Het is vandaag 275 jaar geleden dat de Italiaanse componist Antonio Vivaldi is overleden.

Het is moeilijk om je dat in te beelden, maar er is een tijd geweest dat zelfs zijn “Vier jaargetijden” zo goed als onbekend waren. Mijn generatie heeft gelukkig niet op Nigel Kennedy moeten wachten om dit werk te leren kennen, maar het is toch pas sedert een historisch concert in Sienna in 1939 dat Vivaldi opnieuw uit de schaduw mocht treden. Kort daarop werd in de Verenigde Staten de eerste opname ervan gemaakt door Louis Kaufman (1906-1994), tevens de concertmeester bij de opname van de muziek voor “Gone with the wind”.
Onder Mussolini gingen de Italianen natuurlijk op zoek naar hun “glorieuze verleden”. Zo herontdekte Bernardino Molinari, het hoofd van de Accademia di Sancta Cecilia, Antonio Vivaldi. Tot dan toe hadden enkel diens vioolconcerti overleefd en dan nog in transcripties voor viool en piano en uitgevoerd door virtuozen als Fritz Kreisler of de Hongaar Tivadar Nachéz, voor de rest gespecialiseerd in… zigeunermuziek. Men kan zich voorstellen hoe Vivaldi toen moet geklonken hebben en op die manier heeft Molinari wel een zekere verdienste, ook al valt dit helemaal niet te vergelijken met de “historische uitvoeringspraktijk”. Want zelfs zijn opvolger (nadat hij wegens zijn fascistische sympathieën aan de dijk was gezet) Renato Fasano, die met zijn I Virtuosi di Roma “nog verder” ging, speelde Vivaldi en c° alsof het muziek uit de Belle Epoque was. Daartegen reageerden in 1952 dan weer I Musici (Felix Ayo, de concertmeester, was een leerling van Remy Principe, de concertmeester van de Virtuosi), al waren we natuurlijk nog lang niet thuis. Zo ging men soms “overcorrigeren”. Het klavierconcerto van Paisiello b.v. speelden zij op (uiteraard een modern) clavecimbel, ook al had-ie het zelf reeds voor pianoforte geschreven.
Claudio Scimone van zijn kant luidde met zijn uitvoering van “Orlando furioso” de herontdekking van Vivaldi als operacomponist in. Hij laat de titelrol weliswaar zingen door Marilyn Horne, maar de rol van Ruggiero herschrijft hij toch nog voor een bariton. Pas later zal deze worden gezongen door een contratenor zoals James Bowman.
Bij “De vier jaargetijden” laat Vivaldi elk van die jaargetijden voorafgaan door een (wellicht zelfgeschreven) sonnet, waarvan hij via een lettersysteem dan ook nog eens aangeeft, wààr een betreffende zin juist in de muziek thuishoort. Vooral in de versie van Harnoncourt kan men dat goed horen. Té goed misschien zelfs. Want tenslotte is het géén symfonisch gedicht. Daar moet je het gedicht echt goed kennen, anders is het soms zelfs geen goede muziek meer (denk aan “L’apprenti sorcier” van Paul Dukas), terwijl het bij Vivaldi een vioolconcerto blijft, met of zonder sonnet!
Luca Pianca, de stichter van Il Giardino Armonico, van zijn kant verklaarde dat Vivaldi tijdens die solo’s over de grond kronkelde zoals de eerste de beste hardrock-gitarist. Tenzij dit gewoon moet dienen om te verklaren waarom zij Vivaldi spelen alsof het pure rock’n’roll is natuurlijk. Anderzijds wees hij er wel op dat Vivaldi eerder de laatste componist van de 17de eeuw is dan de eerste van de 18de. Hij heeft namelijk heel jong viool leren spelen en is nooit echt van deze traditie afgeweken.
Want dàt waren het dus eigenlijk: vier afzonderlijke vioolconcerti die op diverse tijdstippen werden gecomponeerd. De echte volgorde is: eerst de lente, dan de herfst en de winter en pas als laatste de zomer. Bovendien noemde Vivaldi zelf zijn werk niet “le quattro stagioni”, maar “Il Cimento dell Armonia e dell’Inventione”, min of meer te vertalen als “de strijd tussen harmonie en inspiratie”, ofwel de rationele en de verbeeldingsrijke kant van de muziek. Het werk (uitgegeven in 1725 in Amsterdam) bevat overigens nog acht andere concerten.
Toch worden de concerti altijd uitgevoerd in de “natuurlijke” volgorde van de seizoenen (te beginnen met de lente) en zijn ze als concerti dan ook zo genummerd (m.a.w. het vierde concerto is niet “l’estate” maar “l’inverno”). Maar goed, men begint hoe dan ook met de lente.
In het allegro verwelkomen de vogels de lente, min of meer zoals het “Vrolijk lentelied” van Jan De Wilde, maar voorjaarsstormen leggen hen het zwijgen op. Op het einde van de beweging laten ze zich echter al opnieuw horen.
Het largo wil bloemrijke weiden oproepen en takken vol bloesems die zachtjes heen en weer waaien in de wind. De schaapherder is ingedommeld, evenals zijn hond. De man denkt wellicht: I love my dog as much as I love you, zoals Cat Stevens.
Maar met zijn blaffen heeft de hond zijn meester wakker gemaakt, want in het allegro begeeft hij zich met andere schaapherders in een wilde dans met nimfen, begeleid door doedelzakken. Kortom, un gai printemps, zoals die van Le Quatuor.
De zomer begint met een “allegro non molto”. Non molto inderdaad, want de loden hitte belet al te veel beweging. Het is de zwoele sfeer die we ook terugvinden in de “Summernights” van ene meneer Bo Delaire, eigenlijk een productie van Raymond van het Groenewoud. De koekoek kan men horen, gevolgd door het gekoer van een duifje en het ‘slaan’ van een vink. Dan steekt de wind op en zoekt de schaapherder onderdak voor de naderende storm. (Vergelijk met “Riders on the storm” van The Doors.)
Die rust vinden we nog terug in het adagio van de tweede beweging, maar dat gaat over in een presto, wanneer de storm opsteekt en vliegen nerveus beginnen rondzoemen. Min of meer zoals ze dat ook nog bij Pink Floyd deden, al is het dan niet in “Summer ’68” maar in “Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Groovin’ With a Pict”.
Ook de derde beweging is een presto, want de storm raast nu op volle kracht. Het dondert en bliksemt en het rijpe koren wordt door de stormwind platgelegd. Het zijn geen zomers meer, zucht France Gall: “Plus d’été”.
De herfst begint traditiegetrouw met een allegro. De boeren vieren met zang en dans de geslaagde oogst. De drank vloeit bij beken en uiteindelijk valt menigeen in de armen van Morpheus, “when autumn leaves start to fall”.
De tweede beweging is een adagio molto, want iedereen slaapt zijn roes uit bij een koel briesje. “People get together, hiding from the weather”, zoals The Kinks zingen in “Autumn almanac”.
Er wordt ook hier afgesloten met een allegro, want de jagers breken de rust met hun hoorns, hun honden en hun geweren. Het wild tracht te ontsnappen, maar tevergeefs. Kortom, het is het jachtige gedoe van “Good morning” van The Beatles.
De winter tenslotte begint opnieuw met een “allegro non molto”, waarin zowel de bijtende wind, als het stampen om de voeten te warmen en het geklapper van de tanden is te horen. “Arghe winter ghi zijt cout” klaagt Paul Rans.
De tweede beweging is weer een largo, want het roept de behaaglijke warmte van de kachel op, terwijl het buiten regen giet. Het is de stemming die Raymond van het Groenewoud op een winterochtend overvalt.
Men eindigt met een allegro, want het heeft geijzeld en iedereen doet moeite om zich recht te houden op de gladde straten. Sommigen wagen zich ook op bevroren vijvers. Het ijs begint te kraken en ze moeten zich uit de voeten maken. Helemaal op het einde horen we opnieuw de wind die huilt en roept: Mary! Nietwaar, Jimi Hendrix?
Overigens was de bijnaam van Vivaldi “il prete rosso”, wat buiten het voor de handliggende “de rode priester” (let op: rood betekent roodharig, want Vivaldi is van de preconciliaire periode) ook nog “de hete bedpan” zou betekenen. Dat is uiteraard niet evident, maar een mogelijke verklaring zou kunnen zijn: zoals men in Brussel een prostituée een “stoof”, d.i. een bedverwarmer, noemde – cfr. de Stoofstraat – zo waren pastoors misschien ook gekend om hun seksuele exploten en noemde men een bedverwarmer in het Italiaans dus een “prete”, waarbij “rosso” uiteraard “roodgloeiend” kan betekenen.
Alleszins heeft Vivaldi die bijnaam te danken aan het feit dat hij in het meisjesweeshuis waar hij van 1703 tot 1740 was tewerkgesteld het niet zo nauw nam met zijn gelofte van kuisheid. Het “Ospedale della Pietà” was één van de vier ietwat eigenaardige instellingen van Venetië die zowel een hospitaal- als een kloosterfunctie hadden. Naast de zieken werden echter ook jonge, verlaten meisjes opgenomen die binnen de instelling een volledige muzikale opleiding kregen door Vivaldi die met hen ook een orkest vormde dat één van de attractiepolen van het toenmalige Venetië werd. Ze traden o.a. op als begeleiders van de zangeres Maria Bolognese, maar de voornaamste aandacht ging naar de soloconcerti die Vivaldi speciaal voor z’n meisjes schreef.
Hij had daarbij een zulkdanige voorkeur voor de hobo dat die in de muziekgeschiedenis de cornet als favoriete blaasinstrument verdrong. Alle belangrijke hoboïsten uit de periode kregen er hun opleiding (Rion, Penati, Erdmann, Siber…), maar het voornaamste feit was dat reeds in 1707 één van de meisjes tot lerares hobo werd aangesteld. Dit was Pelagrina dall’Oboe, want het was de gewoonte dat de meisjes werden genoemd naar het instrument dat ze bespeelden. Het was echter met een zangeres, Anna Giro, dat Vivaldi de nauwste (zij het volgens de legende: platonische) betrekkingen had. Nochtans heeft hij heel weinig vocaal werk geschreven, wellicht omdat hij voor het koorwerk gehinderd werd door het feit dat het allemaal meisjes waren. Toch schreef hij ook bas- en tenorpartijen (b.v.in zijn Gloria), waarbij hij de basstemmen dan wel doubleerde met de instrumenten om zo het gebrek aan capaciteit te verdoezelen.
Maar hij mocht dan nog wereldberoemd zijn in Venetië, indien hij zijn muziek niet bij Estienne Roger in Amsterdam had uitgegeven, was die beroemdheid misschien nooit buiten de stadsgrenzen geraakt. Nu kwam echter o.m. Bach in het bezit van enkele van zijn werken die hij prompt bewerkte (het concerto voor vier violen tot dat voor vier klavecimbels b.v.)
Wanneer rond 1738 zijn populariteit op de achtergrond wordt gedrongen omdat de kerkelijke overheden hem omwille van zijn relatie verbieden zich nog verder met opera bezig te houden, verlaat hij verbitterd Venetië en zoekt zijn toevlucht bij Karel VI in Wenen, waar hij twaalf jaar eerder reeds te gast was geweest. Tot overmaat van ramp sterft deze bij zijn aankomst, zodat niet alleen de bescherming wegvalt, maar ook dat er gedurende lange tijd geen opera’s of concerten mogen worden uitgevoerd. Bovendien neemt zijn slepende ziekte een beslissende wending zodat Vivaldi in 1741 in armoede is gestorven en in een naamloos graf begraven (tiens, waar hebben we dat nog gehoord?). Ook zijn muziek dreigde in de anonimiteit te verzeilen, ware er dus niet dat concert in 1939…

Referentie
Ronny De Schepper, Barok bij ’n lekkere lunch, Het Laatste Nieuws 20 januari 1994
Ronny De Schepper, Oratoriumvereniging speelt najaarsconcert, Het Laatste Nieuws 9 december 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s