Vandaag is het precies 165 jaar geleden dat de Russische schrijver Nicolai Gogol is overleden.

Nikolaj Vasiljevitsj Gogol werd op 1 april 1809 geboren in Oekraïne. Zijn ouders bewoonden als lid van de lagere kozakkenadel een klein landgoed. Zijn vader was een fervent toneelliefhebber, die echter vroeg is gestorven. In 1828 verhuisde Gogol dan ook met zijn moeder naar Sint-Petersburg. Daar zocht hij een baan bij de overheid. Het jaar daarop publiceerde hij zijn eerste gedicht.
Van 1834 tot 1835 was hij hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Sint-Petersburg. Dat was geen succes en hij nam zelf ontslag. Gogol gebruikte de ervaring in een satirisch verhaal, maar ook voor de novelle ‘Taras Boulba’. Pas in 1842 completeerde hij haar met enkele hoofdstukken tot de definitieve versie die door Johan Daisne in zijn werk over de Russische literatuur een “kozakkenroman” genoemd wordt. Een genre apart? Er werden inderdaad wel meer werken aan dit strijdlustige volkje besteed, zo o.m. ‘De kozakken’ van Tolstoi uit 1852. Hoe commentarieerde Daisne deze ‘Taras Boulba’: “schilderachtig, historisch, geografisch”. Het verhaal begint met de thuiskomt van de twee zonen van Taras Boulba, Ostap en Andrij, die enkele jaren studeerden in het seminarie te Kiev. Tijd, zo oordeelt de doorgewinterde kozak Taras, om ven hen echte mannen, kozakken te maken. Het drietal vertrekt naar het (historisch) hoofdkwartier van de kozakken, de setsj Zaporozje in de Oekraïne. Daar wonen, naast de locale bevolking, meer dan duizend strijders samen, in afwachting van te ondernemen actie. De kozakken, een ruige bende – die hun faam ontlenen aan geweld, plundering; die niets ontziend ten strijde trekken over grote gebieden, Anatolië, de Krim, Moldavië, Walachije, Turkije, over de ganse Zwarte Zee… Tegen hun vijanden, de Turken, de Tataren, de Polen, de ‘valse’ christenen, de roomsen, vooral de monniken moeten het ontgelden… Vechten, maar ook drinken, dobbelen, het veroveren van buit, een fraai beeld rest er niet van deze bende behalve dit ene: hun vaderlandsliefde, deze immers staat voorop. En de onvoorwaardelijke kameraadschap. Anderzijds is de tekening van de inerte samenleving niet fraai – de verveling wordt gecompenseerd met drank, weddenschappen – een permanente roes. Tot een bericht hen noopt ten strijde te trekken naar en tegen de Poolse stad Dubno. Deze tocht schildert ons de reis door de steppe in de Oekraïne, een beeld van de ruige, overweldigende natuur, de weidsheid van het landschap.
Uiteraard is Taras Boulba, een gevierd en gewaardeerd Kozak, met zijn inmiddels strijdvaardige zonen, van de partij. De duizendkoppige bende, die plunderend, brandstichtend, moordend oprukt, zal de Poolse stad belegeren, uithongeren. Maar de aanwezigheid van Andrij wordt opgemerkt door de dochter van een notabele in de stad, een meisje dat hem in Kiev had leren kennen… en hij haar! Andrij wordt de stad binnen gesmokkeld en tenslotte loopt hij over naar het vijandelijke kamp. Wanneer er voor de Polen versterking opdaagt, zij een uitbraak forceren, stort hij zich in de strijd en zal door zijn vader gedood worden. Het loopt slecht af voor de Kozakken, Ostap wordt gevangen genomen. Taras Boulba kan ontkomen. Hij zal zijn zoon die publiekelijk gemarteld en daarna terechtgesteld wordt in Warschau gaan zoeken, en het ‘schouwspel’ meemaken. Een gruwelijk gebeuren dat Gogol in staat stelt de ongezonde hang naar sensatie van de mens aan de kaak te stellen. Daarna zal de kozak nog eenmaal ten strijde trekken in een godsdienstoorlog met 120.000 kozakken, het zal hem fataal worden – ook hem zal de brandstapel wachten. Maar de kozakken zijn niet verslagen, niet uitgeroeid…
Hoofdstuk acht besluit met deze zinnen: “Hun roem zal over de hele aarde worden verbreid en alle latere geslachten zullen van hen spreken. Want ver reikt het machtige heldenlied dat gelijkt op dreunend klokkenbrons waarin de meester veel kostbaar zuiver zilver heeft verwerkt, opdat de schone galm verder zou dragen over steden, hutten, paleizen en dorpen om ieder zonder onderscheid op te roepen tot het heilige gebed.” Of Gogol de bedoeling had de kozakken te verheerlijken is nog maar de vraag natuurlijk. Hij schildert hen weliswaar als onversaagde krijgers enerzijds, maar gaat evenmin voorbij aan het feit dat het een bende drinkebroers is die uit is op plunderen, verkrachten, brandstichten, geweld om geweld… niet zo dadelijk een fraai beeld. Het ‘heldenepos’ stelde hem wel in staat om schitterende taferelen te pennen over het krijgsgewoel, de bestormingen, de lijf aan lijf gevechten – hij weet het zeer visueel, te gruwelijk te verwoorden. Daarnaast zijn er de beschrijvingen van de natuur, de landschappen waar deze legertroep doorheen trekt, de steppe, de Oekraïne, die in al zijn kleur en pracht ademend tot leven komt in deze bladzijden. En maken we kennis met de bevolking, met zeden en gebruiken, kleding, trekken we door dorpjes, langs een abdij, proeven we de sfeer van de joodse wijk in Warschau. Een verheerlijking van het bestaan van dit ruige volkje is het niet – hooguit een waardering voor hun moed, hun vaderlandsliefde, kameraadschap en geloof. En hun opvattingen, hun houding tegenover Turken, Polen, Tataren, Joden… Het wordt beschreven, ze zijn genadeloos. Alleen met de joodse bevolking leven ze vreedzaam samen in Zaporozje. Van hen krijgen we enerzijds het cliché voorgeschoteld – anderzijds duiken ze op als behulpzaam, vriendelijk al blijft enig winstbejag op de loer liggen maar individueel blijken het sympathieke figuren en buren. Binnen het historisch kader kan men Gogol vast geen antisemitisme verwijten. Dit is geschiedenis.
Het werk van Gogol, de door hem gecreëerde figuur van Taras Boulba, en de bijna legendarische kozakken zouden de verbeelding blijven prikkelen. En een dankbaar onderwerp vormen voor zo’n tien films. Een eerste klankloze werd in 1909 geregisseerd door Aleksandr Drankov. In 1936 was er deze van Alex Granowsky terwijl de bekendste ongetwijfeld de versie uit 1962 is, van J. Lee Thompson met Tony Curtis en Yul Brynner als Taras Boulba. Er is ook een opera geschreven naar het boek, en Leos Janacek componeerde in 1918 een driedelige rapsodie die telkens de dood van de hoofdpersonen, Andrij, Ostap en Taras evoceert. 

GogolBustStPetersburg

In 1835 legde Gogol zich volledig toe op het schrijven, terwijl hij zijn verdere leven bleef rondzwerven door Europa (o.a. hier bij ons: in 1844 verbleef hij enkele maanden in Oostende), hij woonde in Parijs en en op diverse plaatsen in Rome. Toch bleef hij slavofiel, zelfs in die mate dat hij de Russisch-orthodokse kerk een soort van Messianistische zending toedichtte. Zelf was hij ook uiterst religieus. Hij stierf dan ook door uitputting tijdens de vastenperiode in Moskou op 4 maart 1852.
Hét meesterwerk van Gogol is de roman “Dode zielen” (1842). De bedoeling was om een trilogie te schrijven, maar alleen deel 1 is geheel overgebleven; Gogol verbrandde dat deel van zijn werk waar hij ontevreden over was, zodat van deel 2 slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Achteraf had hij spijt van deze vernietiging. “Dode zielen” gaat over de landheer Tsjitsjikov, die langs andere landheren gaat om hun zogenaamde ‘dode zielen’ op te kopen. Lijfeigenen bleven immers ook na hun dood op de zogenaamde revisielijsten staan, die pas om de tien jaar werden vernieuwd (cfr.het toneelstuk van Gogol “De revisor”). Tsjitsikov zet daar dus een handeltje mee op dat winstgevend is voor alle partijen (een winwin-situatie zouden we nu zeggen, maar in de tijd van Anton van Wilderode gebruikten we dat woord nog niet). Hij koopt namelijk de dode lijfeigenen van verafgelegen hoeven op tegen een kleine vergoeding en hij verkoopt die door aan andere grootgrondbezitters die daardoor hun aantal lijfeigenen officieel kunnen opvoeren en zo nieuwe terreinen kopen van de centrale regering tegen een heel goedkope prijs. Levendig worden de ontmoetingen met deze zeer uiteenlopende personages beschreven. Als vader van het Russische realisme tekent Gogol ook haarscherp de verschillende zeden in de diverse uithoeken van Rusland. Anderzijds was hij ook een satiricus. Zo staat er in “Dode zielen” een sterk pleidooi voor de afschaffing van de slavernij, maar hij doet dat op een dermate ironische manier, dat men deze bedoeling pas veel later heeft ontdekt.
“Ik ken geen zo kneuterig stuk als Gogols Revizor,” schrijft Johan Daisne, “maar het is dat door zijn kostbare poëtische komiek : een spitse sociale satire, én een gemoedelijk schilderij van de kleinmenselijkheid onder het ancien regime op het Russische platteland. De Amerikaanse film The Inspector General van Henry Koster (1949) heeft er een moderne boert van gemaakt, zo dwaas als de middeleeuwse. Het gevaar is daarbij dat zulks de herinnering aan het origineel voor altijd bederft. Tenzij het tergende contrast de schoonheid van dat origineel nog scherper aanzet. Ik heb naar het publiek geluisterd: vox populi vond dat er in de prent wel enkele goede zetten voorkwamen, maar dat hij daarbuiten toch te gechargeerd was. Gogol is dus gered, zonder dat het publiek hem heeft leren kennen. Daarvoor was ook een Chaplin nodig geweest (in plaats van Danny Kaye, RDS).” (Rolprenten, p.58-59)
Daarnaast schreef Gogol ook verhalen zoals “De neus” en “Dagboek van een gek” (een toneelbewerking hiervan werd in de jaren zeventig gebracht door Henk van Ulsen), beide uit 1835. Later werden deze verhalen gebundeld in “Petersburgse vertellingen”. Een beroemde novelle van Gogol in deze bundel is “De mantel”. Over deze novelle schreef Vladimir Nabokov: “Met zijn onsterfelijke verhaal De mantel, werd Nikolaj Gogol de grootste kunstenaar die Rusland ooit heeft voortgebracht.” Nabokov heeft – zoals men kon verwachten – dan ook meer aandacht voor de surrealistische kant van Gogol dan voor zijn sociaal geëngageerd werk. Terloops stipt Nabokov ook aan dat de Engelse vertaling van Gogols werken talloze idiote fouten bevat. Zoals Wojciech Skalmowski schrijft in De Standaard van 19/7/1974: “Nabokovs literaire kritiek is niet minder schokkend dan zijn Lolita het was – en niet minder briljant. Zijn genre bestaat uit een zeldzame combinatie van pedanterie en originaliteit. Men hoeft over Gogol niets te weten – of zelfs niets te willen weten – en toch het boek boeiend vinden. Het is niet ‘nog een boek over Gogol’, het is een boek van Nabokov: met de schaduw van de ‘vader van het Russische proza’ vermengt zich hier de schaduw van de Engelsschrijvende kleinzoon, die alles behalve klein is.”

Ronny De Schepper & Johan de Belie

(met dank aan Jan De Smet voor Gogols verblijf in Oostende)

Referenties
Wikipedia
eigen nota’s genomen in de lessen van Anton van Wilderode
Vladimir Nabokov, Gogol, Amsterdam, Meulenhoff, 1974 (de eerste versie van dit essay dateert uit 1944)
Johan Daisne, Over oude en nieuwe rolprenten: de dingen die niet voorbijgaan, Antwerpen/Amsterdam, Elsevier/Manteau, 1980

Een gedachte over “Nicolai Gogol (1809-1852)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.