Oudbakken burgerstront.” De statige Stephan Moens verloor even zijn “cool” toen hij de “greatest hits”-CD van Nigel Kennedy recenseerde voor Klara. En terecht, zo blijkt, want deze “greatest hits” uit het meest smartlapperige gedeelte van de klassieke muziek kan moeilijk met een andere omschrijving worden bedacht…

Toch was Nigel Kennedy ooit de Jimi Hendrix van de klassieke muziek. Niet omdat hij “Purple Haze” op zijn viool speelt (zijn oorspronkelijk opzet om een volledige CD met Hendrix-composities op te nemen, werd in 1996 vervangen door de CD “Kafka”, waarop hij vooral eigen composities speelt en slechts een zestal Hendrix-nummers) en evenmin omdat hij op een veiling bij Sotheby’s een sjaaltje heeft gekocht dat nog aan Jimi heeft toebehoord en dat hij nu als fetisj draagt. Maar als hij de snaren van zijn strijkstok losmaakte om ze rond zijn viool te draperen, ze dan weer vast te maken en zo te spelen, ja dàn moeten we onwillekeurig terugdenken aan de gitaargod uit de jaren zestig die zijn instrument met de tanden of op de rug bespeelde.
Toch is het niet met hogergenoemde krachttoer dat Nigel Kennedy wekenlang de top van de hitparade heeft gehaald (want, om eerlijk te zijn, een viool op die manier bespelen is niet om aan te horen). Neen, dat was dan weer met de overbekende “Vier Seizoenen” van mijnheer Vivaldi. En dan geen “popversie” wel te verstaan. Kennedy heeft een hekel aan “cross-over” popmuzikanten als Keith Emerson of Rick Wakeman, “die gewoon de uiterlijkheden van de klassieke muziek nabootsen”.
Het “popelement” bleef bij Kennedy enkel beperkt tot een lichtshow bij live-uitvoeringen, aangepast aan elk van de vier seizoenen. Omdat sommige kringen op àlles kritiek hebben wat Kennedy doet, vond men dit belachelijk, maar ik kon dat wél appreciëren, zeker omdat men in concertzalen wel eens wordt geconfronteerd met een soort van hospitaallicht, dat zelfs tijdens de uitvoering niet eens wordt gedoofd.
Maar waarom Vivaldi? Misschien omdat vadertje Vivaldi ondanks zijn bijnaam ‘de rosse pastoor’, met de meisjes uit zijn weeshuis toch kon swingen als de pest: niet voor niets schijnt “il prete rosso” immers ook nog “de hete bedpan” te betekenen.
Op die manier heeft hij misschien zekere “affiniteiten” met Kennedy. De laatste tijd komt deze immers al bijna even vaak als de Britse koninklijke familie in de boulevardpers door zijn tumultueuze liefdesleven. Na een verhouding met met Oriole Leitch, de in 1972 geboren dochter van Donovan, de protestzanger uit de jaren zestig, werd hij het laatst gesignaleerd met Brix Smith, de vroegere gitariste van The Fall. Of ze ook de moeder is van zijn zoon Sark (°1997) is me niet helemaal duidelijk.
Die Donovan-episode was niet helemaal onverwacht, want Kennedy hééft iets met de jaren zestig. Zo heet zijn strijkkwartet heel subtiel “The Motherfuckers from Outer Hell”, teruggaande op een grapje van John Lennon, die tijdens de opname van “Abbey Road” voorstelde om de naam van “The Beatles” te veranderen in “The Motherfuckers”. “Zou dat niet grappig zijn,” vroeg hij aan zijn collega’s, “dan moeten ze op zo heel deftige zenders afkondigen: en nu op nummer één, The Motherfuckers!”
Indien John Lennon nog zou hebben geleefd, zou hij met Nigel trouwens wellicht wel dingen tesamen hebben gedaan, tenslotte speelt Kennedy toch ook op platen van o.a. Kate Bush, Donovan (natuurlijk) en… Paul McCartney. (Wie zei daar overigens iets van cross-over…?)
Ten tijde van “Abbey Road” was Nigel Kennedy nog maar dertien jaar oud en niets liet vermoeden dat hij het grapje van John Lennon nog waar zou maken. Integendeel, in die tijd groeide hij nog op als een soort van wonderkind. Geboren in 1956 in Birmingham (uit een familie waarvan de grootmoeder uit Gent afkomstig was) was hij eigenlijk voorbestemd om cello te spelen, zowel zijn vader als zijn grootvader bespeelden dit instrument immers bij The Royal Philharmonic Orchestra. Grootvader Lauri, een Australische immigrant, nam in 1935 zelfs aan de zijde van Fritz Kreisler diens strijkkwartet op, dat Nigel zelf in 1998 op CD zette (zij het dat hij naar eigen zeggen dit pas nadien heeft vernomen).
Vader Kennedy keerde echter terug naar Australië, nog voor kleine Nigel werd geboren en aangezien zijn moeder pianolerares is, is het aanvankelijk op dit instrument dat Nigel als driejarige “debuteert”. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan en het strijken zat hem inderdaad blijkbaar in het bloed. Geen cello weliswaar, maar wel wordt hij reeds als zesjarige toegelaten tot de prestigieuze vioolschool van Yehudi Menuhin.
Op 16-jarige leeftijd trekt hij naar New York om zich te vervolmaken in de fameuze Juilliard School of Music, terwijl hij aan de kost komt in jazzclubs (o.a. met de Franse jazz-violist Stéphane Grappelli) of, als het moet, gewoon op straat. Daar speelde hij dan wel klassiek en op die manier kwam hij tot de overtuiging dat dit genre nog altijd in staat is een groot publiek aan te spreken, als de drempel maar wordt verlaagd.
Anderzijds heeft hij ook nooit zijn liefde voor de jazz verloren. In 1984 bracht hij nog gewoon een CD uit met evergreens, maar twee jaar later deed hij al meer opvallende dingen door muziek van Duke Ellington naast die van de Hongaarse componist Belà Bartok op één en dezelfde plaat te zetten. Daarna verscheen “Let loose”, waarin dan weer meer een link tussen jazz en pop wordt gelegd. Terecht zegt Kennedy immers dat in de jaren twintig van deze eeuw de jazz de plaats van de klassieke muziek heeft ingenomen wat sociale relevantie betreft, maar dat jazz op zijn beurt in de jaren vijftig door rock’n’roll opzij is gezet.
Vandaar dat hij naar het legendarische “onbewoond eiland” voornamelijk pop- en jazzplaten zou meenemen. Tot daaraan toe, maar dat hij als enige klassieke plaat uitg­rekend pianomuziek van Chopin uitgevoerd door Arthur Rubinstein selecteert, geeft toch te denken!
Dat ligt in dezelfde lijn als zijn verklaringen in een interview op de BRT-televisie, waarbij hij Mozart “saai” vindt, maar Liszt daarentegen een grote vernieuwer!
Ook de liefhebbers van hedendaagse muziek zullen wel even de wenkbrauwen fronsen als hij in “Humo” verklaart: “Ik heb veel meer respect voor Peter Gabriel en Frank Zappa dan voor Stockhausen of voor fuckin’ Philip Glass. Ik heb niets tegen mensen die op een intellectueel niveau componeren, als hun muziek maar soul heeft. Soul is een beetje een probleem in de hedendaagse klassieke muziek: er wordt nogal wat gerukt in die kringen. ’t Gaat voortdurend van: luister-eens-aan-wat-voor-ingewikkelde-technische-criteria-mijn-composities-voldoen.”
Om te illustreren hoe het dan wél moet, is hij ondertussen met eigen composities naar buiten gekomen en heeft hij ook een concerto voor twee violen besteld bij Joe Zawinul van Weather Report.
Ondertussen blijft hij echter toch nog actief (zij het steeds minder) op het klassieke terrein, o.a. met opnames van vioolconcerti van Brahms, Tsjaikovski, Sibelius, Bruch en Beethoven. Hierop krijgt hij ook wel kritiek van sommige “kenners”. Het minste verwijt is nog dat Kennedy wezenlijk niets anders doet dan andere violisten, die wél een deftige smoking dragen. Dit in tegenstelling tot b.v. de Antwerpse clavecinist Jos Van Immerseel, die er dan niet als een punk mag uitzien, maar als hij in de barokcompositie “La Monica” plotseling jazz-improvisaties inlast, dan kijkt het traditionele concertpubliek ook wel even op! (Al dient toegegeven dat de cadenza’s van de vioolconcerti van Brahms en Beethoven toch ook sterk “Kennedy-getint” zijn.)
Toch is het belang van dat uiterlijk niet te onderschatten, zoals b.v. An Boeykens, de klarinettiste van het Vlaams Radio-orkest, aangeeft: “Ja, ik hou van Nigel Kennedy, al weet ik wel dat veel mensen uit het beroep, violisten uit ons orkest b.v., er niet zo hoog mee oplopen. Hij wordt wellicht inderdaad wat overschat, maar als je op die manier klassieke muziek populair kunt maken bij jongeren, waarom niet? Want laten we eerlijk zijn, het is door zijn imago. Mocht hij daar zo niet aangetroeteld staan, dan was hij gewoon één uit de zovelen. Maar ik vind dat tof dat hij op het podium komt zonder een smoking aan. Want dat associeert men nog veel te veel met klassieke muziek. Daar hangt altijd iets deftigs rond. Een stijf wereldje.”
Maar Robert Groslot, die zich als dirigent van de Proms-concerten ook steeds heeft afgezet tegen die “stijfdeftigheid”, vindt het talent van Kennedy toch verder gaan dan het vestimentaire: “Ik vind hem een genie. Hij is heel consequent in wat hij doet. Hij is ook echt met muziek bezig. Geld is niet zijn belangrijkste drijfveer. Dat kan men niet van iedereen zeggen.” (Het Nieuwsblad, 24/10/1991)
Tot de tegenstanders behoort Dimitri Ivanov, de concertmeester van het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen: “Wat hij doet is volgens mij een goedkope poging om het grote publiek te bereiken, nu de klassieke muziek in een crisis verkeert. Er als een punk uitzien, je idioot gedragen op het podium én Vivaldi spelen? Dat gaat volgens mij niet samen.” (Humo, 10/1/2006)
Toen de charmes van Vanessa Mae de ondertussen 40-jarige huisvader uit de harten van de jongeren had verdrongen en een “ernstig” violist als Maxim Vengerov het dan weer op alle terreinen (ook op niet het minst belangrijke, namelijk het commerciële) van hem won, keerde Kennedy (zijn voornaam had hij ondertussen laten vallen) eind 1997 terug met een nieuwe opname van het vioolconcerto van Elgar. Aangezien hij daarbij werd bijgestaan door The City of Birmingham Symphony Orchestra onder de kundige leiding van Simon Rattle, kon hij zelfs op een aai over de bol van de onverbiddelijke Stephan Moens rekenen.
Maar met zijn concert in Belgrado op 27/6/1999 heeft Nigel Kennedy zijn reputatie als rebel binnen het klassieke wereld nogmaals bevestigd. Alhoewel de goegemeente het absoluut “not done” vond om gratis te gaan optreden in een zaal (het Sava Kunstencentrum) waar president Milosevic enkele dagen eerder nog zijn generaals had gelauwerd, veegde de Engelse violist daar glansrijk zijn paarse korte broek aan. Gekleed in een shirt met daarop de slogan “blues suck my ass” vertelde hij aan ieder die het wou horen dat hij lak had aan “politiek correct denken”. Al voegde hij er wel aan toe dat hij een week eerder een benefietconcert had gegeven voor Kosovaarse vluchtelingen.

Referentie
Ronny De Schepper, Viool, voetbal en Vivaldi, De Rode Vaan nr.47 van 22 november 1991
Ronny De Schepper, Nigel Kennedy, de Jimi Hendrix van de klassieke muziek, Magik, juli 1993

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.