De nieuwste (*) tentoonstelling in het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (MIAT) is – zoals gewoonlijk – zeer overzichtelijk, leerrijk en interessant. Hij draagt bovendien ook een zeer aantrekkelijke titel: “My name is Bont”. De knipoog naar James is grappig, maar heeft verder niets te betekenen. Voor zover wij weten heeft 007 immers niets te maken met de geschiedenis van de bontindustrie. De samensteller van deze tentoonstelling, Sabine De Groote, leidde ons speciaal voor onze lezers rond en verschafte deskundige uitleg.

Niets dan lof dus en toch “wringt” er de hele tijd iets. In afwachting van de komst van Sabine hadden wij immers het gastenboek doorgenomen en daar hebben nogal wat kinderen scheldwoorden in neergepend omdat men het aandurft pelsen te tonen. “Wat zou jij ervan zeggen als ze jou zouden doden voor je huid?” en dat soort dingen.
Ik vind dit, met mijn aangeboren slecht karakter waarschijnlijk, wel grappig, maar Sabine kan daar helemaal niet mee lachen. “Ook al zijn het kinderen, ze moeten weten waarover ze het hebben vooraleer ze zoiets schrijven,” zegt ze zuur.
MICHEL VANDENBOSCH
Maar enfin,” werp ik tegen. “Dat is toch precies het grappige? Want ik neem aan dat de tentoonstelling juist stelling inneemt tegen het gebruik van bont?”
Helemaal niet, zo blijkt echter en dat is natuurlijk waar het schoentje wringt. “Een museum kan geen stelling innemen,” is het devies van Sabine en ook al krijgt GAIA een hoekje in het museum toegewezen, waardoor Michel Vandenbosch zijn goedkeuring aan het project heeft gehecht, ze heeft even goed samengewerkt met de bontfederatie. Beide partijen waren trouwens op de opening aanwezig en zo te zien zonder dat er klappen gevallen zijn.
We hebben bij een oude bontbewerker bewust vellen gekozen die niet meer te gebruiken waren,” windt Sabine zich op. “De tegenstanders kunnen dus gerust zijn: er werd geen enkel dier gedood voor deze tentoonstelling!
MOFFEN
Maar laten we daar nu over ophouden,” vraagt ze, “want mijn woorden worden in dat verband altijd gewikt en gewogen door beide kanten en ik moet erg op mijn tellen letten.” Af en toe kan ik het echter niet laten erop terug te komen (dat slechte karakter, nietwaar?), bijvoorbeeld bij foto’s van ons “bonte” vorstenhuis uit het verleden. Dragen zij nu nog bont? “Fabiola wel,” denkt Sabine, “maar Mathilde draagt imitatie meen ik ergens gelezen te hebben.”
En topmodellen bijvoorbeeld? Het is bekend dat Naomi Campbell liever naakt poseert dan met bont aan haar mooie lijf. “Maar Claudia Schiffer draagt wel bont, hoor,” pareert Sabine.
Ja, die moffen, hé! “Moffen zijn erg populair geweest,” zegt Sabine als ze me meetroont naar die specifieke afdeling. “Tot de Tweede Wereldoorlog, zeker!” denk ik, maar het blijkt over een ander soort moffen te gaan, die waarover Giacomo Puccini in “La Bohème” zo’n mooie aria heeft geschreven bijvoorbeeld.
WINTER
Maar als men schrik heeft van de controverse, waarom heeft men dan überhaupt voor dit onderwerp gekozen? “Als men het over het MIAT heeft, dan spreekt men meestal van ‘het museum voor industriële archeologie’, maar er komt ook nog de T van textiel bij,” zegt Sabine, “en dat willen we de komende jaren wat meer gaan beklemtonen. Eigenlijk is dat al begonnen met de voorgaande tentoonstelling ‘Een steekje los’ over breitechnieken en de volgende zal bijvoorbeeld over naaimachines gaan. Maar wat is eigenlijk het oudste kledingstuk? Dat is bont. Dat is dus een ambacht dat op een eeuwenoude traditie kan bogen. Bovendien leende de winterperiode zich uitstekend voor een tentoonstelling rond dit thema.”
Als uitgangspunt voor de tentoonstelling werden twee “verhaallijnen” gekozen: de geschiedenis van het bont van de middeleeuwen tot nu, maar ook de weg die bont aflegt van vel tot afgewerkt product. Waarom de middeleeuwen? “Toen kende het bont een eerste bloeiperiode, enerzijds door contacten met de bevolking van het noorden, anderzijds ook door het iets kouder geworden klimaat. Vooral in de winter draagt zowat iedereen bont, maar uit praktische noodzaak steeds met het bont aan de binnenkant, iets wat de chauffeurs van de eerste automobiels ook opnieuw zullen doen. Ook de term ‘bont’ stamt trouwens uit de middeleeuwen, aangezien hij verbonden is met het aanwenden van eekhoornpels. De vacht van de buik van de gewone eekhoorn is het hele jaar door wit, maar tijdens de winter verkleurt de pels van de rug naar de flanken van roodbruin naar overwegend blauwgrijs. Als deze volledige vellen aan elkaar genaaid worden, verkrijgt men dus een ‘bontgekleurd’ geheel ook wel ‘bontwerk’ genoemd.”
HIËRARCHIE
Omdat iedereen bont draagt, vindt men het vanaf de renaissance en de barok nodig om daar een zekere hiërarchie in te brengen. Vanaf dan wordt bijvoorbeeld witte hermelijn voorbehouden voor koninklijke mantels of rechterlijke toga’s, terwijl het gewone volk genoegen moest nemen met lam, schaap, kat, geit, wolf of konijn, de proletariërs onder de dieren. Vroeger ook nog van bevers – denk maar aan tal van Vlaamse dorpen die Bever of Beveren heten – maar die waren tegen die tijd, precies wegens de bontrage, hier reeds uitgeroeid. Gelukkig werd rond die tijd ook Canada ontdekt en kort daarna ook Siberië, vanwaar dan respectievelijk castorbont en sabelbont afkomstig waren. Omgekeerd wordt vanuit Amerika de muskusrat hier ingevoerd, enkel en alleen voor de pels. Aangezien het echter niet rendabel genoeg was, sprong men nogal slordig om met die dieren, zodat die nu wel degelijk in het wild voorkomen en af en toe een ware plaag vormen.”
Voor de technische uitleg verwijs ik naar het prachtige cahier dat door het TIC (Tijdschrift voor Industriële Cultuur) werd uitgegeven en dat men zich voor 175 fr. kan aanschaffen in de Museumwinkel. Zelf begrijp ik daar toch niets van, zoals ik kan vaststellen aan de hand van de reacties van mijn leidsvrouw op mijn ongetwijfeld domme vragen.
In tegenstelling tot de meeste tentoonstellingen mag men hier de vellen wel degelijk aanraken.
Als toemaatje zijn er ook nog enkele creaties te zien van hedendaagse Vlaamse couturiers zoals Walter van Beirendonck, Ann Demeulemeester en Dries Van Noten.
Sabine De Groote is ook de auteur van het prachtige boekje over het Campo Santo dat niet zoveel eerder door de provincie Oost-Vlaanderen werd uitgegeven.

Ronny De Schepper

(*) Wel in de gaten houden dat het artikel geschreven is ergens in de jaren negentig, hé!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.