Jean Blaute viert vandaag zijn 65ste verjaardag. Ik ben hem éénmaal bij hem thuis geweest (die keer toen we naar dat optreden van Robert Charlebois reden). Toen woonde hij nog in Mollem, al was hij toen al gescheiden van Linda Van Waessenberghe. Die was bij de scheiding met hun dochter naar Brussel verhuisd en werd daar eerst de grote madam achter Clouseau en nadien in de modewereld.
Daarna, toen Jean gehuwd was met Terzake-medewerkster Hilde Dewindt, woonde hij in Leest en voor zover ik weet woont hij daar nog, ook al zijn ze nu uit elkaar. Evenwel niet zonder samen een zoon te produceren, Jens (°1987), die eind 2001 in de voetsporen van zijn vader is getreden (samen met zangeres Amaryllis Temmerman).

23 jean blauteWie herinnert zich nog de tijd dat Raymond van het Groenewoud zo goed als wekelijks in De Rode Vaan stond? Voor mij is het alleszins nog alsof het gisteren was. In die tijd werd hij nog begeleid door De Centimeters en alhoewel ik het persoonlijke genie van Raymond zeker blijf erkennen, voor mij was dit drietal onverbrekelijk met zijn glansperiode verbonden. Trouwens, noemde ik Raymond daarnet nog een genie, in zijn eigen hulde aan zijn begeleiders (het collector’s item “Wij zijn de Centimeters”) spreekt hij zelf van “een klein genie tot spijt van wie ’t benijdt” als hij het heeft over Jean Blaute (*), “de accordeonist uit Zottegem” zoals hij op de live-elpee “Kamiel in België” wordt aangekondigd. Op het Feest van de Rode Vaan editie 1978 had Raymond overigens een andere aankondiging voor Blaute in petto. Toen noemde hij hem “Jean De Schepper” en deze jongen is daarop nog altijd heel fier.
Jean Blaute is een ongeëvenaard multi-instrumentalist (ooit speelde hij zelfs rommelpot op een elpee van de Kadullen!), gewaardeerd producer (*) en onmiskenbaar komisch talent (o.a. in de Urbanus-filmpjes, “De Drie Wijzen” en “De Rechtvaardige Rechters”). Zelf heeft hij bij vele groepen gespeeld: Rock’n’Roll Highschool (met ex-Pebble Cel De Cauwer), Clee’s Five (met Clee Van Herzele, Griet De Bock, haar in 1974 overleden echtgenoot Dree Baekelandt – Jeans beste vriend – en Humo-redacteur Guido Van den Hauwe), later omgedoopt tot Kate’s Kennel, waarmee hij ook in Arca actief was.
33 Net voor de laatste avondpauzeHet eerste programma was “Net voor de laatste avondpauze” in 1973 met van links naar rechts Jo Decaluwe, Nele Vandendriessche, Luk Vandriessche, Griet De Bock, Kris De Braekeleer, Jean Blaute, Carmen Jonckheere en Dree Baekelandt, die van de scanner is gevallen.
44 Sursum cordaDaarna volgden nog “Sursum corda” (Jean Blaute staat rechts op de foto, samen met Griet De Bock, Mia van Roy en Dree Baekelandt), “Middelpracht en eeuwse praal” (1974) en “De zoon van Sursum Corda” (1976).
Jean: Je zal het nu wel moeilijk kunnen geloven, maar men vond mij toen blijkbaar zo’n goed acteur dat men mij op een bepaald moment zelfs heeft gevraagd vast lid te worden van het NTG-gezelschap!
– Maar humorist zijn is ook een fulltime-job. Overal waar ze hun gezicht laten zien, moeten ze de lolbroek uithangen…
Jean:
Ja, Urbanus heeft daar geweldig veel last van. Die kan op geen trouwfeest komen of hij heeft prijs. Dan roept de disc-jockey van dienst hem telkens naar voren, zo van “en nu gaat Urbanus eens een liedje zingen”. Op een keer was Urbain dat zo beu dat hij aan die gast vroeg: “En gij? Wat doet gij als beroep?” Die gast: “Ikke? Ik ben loodgieter, Urbanus.” “Wel, installeer hier dan eens vlug een WC!” (lacht)
Dat kabareteske aspect vonden we veel later (in het begin van de jaren negentig) ook terug bij Hugo Matthijssen en de Bomen, maar Jean maakte dus vooral ophef als “klein genie” bij de Centimeters, de groep van Raymond van het Groenewoud, die na de breuk met de Grote Leider ook nog met Roland en Jan De Wilde zou gaan optreden. Alle Centimeters hebben – individueel – later ooit nog wel eens met Raymond opgetreden. Bij Jean resulteerde dit rond de milleniumwissel zelfs nog in een CD (“Tot morgen”).
Daarnaast heeft hij nog een aantal uitstekende producties op zijn naam staan, meestal voor kinderen, zoals “Peter Pan” (1985, NTG), “Pinokkio” (1987, NTG) en “Suske en Wiske” (1994, KJT), maar ook voor volwassenen, zoals “Wolfsklem” met Jan Decleir en Els Dottermans (1986).
DE WOLFKES
Over “Wolfsklem” gesproken, in de tijd van de Centimeters trad Jean Blaute dikwijls op in een uniform van de “Wolfkes”, had dit een onderliggende betekenis? Zeg maar, een subtekst? Want hoe gelaagd kan een Blaute zijn?
Jean: Ik droeg dat toch alleen maar op het hoogtepunt van de Centimeters, hoor, daarna heb ik dat nu niet meer gedaan. Niet zozeer vanwege koude billen of zo, maar het was nogal nauw verbonden met de tekst van “Vlaanderen Boven”. Ik ben ook nooit lid geweest van die jeugdbeweging noch van een andere.
– Waarom niet?
Jean:
Ik voelde daar niets voor. Ik ben niet sociaal genoeg, denk ik, en toen zeker niet: ik zat veel liever op mijn eentje, in een hoekske met een boekske. Ik was m’n eigen beste gezelschap. Nog steeds. Ik heb er nog altijd een hekel aan om thuis te vertrekken voor een concert. Dan zinkt de moed me in de schoenen. Tot ik op het podium sta. Enfin, dit gezegd zijnde, heb ik ook iets tegen alles wat naar de kerk ruikt.
– Niet alle jeugdbewegingen zijn christelijk geïnspireerd…
Jean:
In mijn streek (Zottegem dus) kende ik er toch geen andere. Tenzij op sportief gebied, zoals turnclubs en zo, maar daar kon ik dan fysiek weer niet aan mee doen. Maar eigenlijk heb ik er toch nooit interesse voor gehad. Ik had vooral schrik van de kerk. Toen wist ik niet waarom, nu wel.
– Wat je vertelt, vertoont veel overeenkomst met de jeugd van Raymond van het Groenewoud…
Jean:
Inderdaad. Spijtig genoeg woonden we ver uit elkaar, zodat we mekaar nooit hebben leren kennen toen we nog klein waren. Maar ook ik heb net als hij pianoles en notenleer gevolgd en zo…
– Heb je ook als muzikaal wonderkind aan accordeonwedstrijden meegedaan zoals Raymond op de plaat “Kamiel in België” beweert?
Jean:
Neen, maar mijn vader Leonard (15/5/1929-23/6/2001) was accordeonist, vandaar…
62 The Eagles– Toch speelde je zelf al heel vroeg?
Jean:
Ja, mijn eerste orkest, toen was ik amper dertien jaar. Het heette The Eagles, net als die Amerikaanse groep. We hebben er trouwens nog over nagedacht om die gasten een proces aan te doen, maar ja, je moet voor iederéén de zon in het water kunnen zien schijnen, hé. Ikzelf speelde orgel bij The Eagles en we zongen liedjes van The Animals in dancings en op kermissen.
– Had je toen al vriendinnetjes?
Jean:
Nee, daar ging Marino Falco meestal mee lopen. Je zou dat nu niet meer zeggen, nu hij vooral bekend is van zijn Boma-worsten, maar dat was toen een kindster en die had heel veel succes, vooral bij de meiskes, en The Eagles hebben hem zo’n twee jaar begeleid. De eerste keer dat ikzelf verliefd werd, was op prinses Paola, toen ze op het punt stond te trouwen met prins Albert. Ik moet toen zo’n jaar of acht geweest zijn. Onmiddellijk daarop volgde Brigitte Bardot en nu is het Sofia Loren. En wat lokale activiteiten betreft: op twaalf jaar was ik verliefd op een meisje uit de school, maar ik keek er alleen maar naar, ik heb haar nooit aangeraakt. Ze heeft het trouwens nooit geweten. Mijn eerste kus heb ik gegeven toen ik veertien jaar was, maar dat was een grote ontgoocheling.
– Hoezo?
Jean:
Welja, ik had gedacht dat dat zeer romantisch zou zijn, rozengeur en maneschijn en zo, maar uiteindelijk was dat maar een stuntelig gedoe. ’t Is daarom dat ik een groot voorstander ben van porno. Als porno zoals we dat vandaag kennen, had bestaan toen ik zo oud was (of zo jong was dus), had ik op seksueel vlak zeker tien jaar gewonnen. Nu ben ik tot diep in de jaren zeventig blijven sukkelen, omdat ik niet wist hoe ik met een meisje moest vrijen en stierf van de faalangst.
– Zie je nu nog meisjes uit die tijd?
Jean:
Soms in het café in Zottegem, maar ik ken ze maar vaag meer.
– Zijn er meisjes die er nu mee “stoefen” dat ze vroeger met Jean Blaute gevrijd hebben?
Jean:
Dat weet ik niet, ik zal het eens aan mijn vrouw vragen. (Even later.) Ze beweert van wel.
– Was je een goede leerling?
Jean:
Ja, ik was altijd de eerste. En toch heb ik mijn middelbaar niet uitgedaan, omdat ik in de retorica ambras kreeg met de leraar Latijn, die me uitmaakte voor langharig werkschuw tuig, je kent dat wel… In het gezelschap van de bekende blues-muzikant Roland Van Campenhout heb ik mijn schoolboeken teruggebracht. Terwijl alle brave jongens net de trap opgingen, heb ik mijn boeken van die trap naar beneden gelazerd. Een fantastisch gevoel.
– Maar wat had Roland daarmee te maken?
Jean:
Ik kende Roland omdat hij geregeld optrad in een Zottegemse jazzclub. Hij kwam dan vaak bij ons logeren. Mijn moeder beschouwde hem als haar tweede zoon.
– Maar daarvóór was je dus altijd de eerste geweest en een boekenwurm, een ernstige eenzaat… werd je dan niet geplaagd in de klas?
Jean:
Neen, zeker niet, want toen was ik al een beetje showman. Ik deed nogal gek en vertelde veel grappen en zo. Toen ik een jaar of veertien was, kregen we nogal wat schilders over de vloer en wilde ik zelf ook schilder worden. Maar ik had het talent er niet voor. Daaruit heb ik ook de les getrokken dat “kunst niet kan zonder kennis”. Notenleer is bijvoorbeeld een extra-taal voor een muzikant. Toch wordt wie die beheerst hier veelal niet voor een verlichte geest, maar voor een rare kwast aangezien. Ik maakte ooit deel uit van een vaste equipe die soms sessies deed van twaalf nummers op zes uur: waarzin! Wij waren witte raven omdat we partituren konden lezen en speelden zelfs op Vlaamse schlagers. Maar het was niet mijn roeping om voor jan en alleman Eric Clapton of Keith Jarrett te imiteren, omdat ze Clapton of Jarrett niet konden betalen.
Maar die ervaring is wel belangrijk geweest voor mijn muzikale opleiding, die ik zonder problemen heb doorstaan. De zelfdiscipline die je nodig hebt als je piano wil spelen, heb ik tot mijn twaalfde heel goed kunnen opbrengen. Maar toen ik met mijn pietje begon te spelen, verslapte mijn aandacht, in tegenstelling tot het voornoemde pietje (lacht). Terwijl ik aan mijn fluit trok, bladerde ik in de lingerie-afdeling van de Unigro, het onvolprezen postorderbedrijf uit Sint-Niklaas. Op het moment suprême sloeg ik nog één bladzijde om, zodat ik klaar kwam bij het zien van een grasmaaimachine-met-hulpstukken (lacht). Gelukkig kreeg ik rond diezelfde tijd een gitaar in handen, een instrument dat mijn ouders absoluut niet au sérieux namen, om de doodeenvoudige reden dat het op de muziekschool niet onderwezen werd. Het was dus geen “officieel” instrument, maar ik was snel verkocht. Een jaar later kwamen The Beatles in mijn leven. Ik ging heel ver in mijn Beatles-verafgoding. Ik knipte àlle foto’s uit, kleefde ze in schoolschriften en schreef er zelf artikels onder. “The Beatles veroveren Australië!” Ik beeldde me dan in dat ik met hen was meegegaan. (***)
Sgt.Pepper’s was de eerste elpee die wereldwijd op dezelfde dag werd uitgebracht. Mijn moeder had de hele etalage volgehangen met de hoezen. Dat deed ze alleen voor mij. Ik ben echt wel een moederskindje. Tenminste een uur ben ik voor de etalage blijven staan. Daarna ben ik naar binnen gegaan en heb ik die plaat van vijf uur in de namiddag tot elf uur ‘s avonds gedraaid. En ondertussen de teksten van buiten geleerd. De volgende ochtend ben ik om zes uur opgestaan en begon ik opnieuw die plaat te draaien. Toen ik op school aankwam, was het alsof ik Sgt.Pepper’s zelf geschreven, gespeeld, ingezongen en opgenomen had.
– Toen ik mij “Sgt.Pepper” ging aanschaffen, vroeg de winkelierster (Feremans in de Akkerstraat in Temse) of ik de mono- of de stereo-versie moest hebben. Ik had toen een eenvoudig draagbaar pickupje en koos dus voor de monoversie, niet vooruitziend naar de stereo-installatie die ik niet veel later zou krijgen. Kort daarna kocht ik ook “Beatles’ Greatest”, een goedkope verzamelelpee met het vroege werk van The Beatles dat ik me destijds niet had mogen aanschaffen van mijn ouders. Deze keer vroeg de verkoopster me niet meer welke versie ik wilde. Platen waren nu de facto stereo. Voilà. En dus hoorde ik op mijn pickupje slechts één kanaal, zijnde dat met de instrumenten, want dit was “artificially enhanced stereo” en dus had men gewoon de zang naar één kanaal gedirigeerd en de instrumenten naar een ander. En mijn mono-pickupje pikte dus het “verkeerde” kanaal op. (Het was wel goed als voorloper van karaoke-toestanden: ik kon daarmee goed mijn nog net niet gebroken stem oefenen.)
Jean Blaute:
“Op de eerste stereoplaat van The Beatles had je inderdaad links de zang en rechts de instrumenten. Zo simpel was het toen. Wel, vanaf de tweede beluistering luisterde ik alleen nog naar het rechterkanaal.”
– Terug naar je eigen carrière: onlangs zag ik een documentaire over Marc Aryan op de RTBF en daarin zaten wel een paar verrassende beelden. Zo werd Aryan oorspronkelijk begeleid door The Chabrols (genoemd naar de filmregisseur? het werd er niet bij verteld), maar dan toonde men een foto en daarop zag men duidelijk op de drums: The Eagles. De foto moet zowat uit het midden van de jaren zestig geweest zijn, maar als “klein genie” zou je daar wel reeds deel van kunnen uitgemaakt hebben. Ik zag echter geen enkel jeugdig knaapje op de foto, dus ik neem aan dat je alvast niet voor de lens hebt gelopen. Vraag blijft echter: waren die Eagles van Marc Aryan ook de Eagles van Jean Blaute? Of waren er dus in totaal drié groepen die zich The Eagles noemden? Ik kan je ook nog zeggen dat als begeleiders van Marc Aryan de bekende jazzdrummer Bruno Castellucci werd geïnterviewd en ook ene Ralph Benatar, die volgens mij een succesvolle producer was in het disco-tijdperk. De vraag is dus ook: heb jij ooit met deze mannen samengespeeld?
Jean:
Dat waren andere Arenden. Ik heb wel veel met Bruno gespeeld , zowel in studio als live, en Ralph heb ik ook goed gekend als producer en arrangeur. Hij is jaren geleden naar LA getrokken waar hij inderdaad nogal wat disco heeft gepleegd en o.a. heeft samengewerkt met Billy Preston . De wereld is nogal klein , soms.
– Kun je nog een anekdote vertellen uit de tijd van The Eagles?
Jean:
Wel bij het eerste optreden van ons orkest gaf de gitarist mij een stekker en hij zei: “Steek dat eens in.” Ik stak hem in het stopcontact. Maar het was een aansluiting voor een versterker en heel de boel ontplofte. We hebben die avond niet gespeeld…
– Nog niet zo lang geleden is je nog iets minder aangenaams overkomen…
Jean:
Kerstmis ’78 was het, we kwamen met het camionnetje van Jan De Troyer terug van Nederlands-Limburg. Mich zat er ook bij. Slippartij in Ranst… Ben toen ongeveer zes weken hors service geweest. Ik zal je bij gelegenheid het lidteken laten betasten, maar niet verder.
HELLO YOUNG LOVERS
Kort nadat in 1980 een musical van zijn hand naar aanleiding van 150 jaar België de mist was ingegaan, nam Jean een eerste solo-elpee op, “Hello young lovers”. Intimistische muziek, die ook als “easy listening” zou kunnen worden bestempeld, ware het niet dat Jean aan iedereen die hem dat etiket wil opkleven een blau(te) oog heeft beloofd. Ook stond hij huiverig tegenover het feit dat instrumentale platen vaak als “opvullertje” of “achtergrond” worden gedraaid op de radio. Maar ook daaraan viel niet te ontkomen (een hele uitzending van Zaki’s “Kleinste keuze” bijvoorbeeld). Al zijn de auteursrechten in zo’n geval toch een balsem voor de wonde.
Onduidelijker was de ambitie van Jean om met deze elpee internationaal door te stoten. Waarom kregen sommige nummers dan een Nederlandse titel? Laten we ze trouwens even op een rijtje zetten…
“Diploma” is uitstekende westcoast disco. “That haunting melody” is het knapste nummer, waarin we nauwelijks nog “De Elfstedentocht” van Drs.P. herkennen. “Colonel Spannee” klinkt erg jazzy, “Mama Linda” is een Larry Coryell-achtig gitaarstukje samen met Roland. Op “Madagascar” klinkt de inbreng van Centimeter-drummer Stoy Stoffelen en TC-Matic-gitarist Jean-Marie Aerts een beetje teveel door en ook “Harnanas” maakt – net als het gelijknamige fanclubblad van RvhG destijds – weinig ophef, maar “Warfumm” is een uitstekend stukje romantisch pianospel. “Billy’s Bag” is dan weer in de stijl van Billy Preston, terwijl op “Simpel” Yvan De Souter imponerend tekeer gaat op de fretloze bas. “Johnny Muzak”, de naam zegt het al, sluit de rij.
Jean (in Humo): Op een nieuwjaarsreceptie zei mijn eerste platenbaas ooit vaderlijk-bewonderend: “Jean, zoals jij die pianotoetsen streelt… jij zou een Clayderman kunnen neerzetten die alle aan sherry verslaafde huisvrouwen unisono doet klaarkomen. Jean, ik zie het voor me: ik zie goud, villa’s, zwembaden, privéjets…” Ik heb eens vriendelijk geglimlacht en ben het daar afgebold. De politiek van platenfirma’s speelt zich af op marketing-vergaderingen. Ik weet niet wàt daar precies gezegd wordt en ik wil het ook niet weten. De laatste jaren is in het platenwezen de vergaderitis enorm uitgezaaid. Maar den deze doet daar niet aan mee. Mijn instrumentale platen zijn dagboeken en mijn enige echte ambitie is dat iemand als Philip Cathérine ervan zegt: “Bien joué”.
Ik ben wel Philip Cathérine niet, maar met voor elk minder nummer twee goede, vond ik deze plaat goed genoeg voor een achtste plaats in mijn jaaroverzicht voor 1982, die Jacky Huys in De Morgen heeft afgedrukt.
Jean: “Hello young lovers” zag ik aanvankelijk slechts als een visitekaartje, louter als studiowerk. Maar toen het daar zo goed klikte, was het bijna logisch dat we er een tournee aan koppelden. Ik ben daarbij ingesteld op een publiek dat gedeeltelijk uit is op een goede verzorgde muzikale avond, gecombineerd met “een luchtige noot”, in de breedste zin van het woord dan. En natuurlijk mag ook het romantische element zeker niet ontbreken. Maar het wordt zeker geen rock’n’roll of disco-avond.
Zo zag ik Jean & Friends op 8 oktober 1982 aan het werk in de toen nog totaal niet gerenoveerde theaterzaal van de Gentse Vooruit. Misschien was het optreden van Jean wel de aanleiding om hiertoe over te gaan, want allerlei technische problemen zorgden ervoor dat het eerste deel grotendeels de mist inging. Als lichtpunten noteerde ik enkel de onbeschrijflijk mooie “Elfstedentocht” en een nieuw nummer, “Zavel”, dat in dezelfde lijn lag. Het slotnummer, “Die opgehaalde schotbalken” (geschreven te Hastière, aldus Jean) liet echter verhopen dat er in het tweede deel nog vonken zouden worden geslagen.
En dat was ook zo, zij het dat de charme van dit dicht bij de jazz aanleunende optreden vooral in de sfeernummers lag. Zo werd je van “Na de liefde” en “Tien jaar”‘ en “De hemel stond vol sterren” (gebracht door gastvedette Johan Verminnen) werkelijk koud, al zal het uitvallen van de verwarming daar natuurlijk ook niet vreemd aan geweest zijn.
SOLO SLIM
In 1988 volgde er een tweede solo-uitstap, die deze keer de toepasselijke benaming “Solo Slim” meekreeg. Voor de tournee die Jean hieraan koppelde met de medewerking van o.a. Stoy Stoffelen (drums), Bert Candries (bas), Piet van den Heuvel (zang) en Paul Poelmans (klavieren), werd deze keer geen beroep meer gedaan op “gastvedetten”, maar daar stond tegenover dat de humoristische kant van Jean Blaute (zijn achterkant als het ware) nog wat meer in de spots werd geplaatst.
Dat hij muzikaal gezien ook meer terugviel op zichzelf, had logischerwijze ok te maken met het feit dat deze “Solo Slim”-elpee bijna letterlijk een solo-elpee is. Jean speelt met andere woorden zowat alle instrumenten zelf, zonder de inbreng van andere “young lovers”. Is dit te wijten aan de “huiselijke” manier waarop de nummers tot stand zijn gekomen?
Jean: Wel, het begint altijd met gewoon wat te zitten pingelen op het klavier. Principieel neem ik altijd alles op wat ik doe, zodat ik daar achteraf kleine stukjes kan uithalen, waarmee ik dan een nummer maak rond een bepaald thema dat me als het meest plezierig om te beluisteren overkomt. Nadien is er dan een soort van “morning after test”, waarbij het mijzelf tamelijk snel duidelijk wordt of het maar bullshit is of waard om aan de wereld te laten horen.
– Je nummers hebben allemaal nogal opvallende titels. Wat komt er eerst: de kip of het ei? M.a.w. is de titel soms een inspiratiebron voor een bepaald nummer? Neem nu “Firm buttocks” bijvoorbeeld…
Jean:
Nu neem je er juist een titel uit die de baas van de studio heeft bedacht. Dat is een Amerikaan en die houden van dikke billen. Maar in ’t algemeen probeer ik me in te leven in een soort van niet of wel bestaande film. Ik denk heel filmisch als ik muziek maak. Ik maak dus muziek voor nog niet gedraaide films. En daar verzin ik dan titels bij die ook de titel van de film zouden kunnen zijn.
– Hoe ben je dan tot de titel “I lie and I shuffle” gekomen?
Jean:
Dat heeft te maken met mijn… (aarzelt) laten we zeggen: niet zo geslaagde relatie met Bea Van der Maat.
– ? ! ? ! ? !
Jean:
Ah ja, ze beperkt zich immers tot het louter muzikale (lacht)! Er is helaas al een Won Ton Ton in mijn plaats.
– Maar je hebt wel accordeon gespeeld op haar single!
Jean:
Jaja, accordeon spelen dat mag ik wel…
– Die ambachtelijke accordeon ten spijt is je woning de laatste jaren ook een opslagplaats geworden van high tec. De meest wonderlijke computer staan er en dat hóór je ook op deze plaat. Onnodig dus om te vragen hoe je eigenlijk staat tegenover die technologische evolutie in de muziek…
Jean:
Ik ben inderdaad van het beestje bezeten. Al gedurende jàren. Nadat een huiscomputer zich bij mij is komen vestigen is er voor mij een wonderlijke wereld opengegaan.
– “I got my homecomputer, I got lots of floppy discs, as for my taste of music, I don’t take many risks…” Soms hou je je toch ook soms bezig met heel primitieve vormen van muziek? Ik denk bijvoorbeeld aan de liedjes van Urbanus. Heb je dan niet het gevoel dat al die technische snufjes een beletsel kunnen zijn voor je creativiteit?
Jean:
Nee, integendeel. Bovendien, het ene sluit het andere niet uit. Het is er gewoon bijgekomen, het is een verrijking. Kijk, je hebt een tekstverwerker, maar je hebt ook wat ik zou willen noemen een “muziekverwerker”. Eigenlijk is dat hetzelfde, maar dan voor muziek. Je kan er dus iets inspelen en er verder afblijven. Dan heb je hetzelfde resultaat als met een bandopnemer. Maar je kan die muziek ook gaan bewerken, net zoals je dat met een tekstverwerker kunt doen. Je kan een tekst door mekaar gooien, andere woorden inlassen of weglaten enzovoort. Zo’n dingen kun je nu ook met muziek en dat vind ik bijzonder boeiend, opwindend en ook wel handig. Als die computer er niet was geweest, had ik ook een plaat gemaakt en driekwart van de thema’s hadden daar ook op gestaan. Alleen had ik ze met meer muzikanten gespeeld waarschijnlijk.
– Voel je je dan niet eenzaam in de studio?
Jean:
In de studio wel, ja. Thuis niet. Daar heb je immers de opwinding van, groot woord, de creatie. Eigenlijk is het een ongelooflijke luxe dat je nu thuis je eigen moderne Decap-orgel in elkaar kunt steken (lacht). Maar in de studio mis je wel het oordeel van andere muzikanten, ja. Ik had trouwens ook geen producer. Dat zal een volgende keer zeker opnieuw het geval zijn. Ik zal wel dingen thuis blijven maken, maar in de studio ga ik er toch weer muzikanten bij halen.
– Ondanks je liefde voor kabaret en je zin voor humor maak je altijd zuiver instrumentale elpees, waarom eigenlijk?
Jean:
Juist wégens die liefde. Op die manier ben ik me er immers goed van bewust dat ik geen teksten kan schrijven van het niveau van een Jan De Wilde, een Raymond of een Drs.P. Al heb ik van deze laatste wel veel opgestoken over metrum, schriftuur en noem maar op. Vakmanschap boven artistieke pose, liever kunde dan kunst. Maar anderzijds wil ik ook niet aan handen en voeten gebonden zijn door die mensen voortdurend lastig te vallen met hen te vragen teksten voor mij te schrijven.
– Ze zouden het nochtans grààg doen, want “Bananen”, op tekst van Drs.P., was zelfs zoals men dat dan noemt “een radiohit” (****). En iedereen riep toen: dàt is het soort platen waaraan Vlaanderen nood heeft, eigen humoristische platen van niveau.
Jean:
Dat vind ik ook. En ik zal dan ook niet ophouden te proberen dat soort platen te maken. Alweer niet zozeer zelf, maar eerder als producer. Laat ik bijvoorbeeld Bart Peeters vooral niet tegenhouden… Toch is de hoofdreden om instrumentale platen te maken dat als je zeven jaar in de studio hebt gezeten als arrangeur, producer of muzikant, je wel eens de kriebel voelt om nu eens iets te doen dat je bij andere mensen niet kwijtkan.
– Je bent inderdaad producer geweest voor zowat Jan en alleman in Vlaanderen. Robert Charlebois vertelde me zelfs dat hij jouw productie van “Je veux de l’amour” beter vond dan zijn eigen opname…
Jean:
Ja, wijlen Jacky Huys formuleerde dat destijds heel mooi in “De Morgen”. Hij zei dat ik “de perfecte rechterhand” ben. Maar ik bén niet alleen de perfecte rechterhand, ik héb ook een perfecte rechterhand… waaraan ik sinds mijn twaalfde jaar enorm veel plezier beleef. (Lacht) Weet je, zoals zovelen van mijn tijdgenoten was ik als kind een Beatlesfan, maar in tegenstelling tot mijn vriendjes wilde ik niet John Lennon of Paul McCartney zijn, maar wel George Martin. Zijn naam was mij opgevallen op de platenhoezen: “produced by George Martin”. Eerst begreep ik niet wat dat wilde zeggen, maar toen er violen en toeters en blazers bij te pas kwamen snapte ik dat die George Martin daarvoor verantwoordelijk was. Hij werd mijn rolmodel.
– Instrumentale muziek heeft vaak zo’n aura van ernst, “De Vogelkesdans” niet te na gesproken. Hoe komt dat eigenlijk?
Jean:
Het heeft alleszins niets te maken met de muzikanten. De muzikanten die ik bewonder zijn over het algemeen zeer geestige mensen. Philip Catherine bijvoorbeeld. Ik ben dol op instrumentale muziek die vanuit een jazzy sfeer groeit, zonder daarom zuivere jazz te worden, in de betekenis van “zwaar op de hand zijn”. Ik vind niet dat je met gefronst gezicht en andere lichaamsdelen naar een jazzplaat moet zitten luisteren. De plaat die de meeste indruk op mij heeft gemaakt is daarom zonder enige discussie Heavy Weather van Weather Report! Toen ik deze plaat voor het eerst hoorde, kreeg ik werkelijk een schok, dat is het minste wat ik erover kan zeggen. In die tijd noemde men dit nog jazzrock omdat het woord fusion nog niet in de mode was, maar wat het ook is, het is een plaat van jazzmuzikanten die zich voor het eerst uitgebreid van syntesizers bedienen. Met name de uitgeweken Oostenrijker Joe Zawinul doet hier wel wat anders dan jodelen! Deze muziek sprak me zo aan dat ik er gedurende drie jaar bijna dagelijks heb naar geluisterd, tot ik eens naar een live-concert ben gegaan dat vier uur duurde en toen heb ik er gedurende een periode niet meer willen naar luisteren omdat ik dacht dat ik anders een soort sekte ging stichten ter ere van Weather Report of zoiets. Later is gebleken dat deze muziek een enorme invloed heeft gehad op de evolutie van de popmuziek. Vooral dan het basspel van Jaco Pastorius. Als je naar bepaalde popproducties luistert en in het bijzonder naar Paul Young, dan weet je wel vanwaar de wind komt. En ook de manier om synthesizers te gebruiken: lees het er maar op na in interviews met Stevie Winwood of andere keyboard-spelers. Ik vind wel dat Weather Report achteraf deze elpee niet meer heeft overtroffen. Of ben ik nu opnieuw over “Nooit meer drinken” bezig?
Maar goed, om een staaltje van humor te geven: Joe Zawinul beweerde eens dat alle syntesizers eigenlijk accordeons zijn. Net als ik is hij zelf aan de basis accordeonist en ik kan dus getuigen dat hij eigenlijk nog gelijk heeft ook. Maar natuurlijk kan niet iedereen daarom lachen. Maar doorgaans zijn die mensen zelfs geestiger dan de doorsnee-humorist.
– Naast instrumentale computerfreak en humorist blijf je toch ook een rasechte rock’n’roller?
Jean:
Oh ja, zeker weten! Alweer: het één sluit het ander niet uit. Het plezier dat je op een podium beleeft met een aantal gasten in een zeer populair en opwindend genre als rock’n’roll is onvervangbaar. Ik speel nog altijd erg graag met Roland bijvoorbeeld.
– Hoe verklaar je dat trends komen en gaan, maar dat mensen als Roland blijkbaar voor altijd blijven bestaan?
Jean:
Dat heeft vooral te maken met de persoonlijkheid van de man. Om nu bij het voorbeeld van Roland te blijven: ik vind die minstens even boeiend en interessant als eender welke Fabulous Thunderbird of George Thorogood of Rory Gallagher of noem maar op. Je kan natuurlijk weer de eeuwige treurzang aanheffen: ja maar in België… Maar daar heeft Roland geen problemen mee. Hij speelt maar en hij speelt goed. Hij speelt zelfs altijd beter. En hij zal dus ongetwijfeld tot zijn 65ste blijven doorgaan. En daarom zal ik altijd met veel plezier bij Roland gaan spelen als hij me dat vraagt.
– Hoe komt het dan dat die episode van Roland en de Centimeters zo vlug is afgelopen?
Jean:
Uit respect voor Roland moet ik daar heel voorzichtig op antwoorden. Ik hou immers heel erg van die man en ik wil niet dat mijn woorden ook maar dusdanig zouden kunnen worden geïnterpreteerd dat dit onze relatie zou schaden. Anderzijds moet ik zeggen dat Roland een freewheeler is. En terecht. Ik vind dat hij honderd procent gelijk heeft. Maar als je met een groep werkt, worden er zaken afgesproken, dat krijgt dus een zekere vorm van organisatie. En Roland kan daar eigenlijk niet goed tegen. In de beginperiode dweepte hij met dat gedoe met de Centimeters, maar op een gegeven moment begon hij daarmee te sjoemelen en deed hij weer “à côteekes”. Niet dat hij niet alleen mocht gaan spelen, maar dan geeft hij plots geen data meer door en merk je wel dat hij gaat spelen met Jefke en Pierlewiet van achter ’t hoekske. En zo groeit er dan een sfeer van: ja maar, zijn we nu “Roland en de Centimeters” of zijn we ook Pierlala? Maar we hebben daarover geen ruzie gehad, hé. Daarvoor kennen we Roland te goed. Je moet Roland loslaten. Dan werkt het goed. Maar als hij zich gebonden voelt, dan gaat hij op de duur flippen.
– En de Centimeters willen echt wel een groep zijn, niet zo maar een stelletje begeleiders. Dat bleek bijvoorbeeld ook duidelijk in de periode met Raymond van het Groenewoud. Zelf heb ik dat altijd vergeleken met The Beatles. Ik ben steeds een grote fan geweest van The Beatles, maar hoe goed de solo-elpees van John Lennon nadien ook mochten zijn, de magie was er niet meer…
Jean (wordt even stil):
Dat vind ik een mooie vergelijking.
– Met Raymond van het Groenewoud hebben jullie hoe dan ook het hoogste bereikt van wat ooit een Vlaamse artiest hééft bereikt. Toch gaven jullie soms de indruk dat het jullie geen donder kon schelen…
Jean:
Dat was een reactie op de zenuwachtigheid van de mensen van de platenfirma en zo. Die waren steeds ongelooflijk opgewonden over wat we deden of wat we zouden gaan doen. Die hadden altijd schrik dat we het op het podium zouden verbrodden. En niet helemaal ten onrechte, want Raymond kon soms echt uit de bocht gaan. Wij vonden dat prachtig op het podium, maar soms was het publiek niet mee. Daar trokken wij ons niets van aan, want we wilden dat het vooral voor ons geestig bleef. Voor mij is het alleszins een periode uit mijn leven waarop ik nog steeds met heel veel trots terugkijk. Die grote festivals die we toen gespeeld hebben (Torhout-Werchter, Pinkpop…), ja daar moet je alleen maar beuken, maar in kleinere zaaltjes voelden we ons echt in ons sas. Wij speelden daar nooit een nummer twee keer op dezelfde manier. En dat kwam uiteraard vooral door Raymond zijn ongelooflijke flexibiliteit. Raymond is niet alleen een muzikaal virtuoos, maar ook een taalvirtuoos of een podiumvirtuoos in zijn geheel. En daarmee bedoel ik niet dat hij een handige kwast is die zo eventjes een act uit zijn mouw schudt, nee, hij is altijd alert. En hij kan dat dan ook nog onmiddellijk verwoorden. Niet zoals wij nu bezig zijn, met hakkelen en stotteren, maar werkelijk terstond een totaal andere tekst voor een nummer verzinnen die volledig klopt met de maat, met het rijmschema, enfin met alles. En dat maakt het voor de muzikanten ook heel levendig, want we moesten constant op onze “qui-vive” zijn. Dat heb ik nooit tevoren en ook nooit meer daarna met iemand meegemaakt.
– Maar toch kan hij niet tippen aan wat bij mijn weten alleen jij en Eddy Wally hebben klaargespeeld, namelijk: optreden in China!
Jean:
Jawel, Ronny, ook de Chinezen zijn niet ontsnapt aan de R&R van uw dienaar, samen met Roland en Pieter‑Jan De Smet, ergens rond 1995. Wij hebben daar in Shangai de VRT‑Radio vertegenwoordigd op een internationaal radiofestival. Echt hilarisch, er waren ook Chinese volksorkesten, schoonheidskoninginnen, een Hawaiaanse crooner, noem maar op. Ik heb daar ook een soort voedselvergiftiging opgelopen waaraan ik bij momenten dacht dood te gaan. Dat komt ervan van padden en andere reptielen te eten! Maar jawel, het had ook leuke kanten. Na een TV-uitzending herkend worden op straat bijvoorbeeld. Ja, als ze daar over kijkcijfers beginnen, dan gaat dat meteen over 80 miljoen, hé. De VTM sponsors kunnen er enkel maar van dromen. Pieter‑Jan was ook een beetje tolk, hij spreekt een mondje Chinees, zijn madam is namelijk een sinologe en woonde op dat moment in Bejing, waar hij ook nog solo heeft opgetreden.
In 1990 was Jean de producer van “Turalura”, de hulde-CD van rockers aan het monument Will Tura. Bij die gelegenheid vertelde hij in Humo (de sponsor van het project): “Die man straalt een waardigheid uit én een bescheidenheid die je als je zijn nu al een kwarteeuw aanslepende status van plaatselijke wereldster in acht neemt, toch respect afdwingt. Hij heeft massa’s liedjes gemaakt waarvan er massa’s van redelijke tot goeie kwaliteit zijn. Over de teksten zullen we het nu niet hebben, want die zijn veelal van Nelly Byl en het is een publiek geheim dat dit één van de vele pseudoniemen van Hugo Matthysen is.”
Over de bijdrage van Raymond van het Groenewoud voegt Jean Blaute daaraan toe: “Hij zei maanden vooraf al dat hij niet met zijn eigen groep kwam, en vroeg of ik de muziek wou opnemen, zodat hij alleen de zang moest inzingen. Dus heb ik voor ‘Mijn airhostess’ zélf de klavieren, de gitaren en de blazers ingespeeld (gesampelde blazers) en de ritmesectie heb ik opgenomen met Mich Verbelen en Stoy Stoffelen. Raymond is dat komen inzingen, was heel tevreden en heeft niet eens gevraagd wie er op die backing tracks speelde… Dus zonder dat hij het weet, heeft hij eigenlijk voor het eerst sinds jaren weer een song met de Centimeters opgenomen. (lacht) Hij zal het te weten komen via dit interview, zoals wij vroeger altijd dingen te weten kwamen via zijn interviews!”
In de zomer van 2002 maakte Jean een tocht door Europa op de moto samen met fotograaf Michiel Hendryckx en acteur Wim Opbroucke. Als “De Bende van Wim” kwam deze tocht een jaar later op het televisiescherm. Bij de heruitzending in de lente van 2004 wordt Jean daarover nog eens aan de tand gevoeld door Humo en zo komen we alweer een onbekend aspect van de meester te weten, want hij wil zo graag een wielerwedstrijd op de moto volgen…
Jean: Jaaa! Ik ben een wielerfan, en vooral een complete Ronde van Vlaanderen-gek. Het gaat zelfs zo ver dat ik tegenwoordig zowel aan den départ als aan den arrivée van de Ronde achter het orgel zit! (Samen met Mich Verbelen en Stoy Stoffelen, RDS) Ik heb vroeger nochtans gezworen dat ik nooit kermismuziek zou spelen, maar één keer per jaar doe ik niet liever: het is een goed excuus om daar tussen de renners en de mensen te mogen zitten. Ik speel daar alles, van jazz tot Eviva Espana, plus de touchekes, zoals wij dat noemen: als Mark Uytterhoeven of Michel Wuyts een coureur op het podium roepen, speel ik bijvoorbeeld tàààrara boemtijééé! Of: wizzewizewis bombom!
In 2008 is in Bonheiden “Gedeelde Adoraties” in première gegaan, het nieuwe theaterprogramma van Jean Blaute en Eric Melaerts. Het éérste programma tesamen eigenlijk. Eric Melaerts vertelt erover in de Gazet van Antwerpen van 9/1/2008: “Die adoratie slaat op onze instrumenten en de muziek die Jean en ik ooit samen gespeeld hebben. Zo is kleinkunst een groot deel van ons leven geweest. De mensen krijgen van ons liedjes, daarbij is het gesproken woord niet onbelangrijk. Elk nummer moet wel een verhaal hebben waarbij we allebei iets kunnen vertellen. Wat we uit onze mond toveren, hoeft niet altijd prettig te zijn. We leggen niets op voorhand vast. Dat kan gaan om anekdotes of pure flauwekul. Tijdens een try-out hebben we het zelfs om de een of andere reden de hele tijd over de dood gehad. Het gaat zelfs over de adoratie die we voor elkaar hebben. De vriendschap tussen ons is zeer groot, hoor. De norm in Gedeelde Adoraties is dan ook gewoon dat we iets allebei goed moeten vinden. Eindelijk eens echt ons eigen goesting kunnen doen, dat was misschien wel het belangrijkste motief.”
De voorstelling was ook te zien in mijn geboortedorp Temse, meer bepaald in de Roxy, nu zowat de gemeentelijke schouwburg, maar in mijn tijd een bioscoop waar ik nog vaak “tetteke rus” heb gespeeld. Dat zou hen toch moeten geïnspireerd hebben tot een flamboyante prestatie!

Referenties
Ronny De Schepper, Jean Blaute in de gauwte, De Rode Vaan nr.13 van 1982
Ronny De Schepper, Jean Blaute on Tour, De Rode Vaan nr.41 van 1982
Ronny De Schepper, Jean Blaute on Tour, De Rode Vaan nr.44 van 1982
Ronny De Schepper, “Ik maak muziek voor nog niet gedraaide films”, De Rode Vaan nr.27 van 1988

(*) Raymond schreef voor zijn drie musketiers het hilarische “Wij zijn de Centimeters”, waarvan ik voor mijn kinderen een aangepaste versie heb gemaakt: “Wij zijn de Centimeters, drie kerels van stavast. Wij worden alsmaar beter van uitzonderlijke klas. Mijn naam is Ron De Schepper, ik ben niet kort van stof. Al ben ik geen opschepper toch zeg ik: ik ben tof (ja we zeggen hij is tof). Mijn naam is Roderick. Ik musiceer met vlijt. Ik ben een klein genie tot spijt van wie ’t benijdt (tot spijt van wie ’t benijdt). Ze noemen mij John-Paul. De Schepper is de naam. Ik ben een autorenner en op mijn drums eet ik banaan (en op zijn drums eet hij banaan).” Deze laatste wijziging van de oorspronkelijke tekst lijkt misschien een beetje vreemd, maar John die toen nog erg klein was, slaagde er niet in de juiste woorden fatsoenlijk uit te spreken.
(**) “Een ruwe schatting zegt dat er jaarlijks tenminste 300.000 LP’s, CD’s en singles zijn verkocht, waarbij Jean Blaute als producer of muzikant betrokken is geweest,” Panorama/De Post van 21/12/1990. En Jean zelf in Humo: “Als ik één frustratie heb, is het dat ik drievierden van de platen en CD’s die ik geproduced heb, zelf niet eens héb. Omdat men niet de moeite heeft genomen ze mij op te sturen. Ik probeer altijd een fan te worden van de groep waarmee ik werk. Al is dat niet altijd makkelijk. Het is niet prettig als een groep bij het eerste contact vlakaf zegt: tja, we hadden liever Dave Stewart gehad, maar ja, die kunnen we niet betalen, dus doen we het maar met u…”
(***) Die-hard fans zullen zeggen: waar heb ik dat nog gelezen? En, jawel, ik heb hier een beetje leentjebuur gespeeld bij de reeks “De wonderjaren” in Humo. Maar Jean had dat ook aan mij kunnen vertellen, hoor. Dat gesprek over zijn jeugd verliep echter over de telefoon en dan heeft een mens de neiging het toch maar zo kort mogelijk te houden.
(****) Enkele jaren eerder, in 1971 om precies te zijn, had Jean reeds een Engelstalige single uitgebracht, waarmee hij zowaar in “Echo” zijn opwachting mocht maken, maar als ik hem hierover naar meer details vraag, krijg ik hierop (in tegenstelling tot andere mails) geen antwoord. Het zal dus allicht letterlijk een jeugdzonde zijn geweest…

3 gedachtes over “Jean Blaute wordt 65…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s