De Amerikaanse rock’n’roll-legende Chuck Berry is op negentigjarige leeftijd in St. Charles (Missouri) overleden. Het Laatste Nieuws meldt dat na een noodoproep hulpverleners ter plaatse kwamen die Berry probeerden te reanimeren, maar helaas kon geen hulp meer baten. De peetvader van de rock’n’roll overleed omstreeks half twee lokale tijd in zijn eigen huis.

Le Monde de la Musique noemt hem “Le Beethoven du rock’n’roll”, maar dat is een woordspeling die te veel voor de hand ligt, vind ik (wegens zijn eigen nummer “Roll over Beethoven”). Daarom geef ik de voorkeur aan Charlie Gillett die in “The sound of the city” schrijft: “Als belangrijkheid in de popmuziek zou worden gemeten aan de hand van vindingrijkheid, creativiteit, geestigheid en de vaardigheid om een gans spectrum van ervaringen en gevoelens in een muzikale vorm te vertalen, dan zou Chuck Berry worden beschreven als de voornaamste figuur uit de rock’n’roll.”
John Lennon zei zelfs: “Als je rock’n’roll een andere naam zou willen geven, zou je het Chuck Berry kunnen noemen.”
En Klaas Vaak, de legendarische deejay van Radio Veronica, formuleerde het als volgt: “Chuck Berry schreef van 1955 tot 1959 zo ongeveer twintig tot dertig klassieke rock’n’roll-nummers die net zo zeker de richting van de rock hebben gevormd als Ferenc Puskas en het Hongaarse voetbalteam dit bij het voetballen hebben gedaan en dit ruwweg ook nog in dezelfde periode. Gedurende die jaren leek het wel of Chuck niets verkeerds kon doen – hij reed op de rock’n’roll-fiets met een stijl die herinnerde aan Sugar Ray Robinson de andere grote negerkampioen van die tijd.” (1)
Charles Edward Anderson Berry werd op 18 oktober 1926 geboren in St.Louis (Missouri). “‘Johnny B.Goode’ is een armoedesong, maar zelf ben ik nooit arm geweest,” aldus Chuck zelf. “Ik ben geboren in een huis met drie slaapkamers: één voor m’n ouders, één voor m’n zusjes (2) en één voor de jongens. Ik ben ook niet in een ghetto opgegroeid, ik heb zelfs nooit iets van tegenstellingen tussen blanken en zwarten gemerkt in onze buurt. En ik woonde in een lelieblanke buurt! Later merkte ik natuurlijk dat het in andere buurten wel eens anders was, maar sinds ik optreed heb ik altijd voor een gemengd publiek gewerkt. En nooit last gehad!”
Chuck Berry’s muziek verschilt inderdaad zeer sterk van zijn rasgenoten. Hij is zeker de zwarte die, binnen de rock’n’roll – dus mensen als Nat King Cole buiten beschouwing gelaten (3) – het dichtste bij de blanken aanleunde. “Ik heb mijn accent bijgewerkt en mijn articulatie zodanig verzorgd opdat mijn stem uiteindelijk ‘blanker’ zou klinken.” Er is zelfs invloed van rockabilly te horen. Met name zijn debuutsingle “Maybellene” gaat terug op een hillbilly-song, genaamd “Ida Red”.
Toch nam hij op bij Chess in Chicago, het blueslabel bij uitstek. Niemand minder dan Muddy Waters had daar voor hem het pad geëffend. Willie Dixon was als bassist op haast alle nummers van de partij, net als pianist Johnny Johnson (4), terwijl op drums Jaspar Thomas, Ebbie Hardy en Fred Beelow elkaar afwisselden.
Zijn grote doorbraak kwam er op het Newport Jazz Festival van 1958, waar hij optrad, begeleid door de jazzband van trombonist Jack Teagarden. Hij demonstreerde daar ook zijn fameuze “duckwalk”, zijn eendenloopje met de gitaar aan de knieën over het podium. De verbouwereerde jazzliefhebbers wisten niet wat ze zagen noch hoorden!
Maar ze vonden het prachtig. Had die rare mijnheer o.a. niet gezongen: “I’ve got no kick against modern jazz, unless they try to play it too darn fast and change the beauty of the melody, until it sounds just like a symphony. That’s why I go for that rock’n’roll music”?
In het tijdperk van de “cool jazz” was het voor Chuck Berry niet moeilijk om de jazzliefhebbers op zijn hand te krijgen. Zelfs Henry Miller zei dat zijn teksten “afgestemd waren op de dingen die in de lucht hingen”.
En toch, “Chuck Berry was nooit echt een hele grote in Engeland,” weet Keith Richards van The Rolling Stones te vertellen. “Men hield van hem, zijn grote hits hadden hier een redelijk succes, maar toch… Misschien omdat hij nooit naar hier kwam? (5) Misschien omdat z’n films zoals Go Johnny Go (6) hier nooit werden uitgebracht wegens distributieproblemen?”
Op het einde van de jaren vijftig wordt hij echter de doos in gedraaid wegens schending van de eerbaarheid van minderjarige meisjes, een afwijking, die hem nog vaker in de problemen zou brengen (7). Toen hij in 1963 weer een vrij man was, was hij dezelfde niet meer. “Hij was koel, bitter en ver weg,” getuigde Carl Perkins. “Hij had alle ambitie verloren.”
Vanaf dan stond hij bekend als “take the money and run”. Hij trad uit zuinigheid enkel met lokale mensen (8) op (wat niet uitsluit dat bijvoorbeeld Bruce Springsteen op die manier eens met hem op het podium heeft gestaan) en hield zich strikt aan de minimumtijd op zijn contract.
De Nederlandse popjournalist Pim Oets is dan ook wel poeslief als hij getuigt: “Hij liep gewoon met z’n moccakleurige gitaar, in z’n bonte shirt en z’n lichte broek om het gigantische PA-system heen, plugde in, zei de menigte gedag, constateerde dat er technische mankementen waren en zei, door de microfoon, dat-ie Roll over Beethoven zou spelen bij wijze van opwarmer. En kijk, dat is gróóts – in plaats van wat pielen en stemmen, één van je million-sellers doen als geluidstest… En ’t dan nog uitstekend doen óók.”
Maar gelukkig namen anderen op dat moment de fakkel over. Toen de Beatles in Hamburg optraden, zongen zij al Chuck Berry-nummers en “Roll over Beethoven” en “Rock’n’roll music” zouden ze zelfs later op plaat zetten. De allereerste single van The Rolling Stones was al meteen een Chuck Berry-compositie (“Come on”) en ook bij hen zouden er later nog andere volgen (b.v.”Carol”). The Beach Boys tenslotte herschreven “Sweet little sixteen” tot “Surfin’ USA” en trachtten op die manier de kassa te omzeilen, maar dat was buiten de waard gerekend natuurlijk!
In 1966 ging Chuck Berry weg bij Chess om een lucratieve deal te sluiten met Mercury. Dat hij hier niets dan rotzooi zou uitbrengen, is nog zo erg niet, maar wel dat hij zijn oude Chess-opnames hier allemaal nog eens vlugvlug zou overdoen. Op die manier is het telkens uitkijken als je een plaat van Chuck in handen krijgt!
In 1970 keerde hij terug naar Chess en maakte er een elpee met de toepasselijke titel “Back home”. Toch zou het nooit meer worden als voorheen.
Ter gelegenheid van de gelijktijdige release van de film “Hail, hail, rock’n’roll” en “Chuck Berry, the autobiography” (uitg.Faber and Faber, 1987) was Berry te gast op het filmfestival van Berlijn, waar Johan Tits een gesprek met hem had. Het verscheen pas op 11 juni 1988 in Het Belang van Limburg en Tits stelt hem o.a. de vraag: “Wat is uw idee over de hedendaagse rockmuziek?”
“Ik moet u zeggen dat ik echt geen voorkeur heb voor bepaalde groepen,” antwoordt Berry. “Wat mij aantrekt zijn alleen de songs. Zo vind ik I am watching you van The Police schitterend.”
Uiteraard bestààt er geen nummer van The Police dat “I am watching you” heet. Wat Berry bedoelt is “Every breath you take” waarin de frase “I’ll be watching you” voorkomt. Maar belangrijker is dat Tits op dat moment blijkbaar nog geen weet had van de fameuze taxi-anekdote die in ons land over Chuck Berry wordt verteld. Tijdens een taxi-rit zou hij immers aan de chauffeur gevraagd hebben een bepaald nummer wat luider te zetten. De taxichauffeur zou deze anekdote later doorvertellen aan Raymond Van het Groenewoud, want het was inderdaad een nummer van hem dat op dat moment te horen was op de radio. En Chuck Berry zou toen gezegd hebben: “That is what rock’n’roll is all about” of zoiets.
Alleen… toen ik deze anekdote voor het eerst hoorde vertellen, ging het over “Maria, Maria, ik hou van jou”, terwijl ik nu onlangs op Canvas een documentaire over Raymond zag, waarin de anekdote ook ter sprake kwam, maar nu bleek het plotseling over “Meisjes” te gaan!
Hoe dan ook, Berry sluit de discussie af met de verrassende mededeling: “Eén ding is wel een feit en dat is dat ik nog steeds hopeloos verliefd ben op de big bands uit het verleden. Ik denk aan Glenn Miller, Harry James en noem maar op.”

Ronny De Schepper

(1) Jaja, en hij bokste als Stanneke Ockers, zeker!
(2) Eén van zijn zussen volgde zelfs klassieke pianoles, wat er trouwens toe geleid heeft dat Chuck noodgedwongen gitaar is beginnen spelen, want zij monopoliseerde de piano. “Roll over Beethoven” was dan ook woord voor woord geméénd!
(3) Het mag dan ook geen verbazing wekken dat Chuck Berry Nat King Cole als zijn grote voorbeeld citeert. Als gitaristen noemt hij eerder Charlie Christian, Carl Hogan, Elmore James en T-Bone Walker.
(4) Al is het Ellis Lafayette Leake die op het meest “pianogerichte” Berry-nummer speelt, namelijk “Rock’n’roll music”. Johnny Johnson maakte al in 1952 deel uit van een bluesgroepje, waarin Chuck gitaar speelde.
(5) In het begin van de jaren zeventig zou hij dat wél doen (met The Faces als begeleidingsgroep) en met de hieruit voortvloeiende live-opname van “My dingaling” zou hij zelfs een enorm succes scoren. Maar helaas had dit nog weinig met rock’n’roll vandoen… (The Faces zijn op “My dingaling” niet eens te horen.)
(6) In deze film van Paul Landres uit 1959 zingt Chuck uiteraard “Johnny B.Goode”, maar ook “Memphis, Tennessee” en “Little Queenie”. Hij trad ook nog op in twee andere films, maar daarin zong hij telkens maar één nummer. In “Rock, rock, rock” (Will Price, 1956) was dat “You can’t catch me” en in “Mister Rock’n’roll” (Charles S.Dubin, 1957) “Baby doll”. In 1970 draaide D.A.Pennebaker dan “Sweet Toronto”, dat eigenlijk over een optreden van John Lennon en The Plastic Ono Band gaat, maar in het voorprogramma waren een aantal (toen al) “oude” rockers te zien zoals Bo Diddley, Little Richard, Jerry Lee Lewis en, jawel, Chuck Berry. Aangezien Pennebaker op een bepaald moment ruzie kreeg met Yoko Ono (wie niet?), bestaat er ook nog een andere versie van deze film (zónder The Plastic Ono Band) onder de titel “Keep on rockin’” (1972). En in 1987 was er dan de concertfilm “Hail, hail, rock’n’roll” van Taylor Hackford, op initiatief van Keith Richards, waarin we nog eens uitgebreid konden zien wat voor klier Berry was geworden. Het mooiste filmfragment dat betrekking heeft op Chuck Berry is er dan ook één waarin hijzelf niet eens te zien. Het is de scène in “Back to the future” (Robert Zemeckis, 1985) waarin Michael J.Fox (in de realiteit is het Huey Lewis) zijn versie van “Johnny B.Goode” speelt. Hij kondigt het aan als “een oldie”, terwijl het nummer op dat moment nog niet eens geschreven is. De bandleader belt naar zijn “neef” Chuck Berry met de mededeling: “Weet je nog die speciale sound waarnaar je op zoek was? Ik denk dat ik hem gevonden heb!” En dan laat hij Fox horen. Ingenieus gevonden en zelfs dichter bij de “waarheid” dan men zou denken. Want helaas is de fameuze riff niet van Chuck Berry zelf: luister even naar “Ain’t that just like a woman” van Louis Jordan and his Tympany Five uit 1946 en vergelijk dan de gitaar-intro van Carl Hogan met deze van Chuck Berry, bijna twaalf jaar later…
(7) Dat hij zo laat is gedebuteerd, heeft ook te maken met het feit dat hij reeds op 17-jarige leeftijd drie jaar in de gevangenis had gezeten wegens gewapende overvallen. En in 1990 zal hij veroordeeld worden omdat hij verborgen camera’s op zijn toilet had laten installeren, zodat hij vrouwelijke bezoekers kon gadeslaan terwijl ze hun behoefte deden. Als gevolg van het onderzoek werd hij ook nog eens veroordeeld voor drugssmokkel en -handel.
(8) In die tijd (1965) haalde jazzbassist Roger Vanhaverbeeke (zij het soms onder het pseudoniem Ed Rogers) zowat alle jazzgroten naar België en hij begeleidde die dan met zijn eigen combo. Zo was dat ook het geval met Chuck Berry voor een optreden voor de RTB en zelfs één in Parijs. De tweede gitarist was Willy Donni en de pianist Willy Albimoor, alleen de drummer kwam mij niet bekend voor, want dat was Eddie Hunton. (Met dank aan Raymond Thielens)

Een gedachte over “Chuck Berry (1926-2017)

  1. Ongeveer halfweg staat een quote van Carl Perkins dat in 1963 Berry uitgeblust zou geweest zijn nadat hij uit de bak ontslagen werd. En geen ambitie?

    Einde 1963 (november) nam hij “You never can tell” op, één van zijn allerbeste nummers. Volgden daar direct op (begin 1964) “Promised land” en “No particular place to go”. Als dat nummers zijn van een uitgebluste, dan weet ik het niet meer.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s