Mechelaar Robert Groslot viert vandaag zijn vijfenzestigste verjaardag. Hij is dus slechts enkele maanden ouder dan ik. De meeste mensen kennen Groslot nu als dirigent van de jaarlijkse Night of the Proms, maar vanaf dit jaar doet hij dat niet meer. Ik heb hiervoor geen verklaring gevonden: beu? gezondheidsproblemen? opnieuw meer belangstelling voor eigen composities? Ikzelf sprak destijds met hem in De Singel toen hij daar een reeks soloconcerten gaf op piano. Weinigen weten immers nog dat hij ooit zesde is geëindigd in de Elizabethwedstrijd…

Robert Groslot eindigde inderdaad zesde in de Elizabethwedstrijd 1978, waar hij in de finale het concerto van Tsjaikovsky speelde (“een verkeerde keuze” zegt hij zelf in het boek van Fred Brouwers op p.252). Het klavierconcerto uiteraard, maar het had bij wijze van spreken net zo goed het vioolconcerto kunnen zijn, want oorspronkelijk heeft hij dit instrument gestudeerd. Daarna volgden echter pianostudies aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Antwerpen en meestercursussen bij Leon Fleischer en Alexis Weissenberg. Andere prijzen die hij behaalde: Tenutowedstrijd 1972, Alex De Vries, laureaat Alessandro Casagrande Pianowedstrijd 1974.
Ik ontmoette Robert Groslot een twintigtal jaren geleden toen hij die concertreeks opende waarin hij uiteindelijk de complete sonates van Wolfgang Amadeus Mozart en Sergei Prokofiev ten gehore zou brengen.
Bij het horen van de Mozart-sonates dacht ik onmiddellijk aan de uitspraak van pianist Arthur Schnabel: “De sonates van Mozart zijn uniek. Ze zijn te gemakkelijk voor kinderen en te moeilijk voor kunstenaars.”
Ik vroeg Robert Groslot wat hij van deze boutade vond: “Schnabel is een man die het kon weten. Het is inderdaad een muziek die ogenschijnlijk eenvoudig is, maar die b.v. ook heel sensueel is en technisch heel moeilijk. Dus zeker te moeilijk voor amateurs en ook bijzonder moeilijk voor professionelen. Elke noot moet er immers stààn. Als er één noot een beetje scheef staat, dan hoort men het al. Begrijp je, het is bijzonder kwetsbare muziek, zowel op muzikaal gebied, als op het vlak van technische perfectie. Het is dan ook bijzonder perfecte muziek. Men kan er geen noot aan veranderen of men verandert iets essentieels. Dat kan men niet bij elke componist zeggen. Kortom, dat gezegde mag dan misschien een beetje lapidair zijn, het bevat toch wel heel veel waarheid.”
– En Prokofiev?
R.G.:
“Het is zonder meer zo dat ik een sterke binding heb met de muziek van de eerste helft van de twintigste eeuw in het algemeen en met de Russische muziek in het bijzonder. Ik weet niet waarom. Ik geloof niet in reïncarnatie, maar misschien heeft het dààr wel iets mee te maken. De combinatie is misschien nogal vreemd. Zelf zou ik nooit zo’n programmakeuze maken. Maar uiteraard is dit gebonden aan het Mozartjaar en ook aan het feit dat Prokofiev ook een jubileumjaar heeft, hij werd namelijk 100 jaar geleden geboren. Het is echter wel een groot contrast voor het publiek.”
– De vraag daarbij is natuurlijk: is het de bedoeling de overeenkomsten te doen uitkomen of de verschillen?
R.G.:
“Als men lang genoeg zoekt, zal men wel een aantal overeenkomsten vinden, maar ik vind dat van minder belang. Het opzet is alle sonates van Mozart en alle sonates van Prokofiev uit te voeren, vooral omdat deze laatste veel minder worden gespeeld. Dat is het opzet en verder moet men daar niet te veel gaan in zoeken. Die muziek op zich is zo formidabel, zo rijk, zo intens, dat het mij meer dan voldoet.”
– Maar u heeft nochtans zelf toch ook een Mozart-Prokofiev-programma voorgesteld samen met Walter Boeykens?
R.G.:
“Maar ook dat was in het kader van het Festival, nietwaar? Daar zit dus dezelfde idee achter. En dat heeft verder ook te maken met de platen die wij op dit ogenblik maken met het Walter Boeykens Ensemble. Er is een reeks van 15 cd’s in de maak waarvan er nu reeds vier zijn opgenomen. De vierde daarvan is een Mozart-cd die waarschijnlijk in oktober zal uitkomen. En er komt ook een Prokofiev-cd. Dus om die platen te promoten, spelen we die muziek ook live.”
– De naam Boeykens is gevallen: daar werkt u zeer vaak mee samen?
R.G.:
“Dat is niet alleen een fantastische collega en een geniaal muzikant, maar ook een broer, een heel goeie vriend, waar ik heel veel aan heb, ook op menselijk gebied.”
– Er is een overeenkomst tussen jullie beiden die ik pas heel recent hebt ontdekt: ook u bent begonnen als violist. U bent in 1968 zelfs laureaat geworden van de Pro Civitate-wedstrijd, nog een jaar voor u diezelfde wedstrijd heeft gewonnen, maar dan wel als pianist. Waarom heeft u uiteindelijk voor de piano geopteerd? N.a.v. de Elisabethwedstrijd heeft men er nog eens op gewezen dat de risico’s hier veel groter zijn, dan b.v. voor een violist, die als hij niet slaagt in het uitbouwen van een solistencarrière, nog altijd in een orkest terecht kan…
R.G.:
“Dat is inderdaad zo en om eerlijk te zijn, precies uit die overweging stond ik eerst op het punt viool te gaan studeren. Het is pas in september, dus vlak voor het begin van het academisch jaar, dat ik van mening ben veranderd, omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik voel me namelijk zeer nauw verwant met dat instrument, meer dan met de viool.”
– Maar eigenlijk was het eerste instrument van Robert Groslot… de accordeon!
R.G.:
“Mijn ouders zijn helemaal geen melomanen en het waren dus vrienden die mijn begaafdheid opmerkten. Het zijn zij die mijn ouders hebben aangeraden om een privéleraar accordeon aan te spreken. Die man heeft mij een zeer goede basis gegeven wat notenleer en muziektheorie betreft en, vooral, hij heef mijn ouders de gouden raad gegeven om mij naar een conservatorium te sturen. Met het accordeon vreesde hij immers dat ik in de amusementswereld terecht zou komen.”
– En kijk, met je eigen orkest van de Twintigste Eeuw (ook wel Il Novecento genoemd en waarvan ook dochter Eline als harpiste deel uitmaakt) om al de Promsconcerten in het Antwerpse Sportpaleis verzorgen en ook ver buiten onze landsgrenzen (de laatste tijd is hij op de Franse staatstelevisie ontzettend populair) ben je dan toch nog in de “amusementswereld” terechtgekomen?
R.G.:
“Ik wil niet meer elitair denken. Ooit deed ik dat wel. Toen ik pas met de Proms begon, bijvoorbeeld. Ik vond de Proms marginaal, een massaverschijnsel waarvan ik lange tijd niet goed wist waarom ik het deed. Later heb ik beseft dat mijn houding helemaal die van een elitaire kunstenaar was. Een romantische houding die niet meer past in deze wereld. Ik zie het niet als een missie, maar als wij mensen blij kunnen maken met een stuk Tsjaikovsky of Beethoven is dat toch prachtig? Als ik jonge mensen een nieuwe wereld kan leren kennen, heb ik een goede daad verricht. Ik vind het vooral leuk voor de mensen in het orkest, die elke avond uren op het podium zitten, heel geconcentreerd. Die tegelijk nog plezier moeten uitstralen ook. Want dat maakt een groot verschil: een orkest dat echt lacht, speelt en beweegt, da’s heel anders dan een stijf ensemble. Ik vind dat alle goeie muziek mag worden gespeeld. Het is zelfs een taak van klassieke muzikanten om die stap naar het publiek te zetten. Misschien niet voortdurend, maar toch zeker af en toe. Je moet proberen dat publiek zo ruim mogelijk te maken door de gewone man in de straat te trachten te bereiken die door allerlei redenen niet in contact komt met klassieke muziek. Omdat hij die te moeilijk vindt, maar ook omdat hij daarvoor de opleiding niet heeft gehad of niet in het geschikte milieu is opgegroeid. Ik vind dat dit een gedeelte is van onze taak om ook daar af en toe aan te denken, om af en toe ook eens muziek te maken voor mijn garagist en voor de bakker en de beenhouwer.”
Daarmee bedoelt hij dan o.m. ook “Ouvertura”, zijn symfonische bewerking van melodietjes van Will Tura die in 1987 in Vooruit tijdens de SP-manifestatie “De Rode Draad” in première ging, gedirigeerd door Willy Claes. De aanwezigen beperkten zich (naast publiciteitsgeile ministers en partijvoorzitters) tot Tura-fans die blijkbaar nog nooit zo’n tros violen bij elkaar hadden gezien en gingen klappen na elk onderdeel om uiteindelijk tot de slotsom te komen “dat dit de mooiste muziek was die ze ooit hadden gehoord“. Men hoeft niet eens een “kenner” te zijn om meewarig te glimlachen bij dergelijke verregaande naïviteit. Hopelijk ontdekken deze mensen via de langspeelplaat met het London Symphony Orchestra als uitvoerders op deze manier echter toch de betere muziek. Tenslotte hebben wij dat ook gedaan via de samenwerking van het LSO met Deep Purple en de symfonische versie van “Tubular bells”.
Maar zou hij met zo’n “stijf ensemble” het Nieuw Vlaams Symfonieorkest bedoeld hebben? Dat was het orkest dat hij onder zijn hoede had, vóór hij met Il Novecento is gestart. Het NVSO werd opgericht onder impuls van de eerste dirigent Dirk Varendonck, maar het was vooral sinds 1986, toen Patrick Peire chef-dirigent was dat het orkest boven zijn provinciale niveau weg getild. Peire had natuurlijk vooral aandacht voor de klassieke periode, zodat naast hem Robert Groslot werd aangetrokken. Groslot ging de meer populaire toer op en zelfs toen er in het begin van de jaren negentig herrie ontstond, ging men op deze weg verder met Dirk Brossé (tournee met Nigel Kennedy, Requiem van Webber, filmmuziek van Maurice Jarre). Het NVSO blijft immers een “orkest op bestelling”, d.w.z. dat ze uitvoeringen brengen op vraag van organisatoren omdat er geen geld is om zelf concertreeksen te programmeren. Dertig miljoen Belgische frank (Vlaamse Gemeenschap, Lotto, provincie en gemeente) is inderdaad niet veel. Voorzitter Willy Carron zei op de persconferentie bij het begin van het seizoen dat hij dit bedrag wilde verdubbelen dankzij privé-sponsoring, maar uiteindelijk verdubbelde hij enkel zijn eigen bankrekening. Misschien was het dat wat Robert Groslot bedoelde toen ik hem vroeg waarom hij niet langer muziekdirecteur bij het Nieuw Vlaams Symfonisch Orkest wilde zijn?
R.G.: “Dat zijn gewone interne moeilijkheden met de raad van beheer. Ik heb ook al vernomen dat sommige mensen denken dat er moeilijkheden waren met Patrick Peire, maar dat is helemaal niet waar. Ik heb met Patrick nooit een conflict gehad, integendeel ik vind hem een bovenste beste collega. Ik heb zeer goede relaties met de mensen van het orkest, die het ook erg spijtig vonden dat ik wegging. De problemen lagen zeker niet op dat vlak. Maar wat er dan precies is gebeurd? Kom, we hoeven de vuile was toch niet buiten te hangen, zeker? Luister, het totale liberalisme is ondenkbaar en het communisme is ook failliet. Naar mijn gevoel moet er dus een liberaal systeem zijn met sociale correcties. Het is daarom duidelijk dat orkesten met mensen die benoemd zijn voor het leven, afstevenen op een financieel en artistiek faillissement. Dat is een model dat niet meer kan worden gehandhaafd. Als daar echter tegenover staat dat iedereen een gans leven op hetzelfde keiharde niveau moet presteren, zoals dat in de Amerikaanse orkesten het geval is, dan vind ik dat ook overdreven. En onze orkesten evolueren in de praktijk in die richting, ook al neemt men op papier niet die beslissing. Aan de freelance-markt kan men trouwens niet veel veranderen. Daarvoor zijn er organisatoren, en er zijn er heel wat in Vlaanderen, elk dorp dat zich respecteert heeft er één, en die vragen wie zij wensen. Punt aan de lijn.”
En dan is er ook nog het zogenaamde jeugdorkest. Er bestonden er op een bepaald moment drie, één van Robert Groslot in Oost- en West-Vlaanderen, één (van Ernest Maes) in Limburg en dan nog en derde (J&M-Antwerpen?), maar die zijn alle drie met muzikanten in opleiding, minister Martens wilde in zijn beleidsbrief voor 1997 een pre-professioneel orkest op hoog niveau. Hij ontkent dat hij reeds zou weten dat “een bepaalde dirigent” hiervan aan het hoofd moet komen (dat zou namelijk om Robert Groslot gaan): “Als men mij manoeuvreert, zal ik heel kwaad zijn.” Vreselijk kwaad werd hij blijkbaar toch niet, toen enkele maanden later bekend werd dat het orkest er kwam met aan het hoofd… Robert Groslot (als voorzitter en afgevaardigd beheerder werden resp. Frans Boenders en Gunther Broucke van Jeugd & Muziek benoemd). Of Groslot de geknipte man is om dergelijk orkest te leiden, kan worden betwijfeld. Mijns inziens is er voor hem een veel nuttiger taak weggelegd, namelijk het brede jongerenpubliek meer interesse bijbrengen voor klassieke muziek. Tenslotte is hij reeds op goede weg met de Proms-concerten.
Voor dit jeugdorkest wordt 7,5 miljoen uitgetrokken, terwijl de Jonge Filharmonie federaal slechts 500.000 fr. krijgt. Nochtans bestaat dit orkest voor 70 % uit Vlamingen. Bovendien hebben ze nu reeds problemen met de recrutering, waar gaat de minister dan al dat volk voor zijn nieuw orkest halen?
Volgens Johan Huys zal het overaanbod ook tot problemen leiden wat de concurrentiepositie van de professionele orkesten betreft.
Het Filharmonisch Jeugdorkest van Vlaanderen is dus een preprofessioneel symfonisch orkest dat aan jonge, getalenteerde musici de kans biedt om zich te vervolmaken in het musiceren in orkestverband. Het werd opgericht in 1997 onder impuls van Jeugd en Muziek Vlaanderen. Het wordt voor zijn werking gesteund door de Vlaamse Gemeenschap.
Via jaarlijkse audities worden ongeveer 100 muzikanten uit conservatoria, bestaande jeugdorkesten en muziekscholen geselecteerd die gedurende twee tot drie periodes per jaar intensief samenwerken. Deze repetitieperiodes worden telkens bekroond door een concerttournee in binnen en/of buitenland.
Tijdens de sessies worden de verschillende instrumentengroepen binnen het orkest voorbereid en gecoacht door gerenommeerde musici die docent zijn aan een conservatotium en die daarnaast ook in professionele orkesten hun sporen verdiend hebben. De directie en artistieke eindverantwoordelijkheid is in handen van Robert Groslot.
Het FJV legt in zijn repertoire de nadruk op de literatuur van de 20ste eeuw voor groot symfonisch orkest.
In de zomer van 1997 was het orkest te gast in St. Petersburg waar het o.a. optrad in de concertzaal van de Capella Glinka en het Conservatorium.
In juli 1997 nam het orkest zijn eerste CD op met werk van Gershwin, Ravel en Stravinsky. De tweede CD met werk van Adams, Tsjaikovsky en Strauss verscheen in december 1998. In april 1998 was het FJV uitgenodigd op het Banff International Festival of Youth Orchestras in Canada. In juli 1998 maakte het een succesvolle concerttournee in Noord Italië, waar o.a. ‘El Dorado’ van de Amerikaanse componist John Adams op het Europese vasteland werd gecreëerd.
In januari 1999 werkte het orkest samen met gastdirigent Muhai Tang en cellist Pieter Wispelwey in werk van Rachmaninov, Sjostakovitsj en Devreese. In juli 1999 werd het orkest uitgenodigd op het vermaarde Standard Bank National Arts Festival te Grahamstown, Zuid Afrika. Het trad daarnaast ook op in Stellenbosch, Cape Town, Pretoria en Gabarone (Botswana). Tijdens die concertreis werd een opdrachtwerk gecreëerd van Jacqueline Fontyn. Het werk kreeg als titel ‘Goede Hoop’ mee en was opgedragen aan het Zuid Afrikaanse volk.
– Robert Groslot geeft les in Utrecht, zowat het centrum van de oude muziek, werkt samen met mensen als Roel Dieltiens en Patrick Peire, dus waarom speelt hij dan geen pianoforte? (“Mozart was sterk geïnspireerd door de klank van de pianoforte’s van Stein,” staat er nochtans expliciet in het programmaboek van de Singel.)
R.G.:
“Zo sterk uitgesproken is dat onderscheid nu ook weer niet. Roel speelt b.v. Bachsonates op barokcello, maar ook op moderne cello. En samen spelen wij sonates van Beethoven op moderne instrumenten. Hij is dus geen fanatiekeling. Hetzelfde geldt voor Patrick Peire en ook voor mij. Dat wil zeggen, ik heb heel veel respect voor de beweging die nu aan de gang is, met de revival van de oude muziek en het gebruik van authentieke instrumenten. Ik heb daar ook heel veel van geléérd. Maar ik denk dat het best mogelijk is om die muziek op moderne instrumenten uit te voeren. Niet àlle muziek, akkoord, maar toch zeker Mozart. Tenslotte heeft ook de manier waarop men ze op moderne instrumenten speelt, invloed ondergaan van al wat men ontdekt heeft op al die jaren tijd. We spelen nu Mozart helemaal anders dan vroeger. En ik mag gerust ‘wij’ zeggen, want er zijn een heleboel muzikanten die eenzelfde invloed hebben ondergaan. Als we Beethoven spelen met orkest, dan doen we dat ook niet meer zoals twintig jaar geleden. In die zin is heel die beweging zeer verrijkend geweest. Maar er zijn mensen die resoluut kiezen voor dat repertoire op oude instrumenten en er zijn er andere die deze muziek op moderne instrumenten blijven spelen. Ik denk dat die twee tendenzen steeds naast elkaar zullen blijven bestaan.”
Robert Groslot speelt ook muziek van Luc Van Hove (°1957) b.v. diens sonate voor cello en piano die door Roel Dieltiens en Robert Groslot werd gecreëerd. Zelf componeert hij echter ook (“de voldoening die men heeft als men iets heeft gecomponeerd, ook al wordt ze niet uitgevoerd, is groter als na een geslaagde uitvoering“). Zo creëerde hij op 4 mei 1995 een symfonisch werk, geïnspireerd door “Gangreen 1 – Black Venus“, een compositie die ik nog niet kende op het moment van het interview. Pas in een interview in de Gazet van Antwerpen, meer dan tien jaar later, dringt de betekenis daarvan tot mij door, vooral omdat in de periode dat het interview heeft plaats gevonden, er blijkbaar een aantal zeer belangrijke zaken zijn gebeurd in het privéleven van Robert Groslot, waarvan ik uiteraard geen weet had en het spreekt ook vanzelf dat hijzelf er niet over zou beginnen. Maar achteraf klinkt het dus zo: “In 1999 ben ik gescheiden, verhuisd, een nieuw leven begonnen op alle mogelijke manieren. (…) Ik werd thuis vrij gelaten, maar mijn moeder betreurde het toch ook dat ik niet voor de kerk getrouwd ben, dat mijn kinderen niet werden gedoopt. Zij is in 2000 begraven, een katholieke eredienst, een aanfluiting van de goede smaak. Ik zat er knarsetandend bij. Ik ben al heel lang een overtuigd atheïst. (…) Het vrouwelijk naakt is voor mij een symbool van de bevrijding van de tirannie van de georganiseerde godsdienst. Elke godsdienst is bang van het vrouwelijk naakt.” (GVA, 18/10/2003)

 

(Zeer) selectieve bibliografie

Ronny De Schepper, “Ook mijn garagist moet van mijn muziek kunnen genieten”, De Rode Vaan nr.49 van 6 december 1991
Fred Brouwers, De Koninginnewedstrijd, 1987.

13 robert groslot

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s