Dertig jaar geleden ging de bende van Jan De Wilde op pad en die bende was niet min, want dat waren de vroegere Centimeters van Raymond Van het Groenewoud…

« Natuurlijk zit er een vervelende kant aan, aan het feit dat men dat zo in de verf zet dat Urbanus mij in staat heeft gesteld om deze elpee te maken, maar ik ben me toch wel bewust van de publicitaire waarde daarvan. Het stimuleert zelfs de verkoop, in zoverre dat de winkeliers ze op basis daarvan intrekken. Nee, eigenlijk ben ik er niet door gefrustreerd. Hij heeft me gewoon een duw in de rug gegeven omdat hij vond dat ik deze plaat moest maken. Ik ervaar het dan ook eerder als een vriendendienst en niet omdat hij dat aan mij verplicht was of zo. En dat ik zou zitten schilderen van miserie ? Ach, dat is typisch Urbanus, hé, hij zet altijd alles dik in de verf. Maar ik was wel een beetje ongerust aan ’t worden, dat is waar. Hoelang kan ik dit nog volhouden, vroeg ik me af. Ik ben nu 43 en al kan je in mijn genre tot het bittere einde doorgaan, dan vond ik toch dat de tijd begon te dringen. Temeer omdat ik van oordeel was dat ik nog iets te zeggen had. Ik moest goedmaken wat ik in ’t verleden verkorven had door mijn luiheid en een zekere gemakzucht die ik altijd heb gehad. »
94 jan de wildeAan het woord is Jan De Wilde. Zes jaar na zijn laatste en zeventien jaar na zijn eerste heeft hij eindelijk een vijfde elpee op de markt gebracht. Men kan dus bezwaarlijk beweren dat hij zich aan overproductie bezondigt. Dat heeft o.a. te maken met zijn twijfelzucht. In het interview dat we van hem afnamen, geeft hij dat zelf toe i.v.m. zijn politieke opinies, maar eigenlijk is dat op alle terreinen zo. Het stopwoordje « eigenlijk » of varianten erop (« in feite », « feitelijk ») komen dan ook herhaaldelijk voor. M.a.w. Jan corrigeert zichzelf voortdurend.
Voor « De bende van Jan De Wilde » (zo heet deze nieuwste langspeler) heeft hij zich echter een ietwat kordater imago laten aanpassen door zijn nieuwe platenfirma (EMI i.p.v. Polygram) en soms lijkt het er zelfs op dat dit imago hem ook echt in zijn greep heeft. Het zijn juist deze boude beweringen die hem af en toe ontsnappen die we opzettelijk naar voren hebben gehaald. Omdat het inderdaad eindelijk eens tijd wordt dat Jan De Wilde een vuist maakt. Daarvóór heeft zijn licht al te zeer onder de korenmaat gestaan.
De elpee wordt mede gepromoot via een tournee, waarop Jan wordt bijgestaan door de prestigieuze Centimeters, die destijds een niet onaanzienlijk aandeel hebben gehad in de populariteit van Raymond van het Groenewoud. Aangezien wij voor de publicatie eerder mikten op de start van deze tournee — het is voor een blad als het onze toch een onmogelijke taak om te proberen « de eerste te zijn » — kwamen we achteraan een lange lijst interviews in alle mogelijke dag- en weekbladen en dan willen we het nog niet eens over al onze gewestelijke omroepen en lokale radio’s hebben ! De vraag lag dan ook voor de hand of Jan nog wel interesse kon opbrengen voor zulke vraaggesprekken, dan wel of hij, net zoals Hugo Claus bij zijn « campagne » t.g.v. « Het Verdriet van België » b.v., « schuifkes opentrok » waarin voor elke vraag wel een passend antwoord lag, er niet voor terugschrikkend dat dit antwoord wel eens compleet het tegengestelde kon zijn van wat hij gisteren of morgen zou verklaren…
Jan De Wilde : Het valt wel voor dat ik soms « verkeerde » antwoorden geef, ja. Zeker voor radio-interviews. Je wordt dan verondersteld van vlug te formuleren en dat kan ik niet, ik ben eerder aan de trage kant. En dat leidt soms tot een min of meer leugenachtig antwoord, dat ik — als ik daarop dan later kan terugkomen — dan wel eens corrigeer. Dat is dus echter niet opzettelijk, al kan ik me wel voorstellen dat het soms zo veel wordt dat je begint te « spelen ». Maar voor mij is het allemaal nog wel grappig, ik amuseer me nog. Voor mij is zo een pak interviews op een korte tijd een nieuwe ervaring.
— Wat me wel is opgevallen, dat is dat — buiten « De Morgen » — niemand, maar dan ook niemand, over het lied « Communisten » rept. Net alsof het eigenlijk niet op de elpee stond…
J.D.W.
: Ja, maar dat komt omdat er nog maar weinig over de elpee als zodanig is geschreven, wat me uiteraard een beetje tegenvalt. Ik dacht dat ze toch toegankelijker was dan vroegere platen, maar waarschijnlijk is dat niet zo. ’t Zal wel weer zoals altijd worden : journalisten die bij mij komen en zeggen « vijf jaar geleden heb ik je plaat gekraakt en nu heb ik er spijt van. » Dat is wel frustrerend natuurlijk.
— Kom, kom, Jan, je « kraken » dat heeft men toch nooit gedaan…
J.D.W.
: En Johan Anthierens dan ? Voor mijn derde plaat (« Knikkerterrorist ») belde hij me op met de mededeling dat hij ze ging beluisteren om te recenseren voor « Humo » en dat hij nadien dan zou terugbellen om nog wat telefonische vragen te stellen. Tien minuten later hing hij alweer aan de lijn met de mededeling « ik heb ze beluisterd en vind ze niet goed ». Echt waar, hé, op tien minuten had hij ze helemaal « beluisterd » ! Maar wat nu « Communisten » betreft, op plaat zal wel niemand zich daaraan storen, denk ik, maar in de zaal krijg je soms toch rare reacties. In ’t begin lacht men ermee, maar als ik er dan op ’t eind ook de fascisten bij haal, dan valt het stil. Dan vraagt men zich af : zou het dan toch een serieus liedje kunnen zijn ?
— Ook door de combinatie van zaken die wel eens aan het stereotiepe beeld beantwoorden, zoals die rode Lada’s, met totaal maffe zaken zoals die Micha Marah-opblaaspoppen…
J.D.W.
: Ja, dat is slapstick natuurlijk. Maar eigenlijk is het wel een serieus liedje, toegegeven. Ik wil ermee etaleren dat ik geen man van ideologieën ben. Daarvoor ben ik een veel te grote twijfelaar.
— Toch schakel je niet alle ideologieën gelijk. Niet in je privé-leven en ook niet in dit liedje, vind ik.
J.D.W.
: Nee. Maar, ik vergelijk ook niets. Ik verkneukel me alleen maar om heel doctrinaire mensen, van eender welke strekking. Maar verder voel ik me inderdaad meer op mijn gemak bij mensen die men traditioneel in het linkse vakje stopt. Mijn beste vrienden zijn communisten, wat daarom niet wil zeggen dat het KP-leden zouden zijn. Anderzijds heb ik van vroeger ook nog wel vrienden uit « het andere kamp » overgehouden en daar kom ik nog steeds goed mee overeen, al ga ik wel politieke discussies uit de weg.
— Over dat andere « ironische » nummer, « De Westvlaamsche Leeuw », wordt wél gesproken en ook al verklaar je dan dat je het in feite allemaal niet zo bedoelt, als ik een West-Vlaamse communist zou zijn, dan zou ik het moeilijker hebben met dit nummer dan met het voorgaande…
J.D.W.
:’t Zit natuurlijk wel subtieler in elkaar dan je kan uitleggen. Ik gebruik enkele van de meest gangbare clichés over West-Vlaanderen, maar juist door die zo op te stapelen krijg je een heel ander effect dan wanneer ik één cliché zou nemen om daarrond een liedje te maken. In het tweede deel corrigeer ik die clichés trouwens min of meer. Want al lachend wil ik eigenlijk aanduiden dat het West-Vlaamse ras toch iets heel speciaals is. Maar om dat duidelijk te maken zou het beter door een echte West-Vlaming geschreven zijn, ja. Ik heb bewondering voor West-Vlamingen, net zoals ik bewondering heb voor de weinige communisten die er nog zijn.
— Dat je zo over al die liedjes zit te tobben, bewijst dat ik gelijk had te twijfelen aan je uitlating op de persconferentie dat er deze keer minder « eieren » opstaan dan anders. Dat je m.a.w. deze
keer niet echt je ei kwijt moest, maar dat je gewoon « voor het plezier » liedjes hebt gemaakt.
J.D.W.
: Ja, die vraag van Jean (Blaute, de producer) was typisch van dat soort waarover je eigenlijk eerst eens zou moeten kunnen nadenken, ik heb daar maar lukraak op geantwoord. Het is inderdaad zo dat de meeste liedjes op deze plaat wel degelijk « eieren » zijn. Maar dan niet van het soort dat ze er absoluut uit moesten, opdat ik niet ziek zou worden. Ik heb immers een goede verhouding met tal van vrienden en als ik dus met iets zit, kan ik dat wel aan hen kwijt. Maar daarbuiten heb ik toch nog altijd de drang om iets te « maken ». Of het nu schilderijen zijn of liedjes maakt niet zoveel uit. Alleen, liedjes vind ik tot nu toe nog altijd het leukst. Al zou ik ook graag cartoons maken, maar dat lijkt me veel moeilijker, daarvoor moet je veel meer discipline opbrengen. Met liedjes kan je veel trager werken. Meestal laat ik een tekst een tijdje liggen om te zien of hij goed blijft dan wel of ik hem niet beter zou weggooien. En daartegenover staat dan weer dat, als je het dan uiteindelijk toch gezegd krijgt, liedjes een veel directer medium zijn. Het is het ideale medium eigenlijk.
– Daarover hebben we het ook zes jaar geleden reeds gehad en toen verbaasde je me werkelijk met de mededeling dat je eerst je muziek schreef en dan pas de tekst. Maar je had gelijk : in de fond zijn je liedjes muzikaal goed geconstrueerd. Toch vind ik, als je me dat dan niet kwalijk neemt, dat deze elpee nog « muzikaler » is en dan heb ik het niet zozeer over de arrangementen die naar mijn smaak nog iets « harder » hadden gekund (« inderdaad » werpt Jan ertussen), maar echt over de vorm van bepaalde nummers. Zo te horen naar één van mijn lievelingsnummers, « Sint Maarten », heeft je verblijf als bassist bij de groep Cuisine Cajun je alvast geen kwaad gedaan…
J.D.W.
: Juist, al heb ik altijd al veel belangstelling gehad voor muziek uit het zuiden van de Verenigde Staten, zelfs voor rock’n’roll in de jaren vijftig. Dat is echter nooit tot uiting gekomen in mijn liedjes, wat jammer is. Eigenlijk hou ik van te veel dingen. Ik hou ook van klassieke muziek b.v., vooral dan van Bach. En dan aan de andere kant is er dan die « harde » volksmuziek, zoals cajun, texmex, bluegrass en ook rock’n’roll. In feite zou je een plaat moeten maken per genre dat je bewondert…
— Zoals Ry Cooder…
J.D.W.
: Voor die man doe ik tien keer per dag mijn hoed af. Maar hier in Vlaanderen kan dat uiteraard niet. Onze zolen zijn al versleten van één plaat om de zes jaar aan de man te brengen !
— Wat je zegt over die muziek uit de jaren vijftig: de eerste plaatkant eindigt met twee nummers die a.h.w. een A- en een B-kant van een single uit die tijd konden zijn. « Otomobiel » met zo’n beetje « Peggy Sue »-drums en « Bij het gebulder » dat dan zo’n echte slow is.
J.D.W.
: ‘k Zie dat toch nog niet zo direct op een jukebox staan, hoor. « Otomobiel » heeft in ’t midden een break, dat is juist zo’n nummer dat harder en koeler had gekund. En dan “Bij het gebulder”… (barst uit in een « bulderende » lach). ‘k Zie het al gebeuren dat ze daar op de dansvloer staan te cheeck-to-cheecken op die ver-schrik-ke-lij-ke tekst (hij handelt namelijk over de Derde Wereldoorlog, die echt een oorlog zal zijn, zoals iedereen wel weet, « to end all wars », maar dan in de meest letterlijke betekenis van het woord). Oorspronkelijk had ik het bedoeld als parodie op nummers zoals « Mandolienen in Beiroet », vandaar dat ik het zing in de trage Elvis Presley-stijl die hier bij ons door Will Tura eigenlijk wel mooi is overgenomen. Maar terwijl ik de tekst maakte werd ik meegesleept. Vandaar alweer die tweeslachtigheid die overigens ook in de muziek zit. Op het eerste gehoor klinkt ze erg zoet, maar er zit opzettelijk een vals orgeltje in. Op mijn eigen bandje thuis was dat zelfs verschrikkelijk vals, snerpend, maar Jean heeft dat in de studio afgezwakt omdat anders iedereen dat nummer zou overslaan op de plaat. Trouwens ook nu nog staat het op verzoek van mijn vrouw speciaal daarom als laatste nummer : wie het niet kan aanhoren, kan de plaat daarvoor al omdraaien.
— Buiten Jean Blaute (uiteraard) heb je deze keer in de studio niet met de Centimeters gewerkt. Maar nu ga je er wel mee op tournee. Wat je overigens de nodige trak bezorgt, verklaar je zelf overal. Vreemd, want in ons interview zes jaar geleden zei je me dat je het zo’n « lieve jongens » vond, dat je zelfs met ze zou werken ook als ze niet zo goed zouden spelen…
J.D.W.
: Ja, ik heb dan ook meer trak voor mezelf. Ik vind mezelf echt een krukkerige gitarist, terwijl zij heel geroutineerd zijn. Als ze willen, spelen ze me honderd keer van de planken. Ik weet dat ze me appreciëren en dat ze me goed genoeg vinden, maar in feite ben ik op dat gebied toch maar een amateur…
— Nooit aan gedacht een tweede gitarist in dienst te nemen ?
J.D.W.
: Ik wel, maar zij hadden blijkbaar liever geen vreemde eend in de bijt. Nu zal Jean zowat vanalles doen. Hij heeft een nieuw machien waarin hij zelf klanken kan « samplen ». Hij kan daar dus evengoed doedelzak of saxofoon op spelen. En hij zal natuurlijk ook af en toe gitaar spelen.
— Ik ben erg benieuwd, niet enkel voor de nieuwe nummers, maar ook de oude. Ik vraag me trouwens af…
J.D.W.
: … of we « Rolstoel » zullen spelen, jaja. Dat is ook Jean zijn lievelingsnummer. Dat is immers de manier waarop we uit de oudere nummers hebben geselecteerd : ik ben afgegaan op wat zij graag wilden spelen. Tenslotte kan het mij niet zoveel schelen, ik ben over bijna geen enkel van liedjes beschaamd. En daarnaast gaan we dan ook nog « De ballade van honger en dorst » van Lieven Tavernier doen en ook « Haren-Buda » van Della Bosiers, dat laatste dan met bassist Mich Verbelen als derde gitarist. Dat is overigens een zeer goede gitarist, zo in Doc Watson-stijl. Enfin, variatie genoeg, zodanig dat als er nu nog een criticus durft te schrijven dat ik weer stuntelig ben en zo, dan ga ik die toch de keel dichtknijpen. Dat is zo’n mythe die me blijft achtervolgen en die stilaan toch wel erg onrechtvaardig is. Sommigen kunnen er zich maar niet mee verzoenen dat ik de klassieke theatertruuks weiger te gebruiken.
09 urbanus met de grove middelen— Je bent er niet gelukkig mee als confraters deze tournee zien in het kader van de zogenaamde « kleinkunstrevival », maar misschien kan je je er beter mee verzoenen als ik erop wijs dat er ook een blues-revival is. Dat men dus alles samengenomen opnieuw meer naar kleinschaligheid toe gaat, dat er ook weer meer luisterbereidheid is…
J.D.W.
: Die kleinkunst-wedstrijd op de BRT heeft met meer dan 300 inzendingen alleszins een onverwacht groot succes gekend. Ongetwijfeld zitten dus tal van mensen voor zichzelf liedjes te knutselen. Maar er is een tijd geweest dat iedereen zich ervoor schaamde om daarmee naar buiten te komen, omdat dit als oubollig en kneuterig werd beschouwd. En nu mag het weer. En dat gaat op voor een heleboel genres, ook voor blues, inderdaad. En daarmee ben ik erg tevreden. Persoonlijk hou ik van verschillende genres muziek en dat is maar normaal ook, voor een volwassen mens. Maar jonge mensen zijn heel gevoelig voor sectarisme in de muziek. Als ze b.v. van blues houden, dan zouden ze beschaamd zijn om daarvoor uit te komen. En dat vind ik erg, heel erg. Maar gelukkig mag je nu stilaan weer van kleinschaliger muziek houden, muziek voor minderheden.
10 jan de wildeReferentie
Ronny De Schepper, De bende van Jan De Wilde gaat op pad, De Rode Vaan nr.12 van 19 maart 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.