On this day in 1892, a boxing match took place that will go down as one of the longest and most brutal in history. Fighting for the Missouri Lightweight Championship, the two fighters, Harry Sharpe and Frank Crosby, went head to head for 77 rounds, the bout lasting an unprecedented total of five hours and five minutes. To this day, it is the longest fight in the sport’s modern history.

Sportfilms zijn “box-office poison” zegt men altijd. Europeanen begrijpen geen snars van baseball of American Football en omgekeerd hebben Amerikanen duidelijk geen kaas gegeten van ons voetbal en zeker niet van wielrennen (denk aan het rampzalige “American flyers” met Kevin Costner). Maar vooral: vrouwen houden er niet van! Zij het met één uitzondering: boksen. En daarom zijn er dus ook veel films over boksen.
CHIPPENDALES
Meer dan 25 jaren geleden sprak ik hierover met Guido Claus, de broer van Hugo en gewezen boksverslaggever voor Vooruit, en bokskampioen Freddy De Kerpel in Guido’s eigen Hotsy Totsy (zie bovenstaande foto). Voor hem was het duidelijk waarom boksfilms wel in de gratie van het vrouwelijke publiek vallen: “Boksers worden geadoreerd door vrouwen. Daar kan Freddy van meepraten. En ze hoeven nog niet eens zo schoon te zijn als Freddy, ’t mag zelfs ‘ne lelijkaard zijn die een beetje ‘gemarkeerd’ is, vrouwen zijn daar gek op. En dat is geen cafépraat, hé. Ik heb ontzettend veel wedstrijden gezien en ik had mijn ogen niet in mijn zak zitten. Trouwens, dat is ook erg begrijpelijk, enerzijds is er die bewondering voor de overwinnaar, anderzijds is er de verliezer die moet bemoederd worden. Jaja, neem maar van mij aan: vooral vlak na een kamp oefenen boksers een enorme aantrekkingskracht uit op het vrouwelijke geslacht. Er bestaan tal van verhalen van boksers die je na een wedstrijd niet meer kunt terugvinden. Die zijn als het ware ‘ontvoerd’ door een of andere vrouw.”
“Een tijdje geleden is hier bij mij nog een bokser in het café geweest. Hij was met een hele bus uit Amsterdam gekomen. Hij was van de Zeedijk, je weet wel de verzamelplaats van pooiers en zo. En die vertelde een verhaal over een vriendin van mij, nochtans een eerbare dame, die zodanig onder de indruk was van hem, tijdens een wedstrijd die hij nota bene heeft verloren, dat hij een paar dagen bij haar is blijven logeren.”

Freddy De Kerpel vult aan: “In Parijs was Catherine Deneuve er altijd, als er gebokst werd. En Ursula Andress en Mireille Darc.”
Any d’Avray, organisatrice van bokswedstrijden, alludeert duidelijk op erotiek als men naar haar motivatie vraagt: “J’aime voir les hommes qui se battent”. Yvonne Kroonenberg maakt in “TV-Express” zelfs een vergelijking met de mannelijke strippers The Chippendales: “Ze (de vrouwen) weten niet wat er op het toneel zal gebeuren, maar ze weten dat ze lekker mogen schreeuwen, dat ze zich mogen laten gaan, dat het programma voor hen bedoeld is. En dat is heel bijzonder: iets dat speciaal voor vrouwen bedoeld is, waarbij ze zich mogen uitleven en dat ook nog met erotiek te maken heeft. Eindelijk worden we naar waarde geschat. Het is alsof we naar een bokswedstrijd mogen waar alleen vrouwen toegelaten zijn. Daar zou je waarschijnlijk dezelfde sfeer krijgen. Misschien vinden vrouwen dat zelfs nog stukken erotischer.”
POLITIEK
Maar de uitzonderingspositie van boksfilms geldt niet enkel voor vrouwen. Ook Robbe De Hert zegt: “Ik hou absoluut niet van sport, maar ik ben wel een heel grote fan van boksen.” Misschien had dit ook te maken met het feit dat zijn vader een bokser zou zijn geweest (GVA 15/9/2012). Hij draaide dan ook ooit nog een kortfilm over Jean-Pierre Coopmans, ten tijde van diens beroemde match tegen Cassius Clay.
Beide Belgische vedetten, Jean-Pierre Coopmans en Freddy De Kerpel, verzorgden ook de finale van “Camping Cosmos”, de tweede film van Jan Bucquoy, die zelf (zij het in de figuur van Jean-Henri Compère) tijdens deze bokskamp marxistische gedichten voordraagt. Niet helemaal verrassend staan bokskampen namelijk ook vaak symbool voor sociale en politieke evenementen. Guido Claus: “Omdat de opgang naar de roem en het daarop volgende verval de mensen zo aanspreekt. Dan is het immers een voorbeeld voor het leven als zodanig.”
Het beste voorbeeld hiervan is “Fat city” van John Huston uit 1972 dat nauwelijks nog een boksfilm kan worden genoemd, ook al gaat het over een doorwinterde bokser (Stacy Keach) en een groentje dat pas in het vak begint (Jeff Bridges). De bokswereld staat hier echter overduidelijk als symbool voor de westerse kapitalistische maatschappij met z’n “survival of the fittest”-mentaliteit.
Vooral in Engeland werden op het einde van de 20ste eeuw veel boksfilms uitgebracht met een sociale inslag. De meest bekende is allicht “The boxer” van Jim Sheridan met Daniel Day Lewis in de hoofdrol (1998), maar er is ook nog “Real Money” van Ron Peck.
In “TwentyFourSeven” (1997), het filmdebuut van Shane Meadow, wil de vijftigjarige Darcy (gespeeld door Bob Hoskins) zichzelf en de vele werkloze jongeren in Nottingham een nieuw doel in het leven geven door een boksclub op te richten. Een gegeven dat Arne Sierens ook in “Niet alle Marokkanen zijn dieven” heeft verwerkt, zij het enkel in het theater, niet op het witte doek.
KONING VAN DE WERELD
Dit komt ook aan bod in de TV-serie “De Vijfhoek” en in “Firmin”, de film van Dominique Deruddere (2007). Het betreft hier uiteraard geen échte boksfilm, aangezien Firmin Crets een (geestige) creatie is van Chris Van den Durpel. Net daarvóór was er echter “Koning van de wereld” in een regie van Guido Henderickx.
Aan het eind van Wereldoorlog II ontmoet de jonge Stan Vandewalle (Kevin Janssens) bokstrainer Max (Jan Decleir) in een gevangenkamp. Max herkent in de sterke linkse vuist van Stan een groot bokstalent en wordt zijn trainer. Na de oorlog leeft Stan met zijn hoofd in de wolken. Tot het noodlot toeslaat en zijn lichtbegaafde jongere broer Aloïs sterft. Als eerbetoon aan zijn verongelukte broer zweert Stan de grootste bokser ter wereld te worden. Hij wint de éne kamp na de andere met zijn broer Romain (Koen De Bouw) als bookmaker aan zijn zijde.
Stan geraakt echter in de invloedssfeer van Kets (Frank Vercruyssen) één van de machtigste figuren in de bokswereld die Stan razendsnel omhoog helpt tot kampioen van internationaal niveau: Brussel, Parijs, Havana… Samen met zijn ware liefde Julie (Natali Broods) danst hij door het Cubaanse nachtleven van jazz, rum en drugs. Stan ontmoet er ook de naar Cuba uitgeweken broer van zijn vader, nonkel Platon (Josse De Pauw). Platon ziet het bokstalent van Stan en gaat met hem terug naar België om eindelijk grote zaken te doen met Kets. Maar dan ontdekt Stan dat Platon bevriend is met de Cubaanse maffia en dat zijn kampen gemanipuleerd worden …
Scenarist Marc Didden in GVA 12/12/2007: “De serie is gebaseerd op het leven van Cyriel Delannoit, de bokser die zich vanuit het Vlaamse slijk naar de wereldtop omhoog vocht. Over ‘Tarzan’ Delannoit wqren al twee documentaires gemaakt, één door Cas Vander Taelen en een andere door Guido Henderickx. Uit respect voor Cyriel zijn we uiteindelijk van zijn verhaal afgestapt want Guido wilde ook een verhaal over manipulatie en over de onderwereld van de bokssport. Laten we zeggen dat Cyriel de vlam was die ons geïnspireerd heeft. (…) Het boksen hebben we gebruikt als metafoor voor de strijd van het individu tegen het establishment.”
MOHAMMED ALI
Dààrvoor was er “Ali” van Michael Mann met Will Smith in de rol van Cassius Clay, of beter gezegd Mohammed Ali. Toch is dit geen “boksfilm” in de traditionele zin van het woord. De mens Mohammed Ali staat de laatste tijd erg in de belangstelling omwille van zijn humanitaire impact en alhoewel de film wel degelijk over de jonge Mohammed Ali gaat, toch is hij vooral in dit opzicht gedraaid. Dat het via de bokssport is dat Ali zijn huidige morele status heeft behaald is in die zin bijna “bijzaak”, vandaar dat deze biopic geen typische boksfilm is geworden, evenmin als de overigens prachtige documentaire “Rumble in the jungle” van Leon Gast die destijds werd gedraaid ter gelegenheid van de match tussen Mohammed Ali en Georges Foreman in Kinshasa 1974.
Het blijft inderdaad hoofdzakelijk een Amerikaans genre. Reeds op 20 mei 1895 werd op Broadway een gefilmde bokswedstrijd vertoond, al toonden ook de Duitse broertjes Max en Emil Sklandanowsky op 1 november van datzelfde jaar in de Berlijnse Wintergarten zeven minuten film met onder meer een boksende kangoeroe. Tegen zo’n beest heeft ook Woody Allen het ooit nog opgenomen (zie de uitstekende BBC-reeks “Before they were famous”) en alhoewel hij daar smadelijk de aftocht moest blazen, is zijn liefde voor de bokssport erdoor niet bekoeld. In zijn film “Mighty Aphrodite” speelt hij bijvoorbeeld een sportjournalist die zijn relaties in de bokswereld aanspreekt om een mogelijke partner op te snorren voor de biologische moeder van zijn geadopteerd kind.
In 1941 had Errol Flynn reeds de hoofdrol vertolkt in “Gentleman Jim” van Raoul Walsh, over de opkomst en glorietijd van bokser Jim Corbett, gedraaid naar diens autobiografie. Wanneer later Flynns eigen biografie wordt gedraaid, wordt zijn rol vertolkt door de Canadese ex-bokser Duncan Regehr, die in 1989 ook de rol van Zorro zou vertolken in een nieuwe televisieserie.
Nog iets speciaals is “Golden boy” van Rouben Mamoulian uit 1939 waarin Robert Holden zowaar een vioolspelende bokser vertolkt, wellicht gebaseerd op het ware verhaal van Joe Louis, die het geld voor zijn vioollessen spendeerde aan bokslessen (*). Joe Bonaparte droomt er immers van om bokser te worden, maar zijn familie ziet hem echter liever streven naar de hogere kunst van het vioolspelen. Joe moet kiezen tussen de heldenroem van het boksen en zijn muzikantendroom. Die zou trouwens wel eens aan diggelen kunnen liggen als hij zijn handen verwondt. “Golden Boy” van Clifford Odets, net als Elia Kazan één van de verklikkers ten tijde van de McCarthy-hoorzittingen, is een provocerend pleidooi voor de zucht naar roem, geld en geluk. Zijn ode aan de dodelijke kunst van het boksen ging op 5 september 1939 in première in de filmversie van Rouben Mamoulian met William Holden als Joe Bonaparte, Lee J.Cobb als zijn vader en Adolphe Menjou als de boksmanager Tom Moody. Barbara Stanwyck speelt Lorna Moon, het liefje van een boksmanager dat haar charmes aanwendt om Joe te overhalen. Een Duitse versie werd op 25 januari 1962 op de Duitse televisie vertoond in een aanpassing door John Olden, met Klaus Kammer in de rol van Joe Bonaparte en Hildegarde Knef als Lorna Moon. Rond dezelfde tijd werd er ook een Broadway-musical rond gecreëerd die tal van onderscheidingen opleverde voor Sammy Davis jr.
Het leven van een beroemde bokser verfilmen kan overigens altijd op belangstelling rekenen, zeker als hij dan ook nog een passionele verhouding met een beroemde zangeres heeft gehad, zoals in het geval van Marcel Cerdan en Edith Piaf (“Edith et Marcel” van Claude Lelouch uit 1983).
Net als Gérard Depardieu heeft Jean-Paul Belmondo aan zijn bokscarrière een gebroken neus overgehouden. Dat komt uitdrukkelijk aan bod in “L’as des as” (Gérard Oury, 1982), een film die met haken en ogen aan elkaar hangt (hoe komt halfweg de film bijvoorbeeld die kleine alleen te zitten met die “geleende” wagen, in the middle of nowhere?), maar toch onze aandacht opeist omdat hij zich afspeelt tijdens de Olympische Spelen van Berlijn. Dat twee Franse boksers daar goud halen (Jean Despeaux in de middengewichtsklasse tegen de Noor Henry Tiller en Roger Michelot bij de lichte zwaargewichten tegen de Duitser Richard Vogt), dat klopt inderdaad, al ben ik verre van zeker dat dit op hetzelfde moment gebeurde en dat de commentator gewoon kon switchen van de ene ring naar de andere.
Zelfs Alfred Hitchcock heeft ooit “The Ring” gedraaid en één van de eerste kortfilms van Stanley Kubrick was in 1951 “The Day of the Fight”, over de laatste voorbereidingen van de Ierse bokser William Cartier op zijn kamp tegen Bobby James.
Ook James Dean was dat jaar, dus “before he was famous”, te zien in een piepklein boksersrolletje in “Sailor beware” met Jerry Lewis en Dean Martin. Later zou hij gevraagd worden voor “Somebody up there likes me” van Robert Wise (1956), maar door zijn voortijdige dood kreeg Paul Newman hierdoor de kans om door te breken als bokser Rocky Graziano.
Als rond diezelfde tijd (in 1954 om precies te zijn) “Carmen” van Georges Bizet door Otto Preminger wordt omgewerkt tot een all-black “Carmen Jones”, dan krijgt het zwarte equivalent van Don José niet met een stierenvechter te maken, maar met een bokser.
Vijftien jaar later, in 1969, kreeg James Earl Jones overigens een Tony-award voor zijn rol als de eerste zwarte kampioen-zwaargewichtbokser Jack Johnson in het toneelstuk “The Great White Hope” van de blanke auteur Howard Sackler. Maar Jones was natuurlijk al te oud toen het stuk in 1996 ook werd verfilmd door de zwarte regisseur Reginald Hudlin.
In 2000 was het dan de beurt aan een andere zwarte bokser (uit de middengewichtsklasse deze keer) Rubin Carter om op het witte doek te worden “vereeuwigd”. Dat gebeurde door Norman Jewison in de film “The Hurricane” (mét bepaald lidwoord!), want Carter is natuurlijk veel bekender door zijn bijnaam “Hurricane”, die zeker na de elpee van Bob Dylan in 1975 een begrip is geworden. Even recapituleren: Hurricane Carter werd er in 1967 van beschuldigd drie blanken te hebben vermoord in een café. Hij kreeg hiervoor levenslang, maar een aantal mensen (waaronder dus Dylan) waren overtuigd van zijn onschuld en bleven ijveren voor een herziening van zijn proces, iets wat ze inderdaad verkregen in 1986 en toen kwam de onschuld van Carter vast te staan. Hij had dus negentien jaar onschuldig achter de tralies gezeten, vooral omwille van racistische vooroordelen, en het is dit verhaal dat Norman Jewison die dergelijke problematiek reeds bij de aanvang van zijn loopbaan (“In the heat of the night” uit 1967, hoofdacteur Rod Steiger maakt trouwens een opgemerkte cameo in “The Hurricane”) had aangekaart, brengt in zijn film. De rol van Carter wordt gespeeld door Denzel Washington.
Liefhebbers (’t zullen wel vooral -sters zijn) van Russell Crowe konden in 2005 terecht bij “Cinderella man”, een film van Ron Howard, gebaseerd op het leven van halfzwaargewichtbokser Jim Braddock. In de depressie volgend op de Wall Street Crash van 1929 wordt deze bokser, na een aantal verliespartijen, gedwongen zijn sport opzij te zetten en met diverse klusjes zijn vrouw (Renée Zellweger) en kinderen in leven te houden. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan… Howard en Crowe hebben van deze film een ode aan de bokssport gemaakt, die volgens Ivan Van Raemdonck wel o.k. is, ondanks wat te veel “feelgood movie”.
Ook het ringgebeuren, soms nogal ongeloofwaardig in de meeste boksfilms (underdog krijgt verschrikkelijk veel slaag, maar slaagt er via miraculeuze ommezwaai vooralsnog in de kamp in zijn voordeel te beslechten) viel binnen de perken.
De film doet een beetje aan “Raging Bull” denken (centraal staat de persoon, maar niet het boksen an sich), maar minder rauw.
Probleem bij biografische films lijkt toch dat om het geheel wat interessanter te maken de werkelijkheid wat moet gepolariseerd en dus bijgesteld worden: de finale van de film loopt uit op een gevecht om de wereldtitel van de “good guy” (Jim Braddock) tegenover de “bad guy” (Max Baer), welke laatste wordt afgeschilderd als een echte schoft (heeft enkele tegenstanders doodgeslagen in de ring en heeft daar totaal geen berouw om). Maar als je er dan even Wikipedia op naslaat, levert dit het volgende op: “Although the film received many positive reviews (80% were positive according to Rottentomatoes.com), some critics argued that part of Braddock’s journey was glamorized too much by director Ron Howard. One example is that throughout the film, Max Baer (Braddock’s final opponent at the climax of the movie) is portrayed in a semi-hostile (and inaccurate) manner. The character of Baer in the movie is portrayed as an arrogant villain who shows no remorse after killing men in the ring.
In striking contrast to this, at the end of the match with Braddock does one see the Max Baer character touching the winner’s glove in recognition. In reality, Baer was badly shaken by the one death he caused during an exhibition bout held just prior to his match with Braddock, later giving money to Frankie Campbell’s wife, Elsie Camilli and her young son, Frankie Jr. Baer’s son, actor Max Baer Jr. of The Beverly Hillbillies fame, has stated that he remembered his father having nightmares over the bout.”

ONDERDEURTJE
Alle filmvedetten lijken wel eens in de ring te willen stappen, zelfs al heten ze Elvis Presley (“Kid Galahad”), Charlie Chaplin (“The Champion”, maar ook “City lights”) of Buster Keaton (“Battling Butler”). Een andere komische boksfilm is “The kid from Brooklyn” (Norman McLeod, 1946) met Danny Kaye als de melkboer Burleigh Sullivan die een (weliswaar dronken) bokskampioen (Steve Cochran) neerslaat als deze zijn zus (Vera-Ellen) lastig valt.
In “The main event” (1979) trachtte Howard Zieff de succesformule van “What’s up doc” (Peter Bogdanovich, 1972) nogmaals over te doen. Dat wil zeggen: hij plaatste Ryan O’Neal en Barbra Streisand weer tegenover elkaar als een “unlikely couple”. Alleen worden de clichés nu omgedraaid: Streisand is een harde tante, die – als de zaken slecht beginnen gaan – een onwillige bokser (O’Neal) die door haar firma wordt gesponsord opnieuw aan de top wil krijgen. Het is een voorspelbaar verhaaltje, dat eigenlijk enkel het vermelden waard is omdat ook Patti D’Arbanville (denk aan het liedje van Cat Stevens!) hierin een rolletje vertolkt.
Maar soms wordt ook de sentimentele snaar betokkeld als een onderdeurtje als James Cagney bijvoorbeeld zich verrot laat slaan om zijn broertje naar de universiteit te kunnen laten gaan (“City for Conquest”). Of Mickey Rooney in “Killer McCoy” (Roy Rowland, 1947). In “The Bells of St.Mary’s” neemt Ingrid Bergman, voor de gelegenheid verkleed als kloosterzuster, zelfs een bokshandleiding door om een gepeste leerling “the noble art of self-defence” bij te brengen…
Een typisch staaltje van method acting laat Robert de Niro dan weer zien in “Raging Bull” van Martin Scorsese (1980). Deze biografische prent over de Italiaans‑Amerikaanse wereldkampioen boksen Jake La Motta wordt algemeen beschouwd als één van de sterkste films van de jaren ’80. Anders dan populaire boksfilms zoals “Rocky” uit 1976 met Sylvester Stallone (Freddy De Kerpel: “Films als Rocky degouteren mij, want ze geven boksen een slechte naam”) was Scorsese niet geïnteresseerd in wat zich afspeelde binnen de boksring. “Raging Bull” is een haast ascetische studie in zwart‑wit over zeer uiteenlopende facetten van geweld (van het geweld in de boksring tot het huisgezin) met daarin centraal de verhouding tussen vernietiging en zelfvernietiging. Nadat verschillende scenaristen (waaronder Paul Schrader) zich de tanden hadden stukgebeten op het levensverhaal van La Motta, herleidde Scorsese La Motta strak tot een obsessionele man die ‑ mede door toedoen van een soort ‘femme fatale’ en haar entourage ‑ letterlijk en figuurlijk uit evenwicht raakt. Een duidelijk spoor van ‘film noir’, dat eerder al aanwezig was in “Mean Streets” (1973) en “Taxi Driver” (1976).
Beroemd is het feit dat de Niro voor deze film nog liever dertig kilogram aan gewicht won in plaats van met opgevulde kleren te werken. Een andere (oudere) method actor, namelijk Kirk Douglas, had hem dit reeds voorgedaan in “Champion” van Mark Robson uit 1949. Het betekende voor de jonge Douglas (die er een oscarnominatie aan overhield) niet enkel de doorbraak in de filmwereld, het was ook een illustratie van die vrouwelijke fascinatie. Topactrice Joan Crawford nodigde hem immers prompt bij haar thuis uit en begon onmiddellijk met hem te vrijen voornamelijk omdat… hij zijn oksels had geschoren voor de film. Kirk Douglas: “Ik had geen idee waarover ze het had, maar wat een opmerking op zo’n moment! Wat een afknapper! Op slag was ik van al m’n fantasieën over mevrouw Crawford verlost.” (Humo 9/8/2002)
26 mickey rourkeEen andere student van de Actor’s Studio (bij Sandra Seacat) was Mickey Rourke. Hij was daarvóór al actief geweest als profbokser en hij moest dus ooit wel eens een boksfilm draaien. Dat werd dan “Homeboy” waarin hij zichzelf echter zozeer op een opdringerige manier verheerlijkte dat hij scherpe kritiek te verwerken kreeg.
« Homeboy » is evenwel geen sportfilm in de echte zin van het woord. Mickey Rourke vatte er in 1980 zelf de idee voor op. In het verhaal legde hij een deel van zijn eigen jeugd die niet al te rooskleurig was. Vooraleer acteur te worden, hield hij zich immers een tijdje met amateurboksen bezig. Geen wonder dan ook dat hij in « Homeboy » de geschiedenis vertelt van een bokser, evenwel niet die van een beginneling maar wel
die van een « has been ». Deze man dient in wezen enkel nog als punching-ball voor opkomende lokale vedetten. Wanneer hij een lieve foorkraamster tegen het lijf loopt, denkt hij nog eenmaal van voren af aan te kunnen beginnen en misschien gelukkig te zijn. Hij levert nog een kamp voor haar maar dit wordt dan « het gevecht teveel ». En hij sterft op de ring…
Een ander steeds weerkerend thema is de gewezen bokser die na een dodelijk incident weigert nog langer te vechten: de vertolking van Montgomery Clift in “From Here to Eternity” is briljant (**), maar er is ook Marlon Brando in “On the Waterfront” en zelfs John Wayne in “The Quiet Man”. Deze film toont hoe de Ierse bokser Sean Thornton (Wayne) na per ongeluk een tegenstander gedood te hebben in de ring, terugkeert naar zijn geboortedorp om er rust en vrede te vinden. Maar hij geraakt al onmiddellijk in conflict met Will Danaher (Victor McLaglen) wanneer hij zijn ouderlijke huis, waar deze Will ook een oogje op had, aankoopt. Om zich te wreken verzet Danaher zich tegen het huwelijk van Sean met Wills jongere zus Mary Kate (Maureen O’Hara). Dat leidt tot een langdurige knokpartij tussen Will en Sean, uiteraard gewonnen door John Wayne. In de realiteit was de Engelsman Victor McLaglen (1886-1959) echter een succesvolle beroepsbokser geweest, zodat Wayne “wouldn’t have lasted a round” (***).
Jon Favreau (tevens de regisseur) speelt de rol van Bobby Ricigliano in “Made”, een film uit 2001. Hij is een bokser die tevens bodyguard is van zijn vriendin (Famke Janssen), die dat wel kan gebruiken, want zij is een stripper…
Net zoals hij met “Unforgiven” de clichés van het western-genre onderuit haalde, draaide Clint Eastwood in 2004 met “Million Dollar Baby” een subtiele reflectie op het genre “boksfilms”. Geheel terecht vertrekt hij daarbij van het boksen voor vrouwen dat op dat moment nog altijd een soort “novelty” was met o.a. de dochter van Mohammed Ali als publiekstrekker. In de film van Eastwood wordt dat dan Hilary Swank die als Maggie Fitzgerald de gymzaal binnenstapt die door bokscoach Frankie Dunn (Eastwood zelf) en de oude bokser Eddie Scrap-Iron Dupris (Morgan Freeman) wordt gerund…
Nog in 2004 was er “Die Boxerin”, een Duitse film van Catharina Deus. Een andere Katharina, Katharina Wackernagel, speelt daarin de 19-jarige Joe (eigenlijk Johanna) die ervan droomt om net als haar overleden vader bokser te worden. Zoals we bij voetbalfilms hebben vastgesteld, gaan de jongste boksfilms dus ook eerder over vrouwelijke sporters dan over mannen (een ander voorbeeld is “Girlfight” van Karyn Kusama uit 2000). Een voorloper van deze tendens was “My life as a dog” van Lasse Hallström uit 1985, waarin een knaap die niet toevallig dezelfde voornaam draagt als de toenmalige Zweedse wereldkampioen Ingemar Johansson het in de jaren vijftig opneemt tegen zijn vriendinnetje en via het boksen ook de intimiteit van het samenzijn ontdekt.
Merkwaardig genoeg heb ik het hier helemaal nog niet gehad over “verkochte” wedstrijden, nochtans toch een vrij vaak voorkomend fenomeen en alleszins zeer goed geschikt om te worden verfilmd. De enige film die ik me daarover echter kan voor de geest halen is “Snake eyes” van Brian De Palma uit 1998 en dan is het nog niet eens het centraal thema van de film…

Ronny De Schepper

(*) Het leven van Joe Louis zelf zal in 1953 worden verfilmd. Opmerkelijk daarbij is dat zangeres Anita Ellis (die achter de schermen voor de zangstem heeft gezorgd voor Rita Hayworth, Vera-Ellen en Jeanne Crain) hier eindelijk eens zichzelf mag zijn tijdens een optreden in een nightclub.
(**) Bij het herbekijken van de film (voor de vierde of vijfde maal) viel mij op dat ik mij vergis: de sparring partner waarover Montgomery Clift het heeft, was niet “mijnen beste vriend, moar ‘k hei ‘m dju geslegen” (zoals Firmin Crets zou zeggen), maar hij heeft hem “slechts” blind geslagen…
(***) John Irving, Until I find you, London, Black Swan, 2006, p.387.

Referenties
Lode De Pooter, Boxing in the rain, De Rode Vaan nr.46 van 1988
Ronny De Schepper, “Boksen als symbool voor het leven”, De Rode Vaan nr.37 van 13 september 1991

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s