In 1866 kreeg Johann Strauss jr. (1825-1899) de opdracht een werk te schrijven voor de Wiener Männergesangverein. Zo ontstond An der Schönen Blauen Donau. Hij schreef de wals in zijn toenmalige woonhuis aan de Praterstrasse 54 in Wenen, dat tegenwoordig het Johann Strauss Museum herbergt. Bij de première op 13 februari 1867 kende deze koorwals maar weinig bijval. Pas toen de componist in mei van hetzelfde jaar het werk tijdens de Wereldtentoonstelling te Parijs dirigeerde, werd het een triomf en begon zijn zegetocht door de wereld. Het is bekend dat Johannes Brahms een enorme bewondering voor deze wals koesterde (“Leider nicht von Brahms“). Op zijn concerten bracht hij er vaak een sensationele pianovertolking van. In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide dit werk uit tot het meest gespeelde stuk in Oostenrijk en werd het een soort nationale hymne. De Wiener Philharmoniker sluit traditioneel het nieuwjaarsconcert af met deze wals en met de Radetzky-mars. (Wikipedia)

Die andere publiekslieveling, de Radetzky-mars dus, is wel van zijn vader, Johann Strauss sr. Niet dat junior zich te beroerd voelde om marsen te componeren, zijn “Egyptische mars” was – zeker in de uitvoering van Jos Van Immerseel met zijn Anima Eterna – een ontdekking. Maar typisch is dat de marsen van junior helemaal niet (of toch veel minder dan die van senior) martiaal klinken. Die “Egyptische mars” heeft zelfs in zekere mate iets erotisch, misschien mede onder de invloed van de lokale buikdansmuziek?
In tegenstelling tot Marc Minkowski in de Vlaamse Opera destijds is ook Philippe Herreweghe niet te beroerd om ter gelegenheid van de feestdagen een “lichtvoetig” programma te brengen: “Ik doe die muziek graag. De beste westerse muziek is triestig, maar er bestaat ook zware muziek die slecht geschreven is. Omgekeerd bestaat er goede muziek van lichte makelij. Bach heeft er zo geschreven, Mozart en Offenbach ook. De vrolijke dansen en marsen van Johann Strauss zitten goed in elkaar. Ik ben zeker niet de enige die dat vindt. Brahms, die toch vooral bekend staat als een diepzinnig componist, was een fan van Strauss. Ik breng Strauss en Brahms samen op het nieuwjaarsconcert. Weet je: een Bach-cantate is voor mij makkelijker te dirigeren. Bij Strauss zijn er ritmische elementen die nergens in de partituur staan. Die werden in Wenen in de praktijk doorgegeven, maar in België hebben we daar minder feeling mee. Meestal concentreer ik me volledig op de partituur, maar in het geval van Strauss luister ik graag naar collega’s die die Weense cultuur in de vingers hebben.
Bij Schubert stralen zijn symfonieën alle een zekere “droefheid” uit, ondanks de talrijke verwijzingen naar dansmuziek (vooral de “Ländler”). Dit kunnen we vooral opmaken aan de hand van Harnoncourts interpretatie: “De muziek van Schubert ‘weent’ altijd. Eigenlijk is het diepdroevige muziek die lacht. Daarmee is hij het perfecte tegendeel van Johann Strauss, die lachende muziek schrijft, die tevens huilt.
En Harnoncourt kon het weten, want ongeveer tegelijkertijd hield hij zich bezig met een kritische heruitgave van “Der Zigeunerbaron” (1885). Zo “herontdekte” hij veertig minuten onuitgegeven muziek. “Herontdekken” noemt hijzelf een groot woord, zijn voorgangers hoefden maar eens de stadsbibliotheek van Wenen binnen te lopen om daar de originele partituur te bekijken, maar nee, ze bouwden liever op elkaars “aanpassingen” verder. Vooral de finale van het tweede bedrijf had daaronder te lijden. Nochtans treffen niet alleen de dirigenten schuld: “Johann Strauss wou met zijn Zigeunerbaron eigenlijk een opera schrijven, maar zijn derde vrouw Adèle wou liever dat hij een operette neerpende, kwestie van meer geld in het laatje te brengen,” aldus Harnoncourt in een interview. “En de Weners hielden wel van operette, maar nog meer van uitgaan. En daarom diende er geknipt, zodat ze nog naar het restaurant konden.”
En Strauss gaf daaraan toe en alle dirigenten na hem deden op dezelfde manier hun duit in het zakje. Al is het wel merkwaardig dat het meestal de aria’s en duetten over deserteren zijn die sneuvelden. Misschien had de censuur er dus ook de hand in. Het verhaal van Ignaz Schnitzer (naar de novelle “Saffi” van Maurus Jókai) gaat immers over een verbannen landvoogd, wiens zoon Sandor opnieuw naar de vervallen bezittingen mag weerkeren. Daar wordt hij verliefd op de zigeunerdochter Saffi, die naderhand echter de dochter van de laatste Turkse pasja die Hongarije heeft geregeerd blijkt te zijn. Om haar waardig te zijn laat Sandor zich inlijven in het leger, waar hij zodanig carrière maakt dat hij in de adelstand wordt verheven. Later zou Strauss overigens wel voet bij stuk houden en toch een opera schrijven, “Ritter Pàzmàn”. Het werd echter geen succes. Ik zie het Adèle al triomferend zeggen: “Ziet ge nu wel!
De vader van Johann Strauss had zich zo lang mogelijk verzet tegen een muzikale opvoeding van zijn zonen Johann jr., Josef en Eduard, maar na de echtscheiding was er geen houden meer aan en de zonen (en vooral dan junior) zouden de vader inderdaad naar het vergeetboek spelen.

Referenties
Frank Heirman, “Als ik maar twee levens kon leiden…”, Gazet van Antwerpen 4 januari 2013
Ronny De Schepper, Johann Strauss: “Lachende muziek, die tevens huilt”, 3 juni 2014

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s