Het is vandaag 30 jaar geleden dat de film “Platoon”van de Amerikaanse regisseur Oliver Stone in première is gegaan.

Aangezien de moeder van Oliver Stone een Franse was, sprak hij eerder Frans dan Engels. Zijn vader was een joodse zakenman (min of meer geportretteerd als de oudere man in “Wall Street”), die het gezin verliet toen Oliver vijftien was. Tot dan toe had hij een onbekommerde jeugd gehad. Hij dacht zelfs dat ze rijk waren, alhoewel dat strikt genomen niet zo was.
Na de echtscheiding is hij dermate het noorden kwijt dat hij zich als vrijwilliger bij het leger gaat melden. Vrijwel onmiddellijk wordt hij naar de frontlinies in Vietnam gestuurd (zie bovenstaande foto). Totaal onverantwoord, maar Stone leert al vlug dat hij gewoon “kanonnenvlees” is. Net zoals Ron Kovic, van wie hij later dus diens autobiografie “Born on the fourth of July” zou verfilmen (“Ron Kovic is the brother I never had”), ervaart hij heel snel dat het hele heldendom en de kameraadschappelijke solidariteit binnen het Amerikaanse leger fake is. Ondanks een paar ‘heldendaden’ (althans volgens andere soldaten, hijzelf beroemt zich daar niet op) wordt hij dan ook eerder een rebel. Hij hangt liever uit bij de zwarte soldaten dan bij zijn rasgenoten, rookt marihuana en luistert naar The Doors en Tamla-Motown.
Op vakantie in San Diego wordt hij wegens het bezit van marihuana opgepakt en komt hij in de cel terecht. Daar krijgt hij een soort van “politieke vorming”. Alhoewel hij twintig jaar gevangenisstraf riskeert, kan hij dankzij zijn vader vrijkomen. Hij gaat nu aan de filmschool studeren en is daar meteen in de ban van leraar Martin Scorsese. Als examenfilm maakt hij “Last year in Vietnam”, waarin hijzelf ook optreedt, maar ook studentenleider Abbie Hoffman b.v. Als muziek kiest hij voor de Russische klassieke componist Alexander Borodin en een Franse vriendin leest fragmenten uit “Le voyage au bout de la nuit” van Céline als klankband.
Als hij afgestudeerd is, zet hij zich aan het schrijven van een tiental scenario’s die echter alle worden afgewezen, zodat hij gedurende vrij lange tijd als taxichauffeur aan de kost moet komen. Dan schrijft hij “Platoon”, dat eveneens wordt afgewezen, maar waardoor hij toch voldoende de aandacht heeft getrokken zodat hij de kans krijgt om het script van “Midnight Express” te herschrijven voor Alan Parker. Hiervoor wint hij in 1978 al meteen een oscar. Met het geld dat hij hiermee vergaart, maakt hij in 1981 zijn eerste eigen langspeelfilm, “The hand”, een griezelverhaal dat echter totaal de mist ingaat. Zijn hele hebben en houden is eraan, ook al omdat hij zwaar verslaafd is aan cocaïne en zelfs een beetje aan heroïne. In dat jaar is hij ook getrouwd met een zekere Elisabeth, een plattelandsmeisje die met zijn eigen leefwereld eigenlijk niets heeft te maken. Ze hebben een zoontje, Sean. Zij én het feit dat hij eigenlijk aldoor is blijven schrijven, dat haalt hem door deze moeilijke periode. Wanneer de drugs een nefaste invloed op dit schrijven beginnen te hebben, slaagt hij er zelfs in af te kicken.
Daarna schrijft Oliver Stone alweer een succesvol scenario (“Scarface” voor Brian De Palma) en opnieuw investeert hij al zijn geld (hij verpandt zelfs zijn woning) in een eigen film: “Salvador”, die hij draait met een gedrevenheid alsof het wel eens om de laatste film die hij ooit zal kunnen draaien gaat. Die gedrevenheid leidt uiteindelijk tot een succes, niet enkel op filmisch gebied, maar ook maatschappelijk draagt de film ertoe bij dat in 1985 de verwachte inval van de V.S. in dat Midden-Amerikaans land uitblijft, o.a. omdat hij de gruweldaden van de “death squads” (de doodseskaders) toont en daarbij aantoont dat zij eigenlijk worden gerund door Vietnam-veteranen.
Dat jaar keert Oliver Stone naar het Vietnam-thema terug door uiteindelijk zijn scenario voor “Platoon” zelf te verfilmen. De film toont voor het eerst hoe 35% van de Amerikaanse infanteristen zich gewoon moesten laten afslachten en wordt op die manier zowel door Vietnam-veteranen als door pacifisten goed ontvangen. Ook de vrouwen vallen voor deze “oorlogsfilm”, omdat hij jonge mensen van vlees en bloed (vooral bloed eigenlijk) toont en geen fictieve helden.
De autobiografische elementen zijn dan ook zeer sterk. De figuur van Chris Taylor (gespeeld door Charlie Sheen) is b.v. heel duidelijk op Stone zelf gemodelleerd. Zelfs het incident waarbij hij een oude Vietnamees dwingt te “dansen” terwijl hij naar zijn voeten vuurt, is echt gebeurd. Het is een sleutelscène in de film, want op dat moment wordt Stone zich bewust van zijn daden. Tot dan toe had hij zowel bewondering voor zijn sergeant Barnes (rol van Tom Berenger), een echte “spleetogen”-hater, als voor meer pacifistische jongens als Juan Angel Elias (rol gespeeld door Willem Dafoe), die overigens echt heeft bestaan, net als Barnes trouwens, maar hier is de naam veranderd.
In 1987 volgt dan “Wall Street” en nog een jaar later “Talk Radio”: a rude, contemptuous talk show host (Eric Bogosian as Barry Champlain) becomes overwhelmed by the hatred that surrounds his program just before it goes national.
Een jaar na “Rain man” speelt Tom Cruise zowaar zélf een gehandicapte in “Born on the fourth of July” van Oliver Stone, zijn knapste prestatie tot nu toe in mijn ogen. Tien jaar jaar eerder wilde Daniel Petrie reeds het scenario dat Oliver Stone van het autobiografische boek van Ron Kovic had gemaakt met Al Pacino in de hoofdrol verfilmen, maar om onduidelijke redenen is het project nooit doorgegaan. De vriendelijkste interpretatie is nog dat men een tweede “rolstoelfilm” (na “Coming Home” met Jane Fonda en Jon Voight) niet zag zitten. Oliver Stone zwoer toen de dure eed dat als hij ooit zou doorbreken als regisseur hij de film kost wat kost zou verfilmen. Kovic was overigens niet gelukkig met de keuze van Cruise, hij had liever Charlie Sheen of zelfs Sean Penn in zijn rol gezien. Wie zal het Kovic kwalijk nemen, aangezien “Rain man” toen nog niet in de bioscopen draaide? Maar na afloop gaf Kovic zijn “Bronze Star” (een onderscheiding die hij voor zijn “optreden” in Vietnam had gekregen) aan Tom Cruise. “Omdat hij het verdiende”. Dat zegt genoeg, zeker?
Juan Angel Elias, de Vietnam-vriend van Oliver Stone, heeft ook een beetje model gestaan voor Jim Morrison, wiens obsessie voor de dood uiteindelijk in 1991 tot de film “The Doors” leidde. “He was smiling in that bath-tub,” zou Stone zeggen, terwijl zijn vrienden er juist op wijzen dat hijzelf (Stone dus) vreselijk bang is van de dood. Uit de film heb ik vooral de uitstekende vertolking van Val Kilmer als wijlen Jim Morrison onthouden. De nostalgie naar de late jaren zestig (inclusief het ophemelen van het druggebruik en de vrije liefde) geeft in tijden van aids en heroïnedoden bij mij aanleiding tot enige scepsis. Kyle MacLachlan, de man die we kennen als agent Cooper uit “Twin Peaks” vertolkte de rol van Ray Manzarek.
Op 22 november 1963 was ik juist geteld 12 jaar, 1 maand en 3 dagen oud en toch wist ik dat de Amerikaanse president John Kennedy door een complot was vermoord. Waarom? Omdat ik een vroegrijp genie was? Helemaal niet, gewoon omdat het kleinste kind dat wist. Toch was er een officiële commissie in de Verenigde Staten (het zogenaamde Warren-rapport) die integendeel beweerde dat “een losgeslagen communist” Lee Harvey Oswald op z’n eentje had gehandeld. Ondertussen is nu ook tachtig procent van de Amerikaanse bevolking ervan overtuigd dat deze simplistische verklaring geen steek houdt. Daar heeft de film “J.F.K.” van Oliver Stone o.a. toe bijgedragen en daarvoor alleen al is het een belangrijke film. Maar hij gaat nog verder: op een persconferentie verklaarde hij open en bloot dat hij de Amerikaanse regering ook verantwoordelijk acht voor de moord op Robert Kennedy en op Martin Luther King.
Ook filmisch is het een hoogstandje van docudrama, al is het daardoor tegelijk ook een voorbeeld van visuele manipulatie door de media. Het is b.v. heel moeilijk om realiteit en fictie uit elkaar te houden. Slechts in een documentaire over het draaien van de film kon men b.v. vaststellen dat de autopsie op de president wel degelijk fictie is.
De voornaamste drijfveer voor het maken van “J.F.K.” lijkt wel te zijn dat het past in het kader van de Vietnam-obsessie van Oliver Stone. De moord zou immers gepleegd zijn om op die manier Lyndon Johnson aan de macht te brengen, die in tegenstelling tot zijn voorganger wel geneigd was de oorlogsindustrie tegemoet te komen en de koude oorlog tot een hete aan te wakkeren. Over Oliver Stone gesproken, hij werd door de Globe-jury als beste regisseur aangeduid (voor “J.F.K.” dus). Kevin Costner zijn vertolking van procureur Jim Garrison die het proces van de moord op president Kennedy wil heropenen, is overigens een beetje te pathetisch. Vooral de eindspeech in de gerechtzaal, waarvoor hij nochtans zo gretig wordt vergeleken met grootheden als Gary Cooper of James Stewart, is althans voor ons Europeanen veel te lang en te tranerig. Maar Amerikanen hebben een zwak voor melodrama, dat is geweten. Vandaar dat ik zelfs zijn film-echtgenote Sissy Spacek ook enige kans geef in de kategorie “vrouwelijke bijrol”, al vond ik dit persoonlijk juist een verschrikkelijke miskleun (hun huwelijk loopt spaak omwille van zijn obsessionele zoektocht naar de daders).
Een andere “fout” is wel dat er (al dan niet terecht) een link wordt gelegd tussen de moordenaars en het sadomasochistische homomilieu. Daarom dreigden homo-activisten Stone lastig te vallen als hij “The Mayor of Castro Street” zou draaien, nochtans een film over de moord op Harvey Milk, het legendarische gemeenteraadslid van San Francisco dat zoveel voor de homo’s heeft gedaan. “Ik ben het beu mijn nek uit te steken,” zei Stone in “Advocate”, een homo-blad. “En het lijkt wel alsof elke homo een filmcriticus is, dat kan ik missen als kiespijn.”
Voor de mannelijke bijrollen zou ik persoonlijk vijf nominaties toekennen uit één en dezelfde film. Oliver Stone mag er dan immers goed aan gedaan hebben om de Heilige Costner in de rol van de omstreden procureur te “casten” (als voorzorgsmaatregel opdat de film het grote publiek zou bereiken en ook om de overtuigingskracht te vergroten), toch is het duidelijk dat hij in de bijrollen veel meer voor de typische Stone-aanpak heeft geopteerd. Dat blijkt o.m. uit de prestaties van Joe Pesci als de homoseksuele David Ferrie, Jack Lemmon als de underdog Jack Martin, Walter Matthau als senator Long, Donald Sutherland als “Deep Throat X” en Gary Oldman als Lee Harvey Oswald. Tenslotte is er nog de prachtige Pucciniaanse muziek van John Williams, die met zijn nadruk op het militaire slagwerk wel erg lijkt op de score die hij al voor de vroegere Oliver Stone-film “Born on the fourth of July” componeerde.
Daarna komen we Oliver Stone tegen als producer van “The Joy Luck Club” van Wayne Wang. Ondanks het feit dat deze film over Chinese inwijkelingen in de VS handelt is het eigenlijk toch vooral een “Amerikaanse” film. Het boek van Amy Tan uit 1989 dat aan de grondslag ligt, schetst de tegenstelling tussen tweemaal vier moeders en dochters. De moeders zijn nog in China opgevoed, de dochters zijn al door en door Amerikaans. En de balans weegt duidelijk door in het voordeel van de tweede. Het is nochtans op een koord lopen, want de onderworpenheid (het uitgehuwelijkt worden, de prestatiedrang) kàn natuurlijk niet en daarom is de opstandigheid van de jonge pianiste en schaakster best te begrijpen, maar de stap naar het “klootzak en kut”-syndroom waarover o.a. Vuile Mong het heeft in het lange interview dat ik met hem heb gehad, is maar klein.
De beste passages zijn dan ook de twee anderen waarin een Chinese vrouwen ondanks hun Amerikaanse opvoeding toch in die onderworpenheid vervallen en die juist dankzij een vingerwijzing van hun moeder op hun rechten gaan staan en op die manier over hun huwelijk beslissen. Bij de ene (die met haar gierige “cijferaar” als man) leidt dat dan tot een breuk, maar nog mooier is het verhaal van de andere, die juist daarom opnieuw door haar man wordt geapprecieerd (mooie rol voor Andrew McCarthy trouwens).
Na afloop van de persvoorstelling op het filmfestival van Brussel gaven Ming-Na Wen (June, de “pianiste”) en Kieu Chinh (haar moeder Suyuan, van wie pas na haar dood de twee dochters in China worden teruggevonden die ze daar had achtergelaten op haar vlucht voor de Japanners) een persconferentie waaruit o.a. bleek hoe de rel rond “Miss Saigon” (een blanke acteur zou de hoofdrol hebben vertolkt) de Aziatische gemeenschap, die eigenlijk uit heel diverse culturen bestaat, heeft verenigd.
Kieu Chinh speelde daarna in een Vietnamfilm van James Webb, ex-marinier en ex-minister van de navy (?), die zijn debuut maakt als regisseur bij deze verfilming van zijn eigen boek. De film wordt ter plaatse opgenomen, waardoor ze voor het eerst sedert zestien jaar haar familie zal terugzien. Daarna speelt ze op Broadway in een regie van Andrzej Wajda. Haar dochter uit “Joy Luck”, Ming-Na Wen, speelt in de TV-film “Vanishing sun” van Rob Cohen en gaat daarna een film draaien in Hong Kong. De scenarist Ronald Bass zal trouwens opnieuw een boek van Amy Tan voor het witte doek bewerken, “The Kitchen God’s Wife”.
Door die acht verhalen (in het boek zijn het er zelfs zestien, maar in een boek kàn dat, denk maar aan de raamstructuur van o.a. de “Decamerone”), die slechts zeer zelden iets met elkaar te maken hebben (alleen de naijver tussen de pianiste en de schaakster) is de film te fragmentarisch om echt goed te zijn, maar de moeder-dochter-verhoudingen zijn goed in beeld gebracht. Ik mag er niet aan denken wat het effect op mij zou geweest zijn, indien het over vader-zoon-relaties zou gegaan hebben. De film is immers een Disney-product en in de VS schrok deze subtiele firma er zelfs niet voor terug om papieren zakdoeken uit te delen bij de zalen!
Voor de rest deed me vooral plezier dat in déze film de anti-communistische propaganda eens achterwege bleef. De toneelversie van het boek werd op hetzelfde moment trouwens in de Volksrepubliek gespeeld. En misschien zat producer Oliver Stone er ook wel voor iets tussen…
Oliver Stone maakte zelf in 1993 “Wild Palms”, een vijfdelige Amerikaanse tv-serie naar de komische strip van Bruce Wagner (maar in de versie van Stone blijft er van dat komische niet veel meer over) over virtual reality, met Jim Belushi (als advocaat Harry Wyckoff), Kim Catrall (als zijn oude geliefde Paige Katz, nu een beroemde filmactrice), Angie Dickinson (als zijn duivelse schoonmoeder Josie Ito), Rogert Loggio (als de ambitieuze senator Tony Kreutzer), Ben Savage e.a.
Daarna pakte Oliver Stone uit met “Natural born killers” naar een scenario van Quentin Tarantino. Dit gaat over een schietgraag koppel (Woody Harrelson en Juliette Lewis) dat doorheen de volledige V.S. wordt achternagezeten door politiemannen als Robert Downey jr en Tommy Lee Jones. De zeer gewelddadige film (al is hij zogezegd als aanklacht tegen het geweld bedoeld) kreeg de speciale prijs van de jury op het Festival van Venetië. Dat was niet helemaal een verrassing, want de voorzitter van de jury was David Lynch. Stone beweert dat hij Harrelson in die rol heeft gecast omdat diens vader Charles een levenslange gevangenisstraf uitzit wegens het plegen van twee moorden.
Daarna is er”Zebrahead” van Anthony Dazzan, een debuut met de zegen van producer Oliver Stone. Michael Rapaport, N’Bushe Wright en Ray Sharkey zijn te zien in dit drama over gemengde verhoudingen op een Amerikaanse middelbare school waar de ethnische spanningen hoog oplaaien. Stone zelf heeft na de TV-serie “Wild Palms” met “Heaven and earth” zijn Viëtnam-trilogie voltooid. Tommy Lee Jones, Joan Chen, Haing S.Ngor en Hiep Thi Li zijn de hoofdpersonages in dit waar gebeurde verhaal van Le Ly Hayslip, die tijdens de Vietnamoorlog werd beschuldigd van dubbelspionage, maar door het hebben van een kind ontsnapte aan vervolging. Daarna kwam ze als “uitzuipster” aan de kost, tot een G.I. haar huwde en haar meenam naar San Diego.
Daarna wilde Stone “Evita” verfilmen. Michelle Pfeiffer was reeds zanglessen aan het nemen, nadat Stone ze had uitgekozen boven Gloria Estefan, Meryl Streep en Madonna. Geldschieters hadden terecht echter geen vertrouwen in het acteertalent van haar tegenspeler, want dat zou Julio Iglesias zijn geworden! Stone kreeg dus zijn budget niet rond en president Carlos Menem van Argentinië wou slechts meefinancieren indien er aan het scenario werd “gesleuteld”. Dat weigerde Stone echter. Alan Parker klaarde dan maar de klus, maar dan wel met Madonna in de hoofdrol.
Anthony Hopkins speelde de titelrol in “Nixon”, de volgende film van Oliver Stone (1995). Deze film werd aangekondigd als een rehabilitatie, maar dat kon ik toch moeilijk geloven. En dat wordt bevestigd door de protesten die de dochters van Nixon lieten horen na de première. Zij klagen erover dat hun vader als verslaafd aan kalmeermiddelen wordt voorgesteld en ontkennen ook dat hij ooit een aanslag op Fidel Castro plande. Dit laatste heeft Stone ondertussen reeds toegegeven als zijnde “een artistieke vrijheid”. In deze film speelt James Woods de rol van stafchef Haldeman, Bob Hoskins die van Edgar Hoover en rockzanger Henry Rollins wordt Gordon Liddy, het “brein” (of het gebrek daaraan) achter Watergate. En uiteraard speelt John Turturro de rol van Henry Kissinger. Zal hij eindelijk toegeven dat hij diens natuurlijke zoon is?
Daarna draait Stone met Al Pacino “Noriega” en dan volgt “Hommage to Catalonia” van George Orwell. Orwell vertrok naar Spanje als verslaggever, maar sloot zich vrij snel aan bij de troepen van de Republikeinse regering die door de Nationalisten van Franco zouden worden verslagen. Ook Orwell zelf werd daarbij zwaar gewond. Het dodental ligt trouwens tussen het halve en het hele miljoen en de burgeroorlog slaat nog altijd wonden in het hedendaagse Spanje. De parallellen met Joegoslavië liggen overigens voor de hand… Stone die de Spaanse Burgeroorlog aanpakt, het moet zowat de droom zijn van iedere filmliefhebber. Helaas zou hij voor de hoofdrol een beroep doen op David Bowie, een uitstekende zanger, daar niet van, maar als acteur toch bepaald ontgoochelend.
Daarna is Oliver Stone zelf in Marokko op zoek gegaan naar een geschikte lokatie voor een film over Alexander de Grote. Tegelijk ondertekende hij ook een oproep om te protesteren tegen de boycot van films met Scientology-sympathisanten (Tom Cruise of John Travolta b.v.) in Duitsland. Hieruit besluiten dat hij ook een aanhanger is van Scientology is natuurlijk wat voorbarig, want de ondertekenaars beroepen zich vooral op het recht van vrije meningsuiting. En nu kan dit recht wel voor sekten als dusdanig in vraag worden gesteld, maar toch niet voor de films waarin sekteleden optreden, maar die er verder niks mee te maken hebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s