Shirley Owens, de leadzangeres van The Shirelles, viert vandaag haar 75ste verjaardag. The Shirelles was een Amerikaanse meidengroep die grote populariteit genoot begin jaren zestig. Hun grootste succes hadden ze met de nummers Will You Love Me Tomorrow en Soldier Boy, die beide de nummer één-positie behaalden in de Verenigde Staten, resp. in 1961 en 1962… (Op de foto v.l.n.r.: Doris Coley, Addie “Micki” Harris, Shirley Owens en Beverly Lee.)

Zoals reeds herhaalde malen geschreven: in 1959 was de rock’n’roll ten dode opgeschreven. En zoals het zo vaak gaat in dit leven, ook de muziek kent een dialectische ontwikkeling. Van de ruwe agressie tegen het burgerlijke Amerikaanse levenspatroon slaat de pendel terug naar de huiselijke warmte.
Niet te verwonderen dus dat het meeste schrijfwerk door echtparen werd gedaan: Jeff Barry en Ellie Greenwich, Barry Mann en Cynthia Weil en Jerry Goffin en Carole King. Niet toevallig ook allemaal blanken. In hun songs kwam vooral het behaaglijke gevoel van samen-zijn, samen-horen aan bod, maar meer nog de klacht om het gemis daarvan. Klacht, geen opstand. Vrouwelijke stereotiepen, precies. Op de scène maken dan ook de meisjesgroepen hun opwachting. Vooral zwarten. En zo is deze op het eerste gezicht “reactionaire” opstelling toch nog enigszins revolutionair. Eerst en vooral is het huwelijk voor zwarte meisjes op dat moment ongeveer het enige middel om hoger op de sociale ladder te klimmen. Bovendien wordt voor het eerst getolereerd dat een blank publiek in de ban komt van zwarte vrouwen. Akkoord dat het typische gekrulde haar meestal wordt vervangen door pruiken met zwart sluikhaar, maar toch…
“Maybe” van het zwarte viertal The Chantels wordt door Charlotte Greig als eerste exponent hiervan vernoemd (wellicht niet toevallig zal het later door Janis Joplin worden gecovered), maar het zijn The Shirelles die met “Dedicated to the one I love” als eersten de top van de Amerikaanse hitparade zullen bereiken.
Deze meidengroep was de eerste vocale groep in het rock tijdperk van enige betekenis, met hun zacht-zoete harmonische samenzangen en hun jeugdige onschuld, want zij waren bij hun oprichting van de groep in 1958 nog minderjarig. Dat had voor gevolg dat hun verdiensten voor hen op een bankrekening geplaatst werden totdat ze meerderjarig waren, aldus hun coach Florence Greenberg.
Oorspronkelijk waren ze met vier: Doris Coley, Addie “Micki” Harris, Shirley Owens en Beverly Lee. Ze kwamen in contact met Greenberg, doordat deze laatste de moeder was van een schoolvriendin, die hen vertelde dat haar moeder een platenfirma had opgericht: Scepter Records. Greenberg hielp hen aan een hele rist hits met medewerking van producer Luther Dixon. Maar in 1963 werden ze allemaal meerderjarig en toen ze informeerden naar hun bankrekening bleek dat een lege doos te zijn, met als gevolg dat een advokatenoorlog moest uitmaken wat Greenberg hen schuldig was. Omdat ze gebonden waren aan Scepter Records lagen de opnames stil gedurende bijna heel 1964, waarin de Britse invasie Amerika overrompelde en zij in de vergeethoek raakten en hun plaats ingenomen werd door The Supremes.
Niet alle meisjesgroepen waren even poeslief als The Shirelles (The Ronettes van Phil Spector b.v. of The Shangri-La’s van Shadow Morton), maar daar staat tegenover dat er andere zelfs slaafs onderworpen aan de man werden opgevoerd (The Crystals van diezelfde Phil Spector die dus op twee paarden wedde en vooral The Exciters, hun “Tell him” is puur masochisme). De fameuze producer Phil Spector had voor elk van hen een bepaald imago bedacht. Als men hiervoor de termen “dominant” en “onderdanig” uit het SM-jargon zou hanteren of gewoon “actief” en “passief”, dan waren The Ronettes de dominante component en The Crystals (met Darlene Love, Barbara Alston en leadzangeres Lala Brooks) de onderdanige. Dit bleek o.a. uit hun eerste “hit” (zeg dat wel): “He hit me (and it felt like a kiss)” dat zelfs uit de handel diende te worden genomen. Nu gaat dat wel over een jongen die ten onrechte vermoedt dat zijn meisje “vreemd gaat”, maar als dit dan wordt opgevolgd met “Please hurt me”, dan gaat een mens zich toch vragen stellen. Zeker wanneer men weet dat beide nummers werden geschreven door het toenmalige echtpaar Carole King en Gerry Goffin, die voor een andere groep (The Shirelles?) toch ook al “Chains, my baby’s got me locked up in chains” hadden gepleegd.
Ook in “Judy’s turn to cry” van Lesley Gore (geschreven door Beverly Ross en Edna Lewis) krijgt een meisje een oorvijg van haar vroegere vrijer (*) omdat ze nu met iemand anders vrijt en dat wordt door haar als positief ervaren… Het nummer zelf was een “antwoordsong” op “It’s my party” uit de elpee “I cry if I want to”, die vol stond met nummers waarin er op een of andere manier werd geweend. Allemaal producties van Quincy Jones overigens.
In december 1963 bracht Lesley Gore (dan toch nog altijd pas zeventien) echter “You don’t own me” uit, een song geschreven door John Madara en David White.“The song is an example of threatened emancipation, as the singer tells a lover that he does not own her; that he is not to tell her what to do or what to say; that he is not to put her on display. The song’s lyrics became an inspiration for younger women and played in a major factor in the rise of the second wave feminist movement.”(Wikipedia) Mede dankzij een vrij conventionele melodie kon deze geëmancipeerde tekst het tot de tweede plaats in de Billboard top 100 brengen, enkel voorafgegaan door “I want to hold your hand” van The Beatles. In Engeland werd het nummer opgepikt door Dusty Springfield en veel later ook door Joan Jett. Lesley Gore nam zelf nog versies op in het Duits, het Frans en het Italiaans. In de laatste twee talen werd het nummer ook gezongen door Dalida. In het Nederlands werd het als “Ik wil vrij zijn” gezongen door Liliane, die toen nog niet St.Pierre heette, want het nummer werd uitgebracht op de B-kant van haar eerste plaatje (en meteen ook haar eerste succes: “We gotta stop”). In 1981 kwam er een nieuwe Nederlandse versie, deze keer door André Hazes (“Zeg maar niets meer”), die er paradoxaal genoeg een typische vrouwonvriendelijke Hazes-tekst op kleefde. “Uiteraard” werd het nummer ook gebruikt in de film “The First Wives Club” uit 1996.
Grappig tenslotte is dat The Crystals “Then he kissed me” (van Phil Spector zelf, samen met dat andere echtpaar Jeff Barry en Ellie Greenwich, overigens de leveranciers van de meeste Crystals-songs) zongen, wat later door The Beach Boys werd overgedaan als “Then I kissed her”. M.a.w. men veranderde niet enkel het geslacht (wat logisch is) maar ook het rollenpatroon!
Iedereen weet dat Phil Spector zijn neergang heeft toegeschreven aan de moord op president Kennedy. In die zin dat hij daardoor het kerstalbum dat hij met zijn meisjesgroepen vlak daarvoor had gemaakt, niet aan de straatstenen kwijtraakte. Dat is wel waar, maar het is zeker niet zo dat dit voor hem een persoonlijke nederlaag was. Integendeel, zijn beste werk (“You’ve lost that loving feeling”, “River deep mountain high”) moest nog komen. Maar het is wel waar dat het het einde betekende van zijn meisjesgroepen. Maar ook van groepen die niet van hem waren, zoals The Shirelles (zie hoger). Het is eigenlijk een fenomeen dat nog te weinig onderzocht is, vind ik.
Akkoord, zoals hierboven ook al staat geschreven, er waren The Supremes en andere Motown-groepen om de leemte op te vullen, maar ik vind het toch een stijlbreuk die min of meer te vergelijken is met het verdwijnen van de dinosaurussen.

Ronny De Schepper
(met dank aan Raymond Thielens voor de bijdrage over The Shirelles)

(*) Bij nadere beluistering moet ik vaststellen dat het de jongen is die een muilpeer krijgt. Het blijft natuurlijk wel een typisch voorbeeld van macho-gedrag…

Selectieve bibliografie
Alan Betrock, Girl Groups, New York, Delilah Books, 1982.
“Gender and the musical canon” van Marcia J.Citron, Columbia (?) University Press, 1994, 308 blz.
Liz Evans, Sex and rock’n’roll, in their own words, 1995.
Charlotte Greig, Will you still love me tomorrow, 1989.
Stine Jensen, De Verlangenmachine, vrouwen in de popmuziek, Prometheus, 2001, 142 blz.
Karen O’Brien, Hymn to her, women musicians talk, 1995.
Lucy O’Brien, She bop, The definitive history of women in rock, pop and soul, Penguin, 1995, 464 blz.
Aida Pavletich, Rock-a-bye baby, New York, Doubleday, 1980, 280 blz.
Amy Raphael, Never mind the bollocks, women rewrite rock, 1995.
Diana Ross, Secrets of a sparrow, 1993.
Mary Wilson, Dreamgirl, my life as a Supreme, New York, St.Martin’s Press, 1986.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.