In het kader van één van de vele herdenkingen van mei ’68 bracht de Gazet van Antwerpen in herinnering dat in Vlaanderen op theatraal vlak weliswaar “Mistero Buffo” het best in deze sfeer past, maar dat dit stuk wel uit het begin van de jaren zeventig dateert. Daarom was het geen onverdienstelijke prestatie om nog eens het Brecht-stuk “Man is man” boven te halen dat zowaar reeds in maart 1968 werd gebracht en dus eigenlijk op de gebeurtenissen van mei ’68 vooruitliep! De regisseur van dit revolutionaire stuk was Walter Tillemans, de man die ik samen met Johan de Belie in 1984 heb geïnterviewd n.a.v. het fameuze “Pak ‘m, Stanzi!” (De Rode Vaan nr.22). Omdat hij in dat interview zo te keer ging, had ik er als titel “Pak ze, Tillemans!” boven geplaatst en die is ook nu nog altijd van toepassing.

Walter Tillemans werd geboren in Antwerpen op 20 februari 1932. In de jaren vijftig werkte hij mee aan de Nevelvlek, een culturele kring die in 1951 door Frans Buyens was gesticht en waarvan ook Fernand Auwera, Jan Christiaens, Gust Gils, Hugues C.Pernath, Domien de Gruyter, Suzanne Juchtmans en Julienne de Bruyn deel uitmaakten. Deze laatste werd trouwens de echtgenote van Tillemans. Toneelvoorstellingen, door de Nevelvlek georganiseerd, gingen op specifieke locaties door. Dat kon b.v. ook een Flandriaboot zijn. In 1954 regisseerde Tillemans zo “Slachtoffers van de plicht” van Ionesco, wat toen nog absolute avant-garde was. Pas nadien stapte hij naar de Studio van het Nationaal Toneel (zijnde de KNS), waar Herman Teirlinck en Fred Engelen hem onder hun hoede namen.
In 1959 laat Fred Engelen Walter Tillemans “Het onbewoonde eiland” van August Defresnes regisseren bij de Studio Herman Teirlinck en in 1961 neemt Walter Tillemans in de KNS de regie van Brechts “Krijtkring” van Fred Engelen over. Zelf vertrekt Engelen naar Zuid-Afrika. De eerste professionele regie van Walter Tillemans was dan ook “De wonderdoenster” in de KNS met Julienne de Bruyn in de hoofdrol. Het werd meteen een groot succes en Tillemans was gelanceerd. Hij specialiseerde zich vooral in Brecht (“De goede mens van Sezuan”, “Moeder Courage” en “Man is man”). Deze laatste voorstelling, in het fameuze jaar 1968, was onverhuld gericht tegen de Vietnam-politiek van de VS. De reacties van de “burgerlijke pers” waren dan ook voorspelbaar: “infantiel en jammerlijk gedoe” (Gazet van Antwerpen) en “walgelijk” (De Nieuwe Gazet). De fascinatie voor Brecht belette niet dat Tillemans ook “klassieke” Shakespeares voor zijn rekening nam, zoals “King Lear” met Luc Philips in 1967. Er was ook “The Creation of the World and Other Business” (1972) van Arthur Miller, dat door het Théâtre National (geleid door Jacques Huisman) wordt gespeeld in een regie van Walter Tillemans op 6/11/1974. Maar hij werd ook in het buitenland gevraagd, zelfs in het fameuze Burgtheater.
In 1979 opende Walter Tillemans het nieuwe KNS-seizoen met “Het testament van Lenin” (“State of revolution”) van Robert Bolt. Bolt, die zelf nog communist geweest is, heeft vragen bij de rol van de staat in de communistische landen (volgens Lenin zou die rol steeds kleiner worden, maar het tegendeel is waar gebleken), maar schreef toch geen anti-communistisch stuk. Nog datzelfde jaar stapte Tillemans het af bij de KNS om zijn eigen Raamtheater op te richten. “Omdat er niet meer wordt nagedacht en omdat te veel goeie acteurs het gezelschap hebben verlaten,” vertelde hij Johan de Belie en mij twintig jaar geleden. En dat was juist want het eigenlijke ontstaan valt nog een jaar eerder te situeren, wanneer Frank Aendenboom de free-lancer Roger van Kerpel wilde regisseren in Gogols “Dagboek van een gek”. Hij zag dat oorspronkelijk als een tweede plateau voor de KNS, maar deze plannen werden gedwarsboomd.
“Het was dus vooral uit onvrede omdat de KNS net als de Studio Herman Teirlinck, het HRITCS en heel Vlaanderen Grotowski is achternagehold op basis van een misverstand. Van het begin af had men moeten begrijpen dat Grotowski een Pool is. Een katholieke Pool. Dat hij dus eigenlijk niet zocht naar een communicatief theater, maar naar een theater dat de ‘kleine gemeenschap’ tot ‘zuivering’ moest brengen, tot purificatie, door de marteling van het lichaam. Ik heb geen boodschap aan een theater dat het ‘hogere’ zoekt. Ik ben een heiden in die zaken. Ik wil een theater dat iets dat wij als mensen gemeenschappelijk hebben aanspreekt. Volkstheater dus. Alle grote theater is volkstheater: Shakespeare, Molière, Lope de Vega, de Grieken, de mysteriespelen, het Théâtre National Populair.”
“Ik ben erg sociaal. Ik lig niet wakker van mijn problemen. Ik heb geen problemen. Ik vind niet dat mijn problemen gemeenschappelijk kunnen zijn. D’r zijn problemen die ikzelf heb, maar die problemen zijn van de gemeenschap. Ik erger mij aan de lompheid van bepaalde toestanden in Vlaanderen, aan de onrechtvaardigheid van de wereld, maar dat zijn grotere problemen dan mijn eigen buikpijn. Toch heb ik nooit geloofd, en ik geloof het nog niet, dat het theater de wereld kan veranderen. Een theater dat dit gelooft is wel bijzonder pretentieus.”
“Natuurlijk heeft theater altijd wel de neiging om ijdel te zijn. Het theater ziet zichzelf als centrum van de wereld en daar heeft het eigenlijk geen ongelijk in. Op het moment van de opvoering is wat er gebeurt met dat publiek inderdààd een beetje het centrum van de wereld. Het is een wereld in miniatuur, een wereld onder de loepe. Maar hoeveel mensen zitten hier? Tweehonderd vijftig. Hoeveel zitten er in een grote zaal als vroeger het TNP? Drieduizend. Nou, wat zijn drieduizend mensen op het getal waarmee wij op deze aardbol leven?”
“Zelfs de massamedia zijn niet in staat de wereld te veranderen. Ik geloof dat alleen de sociale spanningen, de grote conflicten die er kunnen ontstaan tussen grote groepen, dat die veranderingen kunnen teweegbrengen. En daar kan het theater een weerspiegeling, een uitdrukking van zijn.”
“De individuen veranderen dan? Ik probeer niemand te veranderen. Ik heb een hekel aan mensen veranderen. Ik vind dat verschrikkelijk. Dat is iets voor pastoors. Men moet van de mens afblijven, men moet de mens mens laten zijn. Men moet alleen de omstandigheden veranderen. Men moet echter geen ‘nieuwe mens’ maken, dat is voor mij een verschrikking. Daar had Orwell gelijk in.”
“Mij boeit het echter vooral om dingen aan te raken die te maken hebben met ons samen-leven. ‘Er is geen moeilijker kunst dan de kunst van het samenleven,’ zegt Brecht. Da’s waar. Samenleven heeft te maken met cultuur. Dat is ergens een fatsoensgedrag. Dat is ongelooflijk interessant en hoe langer ik daarmee bezig ben, hoe meer ik besef dat het theater een spelvorm is die ons een cultuur van het samenleven bijbrengt.”

Toen al wond hij zich op over de subsidiëringspolitiek: “Probeer in godsnaam toch niet elke dilettant die denkt dat hij weer een grote vondst gedaan heeft, een subsidie te geven om in een kelderke te proberen het warm water uit te vinden.” In die optiek moest ook het “regisseurstheater” (op dat moment erg “in”) eraan geloven: “Wie ziet u immers op een voorstelling? Ziet u de regisseur? Nee, mijnheer! U ziet de acteurs en de acteurs zijn de dragers van het spel. Zelfs als ik werk van grote regisseurs als een Strehler zie, dan zie ik op de eerste plaats de acteurs. Ik zie ook de invloed van Strehler hoor, maar zelfs een Strehler matigt zich niet aan dat hij ‘regisseurstheater’ zou maken! Dat is een rare uitvinding, komende uit Duitsland, en in Vlaanderen lopen ze altijd die Duitsers achterna. Als de Duitsers naar het Oostfront gaan, dan gaan de Vlamingen ook naar het Oostfront, en als de Duitsers een soort nieuw theater uitvinden dan lopen die Vlamingen daar ook weer achter. En als ze in Duitsland ‘Theater Heute’ hebben, dan moeten ze hier in Vlaanderen ‘Etcetera’ hebben. Dat staat dan ook vol van geleerde woorden maar je weet niet eens waarover de voorstelling gaat. Ik begrijp er de ballen van. Al die theorieën over de afschaffing van de mythe van de acteur… Welke mythe? Welke acteur? Is de acteur een mythe? Dat wist ik niet.”
Na 13 jaar plannen, organiseren, bouwen, ophouden met bouwen, herbeginnen met bouwen, aannemers aanklagen, enz… is het de cultuurstad Antwerpen in 1980 eindelijk gelukt haar nieuwe schouwburg aan de Vogelenmarkt te openen.
Het geduld van de theaterliefhebber is ruimschoots beloond, want het complex kan wedijveren met de meest moderne schouwburgen van West-Europa, schrijft ofwel Jo Sneppe ofwel Guillaume Maijeur in De Rode Vaan (*).
Het was een goed initiatief van Dom. de Gruyter voor de opening, de Vlaamse legende van Tijl Uilenspiegel uit te kiezen, die een mooi voorbeeld is van het doorzettingsvermogen van het Vlaamse volk.
Wat een prestigieus kijkstuk moest worden ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Antwerpse stadsschouwburg, is uitgegroeid tot een matige egotrip van regisseur Walter Tillemans. Indien hij Tijl ten minste één uur korter had gemaakt, dan was het genotvol zitten in de tenslotte comfortabele nieuwe zetels van de nieuwe KNS er nog best bij geweest. Nu moest je van 20 u. tot 23 u. zitten aankijken tegen iets wat heel veel dode momenten bevatte. Wanneer zullen de toneelmakers eens eindelijk beseffen dat iemand die een zware werkdag of -week achter de rug heeft (en dat hebben de meesten van ons gelukkig nog) naar de schouwburg komt om er plezier aan te hebben ?
Met de eerste internationale gastvoorstelling van Richard II op 7 en 8 oktober jl. was het al net zo : één uur te veel. Als het dan nog van het goede was. Maar nee. In Tijl zie je de Vlaamse proleten in Breugeliaanse pakjes jazz-ballet dansen op een soort Brechtiaanse muziek (Wannes van de Velde in imitatie van Kurt Weill), en telkens als de actie (nou ja) net iets te langdradig is geworden, grijpt Serge Adriaensen (Tijl) naar de microfoon om een nummertje rockmuziek ten beste te geven — sidderende heupbeweging incluis.
Valt er dan niets positief over deze productie te vertellen ? Jawel : het decor met de draaischijf, de belichting en sommige speciale effecten, zoals de vloot van Den Briel waren knap en daar was het de KNS in dit openingsstuk onder andere om te doen. Het visuele wekte reminiscenties aan de groteske schilderijen van Bosch en Breugel. Ook de scènes met Filips II (Peter Strynckx) waren geslaagd in hun groteske enscenering. Was deze stijl volgehouden geweest doorheen heel het stuk, dan was het ons inziens niet zo de mist ingegaan.
Vele sinjoren hebben zich ook afgevraagd waarom geen Vlaams, of desnoods Nederlands stuk gekozen werd om de schouwburg in te wijden. Volgens Dom. De Gruyter voldeed echter geen enkel werk van een Vlaamse auteur althans aan de toneeltechnische én dramatische eisen die de KNS stelde. Wat mede de keuze van deze Russische Tijl-bewerking van Griogorij Gorin bepaald heeft is het dramatische aspect ervan : de 16de-eeuwse vrijheidsstrijder in conflict met het totalitaire katholicisme (Filips II, inquisiteur) én met sommigen van zijn eigen hebzuchtige en laffe volksgenoten (visboer, beul). Toch heeft ook wat dit aspect betreft de productie niet aan de verwachtingen beantwoord. De figuren traden niet allen even sterk naar voren en er kwam geen homogeen spel tot stand. Wat men heeft willen vermijden, was niettemin aanwezig : het geheel bleef sterk episodisch.
In 1983 fusioneerde het Raamtheater met Bent, wat mislukte zodat even later het Nieuw Ensemble Raamtheater werd opgericht.
In 1984 was het grootste succes “Arme Cyrano” van Pavel Kohout in een regie en decor van Walter Tillemans zelf. Met An Nelissen (Roxane), Karel Vingerhoets (Cyrano de Bergerac), A’leen Cooreman (Montfleury, Duenna, Lise, zuster Martha enz.), Eric Kerremans (Christian de Neuvillette), John Willaert (graaf De Guiche De Lignière), Roger Van Kerpel (Le Bret, de Valvert, Carbon de Castel-Jaloux) en Bart Van Broeckhoven (Rageneau). Muziek: SOF (met o.m. Eddy Vingerhoets). Karel Vingerhoets kreeg voor zijn prestatie de Oscar de Gruyterprijs en dat was zo maar eventjes de zesde keer dat een acteur of actrice uit een Tillemans-productie werd gelauwerd. De voorstelling was zo succesvol dat Tillemans ze ook in het Weense Burgtheater mocht brengen, waar Vingerhoets dan de rol van Rageneau speelde.
19/9/86: première in het Raamtheater van “Hamlet” in een bewerking van Pavel Kohout. Hugo Claus vertaalde en Walter Tillemans regisseerde Karel Vingerhoets als Hamlet, Julienne de Bruyn (zijn moeder), A’leen Cooreman (Ophelia), Bert André (Polonius), Roger van Kerpel (Claudius), Eric Kerremans (Laërtes) en Jean Verbert (Horatio). Muziek van Jan Leyers.
Het seizoen daarvoor had Bert André meegespeeld in een andere Shakespeare-enscenering van Walter Tillemans, “Midzomernachtsdroom”. Daarvoor was hij met Tillemans een ijzerwinkel binnengestapt en bestelde daar een vergiet. “Heb je soms ook een spiegel?” vroeg hij aan de verbouwereerde verkoopster, waarna hij het ding op zijn hoofd zette en aan Tillemans vroeg of het hem goed stond. Een scène die zo zou kunnen gebloemleesd zijn uit een verborgen camera-programma, maar Bert moest dit instrument in “Midzomernachtsdroom” inderdààd op zijn knikker zetten!
Alhoewel hij naar eigen zeggen vooral een stuk over jeugdwerkloosheid wou schrijven, haalt Guido Van Meir in zijn “Stoel van Stanislawski” ongenadig een “bepaald soort modisch regisseurstheater” onderuit. Geen wonder dat Walter Tillemans (als Brechtiaans regisseur door de nieuwe generatie verketterd) met plezier dit stuk creëerde (21/1/87).
In 1987 werd Tillemans voor zijn regiewerk bekroond met de Thaliaprijs. Tussendoor deed hij ook nog een paar gastregies bij Arca zoals Becketts “Fin de partie” in een decor van Marc Cnops met Julien Schoenaerts, Jo De Meyere, Mark Verstraete en Thalia De Leeuw op 15/10/1982 en “En attendant Godot” in een decor van Marc Cnops door Julien Schoenaerts, Jo De Meyere, Mark Verstraete en Jo Decaluwe op 08/09/1983. Op 4/5/84 ging in het Raamtheater “Pak’em Stanzi” van Claire Luckham in première.
Tot onze verrassing bleef « de grote massa » weg voor « Droom van een zomernacht », naar het fameuze stuk van Old Will en tevens de tweede « superproductie » van Walter Tillemans en zijn Nieuw Ensemble Raamtheater (niemand minder dan Pavel Kohout werd aangetrokken voor de bewerking en Hugo Claus voor de vertaling). Het succes van « Pak ‘em Stanzi ! » heeft dus toch blijkbaar weinig met intrinsieke theateraspecten te maken.
Anderzijds kunnen we de afwezigen moeilijk ongelijk geven, tenzij misschien voor het deel na de pauze en dan meer bepaald het ogenblik dat de ambachtslieden hun toneelvoorstelling opvoeren t.g.v. het huwelijk van Theseus en Hyppolyta.
Maar zoals gezegd, in het eerste deel valt er veel minder af te lachen met dit nochtans als komedie hoog aangeschreven stuk. Lag het aan Shakespeare zelf die te veel intriges door elkaar laat lopen ? Lag het aan een inadequate vertaling van « onze » Hugo ? (Daarop kunnen enkel fanatici instemmend antwoorden, vinden wij). Lag het aan Kohouts bewerking ? (Die was nochtans verder vindingrijk genoeg). Of… zou het dan toch aan de regie hebben gelegen ? Globaal treft de spelers immers geen schuld, zij het dat natuurlijk niet iedereen evenwaardig kan zijn.
De regie dus, jawel. Tillemans heeft « Stanzi » blijkbaar ook nog niet verteerd. Een paar catchgrepen hier, een aerobic-pakje daar en vooral, opnieuw het inlassen van enkele « songs » (?), slecht gezongen bovendien of moeten wij zeggen « gerapt » want « rapping » en « breakdancing » is de leuze. Nu hebben wij niets tegen een « actualiseren » van Shakespeare (tenslotte laste ook hij de hits van het moment in, vraag dat maar aan Rockin’ Johnny Dowland), maar dan moet het goed gebeuren. (De Rode Vaan nr.3 van 1985)
Daarna bracht Tillemans dan van Woody Allen “Midzomernacht-sex-komedie” in een regie van Etienne Debel en een decor van Marc Cnops. Met Mia Grijp (Adrian), John Willaert (Andrew), Lieve Cornelis (Dulcy), Guy Van Sande (Maxwell), Peggy De Landtsheer (Ariel), Martin Van Zundert (Leopold) in een vertaling van Herman Brusselmans.
Wall Street manager en amateur-uitvinder Andrew en zijn vrouw Adrian hebben vrienden uitgenodigd voor het weekend. Twee paren worden verwacht: Andrews vriend Maxwell, dokter en rokkenjager, die Dulcy, een seksueel zeer vrijgevochten verpleegster, meebrengt en Adrians neef Leopold, een nuchtere, rationele wetenschapper met zijn veel jongere en aantrekkelijke verloofde Ariel. Nog voor de gasten aankomen wordt het duidelijk dat Andrew en Adrian een probleem met hun seksleven hebben. Daarom verzwijgt hij ook dat hij Ariel vroeger gekend heeft en bijna een verhouding met haar had. Maar al van bij hun aankomst komt de leugen aan het licht en verscherpt de huwelijkscrisis, temeer daar Andrew zich opnieuw tot Ariel aangetrokken voelt. Ook Maxwell vergeet zeer snel zijn weekendliefje en flirt heftig met Ariel. Leopold observeert beide mannen met groeiend wantrouwen maar schept anderzijds behagen in Dulcy. Dit stuivertjewisselen leidt tot een wanhopige chaos, ook in de gevoelens. Jaloesiescènes, moord- en zelfmoordplannen zijn de gevolgen van niet uitgeleefde en nu naar de oppervlakte gewoelde seksuele verlangens. Maar de zomernacht en het toverbos zorgen uiteindelijk voor een kentering en brengen nieuwe/oude paren samen. En uitgerekend de scepticus Leopold beleeft een ware existentiële ervaring met de wereld van de geesten. (Antwerpen, Raamtheater, 15/11/91).
Van William Shakespeare werd “Driekoningenavond” gebracht in een regie van Walter Tillemans himself en een decor van Josef Svoboda. Met Nora Tilley (Olivia), Eric Kerremans (hertog Orsino), A’leen Cooreman (Viola/Cesario), Roger Van Kerpel (Tobias Blurb), Inge Van Olmen (Maria), John Willaert (André de Pukkelfacie), Dirk Lavrysen (Malvolio), Marc Lauwrys (Feste, de nar), Jan Bijvoet (Sebastian), Mark Stroobants (Antonio, Curio, kapitein, priester), Jef De Smedt (officier). Muziek: Jan Leyers; zanginoefening en arrangementen: Eric Melaerts (Antwerpen, Raamtheater, 1991).
Ondertussen aanvaardde Walter Tillemans toch opnieuw de leiding van de KNS, die hij dan samensmolt met zijn eigen Raamtheater.
In maart 1993 werd regisseur Henning Brockhaus bij opvoering van “Het bezoek van de oude dame” van Friedrich Dürrenmatt door Walter Tillemans naar huis gestuurd. Hij had daarbij de steun van de acteurs van KNS/Raamtheater die Brockhaus’ gebrek aan visie danig beu waren. Nochtans had Brockhaus hen reeds vroeger geregisseerd in “Burgerman en de Brandstichters” (eveneens van Dürrenmatt) en in “De goede moeder” van Goldoni, waarvoor hij de scène onder water zette. Maar nu kwamen zijn scenografische eisen hen de keel uit. Tillemans nam dan maar zelf de regie over want over “de cultus van het afgelasten” maakte hij zich terecht erg druk.
Tillemans moest trouwens stilaan op zijn budget beginnen letten, want reeds in februari stelde Bert Verhoye vast dat hij zwaar in het rood ging. Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn als het ook nog goede producties zouden zijn, maar vooral Wim Van Gansbeke was ongenadig voor Tillemans. “Anderzijds,” schrijft Verhoye, “blijft het Raamtheater, vooral door de inbreng van getalenteerde KNS-acteurs als Julienne De Bruyn en Frank Aendenboom wel zeer hoog scoren. Alsof de stadsschouwburg wordt leeggezogen om een vzw op peil te houden.” Alhoewel sommige beweringen niet helemaal klopten (Aendenboom en De Bruyn speelden reeds in 1981 in “Play Macbeth” in het Raamtheater!) reageerde burgemeester Cools toch met te zeggen dat Tillemans er best nog niet te zeker van zou zijn dat zijn contract automatisch zou worden verlengd en de CVP-schepen van cultuur Wellens sprak van de “vertillemansing” van de KNS. Om de vernedering voor te zijn, zegde Tillemans dan maar zelf de samenwerking tussen KNS en Raamtheater op en koos hij uiteraard voor zijn eigen theater. Hij werd hierbij gesteund door de voorzitter van de RVB, Hugo Morrens.
Maar het mocht niet baten. Dat bleek o.a. toen begin ’93 de nieuwe adviesraden voor het eerst werden gesplitst over “Nederlandstalige dramatische kunst, kunstencentra, muziektheater en dans”. Reeds bij het eerste advies was het prijs. Tillemans reageerde met een citaat van Peter Brook: “Ik zou u volgende raad willen geven: telkens u zich verveelt in het theater, verhul dit niet, geloof niet dat u de schuldige bent, dat u in fout bent. Laat u niet neerknuppelen door de mooie gedachte voor de ‘cultuur’. Vraag jezelf: ‘Is er iets mis met mij of met de voorstelling?’ U hebt het recht de verraderlijke en algemeen aanvaarde idee dat ‘cultuur’ automatisch ‘superieur’ is in vraag te stellen. Natuurlijk is cultuur iets heel belangrijks, maar de vage voorstelling van een cultuur die niet opnieuw onderzocht, vernieuwd is, wordt gebruikt als een knuppel om mensen te verhinderen gewettigde klachten te opperen. Wat zelfs erger is, is dat cultuur gezien wordt als een luxe-wagen of de ‘beste’ tafel in een goed restaurant, als een uiterlijk teken van maatschappelijk succes.” Niet zonder knipoog nam hij dan ook afscheid van de KNS met “De ingebeelde zieke” van Molière.
Tillemans slaagde er niet in aan de afbouw door Ivonne Lex een halt toe te roepen. Uit een studie die schepen Anthonis liet uitvoeren, bleek weliswaar dat in het seizoen ’94-’95 60.000 mensen de schouwburg bezochten, maar daarbij waren er 22% vrijkaarten en niet minder dan 55% waarvoor grote kortingen werden toegestaan. Tegenover 85 miljoen overheidssubsidie (40 van ’t Stad, 35 van de Vlaamse gemeenschap en 10 van de provincie) stond dan ook maar 18 miljoen eigen inkomsten, zijnde 12%. Tillemans werd opgevolgd door Frans Redant, de dramaturg van het NTG.
In zijn afscheidseditoriaal noemde Tillemans Redant “een bekwaam en integer man”, maar in november 1994 was het al hommeles, toen in KNS alweer een “stuk” van Jan Christiaens op het programma stond, zij het dat het deze keer een bewerking van Voltaires “Candide” betrof. Het werd opgevoerd in een regie van Walter Tillemans, maar dus reeds onder het beheer van Frans Redant. En meteen was er al herrie. Redant schrapte namelijk eigenmachtig drie scènes. Christiaens en Tillemans (die wegbleef op de première) waren razend, maar Redant verdedigde zich met als argument dat hij Tillemans er al lang op gewezen had dat het stuk in zijn totaliteit langdradig was en dat hij een paar coupures moest maken. Toen Tillemans dit vertikte, greep Redant “in het belang van het gezelschap” zelf in.
In het Raamtheater regisseerde Tillemans nadien “Amanda en de widowmaker”, een monoloog die Walter Van den Broeck speciaal voor Nora Tilley had geschreven.
Op 10 oktober 1995 werd Walter Tillemans na een hartstilstand in coma opgenomen in het Elisabethziekenhuis. Toen hij hersteld was, schreef hij zoals gewoonlijk een vlammend editoriaal, waarin hij zich afzette tegen het verzet van de Raad van Advies voor de cultuurspreidende opties van Tillemans (veel reisvoorstellingen): “Bij de vorige subsidieronde hebben we mogen ervaren dat onze beleidslijn niet gehonoreerd werd. Integendeel. Wij dienden in te leveren en ons bestaan werd zelfs bedreigd. Er gaan evenwel stemmen op tegen deze paradoxale toestand, tegen dit dictaat van de ‘incrowd’; de elitaire illusie van ‘kunst-kunst’, zowel in Vlaanderen als in Nederland. Dat theaterpolitiek een diepere en verderstrekkende actie kan hebben dan het economische aspect wil ik graag onder ogen brengen van al de belanghebbenden met het hierna volgend citaat uit Hans Boklands studie Wegen naar vrijheid, autonomie, emancipatie en cultuur in de westerse wereld.”
En dan volgt dus een lang citaat uit dit werk: “Een door Raymond Williams en Richard Norman genoemd motief om iedereen zo veel mogelijk toegang tot de cultuur te verschaffen, is dat deze toegang noodzakelijk is, wil elk individu kunnen participeren in de bestaande democratische structuren. Zelfbestuur vormt een wezenlijk onderdeel van de individuele vrijheid. De mensen die niet deelnemen aan cultuur, die wordt gevormd door de kwaliteitskranten, -tijdschriften en -omroepen; de literatuur, de kunsten en de wetenschappen, worden belemmerd in het participeren in, met name, de politieke besluitvorming. Dit omdat het hiermee gepaard gaande debat doorgaans wordt gevoerd in de termen, de concepten en concepties, van de ‘elite-cultuur’. Spreiding van cultuur is dus gewenst om de democratie werkelijk te laten functioneren, om mensen de mogelijkheid te geven invloed uit te oefenen op beslissingsprocedures waarvan de uitkomsten ook hen aangaan.”
“Een politieke reden om de autonomie van het individu te bevorderen, is dat dit tegelijkertijd een spreiding van verantwoordelijkheid betekent. Mensen die werkelijk vrij zijn, zijn ook verantwoordelijk voor hun eigen handelen. Daarom schrikken ze vaak terug voor vrijheid, verschuilen ze zich achter buitenindividuele autoriteiten, conventies, gewoonten en onwetendheid. Door het spreiden van autonomie wordt dit moeilijker of zelfs onmogelijk gemaakt. Het voorkomt aldus een weinig hypocrisie en opportunisme, en misschien zelfs een paar concentratiekampen. Alleen daarom al kan het worden gerechtvaardigd dat, om Rousseau te parafraseren, mensen worden gedwongen om vrij te zijn.”

Walter Tillemans blijft met zijn Antwerps Raamtheater dus stukken brengen die ook maatschappelijk iets willen betekenen. Daarvan kregen we op 22/11/1996 opnieuw een voorbeeld als Roger Van Kerpel met een monoloog te gast was in Theater Tinnenpot. Jean-Pierre Dopagne schreef een sterke tekst over een leraar, die vol idealisme aan zijn taak begon, maar door de onverschilligheid van zijn leerlingen en zijn collega’s al vlug opnieuw met zijn beide voeten op de grond terechtkwam. Een situatie waarmee velen van ons vertrouwd zijn. Iedereen heeft immers in zijn familie- of kennissenkring wel zo’n oud-68’er die na twee Duvels zijn gal begint te spuwen. Het verschil is echter dat, wanneer hij ’s morgens die andere vijf Duvels er ook letterlijk heeft uitgekotst, hij terug braaf naar zijn schooltje trekt, boekentasje onder de arm. Niet zo in deze monoloog echter waarbij de man zodanig getergd wordt dat hij zich ontpopt als een massamoordenaar. Al zingend: I don’t like mondays, waarschijnlijk.
In 1997 legde Tillemans er dan toch de riem af en gaf de directie van het Raamtheater door aan Marc Cnops: “Financieel ging het er net iets beter aan toe. Tot de minister, die brave Hendrik, ons vijf miljoen afneemt om aan zijn vrienden in Kortrijk te geven. Dat eindeloze gevecht tegen de Vlaamse bierkaai ben ik zo beu. Dit is een onnozel land en de mensen die zich met theater bezighouden zijn ook onnozel. De intolerantie in het theater neemt toe. Laten wij niet vergeten dat het theater bestemd is voor aardige mensen die geïnteresseerd zijn. Theater is een menselijke aangelegenheid, het is geen spel van codes en rebussen. Daar ben ik nooit mee bezig geweest.” (tegen Geert Sels in De Standaard van 28/2/97)
In 2000 ging men nog een stapje verder en dreigde het Raamtheater te worden opgedoekt. Hiertegen werd geprotesteerd door o.a. Hugo Claus, Herman Brusselmans, Walter Vandenbroeck, maar ook Jean-Luc Dehaene.

Ronny De Schepper

(*) Beide correspondenten (de eerste voor theater, de tweede voor opera) hadden een stuk ingestuurd dat door mezelf tot één artikel werd verwerkt.

Een gedachte over “Walter Tillemans wordt 85…

  1. Hoi Ronny,

    fijn artikel. Ik heb destijds heel veel opvoeringen in het Raamtheater gezien.
    Voor mij blijft “Stoel van Stanislawski” als één van de meest aangrijpende stukken in mijn geheugen gegrift.
    Groeten,
    Jan

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.