een toonbeeld van het huidige bon ton omgekeerde racisme: vervelende blanke nonnen, nochtans geleid door een schitterende Maggie Smith, worden hippe maar nog steeds godslievende meisjes dankzij jive sprekende zwarte zangeres), dan verzandde de tweede in meligheid. De “zangeres” Goldberg wordt hier immers eventjes een “undercover” muzieklerares om een aantal “hangjongeren” weer op het goede pad te brengen. Maggie Smith is wel nog van de partij, maar zoals Julie Burchill terecht opmerkt: “Ik weiger te geloven dat dit de echte Maggie Smith is, dit moet een kloon zijn!” Als men deze film vergelijkt met “The Sound of Music” of “To Sir with Love”, twee films waarop men zich klaarblijkelijk heeft geïnspireerd, dan wordt nog maar eens duidelijk hoe erg het is gesteld met het Hollywood Anno Hic et Nunc.

“Happy, Texas” daarentegen is een leuke komedie van Mark Illsley uit 1999. Het gaat over twee gevangenen (gespeeld door Steve Zahn en Jeremy Northam) die ontsnapt zijn uit de gevangenis van het dorpje Happy in Texas. Door een misverstand worden zij door de inwoners van het dorp onthaald als de juryleden van de lokale schoonheidswedstrijd. Een leuk uitgangspunt en goed uitgewerkt. Een beetje moraliserend aan het einde (de “bandieten” komen uiteraard tot inkeer), maar dat hoort nu eenmaal bij een Amerikaanse komedie natuurlijk…

Parodie

De laatste tijd zijn de meeste comedies parodieën op bestaande films. Eigenlijk heeft dit altijd al bestaan, maar meestal was het slechts een occasionele ingreep, die vaak uitsluitend door insiders werd herkend. Men zou misschien kunnen zeggen dat Mel Brooks het systeem is beginnen uitsmeren over een hele film, al ging met name “Airplane” (een parodie op de rampenfilms uit 1980) van de broertjes Zucker en hun vriend Jim Abrahams (de sequel uit 1982: “Airplane II” was van Ken Finkleman) toch enkele jaren aan “Spaceballs” (parodie op “Star Wars” uit 1987) vooraf, maar met “Blazing saddles” (1973), “Young Frankenstein” (1974) en “High Anxiety” (1977) had Brooks daarvóór dan weer resp. de western, de griezelfilm en de thriller aangepakt. Zijn andere films: uit 1970 “Twelve chairs”, “Silent movie” uit 1976, uit 1981 “The history of the world”, uit 1983 “To be or not to be” en nog later “Life stinks” en “Men in tights” waren van diverse kwaliteit. In 1996 was er “Dracula: dead and loving it” met Leslie Nielsen, die toen ook te zien was in “Spy hard”. Een Franse navolger van Mel Brooks was Jean Yanne (1934-2003) met “Tout le monde il est beau, tout le monde il est gentil”, “Les Chinois à Paris” of “Un quart d’heure avant Jésus Christ”.

In “Hot Shots” (1991) lieten de Zuckers “Top Gun” eraan geloven, maar geen enkel genre werd echter zo gretig aangepakt als dat van de erotische thriller: “Loaded weapon”, “Fatal instinct” en zelfs “Hot Shots, part deux” dongen elk naar de gunst van het publiek. Maar geen enkele parodiereeks is zo populair als die van “Naked gun”, gebaseerd op de TV-serie “Police Squad”. In de eerste film is er de beroemde scène van Leslie Nielsen die gaat plassen, zonder dat hij eraan gedacht heeft zijn draadloze microfoon uit te schakelen. Velen hebben allicht gedacht dat dit “over the top” was. Tot 30/10/1998. Dan had een belangrijke persbijeenkomst van de Fortisgroep plaats (overnamebod op de ASLK) en topman Maurice Lippens deed net hetzelfde, met alle gevolgen vandien…

In “Naked gun 2 1/2” (1991) loopt Priscilla Presley o.a. in lingerie rond met een colt tussen haar benen, iets wat ze ook van Elvis moest doen. De ondertitel is dan ook “The smell of fear”… In “Naked gun 33 1/3, the final insult” zitten er ook weer veel cameorolletjes o.a. van Pia Zadora, Raquel Welch en Olympia Dukakis.

Ook “Down periscope” van David S.Ward met Kelsey Grammer, Lauren Holly, Rob Schneider en Bruce Dern is een slapstick-film in de traditie van “Naked gun” of “Loaded weapon”.

En zo komen we ongemerkt bij, laten we zeggen, de minder subtiele humor. Zo is er de eindeloze reeks “Police Academy’s” (begonnen in 1984) en in 1983 was er zelfs een film die zich “Screwballs” (Rafal Zielinski) noemt maar wat eigenlijk een Canadese “Porky’s” is. De Porky-films zelf zijn van de hand van de Amerikaan Bob Clark, die in 2007 op 67-jarige leeftijd om het leven kwam in een auto-ongeluk. Samen met zijn zoon werd hij van de weg gemaaid door een dronken truckchauffeur. Het cynische is dat dit een typische grap uit de Porky-films zou kunnen zijn, zonder de fatale afloop dan uiteraard want het blijft toch een komedie…

Anderzijds dient te worden toegegeven dat uit dergelijke soort films ook soms grote talenten zijn naar voren gekomen, zoals Tom Hanks in “Bachelor party” (Neal Israel, 1984), Tom Cruise in “Risky business” (Paul Brickman, 1983) en Matthew Broderick in “Ferris Bueller’s Day Off” (John Hughes, 1986).

Vaak gaat het hier ook om baseball-films, omdat de Amerikanen daarin “hun adolescenten-fantasieën kunnen uitleven”, zoals Patrick Duynslaeger schrijft. Voor ons Europeanen is dit meestal een stuk ongein, zoals Charlie Sheen, die in 1989 samen met Tom Berenger te zien was in “Major League” van David Ward, die ooit het scenario voor “The Sting” schreef, maar dat hier duidelijk is vergeten (dit scenario werd trouwens geschreven door R.J.Stewart). Het vervolg, “Major League II”, haalde volgens mij de bioscoop niet, maar wel Filmnet. Het voornaamste is wel dat hetzelfde trio (Sheen-Berenger-Ward) van de partij, zodat het toch een “echt” vervolg wordt.

Deze jongerenfilms hebben trouwens zelf twee parodies opgeleverd in de vorm van “Wayne’s world” van Penelope Spheeris. Al geef ik toe dat je van de speciale “rockhumor” moet houden. De bekende “Bohemian Rhapsody”-scène is daarvoor cruciaal: als je hier niks aan vindt, ga er dan maar niet naartoe. In “Wayne’s world 2” vinden we uiteraard weer Mike Myers & Dana Carvey weer, maar ook de beeldschone Tia Carrere. Christopher Walken is de schurk die in deze parodie op Woodstock (Waynestock) probeert Carrere in te pikken. Toch is b.v. die parodie niet goed uitgewerkt, evenmin als die op “The Doors” of “The Graduate”. Beter is de manier waarop “Jurassic Park”, “Y.M.C.A.” of “Field of dreams” (“If you book them, they’ll come” i.p.v. “If you build it, they’ll come”) door de mangel worden gehaald. Maar het beste is de ontgroening van Garth door Kim Basinger alias Mrs.Hornay (“I’ll be frank” “Can I still be Garth?”). Aangezien Carvey het daarna voor bekeken hield, bleef een “Wayne’s world III” uit. Hun rol als “nerds” is trouwens overgenomen door Beavis & Butt-head, die zo karikaturaal zijn dat het… echte karikaturen zijn!

Echte “nerds” zijn dit natuurlijk eigenlijk niet. Nerds halen immers goede cijfers op school, wat anderzijds nu ook weer niet wil zeggen dat ze “slim” zijn, want ze kunnen b.v. nauwelijks auto rijden. Of een biefstuk bakken. En nerds dragen een bril en kunnen daardoor het meisje van hun dromen niet krijgen. Daarvoor moeten ze al een toverdrankje drinken, zoals Jerry Lewis in “The nutty professor”, het prototype van de “nerd”. Want van al dat leren word je toch alleen maar lelijk is de Amerikaanse moraal en daarom dat het er vol “nerds” loopt, maar dan meer van de “verkeerde” soort. George Bush mocht dan als president nog de wens hebben uitgesproken dat het doorsnee Amerikaanse gezin er beter als The Waltons dan als The Simpsons zou uitzien, het was al veel te laat. Het kwaad was al geschied.

Cosmo Landesman betoogt in The Sunday Times van 12/12/1993 dan ook dat het woord “nerd” nu wel degelijk toepasselijk is op de tweede soort. En de ommekeer ziet hij in de film “The revenge of the nerds” uit 1981, die de gebrilde nerds als verstoten minoriteit ter hulp wou komen. Van dan af was er geen lol meer aan. Als men ook al geen nerds meer mocht pesten (in de oude betekenis van het woord), dan kon men maar beter een nerd (in de nieuwe betekenis) worden. En sindsdien krioelt het in de Amerikaanse komedies van dwaze, domme klootzakken, die als rolmodellen naar voren worden geschoven. Want, wat erger is, de nieuwe nerds zijn niet meelijwekkend, maar ronduit ergerlijk. Vergelijk (in Engeland) het karakter van “Mr.Bean” met dat van Michael Crawford in “Some mothers do have ‘em” b.v. Uitschieters als “Wayne’s World” niet te na gesproken, betekende dit meteen ook het einde van de Amerikaanse jongerenkomedie. En aangezien er sinds de jaren negentig bijna enkel nog films voor jongeren worden gemaakt dus ook van de Amerikaanse komedie tout court. Tenzij u zo’n nerd (van de oude soort) bent die toch nog de gesofisticeerde prenten van Woody Allen verkiest?

Ronny De Schepper

 

(*) In een van de parodie-films, waarin Leslie Nielsen is gespecialiseerd, zit er een uiterst grappige scène waarin twee bandieten (een duidelijke hint naar “the water bandits” uit “Home alone”) wraak nemen op een knaapje dat verdacht veel op Culkin lijkt. “En dit is voor ‘Home alone’,” roepen ze, terwijl ze hem een klap geven. “En dit voor ‘My girl’!” “En dit voor ‘My girl two’!” “I wasn’t even in it,” probeert het joch nog, maar geen geluk!

(**) In de V.S. werd deze film om “politically correct” te zijn uitgebracht zonder een stotterende Michael Palin! Althans, zo wil men ons doen geloven. Ik kan me echter niet voorstellen dat het mogelijk is de film op die manier te verknippen, zonder niet hele scènes helemaal over te doen.

(***) Jà, het kan nog duidelijker. In 2003 werd er een zogenaamde prequel gedraaid van deze film (een sequel die echter vertelt wat voorafgaat i.p.v. wat volgt, de ondertitel is dan ook “when Harry met Lloyd”) en deze prent was nóg onnozeler. Dat had zelfs Jim Carrey door, want hij paste ervoor. Zijn rol werd hier overgenomen door imitator Eric Christian Olsen. Dat belet niet dat Carrey zelf daarna ook weer vreselijk cabotineerde in “The cable guy” (cfr.zijn versie van “Somebody to love”).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s