Vandaag wordt Koen Crucke 65 jaar. Ik ken hem al van in de tijd van de Opera voor Vlaanderen, een ervaring die hij trouwens nooit echt te boven is gekomen, toen het volkse karakter van de O.V.V. moest plaatsmaken voor de elitaire Vlaamse Opera. (Die wél succesvol is geworden, ik weet niet of Koen dit kan toegeven, maar in zijn diepste binnenste moet hij dit toch wel beamen, denk ik.)

De laatste tijd is Koen vooral bekend door zijn optredens met Willy Claes. De voormalige NAVO-baas heb ik uiteraard nooit geïnterviewd, al heeft Zijne Majesteit zich ooit wel verwaardigd om het woord tot mij te richten. Dat was tijdens mijn kortstondig verblijf op het kabinet van vice-minister-president Norbert De Batselier, onzaliger gedachtenis. Alhoewel ik daar officieel als perschef rondliep, werd ik overal buitengehouden, ook buiten de eetfestijnen die daar – terloops gezegd: vlak voor de deur van mijn bureau – dagelijks werden bereid. Toen ik daar dus noodgedwongen toch eens moest “binnenwippen” voor een boodschap, werd ik door Claes verzocht een fles water (geen Spa Rood maar Spa Blauw, van Claes had ik niks anders verwacht) mee te brengen. Hij dacht dat ik een “garçon” was! Enfin, ’t was natuurlijk zijn fout niet dat ik daar niet welkom was, dus ik kan er eigenlijk nog wel mee lachen. Anders zou ik het trouwens niet vermelden. Dat is immers het leuke aan zo’n blog. Ik beweer niet dat je zo maar een loopje kunt nemen met de waarheid, maar je kan ze wel zonder enig probleem verzwijgen. Vandaar dat ik wat afleuter over De Rode Vaan, waar ik “the time of my life” had, en dat je haast nooit iets leest over de even lange periode dat ik daarna voor de sossen heb gewerkt.
Maar goed, Koen Crucke heb ik uiteraard wél geïnterviewd. Eerst nog op De Rode Vaan, maar dat heb ik voorlopig nog niet teruggevonden, daarna voor Het Laatste Nieuws, weliswaar geen partijblad zoals de RV, maar toch de liberale vrienden niet ongenegen (*). In “Het Laatste Nieuws” van 10/8/2000 vernamen we trouwens waarom Koen Crucke in de gemeentepolitiek (VLD) is gestapt: hij wilde Gent een operettetheater bezorgen. Tien jaar geleden zou ik hem gelijk gegeven hebben. Daar is inderdaad “een publiek voor”, zoals hijzelf beweert. Alleen, en dat moet Koen toch ook weten: dat publiek sterft uit. Letterlijk dan, hoe triest deze vaststelling ook mag zijn. En nu, bijna twintig jaar na het ter ziele gaan van de Opera van Vlaanderen, stellen we dus vast dat de Vlaamse Opera bomvolle zalen trekt met een nieuw, jong publiek voor een nieuwe, “jonge” programmatie. Koen zelf mag daar voor of tegen zijn, dat maakt niks uit, het is gewoon een feit. De grote operetterevival daarentegen, die ons tien jaar geleden werd beloofd, is er nooit gekomen. Dat was de tijd dat zelfs iemand als Herwig De Weerdt zich nog geroepen voelde om een “hedendaagse operette” te schrijven. Niks meer van gehoord. Zelfs de tandem Frank Van Laecke/Dirk Brossé die hiervoor in de wieg lijkt gelegd, heeft geen interesse. Johan De Smet misschien wel, maar die is in staat het libretto te laten schrijven door Kamagurka en dan krijgen we vast iets anders dan wat Koen Crucke bedoelt. Nee, af en toe zal een klassieker uit het genre (“Das Land des Lächelns”, “Die Lustige Witwe” of de onvermijdelijke “Fledermaus”) nog eens opduiken, maar voor de rest is dit genre dood en begraven. En binnenkort ook zijn laatste fans…
Nadat hij verkozen werd, richtte Koen Crucke zijn pijlen vooral op Gerard Mortier. Met name diens project voor een Muziekforum in Gent probeerde hij met alle macht tegen te houden omdat het toch enkel maar Mortiers eigen megalomanie zou dienen: “Weet je wat zijn allereerste beleidsdaad was toen hij directeur van de Vlaamse Operastichting werd? Hij liet alle muziek-, foto- en decorarchieven letterlijk verbranden. Toen de huidige directeur, Marc Clémeur, een viering voor de grote Rita Gorr wilde opzetten, vonden ze zelfs geen foto meer van haar… Mensen die tabula rasa maken met alles wat voor hen geleefd heeft, vind ik ronduit gevaarlijk.” (Koen Crucke over Gerard Mortier in Humo van 8/1/2002)
Koen Crucke werd geboren op 11 februari 1952 in Gent, haalde zoals het voor iemand met zijn geaardheid hoort een kappersdiploma (**), maar hij zong liever. Hij wordt dan ook zanger bij het Novelty Combi van Firmin Steyaert en treedt vooral op op schippersbals in de Muide. Via Piaf, Brel en natuurlijk Will Ferdy, begint hij ook interesse te krijgen voor operette. Hij volgt les bij Yvonne Vanderieck en nadat hij een paar nummers van Franz Lehar heeft gezongen bij Karel Locufier, wordt hij op 18-jarige leeftijd aangeworven in het koor van Liane Soudan bij de Gentse opera, tegen een overeenkomst van zes maanden werken en zes maanden stempelen. Tijdens die stempelperiode volgt hij les aan het conservatorium.
Met Jeaninne Martony zal hij daarna gedurende tien jaar een quasi vast operette-duo vormen in de Gentse opera. Maar hij zong daar ook serieuze rollen. Zo was hij een jood in “Salome” van Richard Strauss in oktober 1983, begin ’85 speelde hij Triquet in “Yevgeny Onegin” en daarna zelfs “une voix, Porcus, héraut I & le clerc” in Honeggers “Jeanne d’Arc au bûcher” in april van datzelfde jaar. Nadat hij nog eens Sigismund Sülzheimer in “Het Witte Paard” (november 1985) had mogen zijn, was hij een half jaar later zelfs Skoeratov in “Kroniek uit een Dodenhuis” van Janacek. Uiteraard ging de rol van Sancho Panza in “The Man of La Mancha” hem beter af in mei 1986.
Op 16 mei 1987 kreeg de bekende Gentse tenor Koen Crucke (op dat moment vooral bekend via De Tijd van Toen) een huldeconcert aangeboden in het N.T.G. met zichzelf in de hoofdrol en dat ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van zijn professioneel scène-debuut. Dat was dan echter niet de scène van de Gentse opera want Koen Crucke is daar via een heel markante omweg geraakt…
Koen Crucke: Inderdaad. Ik ben begonnen in het lichte genre, vandaar de samenstelling van dit programma dat in samenwerking is tot stand gekomen met de BRT-afdeling amusement en kleinkunst, met het NTG en waarvoor ik de BRT-big band tot mijner beschikking heb. Ik ben namelijk ook wel thuis in musical en filmmuziek. Zo zal ik b.v. met Ivonne Lex Cole Porter brengen en met Lieve Moorthamer van het NTG een Irving Berlin-medley. En uit een heel ander genre is dan weer Wim De Craene te gast die speciaal voor mij een aantal nummers heeft geschreven.
— Nochtans is het ook niet met dat soort muziek dat u bent begonnen. Ik wist al dat u in een balorkest actief was, maar nu verneem ik ook nog dat u zowaar een kindvedette geweest bent!
K.C. :
Ja, maar dat was toch maar bij de scouts en zo, hoor. Professioneel ben ik echter pas — nou ja, « pas » — van mijn zestiende bezig, vandaar de titel « 20 jaar Koen Crucke ». Dat was inderdaad bij een balorkest, het Novelty Combo, maar kort daarna ben ik naar het conservatorium gegaan en heb ik een auditie gedaan bij Karel Locufier van de Gentse opera. Die zag wel meer mogelijkheden in mij en bood mij eerst een koorcontract aan, daarna verschillende kleinere rollen en tenslotte een volwaardig solistencontract.
— Maar welk soort muziek bracht je dan bij dat orkest ?
K.C.:
Oh, dat was dan Tom Jones en Englebert Humperdinck en zo, he. Niet dat ik b.v. niet van The Beatles hield, maar daar leende mijn stem zich niet toe. En, oh ja, voor het « betere Vlaamse lied » heb ik ook altijd belangstelling gehad. In die tijd was dat dan vooral Will Ferdy.
— Daarnaast is het heel onopvallend dat u vaak positieve recensies krijgt over uw acteerprestaties. Dat kan helaas niet van al uw collega’s worden beweerd. Dat acteertalent is trouwens niet opvallend voorbijgegaan aan bepaalde theaterdirecties, zoals die van het NTG of de KVS, die u ook reeds bepaalde rollen hebben aangeboden. Heeft dat te maken met uw ongewone voorgeschiedenis ? Heeft u zo een andere manier van aanpakken gekweekt?
K.C.:
Ja, ik vind het inderdaad een voordeel op die manier te zijn gestart. Dan moet je immers je plan leren trekken. Hoe men ook mag aankijken tegen het werken op bals en in cabarets, daar leer je je vak. En verder ben ik er altijd van overtuigd geweest dat men in opera niet alleen de nadruk mag leggen op de zang, maar ook op het acteren. Alleen op die manier kunnen de mensen geloven in wat ze zien. En het spreekt voor zich dat dit in operette en musical zeker het geval is. De buffo-rollen die men mij daarin toebedeelt, vereisen dat je ook kan acteren en dansen.
— Ik heb wel de indruk dat men u op die manier een beetje wil « type-casten »…
K.C.:
Ja, ik heb inderdaad een stempel gekregen wat die buffo-rollen betreft, vooral omdat het Gentse publiek mij moeilijk aanvaardt in andere rollen. In Antwerpen ligt dat anders, daar heeft men mij ook reeds in andere gedaanten te zien gekregen. Trouwens de laatste jaren is dat wel aan het verbeteren. Ik krijg nu ook rollen van karakter-tenors aangeboden, zelfs in werk van Janacek. En daar zou ik mij in de toekomst willen in specialiseren. Daarnaast ben ik ook heel tevreden over de « coda’s » die ik bij de BRT mag opnemen, samen met pianist Marc Matthys, die overigens ook te gast is op 16 mei. Voor de eerste reeks die nu voorbij is, hebben we bewust minder bekende liederen van Vlaamse componisten gekozen, maar in de serie die we in juli gaan opnemen, zal vooral populair werk zitten.
— Dat voor wat uw toekomstplannen voor het « ernstige » genre betreft, maar wat met dit concert? Is dat iets unieks of gaat u verder ook in die richting werken ?
K.C.:
Zeer zeker. In het najaar ga ik een BRT-plaat opnemen met nummers van Lieven Coppieters, Jan De Vuyst en andere Vlaamse liedjesschrijvers. En dan hoop ik dat dit dergelijke optredens met zich mee zal brengen, zoals in Nederland een Marco Bakker dat b.v. doet.
Dat er hiervoor belangstelling bestaat, wordt alvast bewezen door het feit dat de zaal van het NTG reeds lang op voorhand was uitverkocht. Toch werd Koen in 1988 zoals zovelen ontslagen bij de opera. Hij maakte van de nood een deugd, deed meer aan theater en presenteerde ook een programma van lichtklassieke muziek op de BRTN en belandde zo in het jeugdprogramma Samson, waardoor zijn populariteit ongekende hoogten bereikte. In 1994 maakte hij voor de BRTN een programma dat werd afgevaardigd naar het Festival van Monte-Carlo. Het meest merkwaardige hiervan was dat Hugo Claus hieraan z’n medewerking had verleend. Claus had namelijk daarvoor reeds twaalf sonnetten aan Crucke gegeven om deze op muziek te zetten! Tijdens de Gentse Feesten van datzelfde jaar lanceert hij samen met de bariton Guido Naessens “Toreador, den opera is versmuurd”, een CD met bekende operamelodieën in het Gents en ook liederen van Hélène Marechal, zoals “De coureurs”. Hun optreden op de Gentse Feesten was een enorm succes.
Een jaar later stond Koen Crucke er weer, maar ondanks het feit dat de nieuwe CD “Toreador 2, uuk d’operette is versmuurd” opnieuw tot stand kwam met Guido Naessens, was het Manu De Canck die met Crucke op het podium van St.Baafs stond. Hoe kwam dat nu, Koen? “Een meningsverschil met mijn manager, Jan Gheysens, de vroegere assistent-directeur van het NTG. Ik werk daar reeds 25 jaar uitstekend mee samen en ik kan dus getuigen dat het weliswaar een man is die orde op zaken wil stellen, maar dat hij zeker geen moeilijk mens is (***). Toch meldde Guido op een bepaald moment dat hij niet langer akkoord kon gaan met het concept. Maar toen was het te laat om daar nog iets aan te veranderen. Ik verwijs dan altijd naar mijn eerste directeur in de opera, Karel Locufier. Die zei altijd: ge moogt ruzie maken, zoveel ge wilt, maar eens dat het doek opgaat, moet ge dat allemaal vergeten zijn. Ik heb achteraf ergens gelezen dat Guido verklaarde dat hij moeite had met de geplogenheden van het populaire circuit en dat zal het dan wel eerder geweest zijn, zeker? Ik kan daar trouwens inkomen. Als hij dat niet graag doet, dan is het beter dat hij eruit stapt. Zelfde vrienden.”
En jij, Koen, heb jij nog ambities in het ernstige circuit? “Heel zeker. Op de aperitief- en theeconcerten op het Laurentplein en in het Stadsarchief zing ik met mijn vaste pianist Miguel Wiels trouwens ernstige opera- en operettemelodieën.”
Maar de Vlaamse Opera daarop reken je niet meer? “Waarom niet? Ik heb ook nog Britten en Janacek gezongen, hoor, ik heb daar dus niks tegen. Maar ik vind wel dat er te weinig aandacht wordt besteed aan het grote publiek. Het is veel te duur geworden, dat al op de eerste plaats. Jan met de Pet komt er nu niet meer in. En dan de nochtans erg populaire operette, hé, die is versmuurd.”
Vandaar dat in jouw programma vooral operette-melodieën aan bod komen? “Inderdaad. Het was de bedoeling dat Guido en ik uitsluitend teksten zouden schrijven op melodieën van Lehar, Kalman of andere grote operette-componisten, maar toen kwam Guido toch weer met Bizet en Rossini af, waaruit misschien toen al bleek dat er moeilijkheden zouden rijzen.”
Maar Manu De Canck, die we o.a. kennen van Artsen tegen Kanker, is geen klassieke zanger. “Dat is waar, maar dat zal geen probleem vormen. We zijn reeds volop aan het repeteren en de meezingers van vorig jaar, zoals ‘De koereurs’ zullen zeker in een medley verwerkt worden. De nadruk ligt echter uiteraard op de nieuwe CD, evenwel zonder de nummers die Guido heeft geschreven.”
Zo zullen we dus wel de ode aan Dille moeten missen.
En het orkest? “Dat wordt geleid door Bart Bracke van de musical-afdeling van het Ballet van Vlaanderen, tevens de broer van Danny Sinclair. Dat is nog een suggestie van Guido, want die had met hem samengewerkt voor ‘Suske en Wiske’, de succes-musical van het KJT. Ik neem aan dat de meeste orkestleden ook van het Ballet zijn, maar Miguel Wiels doet uiteraard ook mee. Wat ik trouwens erg belangrijk vind, is dat Manu een echte Gentenaar is, zodat we volop kunnen inspelen op het publiek. Dat hebben we trouwens reeds gemeld aan de mensen van de VRT die het hele concert zullen opnemen om het ergens in augustus uit te zenden. We hebben gezegd: kijk, dit is het scenario, maar wees niet verbaasd als we daarvan afwijken. Het publiek is immers koning op de Feesten.”
Het openingsconcert van de Gentse Feesten 1995 door Koen Crucke op het Sint-Baafsplein is uitgedraaid op een geweldig succes, niet alleen voor de Gentse tenor zelf, maar ook voor zijn gelegenheidspartner Dr.Manu De Canck, die op drie weken tijd de plaats van bariton Guido Naessens moest innemen. Zelfs de dreigende regen kon de pret niet deren want buiten een paar regendruppels tijdens een enthousiast meegeklapte Radetzky-mars werden de hemelsluizen grotendeels gesloten gehouden.
In zekere zin waren het zelfs betere omstandigheden dan vorig jaar toen het snikhete weer een marteling was voor sommige toeschouwers, die dicht opeengepakt zaten. Dat was ook nu weer het geval en daarom kon het zeker geen kwaad dat het concert zowaar vier minuten te vroeg begon (terwijl men elders tijdens de Feesten soms uren vertraging oploopt), want tijdens de duur van het concert was er gewoon geen doorkomen meer aan. Over het algemeen droegen toevallige voorbijgangers echter gelaten hun lot, om niet te zeggen dat ze zich eveneens in de uitgelaten menigte stortten.
Ook de aanwezigheid van de televisie werkte blijkbaar stimulerend op het publiek en er werd dan ook, dankzij de door HLN geleverde teksten, flink meegezongen. Al is “meegebruld” een betere omschrijving. De vraag is wel in welke vorm dit spektakel uiteindelijk op de BRTN zal te zien zijn, want een aantal liederen, zoals de ellenlange “Snijdersbank”, met als refrein “Mie schijt stront op de boord van haar hemd”, kunnen er tijdens de Gentse Feesten misschien nog net mee door (alhoewel), maar op het kleine scherm krijgt dit toch een gans ander karakter. Het werd er dan ook terecht uitgeknipt, met nog een aantal andere fragmenten in dezelfde zin.
Dit lied was ook symptomatisch voor de verschuiving die heeft plaatsgehad ten opzichte van vorig jaar. Eigenlijk had dit optreden, ondanks het feit dat men af en toe gebruik maakte van populaire operette-melodieën, nog weinig te maken met de parodie op bekende opera-aria’s, waarmee Guido Naessens ooit is gestart en daarom lijkt het bijna logisch dat hij uiteindelijk uit de show is verdwenen. Manu De Canck bleek daar inderdaad beter in te passen, ook al kon men in de iets moeilijker melodieën horen dat hij inderdaad geen klassiek geschoold zanger is. Dat bleek echter geen probleem te zijn. Integendeel zelfs. Als De Canck af en toe in een eigen Gents rock’n’roll-nummer uitbarstte, had ook hij het Sint-Baafsplein op zijn hand. Daarbij werd hij goed gesteund door een zeskoppig orkestje, geleid door Bart Bracke aan de vleugel met verder vier synthesizers en een drummer. Je ziet het, opera is ver weg. Toen de klankbalans werd gemaakt, speelde men zelfs een soort van jazz en men kreeg er nog applaus voor ook. Het meeste applaus volgde echter op het lied gewijd aan Romain Deconinck. De slotzin “met de Minard is het nu ook voorbij” werd door de Gentenaars gretig beaamd. Maar toch moest Koen Crucke nog niet wanhopen: zijn show mocht dankzij het stadsbestuur zowaar in de opera zelf nog eens worden gebracht. Eerst dacht ik dat dit een grap was, maar later op de avond werd het bericht bevestigd door cultuurschepen Dany Van den Bossche. Er zijn geen normen meer. Typisch postmodernistisch.
Koen Crucke: “Zingen is meer dan geluid voortbrengen met je stembanden. Je moet ook over het juiste gehoor beschikken. En toon weten te houden. Ik heb al leerlingen gehad, met aanleg en zeker met een goede stem, die niet eens een piano‑do kunnen nazingen. Als je zingt hoor je jezelf niet, je weet niet eens dat je fout zit. Ik heb mijn stem ook leren kennen door het beluisteren van opnames. Ik hou van mooie stemmen, ook van spreekstemmen. Ik luister meteen welke kleur, welk stemtype iemand heeft. Een lage bas? Een lyrische bariton? Of een lichte tenor? Voor mij heeft Pavarotti de mooiste lyrische tenorstem die ooit opgenomen is. Bij de vrouwelijke operazangers gaat mijn voorkeur naar Montserrat Caballé. Die stembeheersing, die emoties, dat gevoel. Niets is mooier. Er wordt in Vlaanderen veel gezongen, weet je. Er zit een schat aan talent in de Vlaamse koren. Maar veel begaafde mensen maken daar hun stem eigenlijk kapot. Iedereen moet immers gelijk klinken. Er is weinig ruimte voor eigen interpretatie, en bijgevolg worden de stemmen lui. Want een zanger, dat is zoals een sportman. Wij trainen ook. Voor een optreden warmen wij onze stem op. Zingen doe je met je hele lichaam. Zelfs je voeten moeten goed staan. In vakjargon zeggen wij ‘zingen in het masker’, in de mond‑ en neusholte. Een stem moet in dat masker naar voren komen, resoneren. Door een goede resonans krijgt een stem draagkracht. Hoe kan een operazanger anders optreden zonder mikro? Aanleg om te zingen is dus meer dan twee goede stembanden. Jammer genoeg kunnen jonge mensen met aanleg voor opera in ons land maar moeilijk de kost verdienen. Ik ken verscheidene voorbeelden. Pas afgestudeerd, prachtige stemmen, jarenlang elke dag geoefend. Met in België maar één uitweg: les geven. Daarvoor doe je die zangstudies toch niet? Talent komt gelukkig nog via buitenlandse agentschappen aan de bak. In Hamburg bijvoorbeeld worden jaarlijks audities georganiseerd voor een publiek van teaterdirecteurs. Daar worden nog contracten getekend.”
Tijdens de Gentse Feesten 1996 was Koen Crucke zowat overal te zien, maar wie hem zeker niet wilde missen, die kon iedere dag in Koens eigen taverne terecht destijds, namelijk “Den Toreador” aan het Sint-Annapleintje. Tijdens de Feesten lag de nadruk nog steeds op zijn Gentse bewerkingen van gekende opera- en operettemelodieën en Koen presenteerde ze dan ook in onversneden Gents en met een strop rond de hals. De muziek stond op band, dus veel mogelijkheid tot improviseren was er niet, maar toch werd er door de aanwezigen uit volle borst meegezongen, ook al kwamen ze dan b.v. uit Maaseik. Limburgers die over “stukskes bloende” en “een purgoasse” zingen, je moet het horen om het te kunnen geloven! Na een zestal nummers was Koen aan een eerste pauze toe, “want ’t is hier een café, zulle,” zoals hijzelf zei.
De laatste keer dat ik hem tegen het lijf liep was in 1998 bij de opvoering van “Masterclass” in het NTG. Hij juichte er Chris Lomme hartstochtelijk toe in haar rol als Maria Callas. En aangezien ik vlak naast hem zat, kan ik getuigen dat hij zelfs tot tranens toe bewogen was. Toch nog een gevoelig knaapje, onze Koen!

Referentie
Ronny DE SCHEPPER, Koen Crucke aan het lijntje, De Rode Vaan nr.20 van 1987

(*) En waarom niet trouwens? Ik heb zelf heel goede herinneringen aan blauwe excellenties. Vooral dan aan Rudy Van Quaquebeke en de latere minister Marino Keulen, die ik nog heb meegemaakt toen hij zijn eerste passen in de nationale politiek heeft gezet. In de tijd dat ik voor de Sossen vaak naar het parlement moest, heb ik op het kabinet van André Denys nog naar een voetbalwedstrijd van de Rode Duivels tegen Korea gekeken. Naast mijzelf was er ook iemand van de Volksunie aanwezig en iemand van de Groenen. En Mieke Van Hecke van de Tsjeven. Samen met haar won ik trouwens de pronostiek. De liberalen zijn gewoon de joviaalste politici, dat is algemeen geweten. Toen Dewael minister van cultuur was en het rommelde op De Rode Vaan vroeg ik aan zijn kabinetsmedewerker Jari Demeulemeester, de latere directeur van de Ancienne Belgique en een goede vriend van jaren her, of ik soms op het kabinet terechtkon. Die vond dat toen een goede grap, maar ik méénde dat, hoor! Cultuur is sowieso toch al niet onderhevig aan de Vrije Markteconomie, waarom zou ik daar dus niet hebben kunnen werken?
(**) Koen Crucke in “Story”: “Mijn doorbraak kwam laat (…) maar daarom geniet ik er niet minder van. Alleen jammer dat mijn grote vriend dit succes niet meer mocht beleven. Terwijl juist hij altijd in mij bleef geloven, ook als het wat minder goed met mij ging.” En die grote vriend, dat was dan Achille, de kapper waar Koentje Crucke op 14-jarige leeftijd als leerjongen ging werken. “Achille was niet alleen kapper, maar ook organisator van travestieshows in Gent, waarbij hij zelf als Donna Winter (in tegenstelling met Donna Summer) een act ten beste gaf.” Achille stierf trouwens van een hartinfarct in Spanje, een reis die hij had gewonnen met een travestieshow…
(***) En of dat Crucke redenen had om over Gheysens te kunnen getuigen: het was zijn liefdespartner. Als ik me niet vergis, zijn ze ondertussen zelfs officieel getrouwd. Koen Crucke in “Uit in Gent”: “Ik schaam me niet voor mijn seksualiteit, maar ik loop daar ook niet opvallend en agressief mee te koop. Je zult me niet zien militeren op allerlei benefieten rond homoseksualiteit of Aids zoals Kurt Van Eeghem b.v., met alle respect voor diegenen die het wel doen. Ik hou die zaken strikt gescheiden. Ik ben een zanger en ik zing voor iedereen, voor homo en hetero, mijn seksuele voorkeur heeft daar niets mee te maken. En in mijn privéleven beleef ik mijn intimiteit zoals ik dat wil.” Kortom, hij is “een homo, maar niet van het opdringerige soort” zoals hij in Humo van 26/12/2000 verklaart. Guy Mortier (want hij zal ongetwijfeld wel zijn) zet daar dan ook als titel boven: “Schroom er niet voor u te bukken in de nabijheid van Koen Crucke.” In “Dag Allemaal” klinkt dat natuurlijk helemaal anders: “Ik ben niet echt op zoek naar een vaste relatie. Ik hou van verandering, van avontuurtjes. Ik ben een mens van vlees en bloed. Ik heb ook behoefte aan lichamelijke liefde. Hoewel dat er de laatste tijd haast niet meer van komt. Soms denk ik: oei, is het al zolang geleden?” Over het geslacht van de personen met wie hij die avontuurtjes heeft, wordt (misschien met medeweten van interviewer Bart Alleman) niet gerept…

Een gedachte over “Koen Crucke wordt 65…

  1. in de jaren ’75 e.v. organiseerden wij met recht door zee ‘muziekmozaïek’, een combinatie van harmonie en een gastoptreden
    koen crucke is daar nog te gast geweest, samen met jeannine martony
    hij was toen nog slanke jongen en werd ‘(be)geleid’ door ene madame spittaels, een product uit de 19de eeuw
    never to be forgotten

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s