Vandaag is het twintig jaar geleden dat Colonel Parker, de manager van Elvis Presley, is overleden.

In september had country and western-vedette Hank Snow ervoor gezorgd dat Elvis Presley, tegen het protest van de rednecks in, kon optreden in de Grand Ole Opry. Toen stelde Snow hem ook voor aan Colonel Parker, een Hollander die tot dan toe aan de kost kwam met “dansende kiekens” (*), waardoor Snow zichzelf wel buitenspel zette wat de verdere carrière van Elvis betreft.
Parker verkoopt Elvis, die tot dan toe opnam voor het lokale Sun-label, dat hem ook had ontdekt, aan de multi­national RCA-Victor met als merkwaardig onderdeel van het contract dat Elvis royalties zou ontvangen voor elke plaat waarop zijn naam stond (eigenlijk is Parker op die manier de uitvinder van het “uitvoerdersrecht”).
Anderzijds heeft Sam Phillips (1923-2003) van Sun altijd ontkend dat hij zou “gerold” geweest zijn. Voor het bedrag dat men hem aanbood, had hij namelijk een totaal nieuwe studio kunnen inrichten, maar hij verkoos te investeren in de nieuwe Holiday Inn-keten, wat hem wellicht geen windeieren heeft gelegd. Trouwens, wat later zou volgen, kon eigenlijk niemand voorzien en zou zonder de steun van een multinational ook niet mogelijk geweest zijn.
Van zodra Elvis Sun Records verliet door toedoen van Tom Parker, werd hij financieel in de tang genomen door een sluwe Parker die het op een akkoordje had gegooid met de muziekuitgeverij van de gebroeders Julian en Jean Aberbach, namelijk Hill & Range, waardoor Parker niet alleen de helft van de royalties opstreek maar waardoor Elvis ook min of meer gehandboeid was om alleen songs op te nemen van auteurs, verbonden aan die uitgeverij. Vervolgens richtte Parker een tweede maatschappij op, Elvis Presley Music, beheerd door Freddy Bienstock, en waar Parker en Hill & Range een tweede keer aan de kassa passeerden voor de inkomsten die uit de uitvoeringen kwamen. De melkkoe lag zo aan banden, waardoor hij potentiële hits aan zijn neus zag voorbijgaan omdat de componisten verbonden waren aan andere muziekuitgeverijen dan Hill & Range.
Zo werkte Elvis voor zijn legerdienst nog samen met Jerry Leiber en Mike Stoller als componisten, die hem vele kwaliteitsvolle hits opleverden. Maar dit stak bij Parker omdat het duo niet verbonden was aan Hill & Range, waardoor hij vele pegels aan zijn neus zag voorbijgaan. Daarom stuurde hij, zonder medeweten van Elvis, hen een contract met het verzoek dit te tekenen en te retourneren met de vermelding: “details volgen later”. De mannen waren zo verontwaardigd dat ze niet eens de moeite namen om het terug te sturen maar het stante pede de vuilbak inkieperden. Daarmee was dan ook een ontluikende vriendschap met Elvis in de kiem gesmoord, want Elvis zag of hoorde sindsdien niks meer van hen. Nooit heeft hij ze nog teruggezien.
Wat volgde was in eerste instantie “Heartbreak Hotel”. Of zoals Cliff Richard in Humo het stelt: “Alles is bij mij begonnen toen ik voor ‘t eerst Heartbreak Hotel van Elvis Presley hoorde. Die holle, kale, eenzame klank die in die plaat zat ontroerde mij zo dat ik me nu nog altijd dat moment precies kan voorstellen. Ik stond als geslagen naar de radio te staren, en ik wist dat ik nooit tevoren zoiets gehoord had, omdat dat niet kon, omdat nog nooit iemand zó gezongen had. Zo juist, zo raak en zo precies wetend waar het om ging.”
Daarna volgde “Love me tender”, tevens’ Elvis eerste film, geregisseerd door Robert D.Webb die uitkwam op 15 november 1956, want dat was Parkers volgende move: Elvis verkopen aan Hollywood. Dit kwam o.m. door de rommel van de filmsongs, die bij hoger genoemde maatschappijen werden aangegeven.
Een andere reden waarom Elvis in die flutfilms bleef opdraven was omdat Parker een contract met Hollywood had bedongen voor een aantal films, die inkomsten voortbrachten die tweemaal zo groot waren als de inkomsten uit zijn liedjes.
Op een bepaald moment was Elvis het zo strontbeu dat hij zijn boeien wilde verbreken maar Parker zette hem toen even op zijn plaats door te zeggen dat indien hij dat deed, zijn extravagante uitgaven mocht vergeten, waaraan hij zich te buiten ging. M.a.w. Elvis had dus ook zichzelf niet alleen in nesten gewerkt maar ook zichzelf afhankelijk gemaakt van de inkomsten van die rommelfilms.
Eind jaren zestig zou dit artistiek bijna Elvis’ dood betekenen, maar ook toen wist Parker raad: hij laat Elvis afscheid nemen van Hollywood met de documentaire “Elvis on Tour” en organiseert met “Aloha From Hawaii” tevens het allereerste liveconcert dat wereldwijd via satelliet wordt uitgezonden. In die dagen een technisch hoogstandje dat vooral in Azië zeer goed bekeken wordt. Europa ziet de special met enige uren vertraging om met prime-time samen te vallen. Colonel Parkers mediamachine draait op volle toeren en geschat wordt dat tussen de 1 en 1,5 miljard mensen over de hele wereld “Aloha From Hawaii” gezien hebben. In 1973 was dat tussen de 30 en 50% van de wereldbevolking en naar schatting meer dan 75% van wereldbevolking met een televisie.
Daarna liet Parker Elvis vooral in peperdure hotels optreden, omdat Parker gokverslaafd geworden was en tot over zijn hoofd in de schulden zat. Het was in die tijd dat hij Elvis’ pensioenverzekering verkocht en hem een verkoopcontract liet tekenen waardoor vanaf dat moment alle toekomstige winsten van de hele Presley-catalogus voor RCA was. Het was dan ook vanaf dat moment dat RCA lp’s begon uit te brengen zoals “Elvis a legendary performer volume 1,2,3″ enz. met alternatieve opnames van zijn hits.
Tegelijkertijd liet Parker in de hotels zodanig veel optreden dat het niet mooi meer was. Elvis werd vergeleken met een muilezel! Elvis’ uitgavepatroon was echter dermate groot dat hij bij het einde van zijn leven virtueel failliet was.
Maar de Elvis-hype die Colonel Parker opnieuw wilde creëren, was dus geslaagd, al werd Elvis bij zijn optredens steeds meer gehinderd door zijn zwaarlijvigheid. Deze was voornamelijk te wijten aan de typisch Amerikaanse slechte eetgewoonten (hamburgers) en een overmatig gebruik van drank. Als remedie ging hij dan weer pillen slikken, maar de combinatie met alcohol maakte de remedie erger dan de kwaal. Tot nu toe werd algemeen aangenomen dat hij begonnen was met benzedrine tijdens zijn legerdienst (om wakker te blijven), maar niets was minder waar. Hij zat al aan de pillen toen hij nog bij Sun zat en door het land reisde per auto (omdat hij toen nog schrik had van vliegtuigreizen, Buddy Holly indachtig) en dan al pillen nam om wakker te blijven en om energieker te kunnen optreden. Later zijn de afslankpillen erbij gekomen, waaraan ook zijn moeder ten onder ging (hartaanval veroorzaakt door jarenlang aflsankpillen te slikken). Het waren ook de pillen die de oorzaak waren van zijn latere agressieve gedrag.
Elvis zelf stierf uiteindelijk op 16 augustus 1977. Nochtans was het jaar beloftevol gestart. Presley zou hebben gebroken met kolonel Parker en onder leiding van Tom Dowd (producer van o.a. Otis Redding en Rod Stewart) zou hij een elpee opnemen die “The way it might have been” (zoals het had kunnen zijn) zou gaan heten. Terug naar de wortels dus. Het zou me erg verbazen indien deze elpee reeds ingeblikt zou zijn, want Elvis had pas een nieuwe uit (“Moody blue”) en buiten de titelsong en “Way down”, zijn laatste hit, staat er geen enkel volwaardig rocknummer op.
Maar ook een lijk kan zijn handelswaarde behouden zodat Colonel Parker zelf nog lang en gelukkig kon leven (hij had voor zichzelf meer dan 50 % van Elvis’ inkomsten gereserveerd). Hij stierf begin ’97 op 87-jarige leeftijd. Andreas Wilhelmus (“Dries”) van Kuijk was overigens geen “echte” colonel, dat was een “eretitel” die hij had meegekregen van de gouverneur van Louisiana in 1948.
Bij een laatste interview vroeg Chris Hutchins, de journalist die het Beatle-bezoek had geregeld, hem “of Elvis soms de zoon was die hij zelf nooit had gehad“?
Ik heb hem nooit als een zoon beschouwd. Maar hij belichaamde wél het succes waar ik altijd van gedroomd heb,” antwoordde de man die de begrafenis van zijn poulain had bijgewoond in een T-shirt en met een baseballpet op het hoofd. En die er geen traan voor gelaten had.
Tot slot vraagt Hutchins hem dan maar welke platen van Elvis hij nu nog draait? “Geen enkele,” is alweer het ontnuchterende antwoord. “Ik luister alleen naar het gerinkel van de kassa. Daar betaalde hij me toch voor?
Hopelijk zag Elvis dan toch ook een deel van de opbrengst van de “I hate Elvis”-speldjes die de kolonel in de handel had gebracht. Niet dat het nu werkelijk zó erg was, maar hij had ingezien dat voor ieder die een “I love Elvis”-speldje kocht, er misschien ook wel iemand te vinden was die niet van Elvis hield…
Samengevat kan je zeggen dat de samenwerking tussen Parker en Elvis in eerste instantie succesvol was om hem wereldbekendheid te geven maar daarna totaal nefast was op alle gebied: financieel omdat Elvis vastzat aan wurgcontracten en artistiek omdat Parker helemaal geen voeling had met de tijdsgeest, waarin de jeugdcultuur een totaal andere richting was ingeslagen bij het verschijnen van de Beatles op het wereldtoneel, en omdat Parker, en hij alleen, de lakens uitdeelde over de songkeuze. Zelf had Elvis geen componeertalent, maar hij had wel de muzikale feeling om een nummer op een hoger niveau te tillen met zijn uitzonderlijke stem. Spijtig want met een andere manager van zijn leeftijd hadden meer juweeltjes mogelijk geweest.

Ronny De Schepper
(met dank aan Raymond Thielens)

(*) In werkelijkheid zette hij de kippen op een gloeiend hete plaat: waar is Michel Van Den Bossche als je hem nodig hebt?!?

Referentie
Ray Connolly, Being Elvis, oorspronkelijke editie van 2016 door Weidenfeld & Nicolson, London; Nederlandse vertaling van 2017 door uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam.

Ann-Margret en Elvis

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s