150 jaar geleden ging in New York “The Black Crook” in première, een stuk dat meer dan vijftig jaar op de affiche zou blijven en doorgaans wordt beschouwd als de eerste musical.

Ik hou niet van musicals,” hoorde ik Tom Jones eens verklaren in een televisie-interview. “Een goede popsong ontstaat spontaan. Musicals daarentegen hebben iets kunstmatigs.” Ik zou het niet beter kunnen zeggen, Tom, maar een beetje geschiedenis kan nooit kwaad natuurlijk en dan moeten we terugkeren naar de Verenigde Staten in de negentiende eeuw, waar in de periode van de romantiek het volksnationalisme ook in de muziek tot uiting kwam. Aangezien de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Engelsen werd uitgevochten, werd de Engelse invloed op de muziek na de onafhankelijkheid (1776) steeds kleiner, ten voordele van vooral Italiaanse (opera) en Duitse (operette) invloeden. Voeg daarbij de invloed van de muziek van de zwarte slaven (wat uiteindelijk in jazz en blues zou uitmonden) en de typische musical-muziek krijgt stilaan vorm in spektakels die rond 1860 de naam hadden van vaudevilles, extravaganza’s of burlesques. Let wel op: voor diegenen die in het vak zaten, waren dit niet zo maar synoniemen, zoals we o.m. kunnen leren uit de film “Gypsy”, waarin de moeder van stripper Gypsy Rose Lee zich oorspronkelijk sterk verzet tegen een carrière van haar dochter in “burlesque”, terwijl zij toch van “vaudeville” zijn!
De benaming ‘vaudeville’ voor het variététheater in de Verenigde Staten is afkomstig van het ‘Vaudeville House’ van William Valentine in 1840, een ‘concert saloon’. In dergelijke saloons traden Amerikaanse variété-performers op. De ‘waiter-and-dancing-girls’, vaak prostituees, bedienden er een volledig mannelijk publiek. Zoals hun Europese variant domineerde ook hier het lied, de komedie en de exuberante dans. Vanaf 1876 kwam er een splitsing. Tony Pastor wou ‘clean amusement’ in zijn concert saloon, in de hoop een ‘familiepubliek’ aan te trekken. Het drinken en roken werd bijgevolg verboden tijdens de opvoeringen. Voor het meer respectabele publiek ontstond uit het concert saloon het ‘variété-vaudeville’ of kortweg ‘vaudeville’. Vulgaire zaken werden voortaan vertoond in de ‘burlesque theatres’. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw werden overweldigende paleizen geopend om de middenklasse aan te spreken met een sprookjeswereld vol luxe, zoals in de ‘Radio City’ in New York. Sterren van het theater deden er hun ding ter promotie van hun legitieme theaterwerk. Geleidelijk aan creëerde de vaudeville haar eigen sterren. Het was de dominante vorm van Amerikaans entertainment rond 1890.
Rond 1900 kon je de Amerikaanse vaudeville-programma’s opsplitsen in twee delen met een pauze ertussen. Het eerste deel zou openen met een ‘dumb act’ zoals dieren- of acrobaten-acts, waarvan het effect niet gestoord werd door een luidruchtig publiek. Het derde nummer diende de zaal op te vrolijken en het vierde nummer deelde een eerste stevige slag uit. Het laatste nummer voor de pauze moest het publiek een knock-out bezorgen, zodat ze meer wilden. In het tweede deel verschenen de sterren of headliners. Het laatste nummer was vaak een korte filmvertoning, die dan als chaser werd gebruikt. Nummers duurden zelden langer dan tien of twintig minuutjes, hoewel bepaalde populaire sterren een volledig uur konden vullen.
Ook de positie van de dans in het spektakel krijgt een meer omschreven vorm: men krijgt het ontstaan van de “chorus line“, met daarvoor dan de sterren die solo-rollen of duetten dansen.
Volgens Lynn Doherty, organisatrice van de tentoonstelling “Broadway! 125 years of musical theater” in 1991 en geciteerd door Jacqueline Goossens in De Morgen, werd de Broadway musical “vrij toevallig geboren op de avond van 21 mei 1866. Die nacht werd New Yorks grootste theater, de Academy of Music, door een brand verwoest, zodat de Europese dansers, die daar het Parijse balletsucces La Biche au Bois zouden brengen, zonder werk vielen. Hun Amerikaanse producers trokken naar William Wheatley, de eigenaar van Niblo’s Garden, New Yorks tweede grootste theater, gelegen op Broadway en Prince Street (in het tegenwoordige Soho). Het theater telde 3.000 zitplaatsen en lag in een buurt die toentertijd bulkte van de uitgaansgelegenheden.
Wheatley had toen net Charles M.Barras (1826-1873) uitgenodigd om The Black Crook op het podium te brengen. De producers van La Biche au Bois overtuigden Wheatley ervan dat iedereen er voordeel zou uithalen als hij hen de kans gaf hun ballet te combineren met Barras’ melodrama. Wheatley gooide er de toen fenomenale som van 50.000 dollar tegenaan. Talrijke nieuwe kostuums en theaterdecors werden besteld, nieuwe innoverende theatermachinerie werd vanuit Engeland overgebracht en vijfenveertig extra dansers werden aangeworven.”
Het duurde op die manier uiteindelijk nog tot 12 september 1866 duren vooraleer het stuk in première ging en dus met evenveel recht en rede kan men déze datum als geboortedatum van de musical beschouwen. De Amerikaanse versie van Wikipedia komt zelfs met een heel andere suggestie op de proppen: “An apparently similar show from six years earlier, The Seven Sisters (1860), which also ran for a very long run of 253 performances, is now lost and forgotten. It also included special effects and scene changes. Theatre historian John Kenrick suggests that The Black Crook’s greater success resulted from changes brought about by the Civil War. First of all, respectable women, having had to work during the war, no longer felt tied to their homes and could attend the theatre, although many did so heavily veiled. This substantially increased the potential audience for popular entertainment. Second, America’s railroad system had improved during the war, making it feasible for large productions to tour.”
Hoe dan ook, “The Black Crook” werd een fenomenaal succes. Het publiek vergaapte zich gedurende meer dan vijf uur (!) aan de mengeling van melodrama, spektakel, ballet, muziek en zang. De grootste opwinding werd echter veroorzaakt door de tachtig paar meisjesbenen die in vleeskleurige kousen waren gestoken. Geestelijken hielden donderpreken tegen het schandaal. Tevergeefs natuurlijk, wellicht werkte dit het succes zelfs in de hand. Er werden 475 voorstellingen van “The Black Crook” gegeven en er werd een ongehoorde winst van één miljoen dollar gemaakt. Het stuk zou, zoals gezegd, nog gedurende tientallen jaren worden hernomen. ‘The Black Crook’, zo is nu wel duidelijk, moest het hebben van zijn shockeffect want de liedjes en het verhaal waren bijzonder dunnetjes. Ik vond het zelfs merkwaardig dat niemand er zich aan leek te storen dat de eerste musical al meteen een racistisch tintje had.
Dankzij de samenvatting op de Amerikaanse Wikipedia weet ik nu dat dit niet zo was: “The musical is set in 1600 in the Harz Mountains of Germany. It incorporates elements from Goethe’s Faust, Weber’s Der Freischütz, and other well-known works. Evil, wealthy Count Wolfenstein seeks to marry the lovely village girl, Amina. With the help of Amina’s scheming foster mother Barbara, the Count arranges for Amina’s fiancé, Rodolphe, an impoverished artist, to fall into the hands of Hertzog, an ancient, crook-backed master of black magic. Hertzog has made a pact with the Devil (Zamiel, ‘The Arch Fiend’): he can live forever if he provides Zamiel with a fresh soul every New Year’s Eve. As Rodolphe is led to this horrible fate, he escapes, discovers a buried treasure, and saves a dove. The dove magically turns out to be Stalacta, Fairy Queen of the Golden Realm, who is pretending to be a bird. The grateful Queen rescues Rudolph by bringing him to fairyland and then reuniting him with his beloved Amina. The Count is defeated, demons drag the evil Hertzog into hell, and Rodolphe and Amina live happily ever after.”
Soms wordt ook “The wizard of the Nile” van Victor Herbert uit 1895 als de oorsprong voor het ontstaan van de musical geciteerd (toneel + zang + ballet), maar dit is natuurlijk wel erg laat. “The wizard of the Nile” was Herbert’s second operetta after “Prince Ananias” and his first real success. It was given 105 performances on Broadway at the Casino Theater, opening on November 4, 1895, starring the comedian Frank Daniels (and his Comic Opera Company), and enjoyed productions in Britain and on the European continent — a rare achievement for an American work of the period — as well as a revival in New York. None of Herbert’s later shows would achieve as much international success.
PATRIOTTISME
Ondertussen was er ook reeds de reeks “The Mulligan Guards” geweest van Edward Harrigan (tekst) en David Braham (muziek). Dit waren kluchten over het wel en wee van de immigranten in New York en op die manier was een traditie gestart van musicals met typisch Amerikaanse thema’s, wat nog verder zal worden ontwikkeld door George M.Cohan (1878-1942). Zijn lievelingsthema was de Amerikaanse superioriteit over de Europeanen. Onnodig te zeggen dat het publiek hem op handen droeg en sommige van zijn liedjes (zoals “Over there” of “Yankee Doodle Dandy”) kunnen ook nu nog altijd vlot worden meegezongen. Sommige uitdrukkingen van Cohan vonden zelfs hun weg naar het standaard-Engels (of op z’n minst: Amerikaans), zoals “bird” voor meisje en “loaded” voor dronken. Een ander voorbeeld is George Lederer die in “The Passing Show” (1894) een ander stereotiep creëert: “the all-American girl”. Kort daarop past Florenz Ziegfeld dit gemultipliceerd toe in “Follies” uit 1907.
Ondertussen was in 1898 ook reeds “A Trip to Coontown” in première gegaan op Broadway, de eerste volledig door zwarten geschreven, geproduceerde en geacteerde musical. In 1903 zou “In Dahomey” volgen met de zwarte komiek Bert Williams. Beide stukken putten uit elementen van vaudeville, minstrel-shows en populaire zwarte muziek en stonden stijf van de zwarte stereotiepen waarin blanken zo graag geloofden, wat bewijst dat de zwarten de productie misschien wel in eigen hand hadden, maar dat ze toch afhankelijk waren van blanke theatereigenaars om hun stuk te kunnen brengen.
De oorspronkelijke “minstrels” waren blanken die zich als zwarten voordeden. De eerste Black and White Minstrel Show werd reeds opgericht in 1799 door Johann Graupner en daarna was er bijvoorbeeld de komiek Thomas D.Rice die zichzelf in 1828 omdoopte in Jim Crow. Alhoewel dit soort shows uiteraard beledigend was voor de “echte” zwarten, was het wel vaak hun enige kans om op te treden. Soms werden de zwarten eveneens geschminkt, net als de blanken, als hun huidskleur niet donker genoeg was. Let op bijgevoegde foto van “In Dahomey” (1903), de eerste volledig zwarte musical op Broadway. De rechtse acteur Bert Williams was blijkbaar niet zwart genoeg in vergelijking met zijn collega George Walker (links).
Ziegfeld bracht met zijn “Follies” de theaters bijna aan de rand van het bankroet. Niet alleen omdat zulke producties stukken van mensen kostten, maar ook omdat vanuit Europa de “hit” van Franz Lehar, “De Lustige Weduwe”, was komen overwaaien en Broadway tijdelijk de musical de rug toekeerde om de operette te omarmen. Dat was echter maar tijdelijk omdat de Eerste Wereldoorlog een einde maakte aan die liefde voor Duitse muziek. Iemand als Irving Berlin ging (als soldaat) grasduinen in de zwarte ragtime-muziek en componeerde de patriottische musical “Yip, Yip, Yaphank” en zou vanaf dan één van de toppers van Broadway blijven.
Irving Berlin (11/5/1889-22/9/1989) was als Israël Baline in Rusland geboren, maar in 1893 besloot zijn vader om tijdens een pogrom met zijn gezin naar New York te verhuizen, waar hij in de Lower East Side een optrekje vond. Israël was acht jaar toen zijn vader overleed en hij moest als krantenventer de straat op om de kost te verdienen. Zo ontmoette hij de blinde straatzanger Blind Sol, waarmee hij de bars begon af te schuimen. Al gauw begon hij voor eigen rekening en in 1906 kreeg hij een job als kelner-zanger-pianist in Chinatown. Een jaar later schreef hij op muziek van Nick Nicholson zijn eerste song, “Marie from Sunny Italy”. Een drukfout zorgde ervoor dat op de partituur I.Berlin als auteursnaam stond. Hij behield de naam en trad voor de eerste keer in het huwelijk. Zijn vrouw stierf echter vrij kort nadien aan typhus. Hij schreef voor haar “When I lost you” en het werd een million-seller. In 1925 werd hij verliefd op Ellin Mackay. Haar vader Clarence Hungerford Mackay was echter de eigenaar van de Postal Telegraph Cable C° en wenste zijn fortuin niet te verspelen aan een charlatan. Hij stuurde Ellin naar Europa en Irving schreef bij die gelegenheid “Remember”. Ze deed het blijkbaar, want toen ze terugkeerde, huwden ze. Hij schreef bij die gelegenheid “Always” en het was weer bingo!
In 1935 bewerkt Irving Berlin een oud nummer van hem dat destijds voor een musical werd afgekeurd tot “God bless America”. Het wordt het officieuze Amerikaans volkslied. Woody Guthrie schrijft uit reactie “This land is your land”.
In 1946 schrijft Irving Berlin de musical “Annie get your gun” die door Ethel Merman werd gecreëerd op Broadway, zoals ze dat in 1936 reeds had gedaan voor “Anything goes”. Zij wordt vooral bekend door “Call me Madam”, eveneens van Irving Berlin uit 1947. Ze is in 1984 overleden.
Irving Berlin daarentegen schreef op 73-jarige leeftijd met “Mr.President” nog een succesmusical.
DE MUSICAL WORDT ERNSTIGER
Baanbrekend was “Showboat” in 1927, de eerste musical waarbij blanken en zwarten samen op de scène stonden. Op de koop toe zongen die zwarten in het openingslied van de originele show: “We niggers are working in the cotton fields, while the white folk are dancing”. Later werd deze tekst afgezwakt en nog later, in een latere versie met Helen Morgan als Julie la Verne waren op aanstoken van songschrijver Billy Rose (die uiteraard liever zijn eigen nummers gebruikt zag) op uitzondering van “Old man river” alle nummers van Jerome Kern gewipt. De argumentatie van Rose was dat “de mensen de muziek reeds beu gehoord waren”.
Een en ander belette trouwens niet dat er zich af en toe toch nog racistische incidenten voordeden. Zo weigerde Clifton Webb te groeten samen met Ethel Waters in een show van Irving Berlin. Toen Berlin daarvan hoorde, verbood hij het groeten gewoonweg. Dan draaide Webb uiteraard bij.
Een andere baanbreker was George Gershwin, die met “Porgy and Bess” (foto, 1935) een brug sloeg tussen opera en jazz. Gershwin werkte qua teksten bijna uitsluitend samen met zijn broer Ira.
Ondertussen had de economie zich hersteld (o.a. door de industrialisatie van de Tennessee-vallei) zodat voor de Amerikaanse muziek een glorieperiode aanbreekt. Zowel in de musical met werk van Gustave Luders, Gustave Kerker, Ludwig Englander e.a., waarin naast de onuitroeibare wals, ook de tapdans (afkomstig van de Ierse klompendans) zich op de voorgrond had gewerkt, als in de big band treden gouden tijden aan. 1936 is anderzijds ook het jaar dat choreografen hun intrede deden in de Amerikaanse musicals. Zelfs George Balanchine choreografeerde 18 musicals, meestal met dansers die op die manier toch nog een eervolle fin de carrière konden uitbouwen.
In 1943 breekt met “Oklahoma” een nieuw duo door op Broadway: Richard Rodgers en Oscar Hammerstein. Rodgers had tot dan toe samengewerkt met Lorenz Hart en dat reeds van toen ze nog maar zestien jaar oud waren. Hart was echter in 1943 overleden en dus had Rodgers een nieuwe partner nodig. Die vond hij dus in Oscar Hammerstein II, die overigens ook al een indrukwekkend palmares met zich meedroeg. Hij was immers de librettist van “Showboat”! Samen schreven ze “Caroussel” (1945), “South Pacific” (1949), “The King and I “(1951) en “The Sound of Music” (1959).
In “Oklahoma” rekent choreografe Agnes de Mille af met het stereotiepe “chorus line”-gedoe en integreert de balletten in het verhaal. De musical wordt trouwens in zijn geheel meer volwassen: het hoeven niet langer per se komische toestanden te zijn. De term “musical drama” verdringt dan ook de vroegere “vaudeville”-benaming.
Eind 1944 is de latere McCarthy-verklikker Jerome Robbins de choreograaf van “On the town”, een musical van Betty Comden en Adolph Green met muziek van Leonard Bernstein op Broadway. Bernstein zou later natuurlijk vooral succes oogsten met “West Side Story”, terwijl Robbins in 1954 een musicalversie brengt van “Peter Pan”.

Selectieve bibliografie
“American Vaudeville”, in: BANHAM, Martin (ed.), The Cambridge Guide to Theatre,Cambridge University Press, Cambridge, 1995 , p. 1161.
Lukas De Vos, “Impressionisme, dàt is het”, Hugo Morrens en zijn onvoorwaardelijke liefde voor de musical, Film nr.87, november 2010.
Jacqueline Goossens, De musical, gedoemd om te overleven, De Morgen, 24 mei 1991.
“American Vaudeville” in: HARTNOLL, Phyllis (ed.), The Oxford Companion to Theatre, Oxford, Oxford University Press, IVde editie, 1988., pp. 861-862.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s