Het is vandaag al 45 jaar geleden dat de Amerikaanse jazz-trompettist en -zanger Louis Armstrong is overleden.

Louis Armstrong leerde de kornet bespelen in de band van het New Orleans tehuis voor jonge en verwaarloosde kleurlingen, waar hij heen gezonden werd omdat hij bij een Nieuwjaarsviering een pistoolschot gelost had. Hij volgde brassband parades en luisterde wanneer hij maar kon naar oudere musici, pikte het vak op van Bunk Johnson, Buddy Petit en vooral van “King” Joe Oliver, die de rol van mentor (en bijna van vader) voor de jonge Armstrong op zich nam. Later speelde Armstrong in diezelfde brassbands op de rivierboten van New Orleans en begon voor het eerst rond te reizen toen hij bij de vooraanstaande band van Fate Marable kwam, die rondtoerde op stoomboten op de Mississippi; hij beschreef later zijn tijd bij Marable als zijn “studententijd”, omdat hij hier een enorme ervaring opdeed met uitgeschreven orkestraties. Toen Joe Oliver in 1919 uit New Orleans vertrok, nam Armstrong zijn plaats in in de band van Kid Ory, destijds de meest swingende jazzband in de stad.
In 1922 ging Armstrong mee met de grote exodus naar Chicago, waar hij door Joe Oliver uitgenodigd was om mee te doen in diens Creole Jazz Band. In het begin van de jaren twintig, in een tijd waarin Chicago op jazzgebied het centrum van de wereld was, was Olivers band de beste, “hotste” en meest toonaangevende jazzband van heel Chicago. Hun opnamen uit 1923 worden nog steeds beschouwd als schoolvoorbeelden van New Orleans Jazz in ensemblestijl.
Armstrong had het naar zijn zin bij Oliver, maar zijn vrouw, Lil Hardin, vond dat hij hoger gewaardeerd moest worden. Armstrong en Oliver gingen in 1924 vriendschappelijk uit elkaar en Armstrong vertrok naar New York om bij The Fletcher Henderson Orchestra – in die dagen de crème de la crème van zwarte bands – te gaan spelen. Daarnaast maakte hij solo-opnamen die verzorgd werden door zijn oude vriend uit New Orleans, de pianist Clarence Williams. In 1925 keerde hij terug naar Chicago en begon onder zijn eigen naam opnamen te maken met zijn beroemde Hot Five en Hot Seven bands. Zij scoorden hits als “Potato Head Blues”, “Muggles” (een referentie aan Armstrongs levenslange verslaving aan marihuana) en “West End Blues”. Er werden zelfs ware voorlopers van videoclips gedraaid (o.m. door ze te verweven met animatiefilms als die van “Betty Boop”), maar het dient tevens gezegd dat er hier ook een grote scheut racisme bij komt kijken, zodat we daar nu met gekromde tenen naar zitten te kijken. Vooral wanneer niemand minder dan Ronald Reagan in “Going places” (Ray Enright, 1939) een interviewtje van hem afneemt. “Melancholy Blues”, uitgevoerd door Armstrong en zijn Hot Seven band, was bij de muziekstukken die op de gouden plaat meegingen met de Voyager-sonde als een van de grootste mijlpalen der mensheid.
In 1929 keerde Armstrong terug naar New York, verhuisde in 1930 naar Los Angeles en toerde daarna door Europa. Zo organiseerde de AVRO reeds in 1932 een concert van hem. En toen in het jaar 1934 de Britse muzikantenvakbond een ban op Amerikaanse orkesten kon afdwingen, was het laatste combo dat te gast was, dat van Louis Armstrong en men kan zeggen dat de jazz-evolutie in Engeland zo’n 25 jaar uit datzelfde vaatje is blijven tappen, zodat de rage van de Trad Jazz die de jazz een populariteit bezorgde die zelfs zijn weerspiegeling vond in de pophitparade met namen als Sidney Bechet, Acker Bilk, Ken Colyer en Chris Barber eigenlijk is terug te voeren op Louis.
Hijzelf spendeerde jaren achter elkaar aan de ene tournee na de andere tot hij in 1943 uiteindelijk permanent neerstreek in Queens in New York. Als live performer bleef hij groeien en hij mocht o.a. optreden in het allereerste jazzconcert in de Metropolitan Opera House op 17 januari 1944. Hoewel hij onderhevig was aan de wisselvalligheden van Tin Pan Alley en de van gangsters doordrenkte muziekindustrie, bleef hij zich ontwikkelen en het publiek aanspreken. Hij bleef de volgende 30 jaar rondreizen en one-night-stand optredens geven in een slopend schema van 300+ dagen per jaar. Hij trad op in meer dan 30 films. Zo speelde hij in 1937 in “Everyday’s a holiday” samen met Mae West. De filmbonzen kwamen weliswaar met excuses aandraven: dat hij niet verstaanbaar was en wat weet ik al. Maar Mae hield zoals steeds het been stijf. Twintig jaar later (in 1956) speelde hij in “High Society” aan de zijde van zijn vriend Bing Crosby. Zij kenden elkaar al langer, maar oorspronkelijk konden blanken en zwarten “natuurlijk” niet tesamen op een podium staan. Maar wel aan de bar en in de zaal. Crosby en Armstrong trokken dan ook vaak samen op naar diverse optredens, waarbij overigens – ongelooflijk maar waar – Bing Crosby de grootste wildebras was (cfr. het antwoord van Paul Whiteman op de vraag of het “hard to work” was met Crosby: “No, but sometimes he was hard to find“). Zo leerde Crosby het skat-singing van Armstrong en introduceerde het ook bij de blanken.
De meeste tournees van Armstrong na het eind van de jaren veertig werden begeleid door zijn band de All Stars, waarin Barney Bigard, Jack Teagarden, Earl Hines, Trummy Young en Barrett Deems meespeelden. Ook bleef hij veelvuldig opnamen maken. Op 4 juli 1954 wordt in Humo de eerste MMM-poll gehouden (Meest Markante Musicus) en die werd gewonnen door Louis Armstrong vóór Duke Ellington en Dizzy Gillespie. In het Vlaamse muziektijdschrift Song Parade van 27 maart 1957 verschijnt de uitslag van de “Popularity Poll 1956-1957”, die een typisch beeld geeft van de situatie op dat ogenblik. Bij de “kleine formaties” verslaat Bill Haley zijn naaste concurrenten, zijnde de Louis Armstrong All Stars en Freddie Bell and The Bellboys, een groep die destijds aan de zijde van Bill Haley debuteerde in “Rock around the clock” en waarvan sinds jaar en dag niets meer werd vernomen. Bij de solisten ging de hoofdtrofee naar de Engelse trompettist Eddie “Zambesi” Calvert, gevolgd door Louis Armstrong en Lionel Hampton. Het weze opgemerkt dat Louis Armstrong twee jaar later, in 1959, zou optreden in de Ancienne Belgique met in het voorprogramma… een zeehondenshow! Tussendoor, in 1958, mocht de Antwerpse Rivertown Dixieband met Jack De Graef op drums de grote eer genieten om te mogen optreden op een receptie voor Louis Armstrong, die rechtstreeks werd uitgezonden op Radio Luxemburg.
Nog in 1958 zou Louis Armstrong zelfs een tournee maken door de Sovjetunie, maar in de VS zelf was er een rassenincident dat Armstrong sterk aansprak. Hij vond dan ook dat het zijn plicht was om thuis te blijven en daar te getuigen van de strijd van zijn rasgenoten. (Een andere interpretatie zou natuurlijk kunnen zijn dat hij met zijn uitspraken schade had berokkend aan zijn “Uncle Tom”-imago en dat hij het nog niet erger wou maken door bij “de vijand” te gaan spelen.) In de jaren zestig trad hij wel op in ’t Gentse Kuipke en gaf zo o.m. de aanzet voor de Lazy River Jazz Club.
Louis Armstrong stierf op 6 juli 1971 in zijn slaap aan een hartaanval en werd begraven op Flushing Cemetery, Flushing te Queens, New York. (Wikipedia)

73 Louis Armstrong

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.