Het is vandaag precies 220 jaar geleden dat de Oostenrijkse componist Franz Schubert werd geboren.

Wat u zeker nooit moet doen als u met zelfmoordplannen rondloopt: op een regenachtige herfstavond naar het strijkkwintet van Franz Schubert luisteren. Dan wordt u immers zonder enige twijfel over de streep getrokken. Ondraaglijk mooi! Het kwintet in C werd na de dood van Beethoven (in 1827) geschreven en hierin Schubert voelt zijn eigen dood (een jaar later) reeds naderen. Door de merkwaardige samenstelling (twee celli i.p.v. twee altviolen) werd het tijdens Schuberts leven overigens niet meer uitgevoerd. Ikzelf heb het door een het Orpheus Quartet, aangevuld met niemand minder dan Pieter Wispelwey, maar diens leermeester Anner Bijlsma heeft het zeker ook opgenomen. Van hem heb ik dan weer het forellenkwintet, waaraan ook Jos Van Immerseel zijn medewerking verleent.
Franz Schubert werd geboren op 31 januari 1797. Zijn vader was violist, een oudere broer Ferdinand pianist. Hijzelf zal beide instrumenten bespelen, maar aangezien de uitgebreide familie (achttien kinderen uit twee huwelijken, waarvan God er in al zijn wijsheid wel negen bij de geboorte liet sterven – waarom hij ze in al zijn wijsheid sowieso eerst liet geboren worden is een ander paar mouwen) te arm was om een eigen piano te bezitten, speelde Franz op de eerste plaats… gitaar. Daardoor en door andere anekdoten in die zin heeft het leven van Schubert veel aanleiding gegeven tot geromantiseerde biografieën, waarbij dan juist telkens sterk de link wordt gelegd met zijn muziek. Zo b.v. in “La belle meunière” (“Die schöne Müllerin”, jawel) van Marcel Pagnol, een film uit 1948 met niemand minder dan Tino Rossi als een Schubert die zodanig verliefd is op de molenaarsdochter Brigitte (gespeeld door Jacqueline Pagnol) dat hij onmiddellijk in dienst treedt van de molenaar. En dat met zijn slechte longen! (Hij was een kettingroker.)
In werkelijkheid is er slechts één vrouw bekend waarop de jonge Franz echt verliefd was: zijn buurmeisje Therese Grob, lelijk als de nacht (als gevolg van de pokken) maar met een mooi sopraanstemmetje. Franz was echter nog lelijker. Hij was zo klein en dik (hij werd “de paddestoel” genoemd) dat hij zelfs geen dienst moest nemen in het keizerlijke leger (hij zal daartegen wel geen bezwaar gehad hebben, want de legerdienst duurde toen veertien jaar!). Dat hij stonk (adem, lichaamsgeur), was wellicht minder een bezwaar, want de meeste mensen in die tijd stonken evenzeer. Maar vooral: hij had geen geld, zodat Treeske met een pasteibakker huwde.
Hij zal vooral de eerste echte “free-lance” componist worden: hij leeft van de burgerij en niet van adellijke of kerkelijke overheden. Dat laatste zou ook moeilijk gegaan zijn, aangezien Schubert (vooral onder de invloed van zijn drie jaar oudere broer Ferdinand) hevig anticlericaal was. Dat staat wel enigszins haaks op het feit dat hij toch (zij het in mindere mate) religieuze werken heeft geschreven, maar zelfs dan kan men opmerken dat hij in het credo van zijn mis in a doelbewust de regel “et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam” oversloeg, wat toch wel als een pure provocatie moet aanzien geweest zijn. Dat maakt trouwens ook dat hij toch ergens “revolutionair” was en onder het conservatieve bewind van Metternich gecensureerd werd. Dat verklaart overigens ook waarom we zoveel brieven van hem en zijn vrienden bezitten: de censuurdiensten van Metternich openden ze immers en schreven ze over.
Zelf vond Schubert zijn instrumentaal werk progressief en zijn liederen nogal traditioneel. Toch (of misschien juist daarom) is hij tijdens zijn leven enkel als Liedercomponist erkend geworden en zelfs nu nog “verwijt” men hem dat zijn symfonieën (zeker in de trage bewegingen), maar ook b.v. zijn opera’s een aaneenschakeling van “Liederen” zouden zijn. Maar zoals Harnoncourt terecht opmerkt: “Waarom zou dat niet mogen? Wie bepaalt b.v. hoe een aria moet klinken? Het verklaart misschien wel waarom de symfonieën en de opera’s van Schubert niet populair waren: toen Rossini naar Wenen kwam, wilde iedereen aan de rage meedoen, behalve Beethoven en Schubert, die daarvoor te ernstig was. Maar hij heeft daarvoor dan wel de tol moeten bepalen: al zijn symfonieën b.v. bleven onuitgevoerd en werden pas ongeveer vijftig jaar na z’n dood door Brahms uitgegeven, overigens met veel ‘correcties’ omdat men de componist een beetje ‘slordig’ vond, maar ongetwijfeld werden ze daardoor ook aan de smaak van het publiek van die tijd aangepast.”
Naar analogie met Mozart die zelf in armoede stierf, maar na zijn dood zijn weduwe met zijn composities kon verrijken, is het in het geval van Schubert dan ook zijn broer Ferdinand, die na zijn overlijden een flinke stuiver verdiende met de composities van zijn broer, die hij bovendien dan nog aan zichzelf toeschreef!
SCHUBERTIADES
Overigens moet ook die populariteit van die liederen een beetje gerelativeerd worden. Zowel uitgevers als publiek waren er in het begin niet zo zot van, aangezien ze “durchkomponiert” waren. Dat betekent dus één doorlopende muzikale lijn, in plaats van dezelfde melodie voor elke strofe, wat voor uitgevers veel goedkoper is om te drukken en voor luisteraars veel gemakkelijker om te onthouden.
De beroemde “Schubertiades” waarover geromantiseerde biografieën het zo graag hebben, bestonden wel, maar het is zeer onzeker of ze wel “Schubertiades” werden genoemd. Men sprak bijvoorbeeld ook over het Kanevas-genootschap, waarbij Kanevas stond voor: “Kann er was?” Men kwam er met andere woorden pas in als men ook een actieve inbreng kon hebben. Maar die was niet altijd muzikaal. En zo komt het dat Schubert, die hoegenaamd niet politiek geïnteresseerd was, eigenlijk een hekel had aan die “Schubertiades”, “omdat er teveel gebabbeld werd, meestal zelfs tijdens de liederen door”.
Dat wil anderzijds nu ook weer niet zeggen dat men onder het zingen de revolutie aan het voorbereiden was. Alhoewel Schubert zelf ook wel eens werd gearresteerd (dronkenschap allicht), is slechts één iemand uit de vriendenkring écht opgepakt en gefolterd, de Tiroolse nationalist Johann Senn. Het pleit wel voor Schubert dat hij toch nog twee teksten van hem op muziek zette.
In 1997 pakte Jos Van Immerseel met de integrale symfonieën uit, omdat het Schubertjaar ongetwijfeld voor de betrokken platenfirma’s wel een reden zal geweest zijn om daar wat geld tegenaan te gooien, maar voor een integer musicus als hem moet er toch ook wel een andere, meer fundamentele reden geweest zijn?
“Met Anima Eterna zijn we reeds sinds 1992 met Schubert bezig,” zegt de 52-jarige musicus, terwijl hij behaaglijk achterover leunt in zijn Antwerpse studio, waarin zo’n achttal historische klavieren staan opgesteld. “En toen al vatte ik het plan op om deze integrale op te nemen, aangezien ik vind dat deze nog altijd niet de plaats innemen die hen toekomt. Door de programmatie van het orkest werd dat dan een beetje op de lange baan geschoven en het is pas in een stroomversnelling geraakt toen we ons gingen buigen over het instrumentarium. We wilden dit immers doen met Weense instrumenten, iets wat nog niet gebeurd was. Ook de research was ondertussen verder gevorderd, want tot dan toe was er nog altijd geen volledige kritische uitgave verschenen. Tot nu toe zijn er zelfs nog maar drie symfonieën verschenen, zodat dit Schubertjaar ergens ook een beetje een ongunstig moment is, het zou misschien beter geweest zijn het wat later te doen, ook al omdat we dan al wat meer ervaring zouden hebben met de instrumenten en zo. Maar inderdaad, dat Schubertjaar is dan de aanleiding geweest om te zeggen: laten we het toch maar doen, want je kan het nu eenmaal moeilijk een jaar nà het Schubertjaar doen.”
Artistiek gezien is het trouwens ook een uitdaging, want de mensen zijn nu zodanig “overvoed” met Schubert en destijds met Mozart dat men toch wel met een zeer krachtig artistiek produkt moet uitpakken om nog op te vallen…
“Dat is eerder een probleem voor de merchandising. Deze combinatie van Weense instrumenten en een degelijk onderzoek op de autografen is zo speciaal dat ze zou opgemerkt worden, zelfs al zou de artistieke kwaliteit zeer laag liggen. Die Weense instrumenten dat is sowieso de eerste keer dat dit gebeurt, want de historische instrumenten die tot hiertoe voor Schubert gebruikt werden, waren Franse of Duitse instrumenten. Wij hebben dat trouwens toen in 1992 ook nog zo gedaan. Maar precies door ermee bezig te zijn, merkten we dat een boel dingen niet klopte, dat we te laag speelden. We hebben dan een onderzoek gedaan op de instrumenten, die bewaard zijn in Wenen, en los daarvan heeft de Amerikaanse musicoloog Bruce Haynes, die al jaren op de toonhoogte aan het werken is, zijn thesis gepubliceerd, waarin hij op puur theoretische grondslag tot dezelfde vaststellingen als ons is gekomen, namelijk dat de pitch in Wenen zeer hoog moet zijn geweest. Trouwens niet alleen bij Schubert, ook al vroeger. Vandaar dat ik van plan ben om binnen een paar jaren de Beethoven-symfonieën ook nog eens opnieuw te doen ook met dat Weens instrumentarium en wees gerust, daar gaat ook iets anders uit te voorschijn komen dan wat men tot nu toe gewend is.”
“Wat de autografen betreft zou het onjuist zijn te beweren dat wat tot nu toe is gebeurd helemààl verkeerd is. Er is al onderzoek gebeurd, ten eerste door de ploeg van Bärenreiter Verlag, die de uitgave voorbereidde en er is ook een platenserie verschenen met het Europees Kamerorkest onder leiding van Claudio Abbado en daar is ook een poging gedaan om de nog niet gepubliceerde symfonieën eens te bekijken, maar ik heb ondervonden, toen ik dat werk opnieuw deed, dat dit toch niet zeer verregaand geweest is. ’t Is te zeggen, het onderzoek is wel goed gebeurd, Stefano Mollo heeft dat gedaan, maar Abbado heeft slechts een gedeelte van diens opmerkingen overgenomen. Bovendien, door het feit dat dit een zeer modernistische uitvoering is, gaan zeer veel subtiliteiten bijna verloren van die zogenaamde verbeteringen, terwijl die echt heel kleurrijk gaan worden als men het juiste instrumentarium gebruikt.”
Datzelfde probleem stelt zich bij Harnoncourt en het Concertgebouw, nee?
“Zeker, maar daar moet ik dan helaas nog aan toevoegen dat Harnoncourt zijn werk niet zo goed heeft gedaan als Mollo, want niet alleen is daar veel minder van te merken, bovendien staan er ook nog expliciete fouten in. Het werk moest dus zeker nog eens opnieuw gebeuren.”
Met het Amsterdamse Concertgebouworkest bracht Nikolaus Harnoncourt in 1993 inderdaad de complete symfonieën uit van Franz Schubert. Compleet? Nou ja, Harnoncourt weigert fragmenten uit te voeren (“Ik ben een musicus en geen muziekhistoricus”), laat staan bewerkingen op basis van die fragmenten (“Dat is een grap”). En daarom ontbreekt de zevende symfonie uit 1821. Men gebruikt dan ook de nieuwe “nummering”, waarbij de achtste (de “onvoltooide”) de zevende wordt en de negende (de “grote”) de achtste. Ja maar, zal u opwerpen: als hij fragmenten weigert uit te voeren, waarom neemt hij dan wel de “onvoltooide” op? De gangbare opinie is echter dat de “onvoltooide” helemaal niet “onvoltooid” is, maar dat ze wel degelijk slechts uit twee bewegingen bestaat.
Toch even een overzicht van wat er allemaal voorhanden is:
D.2b 1ste bew. van een symfonie in D (1813)
D.82 symfonie nr.1 in D (net als de vijf volgende geschreven voor een amateurorkestje waarbij Schubert zelf altviool speelde en zijn broer Ferdinand viool, de bezetting wijzigde voortdurend en dat kan je ook aan de symfonieën merken: als de vijfde b.v. geen klarinetten heeft, is dit wellicht gewoon te wijten aan het feit dat er op dat moment geen klarinettisten bij het orkest waren. Deze symfonieën doen eerder denken aan Haydn of Mozart.)
D.125 symfonie nr.2 in B flat
D.200 symfonie nr.3 in D
Schubert begon aan zijn Symfonie nr.3 in mei 1815, op 18‑jarige leeftijd. Het was het jaar dat hij, in de voetsporen van zijn vader, onderwijzer werd. Een baan die Schubert niet al te lang zou volhouden, omdat hij zich gefrustreerd voelde door een gebrek aan tijd om te componeren. De symfonie nr.3 wordt als een jeugdwerk beschouwd. De stijl is classicistisch, de toon licht en sprankelend.
D.417 symfonie nr.4 in c (“de tragische”, een bijnaam waartegen o.a. Schumann bezwaar had)
D.485 symfonie nr.5 in B flat (1816), de enige van deze vroege symfonieën die geen trage opening heeft, zoals dat de gewoonte was in Schuberts tijd. In die tijd werkte Schubert als hulponderwijzer op de school van zijn vader waar hij kinderen van zes jaar het alfabet en de elementaire beginselen van het rekenen moest bijbrengen. Daarnaast gaf hij nog wat privé muzieklessen zodat er voor componeren niet veel tijd meer overbleef. Toch schreef hij in 1816 ook nog een strijktrio in Bes, wat hij het jaar nadien nog eens overdeed, evenals de liederen “Der Tod und das Mädchen” en “Die Forelle”, die hem later tot zijn twee beroemdste kamermuziekwerken hebben geïnspireerd.
D.589 symfonie nr.6 in C (“de kleine”, uit 1818. Dit is dus de laatste “amateuristische” symfonie. Van nu af besluit hij geen les meer te geven en enkel van zijn muziek te leven. Het scherzo als derde beweging i.p.v. een menuet is reeds een duidelijke verwijzing naar Beethoven.)
D.615 sketches van een symfonie in D (1818)
D.708a idem (1820)
D.729 sketches van een symfonie in E (1821), die lange tijd de zevende werd genoemd en die door Barnett in 1883 en door Weingartner in 1934 met weinig succes werd “vervolledigd”. De reden waarom Schubert in deze periode drie symfonieën onafgewerkt laat, wordt gezocht in zijn grote bewondering voor Beethoven en zijn van daaruit gegroeide intentie om slechts met een symfonie naar buiten te komen die naast die van de Meester kon staan.
D.759 symfonie nr.7 in b (“de onvoltooide”), die dus lange tijd de 8ste werd genoemd (1822). Harnoncourt: “De meeste Schubert-symfonieën (en dan vooral de “onvoltooide”) maar misschien wel de meeste symfonieën in het algemeen vertrekken van een literaire inspiratie. Die is echter voor de componist bedoeld, niet voor de luisteraar. Sommigen gingen zo ver van zelf een verhaal te schrijven, waarop ze dan muziek zetten. Maar ze zouden ervoor gehuiverd hebben, mocht het publiek dat verhaal ook onder ogen komen. Met muziek kan je nu eenmaal meer zeggen dan met woorden. Toch is het in dat verband belangrijk dat men de retoriek bestudeert.”
Clive Brown van zijn kant meent in de violen de invloed van de opkomende Viotti-school te merken en ook opmerkelijk vindt hij het aantal “gestopte” noten voor de hoorns (vroeger gebruikte Schubert dit slechts zeer uitzonderlijk). Allemaal bewijsmateriaal dat het nu echt voor “beroepsmensen” bedoeld was. Schubert zou deze symfonie geschreven hebben uit dank voor het feit dat hij tot de Akademie van Styria was toegelaten, maar de voorzitter Anselm Hüttenbrenner (een voorganger van Harnoncourt sr. dus) borg de symfonie in zijn lade en zou pas veel later door Johann Herbeck worden uitgevoerd. Het is ook deze Herbeck die in het huis van Hüttenbrenners broer Josef nog sketches voor twee verdere bewegingen voor deze symfonie aantreft.
In 1824 schrijft Schubert op verzoek van klarinettist Ferdinand Troyer het octet D.803. Typisch is alweer dat de “concurrentie” met Beethoven aan de oorsprong ervan lag. Troyer was namelijk zeer ingenomen met het septet op.20 van Beethoven en vroeg aan Schubert om ook iets dergelijks te schrijven. Schubert behield de samenstelling van het septet (viool, altviool, cello, contrabas, klarinet, fagot en hoorn), hij voegde er alleen een tweede viool aan toe. Ook de zes bewegingen zijn dezelfde, alleen heeft Schubert het scherzo en het menuet omgewisseld. Dit octet werd tijdens een lunchconcert in de Vlaamse opera uitgevoerd door een schare uitgelezen musici: Marian Tache en Femke Sonnen, viool; Stephan Uppenich, altviool; Muriel Bialek, cello; Havardur Tryggvason, contrabas; Fang Song, klarinet; Ina Bijlsma, hoorn en Jérôme Dayan, fagot.
Deze compositie, zo schrijft Schubert in een brief aan de schilder Leopold Kupelwieser, is een aanloop om zich terug aan een serieuze symfonie te zetten. En zo volgt D.936a een symfonie in D (“de Gmunden-Gastein symfonie), die echter verloren is gegaan (1825). Daarna komt evenwel D.944, de symfonie nr.8 in C (“de grote”), vroeger de 9de genoemd. Ze dateert van 1828, maar werd pas in 1839 door Schumann ontdekt. Voor Schumann betekende deze ontdekking tevens een ommekeer in zijn waardering voor Schubert, die op 19 november 1828 was overleden.
Dat er nog een 10de symfonie zou bestaan in ré majeur is enkel ontsproten uit het brein van de musicoloog Brian Newbould, die ze dan ook “op basis van fragmenten” heeft gecomponeerd, waarna ze werd uitgevoerd door o.a. l’Orchestre Philharmonique de Liège o.l.v. Pierre Bartholomée en the Scottish Chamber Orchestra o.l.v. Charles Mackerras. Deze laatste heeft zijn uitvoering in 1997 aan de CD toevertrouwd, waarop verder nog andere (echt) “onvoltooide” symfonieën van Schubert staan.
Anderzijds, ook Luciano Berio heeft dit eens gedaan, nota bene gecreëerd door Harnoncourt en het Concertgebouworkest! Maar toch werd deze interpretatie niet opgenomen bij de integrale versie van de symfonieën die Harnoncourt met dit orkest in 1993 uitbracht. Niet dat Harnoncourt niet tevreden is over het werk van Berio, integendeel! Maar het is wel Berio en niet Schubert…
In Harnoncourts interpretatie stralen Schuberts symfonieën alle een zekere “droefheid” uit, ondanks de talrijke verwijzingen naar dansmuziek (vooral de “Ländler”). “De muziek van Schubert ‘weent’ altijd. Eigenlijk is het diepdroevige muziek die lacht. Daarmee is hij het perfecte tegendeel van Johann Strauss, die lachende muziek schrijft, die tevens huilt.”
Schubert componeerde het strijkkwartet in Es in de tijd van zijn eerste symfonie, toen hij werd toegelaten in het internaat (Konvikt) van Salieri. Daarna volgt het “Quartettsatz” uit 1820, zoals de naam het zelf zegt, het eerste deel van een strijkkwartet dat nooit werd voltooid. Schubert zat toen immers al volop in de problemen en vluchtte vaak in de drank, zodat tal van composities onafgewerkt bleven.
Terug naar Jos Van Immerseel. In het licht van de revolutionaire interpretatie op muzikaal vlak van deze symfonieën, was ik wel verrast over het feit dat hij blijkbaar vasthoudt aan de syfilis-interpretatie, wat de vraag aangaat waarom de onvoltooide onvoltooid bleef (ter verduidelijking: in eerste instantie zou Schubert de achtste symfonie onvoltooid hebben gelaten wegens het vaststellen van de ziekte, later zou hij er dan niet meer naar teruggegrepen hebben, omdat dit hem aan zijn ziekte herinnerde).
“Waar haal je dat? Dat staat niet in de tekst van het CD-boekje, want die heb ik zelf geschreven.”
Nee, je platenfirma heeft me deze tekst bezorgd, die blijkbaar ook in het programmaboekje heeft gestaan voor de concerten in het Lunatheater.
“Dat is inderdaad geen tekst van mij en ik schaar mij helemaal niet achter die interpretatie. Eerst en vooral, de onvoltooide symfonie is inderdaad onvoltooid, want Schubert is wel degelijk aan een derde deel, een scherzo, begonnen. Het is dus duidelijk dat ze voor hem niet voltooid was. Dat het uiteindelijk bij twee delen gebleven is, kan tal van redenen hebben en aangezien het nu eenmaal zo is, heeft het geen enkele zin om daar een reden aan te geven. Schubert heeft nog tal van andere stukken niet afgewerkt en idem dito voor bijna alle andere componisten. Ik zeg altijd: het probleem van deze onvoltooide symfonie is niet dat ze onvoltooid is, maar dat ze zo goed is. Mochten die twee delen niet zo fantastisch goed zijn, zou niemand ook maar enige moeite doen om daar een verklaring voor te vinden. Dàt is dus het probleem, dat hij een symfonie is begonnen en de verwachting heeft geschapen dat die zou voltooid worden, wat allerlei interpretaties in het leven heeft geroepen, zelfs dat hij een nieuwe vorm wilde scheppen enz. Maar we weten het totaal niet en ik vind niet dat er daarover verder dient gediscussieerd te worden. Er zijn nog symfonieën van Schubert die eveneens onvoltooid gebleven zijn.”
Maar die weiger je dan ook uit te voeren…
“Omdat er niet genoeg materiaal is om ze te spelen. Ofwel zijn het dermate fragmentarische zaken dat het moeilijk is om daar een lezing van te geven. Ofwel is er niet genoeg orkestratie. Wat heeft het voor zin om op historische instrumenten te gaan spelen en toch zelf de orkestratie te maken? En ik moet u ook zeggen, met alle respect, dat ik kan begrijpen dat Schubert dat werk gestaakt heeft, want die stukken zijn inderdaad minder goed. Ook het begin van dat scherzo van de onvoltooide is niet goed. Hij heeft uiteraard zelf gemerkt dat hij op een verkeerd spoor zat en heeft het werk gestaakt. We moeten het respect opbrengen voor een componist van het niveau van Schubert om als iets niet klaar is daar dan met onze pietepeuterige amateuristische vingertjes af te blijven. Als je de onvoltooide wil voltooien, dan moet je op z’n minst van hetzelfde niveau zijn als Schubert en ik heb zo de indruk dat er op dit moment niet zo veel rondlopen (lacht smakelijk).”
TRAGIEK
Dat het syfilisverhaal zo gretig ingang vindt, heeft wellicht te maken met het tragische aspect van de muziek. We bevinden ons hier natuurlijk wel op gevaarlijk terrein. Voel ik dat verkeerd aan dat die muziek zo tragisch klinkt?
“Nee, die muziek klinkt inderdaad zeer tragisch, maar dat betekent nog niet dat de maker ervan in een tragische situatie zat. Een goede componist, zélfs in de romantiek, zélfs een Chopin, die als een schoolvoorbeeld mag gelden, is altijd in staat geweest in gelijk welke gemoedstoestand muziek te schrijven met een ander karakter. Dat is gewoon een onderdeel van het vak componeren. Als je dat niet kunt, ben je gewoon geen goede componist. Op zich hoeft het karakter van een werk, ook als dat heel sterk is, dus niet te betekenen dat men daar dan meteen allerlei interpretaties over de persoon in kwestie moet aan vastknopen.”
Zoals in de inleiding gesteld heeft Schubert “in het aanschijn van de dood” wel degelijk het fameuze strijkkwintet gecomponeerd en ook het kwartet “Der Tod und das Mädchen”, maar daarnaast ook een aantal van zijn meest lichtvoetige Ländler!
Men kan zich trouwens afvragen waar Schubert die syfilis had opgedaan. “Bij de hoeren,” is het geijkte antwoord op die vraag, maar dat is niet zo evident. Uit “La Bohème” en andere werken in die zin leren we wel dat kunstenaars en prostituées vaak met elkander optrokken, waarbij de arme kunstenaars het wel eens gratis mochten doen, maar Schubert was op dat vlak helemaal niet populair. Op de eerste plaats door zijn uiterlijk, maar door zijn artistieke frustraties was hij in de omgang ook niet altijd genietbaar. En niet altijd ten onrechte! Bekend is de anekdote dat hij bij een ruzie zijn composities in het gezicht van zijn “vrienden” gooide met de woorden: “Neem deze ook maar, jullie hebben er al zoveel meegenomen. Sommigen onder jullie hebben meer composities van mij dan ikzelf!” En jawel hoor, zo werd na zijn dood de partituur van de zogenaamde “Onvoltooide Symfonie” aangetroffen bij de gebroeders Joseph en Anselm Hüttenbrenner, die nog samen met hem les hadden gevolgd bij Salieri.
Daarom denkt men veeleer dat het kamermeisje Pepi (Josephine Pöckelhofer) het hem “gelapt” heeft, toen hij in 1818 in Zseliz verbleef om er les te geven aan de negentienjarige gravin Karoline (misschien de enige vrouw die ooit op hém verliefd is geweest, maar de etiquette verbood haar dat te tonen).
Nog besmuikter wordt er echter gesuggereerd dat er binnen de vriendenkring van Schubert ook homoseksuele verhoudingen bestonden. Met name zijn boezemvriend en jarenlange kamergenoot Franz von Schober (de tekstschrijver van “An die Musik”) wordt op dat vlak met de vinger gewezen.
Jos Van Immerseel: “Een ander punt is dat bij Schubert de tragiek in de muziek een zeer veel voorkomend feit is om de nogal vanzelfsprekende reden dat men in tragiek heel veel stof kan vinden om te komen tot prachtige kunstwerken. Kijk maar naar de thematiek van festivals. Als men als thema angst of dood neemt, dan is er keuze te over, terwijl als een organisator aankondigt dat hij het jaar nadien de vreugde als centraal thema zal nemen, dan blijken er maar twee of drie waardevolle werken zich aan te dienen (lacht uitbundig).”
Omdat dergelijke werken al snel als zijnde “te licht” worden aangevoeld.
“Ah ja! Het is dus heel logisch dat Schubert dramatische teksten en dramatische stukken heeft trachten te componeren en daarin ook geslaagd is. En in zijn geval is het dan natuurlijk aantrekkelijk om parallellen te trekken met zijn leven, wat volgens de biografen – in de huidige manier van denken – tragisch geweest is. Maar is dat wel zo? Men zegt b.v. de symfonieën van Schubert zijn niet uitgevoerd tijdens zijn leven. Of toch niet zoals het hoort, b.v. zoals die van Beethoven. Dat klopt. En ze werden niet uitgegeven. Dat klopt ook. Maar Beethoven heeft z’n eerste symfonie geschreven, als ik me niet vergis, toen-ie dertig was. Dat is in het geval van Schubert enkele maanden voor zijn dood! Dat was dus heel normaal voor een componist die nog zo jong is. Bovendien leefde hij in Wenen aan de rand van de samenleving. Hij was immers geen Wener. Beethoven ook niet, akkoord, maar die had zich via mondaine contacten in de hogere kringen ingewerkt – waarvoor hij overigens vijftien jaar heeft nodig gehad. Schubert was daar echter niet mee bezig. Die zocht eerder zielsverwanten op en daardoor was hij als figuur in Wenen eigenlijk nauwelijks aanwezig. Maar niemand kan bewijzen dat, mocht Schubert nog dertig jaar langer hebben geleefd, hij op een bepaald moment toch niet erkend zou zijn geweest. Dat is absoluut niet uit te sluiten.”
“Die biografie is dus wel zeer overschaduwd door het feit dat men steeds vergeet dat Schubert toch maar een heel kort leven heeft gehad en dat in die tijd – trouwens vandaag ook nog – iemand pas na verloop van tijd begint bekend te worden. Hetzelfde geldt voor zijn opera’s. Schubert heeft er niet minder dan 14 geschreven! Die zijn wel gespeeld, maar nooit erg succesvol geweest. Maar bij andere componisten is dat ook het geval. Dat was alleszins geen waardemeter omdat het toch altijd over een jonge componist ging. Men moet daar dus niet gaan achter zoeken dat hij miskend geweest is tijdens zijn leven, ik denk integendeel dat dit heel normaal was. Dat gebeurt vandaag ook nog.”
RETORIEK
Ik wilde eigenlijk afstappen van het anecdotische om bij het stokpaardje van Jos Van Immerseel, de retoriek, terecht te komen. Eigenlijk vroeg ik me dus af of er retorische elementen aanwezig waren om tot die tragische interpretatie te komen.
“Jazeker. Er zijn verschillende elementen die bij Schubert zo vaak terugkeren dat men bijna zou kunnen zeggen dat het essentiële kenmerken voor hem zijn. En dat is dan op de eerste plaats dat tragische, zelfs in zijn vrolijke stukken. Zelfs als iets vrolijk zijn gangetje gaat, dan komt er vaak in het midden van die tekst toch een heel tragisch moment. Of zelfs op het einde! Ik moet daar trouwens onmiddellijk aan toevoegen: dikwijls zit dat reeds in het gedicht en is het niet afkomstig van de componist.”
“Een tweede punt is dat Schubert veel met harmonie en kleur werkt en veel minder motivisch, wat Beethoven wél deed. Beethoven was een constructeur, een architect, terwijl Schubert eerder een colorist is. Verder is bij Schubert het ritmische element altijd aanwezig in de vorm van obligate ritmische begeleidingen. Die zijn soms heel druk. In sommige fragmenten van zijn pianowerk en ook in zijn symfonieën zijn er momenten dat er eigenlijk helemaal geen melodie aanwezig is. Men zegt vaak: Schubert is een zanger en dat is natuurlijk waar, maar niet zo exclusief. Er zijn fragmenten waarin alleen maar ritme aanwezig is. Het zijn ten andere die fragmenten die Brahms heeft proberen te herschrijven. Met name in de grote symfonie zijn er vier maten in het scherzo, als je die isoleert en je laat ze horen aan iemand die niet voorbereid is, dan gaat die nooit raden dat dit Schubert is. Ik zou zelfs durven zeggen dat men eerder aan Bartok of Stravinsky zou denken. Want het is heel merkwaardig wat daar plots klinkt als ritmiek en als modernisme in de toonspraak.”
“Die sterke begeleidingsmachine is iets wat je bij Beethoven niet zoveel vindt omdat hij dat niet kon combineren met zijn motivisch spel, want dan zou de zaak dichtgeslibd zijn natuurlijk. Bij Schubert heb je meestal één melodisch gegeven en een bas, hij moet dat gebied dus opvullen met een ritmische machine. Die ritmiek is voor een groot stuk gebaseerd op repetitieve technieken, wat toch wel speciaal is voor zijn tijd, en is zeer sterk gebaseerd op de zogenaamde volksmuziek. Daarmee bedoel ik de overblijfselen van tradities die in Wenen dagelijks te horen waren in al die kleine koffiehuizen en op straat. Dat is dus wat wij gemakshalve Hongaarse muziek noemen, maar die natuurlijk vaak helemaal niet Hongaars is, maar voortkomend uit de invloeden van dat Slavische gebied. En ook die hebben meestal weer een heel somber en tragisch karakter. Zoals trouwens de doorsnee Hongaar (lacht dermate dat ik vermoed dat hij aan een concreet iemand denkt).”
“Men zegt al gauw: Schubert beheerste de vorm niet. Maar dat was eerder een aspect van zijn avontuurlijke manier van componeren. Ik denk dat men dat zegt omdat de vorm soms raar is of niet terug te voeren tot bepaalde modellen. Ik denk integendeel dat hij de vorm dermate goed bezat dat hij hem kon loslaten. Als je de stad die je doorkruist zeer goed kent, dan heb je geen plattegrond nodig en dan kan je je ook permitteren eens een paar zijstraten in te slaan omdat je altijd weet waar je moet terechtkomen. Hij gaat dus avontuurlijk te werk met de vorm, maar op een paar jeugdwerken na heb je nooit het gevoel dat dit een zwakte is, integendeel.”
COMBINATIES
Ik ben blij dat je je daarstraks al gedistancieerd hebt van die begeleidende tekst die men mij in handen heeft gestopt, want over de zesde symfonie staan daar slechts een paar lijnen en die komen er dan nog op neer dat men eigenlijk zegt: die stelt niet zo heel veel voor. Ik overdrijf een beetje, maar toch. Mijn vraag is dus: waarom dan deze combinatie met de onvoltooide.
“Daar is geen enkele reden voor. De bedoeling is wel geweest om de onvoltooide en de grote symfonie niet samen te zetten en met name ook de tragische een aparte plaats te geven. Dan heb je al drie platen, waarbij de grote reeds een plaat vult, zodat de onvoltooide en de tragische dienen te worden aangevuld en dan heb je nog een vierde, waarop de resterende werken komen. Wij hebben gedacht dat het interessant was om een contrast te vinden. De onvoltooide heeft een toonspraak die voor Schubert zo speciaal is dat men zich kan afvragen of, indien hij langer had geleefd, hij met die toonspraak verder zou gegaan zijn. En daarom dacht ik dat het goed zou zijn dit te combineren met de zesde symfonie, net zoals de tragische dan met de tweede symfonie zou kunnen worden gecombineerd, die jeugdig en zeer virtuoos is, en met de vierde, waar hij overigens zelf de tragische heeft bijgeschreven, maar die niet als dusdanig de geschiedenis is ingegaan. En zo kwamen we dan zelf tot de vierde plaat met de eerste, de derde en de vijfde symfonie, ook al omdat die korter zijn. Ja, zo moet je nu eenmaal redeneren, je kan niet zoals in een boekenkast gewoon chronologisch te werk gaan.”

Referentie
Ronny DE SCHEPPER, Oude partituren opgefrist, Het Laatste Nieuws 16 oktober 1993

2 gedachtes over “Franz Schubert (1797-1828)

  1. Ik heb je stuk gelezen. Dit kostte mij moeite. Ik zou het zelfs niet kunnen samenvatten , noch de beweegreden van je stuk tekst kunnen vertellen. Maar, ik hou van Mozart, ik hou van Beethoven, ik speel piano, ik tracht te componeren …en ik heb moeite met Schubert… hij zegt mij niets. Hoe is het in Gods naam mogelijk dat u zo veel over hebt om over Schubert te schrijven. Dat hij homoseksueel was – misschien – kan een gemeenschappelijk punt zijn, zoals met veel artistieke mensen, en dat hij jong gestorven is als Mozart en hunkerde naar belangstelling van Beethoven…och och… maar de muziek zelf …. sorry ik begrijp hem niet.
    Moet ik het mooi vinden? Zeg me waarom?

    Peter.

    Like

    1. Als ik heel eerlijk wil zijn, mijnheer Cluytens, dan zal ik Rhett Butler moeten citeren in “Gone with the wind”: “Frankly, my dear, I don’t give a damn”. Ik hou wél van Schubert en, by the way, ik ben niet homoseksueel. Niet dat dit enig verschil zou maken wat genieten van Schubert betreft, daarom raakt je reactie mijn koude kleren niet.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s