Vandaag is het 75 jaar geleden dat één van de belangrijkste pioniers van de blues en de jazz is overleden: pianist Jelly Roll Morton. Hij werd geboren als Ferdinand La Menthe in New Orleans en later zou hij zowel zijn naam als geboortedatum geregeld veranderen. Toen zijn vader (een trombonist) het gezin verliet hertrouwde zijn moeder met een portier, genaamd Morton. In zijn jeugd speelde de jonge Ferdinand gitaar en drums. Wat later begon hij met pianospelen. De muziek die hij in zijn jeugd speelde was een mengelmoes van populaire deuntjes, rags, walsjes, quadrilles en ouvertures. Dat speelde hij in de bordelen, maar ook in de sjiekere nachtclubs van New Orleans. Toen zijn grootmoeder echter lucht kreeg van het feit dat hij op deze manier aan zijn geld kwam, zette ze hem het huis uit. Rond 1923 maakte hij een serieuze start als muzikant in Chicago. Hij speelde een aantal “piano rolls” in (papieren rollen voor pianola’s). Een van zijn eerste solo piano opnames uit 1923 toont aan dat het hier niet meer om strikte ragtime gaat. Invloeden van de nieuwe ontluikende jazzstijl zijn te horen en het ritme neigt naar swing. Tussen 1926 en 1930 bracht hij verscheidene platen uit. De meeste opnames verschenen onder de bandnaam Jelly Roll and His Red Hot Peppers. De platen lanceerden Morton als succesvol jazzartiest en hij kocht Cadillacs en diamanten. Rond 1928 sloeg echter de Grote Depressie toe. Begin 1930 stortte de platenbusiness in en zijn populariteit daalde. Contemporaine jazzmusici keken wat schamper op hem neer en vonden hem een ouderwetse opschepper die vond dat vroeger alles beter was. Vanwege zijn lichtere huidskleur voelde hij zich verheven boven de “niggers” die hij als “troublemakers” bestempelde. Aan de andere kant kon hij moeilijk voor blank worden versleten. Dit plaatste hem in een sociaal isolement en velen wijten zijn megalomane en vaak arrogante houding aan het feit dat hij zich nooit geaccepteerd voelde. Ook zijn gezondheid ging sterk achteruit en in 1941 stierf hij onopgemerkt. Zijn dood is voor mij een aanleiding om het even over de geschiedenis van de pianomuziek te hebben.

“Ik deed mijn best om aan iets anders te denken. Aan het zonnige appartement in Chigasaki. Aan de platencollectie die ik had achtergelaten. Een behoorlijk goede collectie jazzplaten. Ik had toegewijd albums verzameld van blanke pianisten tussen 196o en begin jaren zeventig – Lennie Tristano, Al Haig, Claude Williamson, Lou Levy, Russ Freeman, André Previn. De meeste van die albums waren uit de handel. Het had veel tijd en geld gekost om al die platen te verzamelen. Ik had platenzaken uitgekamd, platen geruild met andere verzamelaars en zo mijn collectie beetje bij beetje uitgebreid. De meeste uitvoeringen waren niet van uitzonderlijke topklasse. Maar ik hield van de specifieke intimiteit die deze oude mottige platen overbrachten. Als de wereld uitsluitend bestond uit dingen van topklasse, zou dat zonder twijfel een smakeloze wereld zijn, voerde ik altijd als schamel excuus aan. Ik kon me de hoezen van de platen stuk voor stuk tot in detail herinneren.”
Aan het woord is natuurlijk de (op dit gebied) onnavolgbare Haruki Murakami in het verhaal “Mensenetende katten” opgenomen in de bundel “Blinde wilg, slapende vrouw” (p.145)
Wie piano zegt, die denkt onmiddellijk aan de Koningin Elisabeth-wedstrijd of andere esbattementen van dergelijke strekking en… niet ten onrechte. De verhouding tussen het koninginne-instrument van de “ernstige” muziek en de “lichte” muziek is nogal tumultueus van de aard geweest. Nu alle rockgroepen ruimschoots (véél te ruimschoots zelf!) gebruik maken van een achterkleinkind van de piano, de synthesizer, is deze tegenstelling niet meer zo opvallend, maar aangezien het hier eerder een bastaardkind betreft (buiten het feit dat men het eveneens met toetsen bespeelt, zijn verder alle overeenkomsten louter toevallig), blijft de spankracht eigenlijk toch wel bestaan. Genoeg alleszins om er even bij stil te staan, dachten wij zo. Piano, maar dan fortissimo…
PIANOFORTE
De oorsprong van de piano gaat terug tot de 14de en 15de eeuw toen men begon met het bouwen van klavecimbels en spinetten (eigenlijk gewoon een klein klavecimbel, meestal rechthoekig). Antwerpen was een belangrijk centrum hiervan met de Ruckers-dynastie. Al heel vroeg begon men te experimenteren met instrumenten die een snaar aansloegen in plaats van ze te tokkelen (“trekken”), zoals bij het klavecimbel. Van al deze experimenten kende enkel het klavichord een zekere populariteit.
Het oudst bekende handschrift waarin de naam klavichord voorkomt, is “Der Minne Regeln” van E.C.von Minden (1404). Het is een samenvoeging van de “monochord” (met één snaar; al gekend van bij Pythagoras) en “clavis” (sleutel), een term uit de orgelliteratuur waar de toetsen als sleutel fungeerden om kleppen te openen die lucht in de pijpen binnenlieten, bij uitbreiding werd het dus een benaming voor “toets”. Het klavier kan worden beschouwd als opvolger van de luit en precies daardoor kon de klaviermuziek zich losmaken van de orgelmuziek. Net zoals op de luit werd er immers profane muziek op uitgevoerd. In 1425 beschrijft Arnaut Van Zwolle als eerste het klavichord. Het oudst bewaarde instrument dateert echter pas uit de zestiende eeuw.
clip_image002

In 1698 is er dan de uitvinding van de “arpicembalo che fà il piano e il forte” door de Florentijn Bartolomeo Cristofori (1655-1731), later afgekort tot “pianoforte”. We kennen dit instrument enkel uit beschrijvingen en patentbrieven, want geen van de instrumenten die hij vervaardigde heeft de tijden overleefd.
In 1721 legt Gottfried Silbermann zijn “cembal d’amour” voor aan J.S.Bach. Vertrekkende van een clavichord, combineert hij dit met de mechaniek van Cristofori. Bach heeft kritiek op de slechte kwaliteit van de hoge tonen en de moeilijkheden bij het bespelen van het instrument. Het zal nog tot 1747 duren vooraleer hij Frederik II een positief advies over dit instrument zal geven.
In 1751 vindt Franz Jacob Späth in Regensburg de tangentenflügel uit, misschien geïnspireerd door het instrument van Christoph Gottlieb Schröter uit 1717.
In 1767 werd ook voor het eerst een pianoforte gebruikt bij een publieke uitvoering. Ene mister Dibdin begeleidde er namelijk het lied “Judith” van Thomas Arne op. Een jaar later gaf Johann Christian Bach in Londen een eerste solorecital op pianoforte. Daardoor was de belangstelling gewekt van Burckhardt Shudi, maar het was vooral zijn schoonzoon John Broadwood die zich op de pianobouw zou toeleggen.
Uit 1787 dateert de oudste vleugel van John Broadwood. Deze krachtige piano stond in schril contrast met de Weense traditie van A.Stein (1728-1792; hij woonde en werkte evenwel in Augsburg), zijn dochter Nannette Streicher, Conrad Graf en Anton Walter, die eerder op het klavichord hadden verdergebouwd. Sloten wel aan bij de traditie van Broadwood: Sébastien Erard (1752-1831), die nochtans reeds in 1777 in Parijs zijn eerste vleugel had voorgesteld, en John Isaac Hawkins (1799-1845), die in 1800 in Philadelphia voor het eerst metalen banden construeert tussen het stemblok (met pennen) en het klankbord, teneinde de steeds groter wordende spanning van de snaren op te vangen. Hij verbeterde eveneens het model dat in 1780 als de eerste rechtopstaande piano (“buffetpiano”) werd gepresenteerd door John Schmidt in Salzburg.
In 1821 vervolmaakte Erard de repetitiemechaniek, waarbij de hamer die tegen de snaar werd opgegooid niet helemaal terugviel, maar ongeveer halverwege bleef hangen. Zo werd een vrijwel ongelimiteerde snelle toonherhaling mogelijk. Vanaf deze uitvinding gebruikte men de term “piano” in plaats van “pianoforte”.
J.N.Hamal (1709-1778) introduceert de pianoforte in onze gewesten. De oudst overgebleven Belgische piano is echter van de in Gent gevestigde bouwer Christian Fuhrmann. Uit de naam zouden we kunnen afleiden dat hij uit Oostenrijk afkomstig was, waar er een bouwersfamilie met dezelfde naam bestond, maar eigenlijk weten we niets van hem af. Die piano uit 1776 is een kleine tafelpiano die in het gemeentelijke museum van Ronse wordt bewaard.
De eerste Gentse pianobouwer met een gekende geschiedenis is Symphorien Ermel. De man dankt zijn ongewone voornaam aan zijn geboortedorp Saint Symphorien nabij Bergen. Hij vestigde zich rond 1790 in Gent, waar hij ook faam verwierf als pianist en componist. In 1829 verhuist hij zijn winkel van Pekelharing naar de Kortemeire nr.1, maar waarschijnlijk was hij toen reeds gestopt met het bouwen van piano’s en deed hij enkel nog verkoop en herstellingen. Hij stierf in 1843.
In 1836 had Ermel zijn pianozaak reeds gesloten, wat voor Jean Dammekens het sein was om drie huizen verder zijn werkplaats te openen. Dammekens was op dat moment vooral gekend als pianist, maar die overgang naar bouwer is niet zo uitzonderlijk, als men weet dat o.a. Ignaz Pleyel en Muzio Clementi hem dat al hadden voorgedaan. Het bedrijf van Dammekens kende een geweldige bloei. Vijf jaar na de opening werkten er reeds 32 arbeiders en 16 leerjongens, terwijl hij ook nog 18 thuiswerkers in dienst had! Precies even snel volgde echter ook weer de neergang, want de economische crisis van 1847-48 werd hem fataal. In 1847 verhuisde hij naar de Vrijdagmarkt waar ook hij enkel nog als verkoper werkzaam was.
In 1864 perfectioneert Henry Engelhard Steinweg (later Steinway) het rechterpedaal dat Montal twee jaar eerder naast het oorspronkelijke pedaal had geplaatst, dat de registers moet bedienen.
IN BORDEEL EN KERK
Als we de relatie tussen rock en klassiek onder handen willen nemen, dan kunnen we er niet onderuit: we moeten eerst een kleine honderd jaar terug, naar het ontstaan van de jazz met andere woorden. Toen al ontsponnen er zich heftige discussies tussen voor- en tegenstanders van de aanwending van een piano in een jazz-orkest. Het is immers duidelijk dat men geen jazz-piano kan spelen, zoals men bijvoorbeeld met een cornet kon doen, namelijk door naar anderen te luisteren, op een zekere dag ergens een gedeukt instrument te kopen of te lenen en dan op het gehoor beginnen te musiceren. Neen, wie piano wilde spelen, al was het dan jazz-piano, die moest een soliede klassieke opleiding hebben genoten. Dat was zeker het geval met de eerste grote jazz-pianisten, Scott Joplin en Jelly Roll Morton bijvoorbeeld.
Tegenstanders wezen er echter op dat door de “geleerdheid” van de jazz-pianisten veel spontaneïteit en vitaliteit verloren ging, hiervoor hoeven we maar naar de blanke grote jazz-orkesten zoals dat van Paul Whiteman te luisteren. Anderzijds kan men er echter niet onderuit dat men moeilijk een muzikale carrière kan opbouwen op “spontaneïteit” alleen. Ook andere instrumentisten moeten alras ervaren: ofwel een grondige opleiding volgen ofwel voor eeuwig blijven stuntelen. Hoeveel talenten zijn bijgevolg nooit ontdekt omdat “klassieke” ouders hun kinderen wijsmaakten dat er voor die “junglemuziek” geen muziekkennis is vereist! Aangezien zoon- of dochterlief dan weliswaar door de rockmicrobe mag gebeten zijn, heeft hij of zij toch geen zin om uren aan een stuk arpeggio’s of andere saaie oefeningen te tokkelen: ’t zal zo ook wel gaan! En zo moeten we het zoeken naar een opvolger van Raymond van het Groenewoud (klassieke opleiding, jawel!) alweer uitstellen.
Nu, afgezien van deze discussie over het geslacht van de engelen was er nog een ander element dat de integratie van de piano in een rockorkest niet heeft bevorderd. Als we ons immers vijftig jaar verder verplaatsen in de tijd, namelijk wanneer midden deze eeuw de rock’n’roll ontstaat, dan is de “vader” laten we zeggen inderdaad de jazz, meer bepaald de rhythm’n’blues, maar de “moeder” is de blanke country-muziek, wat bijvoorbeeld zeer goed te merken is bij twee mensen die toch aan de wieg van de rock stonden: Bill Haley en Elvis Presley. Nu was de jazz ondertussen stilaan respectabel geworden en de “straatperiode” van New Orleans reeds ontgroeid, country-muziek daarentegen was meestal nog steeds een volkse aangelegenheid. Spelen op straathoeken met andere woorden en bijgevolg aangepaste instrumenten: gitaar, stringbas, drums. En dat werd dan ook het basisinstrumentarium van een rockgroep: Scotty Moore, Bill Black en D.J. Fontana bij Elvis, maar ook bijvoorbeeld The Crickets van Buddy Holly en The Comets van Bill Haley; Jerry Lee Lewis (foto) is de beroemde uitzondering op de regel, omdat hij pianoles had gekregen van de blinde zwarte pianist Paul Whitehead uit New Orleans.
Nochtans was er een plaats waar men “vrij en ongedwongen” de piano kon betokkelen: het bordeel. Uit deze traditie van weliswaar ritmisch maar toch bezadigd te keer gaan (hoe zou het ook anders kunnen!), groeide bijvoorbeeld de stijl van een Fats Domino, terwijl de frenetieke Ray Charles of Little Richard hun opwinding eerder uit… de kerk haalden. Sinds de mooie film “Mississippi Blues” van Bertrand Tavernier weet iedereen – en vooral de reeds genoemde R.V.H.G. (“Liefde voor muziek”!) – hoe opwindend het er tijdens een zwarte eredienst kan aan toegaan.
Fats WallerUiteraard fungeert een orgel hier als begeleidingsinstrument, maar dit aanvaarden we nog als een volle neef van ons troetelkind, onder meer wegens de virtuositeit waarmee mensen als Fats Waller of genoemde Little Richard ernaar overschakelden, nadat ze uit het kerkgebouw werd gekieperd aangezien ze het toch een beetje àl te bont hadden gemaakt. Wat natuurlijk niet belet dat er rechtstreeks uit deze orgeltraditie ook grote rock-organisten zijn opgestaan zoals Booker T.Jones en Bill Doggett. Ongetwijfeld hebben zij veel te danken aan het pionierswerk van Jimmy Smith (1925-2005) die het Hammond-orgel introduceerde in de jazz.
VAN THE BEATLES NAAR PROCOL HARUM
Wie de al even knappe Amerikaanse documentaire van Patrick Montgomery over The Beatles heeft gezien, die weet dat nog eens tien jaar later deze Liverpoolse arbeiderskinderen die het aangezicht van de wereld zouden veranderen ook uit deze twee vaatjes tappen: de zwarte rock- en bluesplaten die via de Amerikaanse schepen in de haven werden aangevoerd en de op country en vooral country-blues teruggaande skiffle-folk van Lonnie Donegan en consoorten. Tegelijk met The Shadows (toen nog The Drifters) starten The Beatles dan ook als skifflegroep onder de naam The Quarrymen en de samenstelling blijft haast ongewijzigd ten opzichte van de jaren vijftig: solo-gitaar, bas, drums, alleen begint de sporadisch aanwezige ritme-gitaar een meer prominente rol te spelen (denken we maar aan het feit hoe Keith Richards bij The Rolling Stones de gevormde instrumentalist Brian Jones van het voorplan verdringt, met de gekende gevolgen…).
The Shadows halen echter enkele jaren vroeger dan The Beatles de top (zij waren van Londen, het centrum van de showbizz en niet uit de “provincie” zoals de Fab Four) en zij versterken nog deze basisopstelling. Bijna alle instrumentale groepen (bij ons bijvoorbeeld The Jokers) gaan de nadruk leggen op de elektrische gitaar, de enige tegenzet komt van producer Joe Meek die een groep samenstelt met het orgel als centraal instrument: The Tornadoes, maar buiten de gelegenheidshit “Telstar” hebben die het in feite nooit erg ver gebracht.
Natuurlijk wil dit ook weer niet zeggen dat àlle beatgroepen op dat stramien gebaseerd waren. Het succes van The Animals (“House of the rising sun”) was bijvoorbeeld in niet geringe mate gebaseerd op het briljante orgelspel van Alan Price, maar het is misschien toch typisch dat deze succesformule niet lang stand hield en dat nadat Price zijn eigen Alan Price Set had gesticht – “I put a spell on you” – hij meer de jazz-toer opging, zoals onder meer ook zijn vriend Georgie Fame.
En bij The Spencer Davis Group (“Gimme some loving”) zat weliswaar ene Steve Winwood, maar die was nog zo piepjong dat hij ook pas later met Traffic (“Paper sun”) of solo (“Arc of a diver”) echt tot ontplooiing kwam. Toen Stevie the Spencer Davis Group verliet, kwam de pianist van het quasi onbekende groepje Bluesology solliciteren, een zekere Reginald Dwight. Hij werd te licht bevonden. Later zou hij de weg effenen voor een hele generatie singer-songwriters onder de naam Elton John. (*)
Neen, alvorens het klavier een vaste plaats kreeg toegewezen moest men eerst wachten op het bewierookte flower power-jaar 1967, waarin The Beatles zelf het rockinstrumentarium open gooien met “Sgt. Pepper’s lonely heartsclub band”, maar waar het toch vooral de groep Procol Harum is die met “A whiter shade of pale” de toon zet voor het volgende decennium in de popmuziek. Het gaf bij ons b.v. de kans aan ene Raymond van het Groenewoud om orgel te spelen bij de Antwerpse balgroep St.-James: “Dankzij Procol Harum en A whiter shade of pale! Dan wilden al die gitaargroepjes plotseling ook iemand hebben die orgel kon spelen.”
Procol Harum was opgebouwd rond pianist-componist Gary Brooker, maar in eerste instantie is het toch vooral organist Matthew Fisher die met zijn intro, een bewerking van een Bach-thema, hoge ogen gooit. Terecht kreeg hij in 2006 eindelijk datgene waarop hij recht had, met name een deel van de auteursrechten (zij het, helaas voor hem, niét met terugwerkende kracht).
Meteen had de klassieke muziek voor het eerst op een ernstige manier een doorbraak naar de popmuziek geforceerd (vroeger waren er natuurlijk wel reeds, vaak komische, aanpassingen van klassiekers geweest, zoals bijvoorbeeld “Nut rocker” van B. Bumble and the Stringers naar, jawel, Tsjaikovski’s “Notenkraker”). Tegelijk was al onmiddellijk het hek van de dam: The Moody Blues namen “Days of future past” op met The London Symphony Orchestra (iedereen kent hieruit wel “Nights in white satin”) en nog later zouden Keith Emerson van The Nice, Jon Lord van Deep Purple en Rick Wakeman van Yes hen dit na doen. Soms met succes, maar steeds met bombast en dus loerde de verveling en de dikkenekkerij reeds om het hoekje. De punks zouden daar in 1977 dan ook flink het mes inzetten (al zette met name Keith Emerson vaak eigenhandig het mes in zijn orgel, letterlijk dan) en opnieuw naar de basisformule gitaar-bas-drums grijpen (The Sex Pistols bijvoorbeeld).
Het zal echter een Pyrrhus-overwinning worden, want in de marge van het popgebeuren waren er dankzij uitvinder Robert Moog (1934-2005) heel andere ontwikkelingen op gang gekomen. Eerst nog een beetje onhandig zoals bij Walter Carlos met “Switched-on-Bach” bijvoorbeeld (Walter Carlos is ondertussen Jenny Carlos geworden, no kidding) maar later met veel bravoure door de reeds genoemde Keith Emerson, die mij in zijn volgende groep Emerson, Lake & Palmer met de synthesizer kon verzoenen dankzij de diep kervende solo aan het einde van “Lucky man”. Oh! What a lucky man he was

Referentie
Ronny De Schepper, Piano maar dan fortissimo, De Rode Vaan nr.22 van 1985

(*) In afwachting van een aparte bijdrage over de mensen die in de voetsporen van Franz Schubert traden, hier reeds een paar namen om jullie te doen watertanden: Billy Joel, Randy Newman, Tom Waits…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s