dagelijks iets degelijks

Antoine Blondin (1922-1991)

Het is ook al vijfentwintig jaar geleden dat de Franse schrijver Antoine Blondin is overleden. Blondin is vooral om twee redenen bekend: hij was wielerjournalist en hij kon iedereen onder tafel drinken. Dit laatste deed hij dus ook in de Ronde van Frankrijk. In de tijd dat De Rode Vaan nog de Tour volgde, moet hij ooit zelfs Lode De Pooter klein hebben gekregen en dat wil wat zeggen! Dat was nog in de tijd dat journalisten de dag nadien hun roes konden uitslapen in de wagen en dat een confrater van een ander blad (wat eigenlijk een tautologie is: confraters zijn twee journalisten die over hetzelfde schrijven maar in diverse bladen, collega’s werken voor hetzelfde blad, maar kunnen over heel andere onderwerpen schrijven) desnoods insprong om kopij te leveren. Goed, ik heb die tijden zelf niet meer meegemaakt, maar ik ben toch blij dat ik er nog heb horen over vertellen. Op dit moment lijkt het me echter helemaal niet leuk meer om journalist te zijn. En dan blijft het al eender of het over wielrennen of over politiek gaat…

Antoine Blondin werd geboren op 11 april 1922 in Parijs. Hij was een zoon van de dichteres Germaine Blondin. Na het Louis-le-Grand lycée en het Corneille lycée in Rouen behaalde hij een graad in de literatuur aan de Sorbonne. In 1942 werd hij naar Duitsland gestuurd om er dwangarbeid te verrichten. De ervaringen inspireerden hem tot de eerste roman “L’Europe Buissonnière” die verscheen in 1949. Het boek leverde hem de Prix des Deux-Magots op en de vriendschap van mensen als Marcel Aymé, Roger Nimier en Jean-Paul Sartre. Deze groep kreeg in 1953 de naam les Hussards, een naam die zou beklijven.
Alhoewel volgens deze bron (Romenu) dus ook Jean-Paul Sartre hiervan deel uitmaakte, waren de existentialisten in de eerste plaats een nagel in de doodskist van vele katholieke schrijvers. Daarom kwam er tegelijk iets wat men de “katholieke renouveau” noemt. Hoe relatief etiketten zijn, wordt echter bewezen doordat men hiervoor in Frankrijk de namen van notoire zuipschuiten als Antoine Blondin (ondanks zijn rechtse en monarchistische opvattingen raakte hij ook nog bevriend met François Mitterrand), Roger Nimier, Marcel Aymé, Kléber Haedens en… Edith Piaf (sterk anti-existentialistisch, wat in haar geval geconcretiseerd werd in de figuur van Juliette Gréco) naar voren schuift.
Antoine Blondin was een sportjournalist en een zware drinker (cfr.de tekening van Frédéric Beauvais, die zowel de jonge als de oudere Blondin voorstelt). Niet te verwonderen dat op De Rode Vaan fotograaf Jo Clauwaert zichzelf en Lode De Pooter identificeerde met de twee hoofdpersonages uit “Un singe en hiver” (1959). Dit boek gaat over Albert Quentin en zijn vrouw Suzanne die een hotel (“Stella”) hebben in Tigreville aan het Kanaal. Het is buiten het seizoen en hun enige klant is Gabriel Fouquet. Quentin, oudstrijder in China, vat dadelijk sympathie op voor deze jongeman (ondanks zijn 35 jaar ziet hij er nog zo uit), die uit Parijs komt maar geen verdere bestemming heeft. Vooral wanneer hij hem stomdronken aantreft en zich de grootste toreador van Frankrijk waant (iets waarvoor Blondin zelf ook ooit is opgepakt). Fouquet drinkt uit verdriet omdat zijn minnares, Claire, hem verlaten heeft. Dit herinnert Quentin aan zichzelf in de tijd toen hij alkoholieker werd, omdat hij niet wist wat er van zijn vader geworden was (alweer een autobiografisch trekje: de vader van Blondin had zich gezelfmoord, maar terloops ook een verklaring voor de titel: Quentin deed navraag naar zijn vader in het station, maar men zette hem op een trein naar Tigreville; hij vergelijkt dit met de aapjes in China die in de winter naar de dorpen komen en door de inwoners op verwarmde treinen worden gezet). Wanneer Fouquet zijn roes heeft uitgeslapen, gaan zijn gedachten naar zijn ex-vrouw, Gisèle, en naar zijn dochtertje Marie, dat hij heeft gadegeslagen in het weeshuis. Terwijl ze er niet is, gaat hij het pension bezoeken. Ondertussen heeft Fouquet zich voorgenomen Quentin weer aan het drinken te krijgen, omdat hij dit als de enige remedie beschouwt. Dat lukt hem nadat Quentin hem alweer bij de politie is moeten gaan halen wegens openbare dronkenschap. In Quentins vroeger stamcafé, een Chinese bar, worden ze samen opnieuw dronken en Quentin denkt dat hij een missie heeft te vervullen in China. Fouquet buigt dit om naar een poging om zijn dochtertje uit het pensionaat te halen, maar het mislukt. Dan gaan ze naar “Landru”, een handelaar in vuurwerk. Als ze dit ontsteken op het strand, loopt heel het dorp te hoop en de twee vluchten naar de bergen. Uiteindelijk krijgt Fouquet Marie toch mee naar Parijs, Quentin doet hem uitgeleide. Marie vraagt Fouquet een verhaal te vertellen. Hij vertelt over de aapjes in de winter. Marie: “Heeft hij er echt gezien?” Fouquet: “Toch alleszins één.” (De titel slaat dus op hém). Het einde blijft “open”: Fouquet keert terug bij zijn vrouw, of bij zijn minnares, of gewoon, hij keert terug naar Tigreville.