Eind 1997 vergeleek Yoko Ono Paul McCartney met Antonio Salieri. Dat was niet als compliment bedoeld, integendeel. Het was een verwijzing naar het toneelstuk “Amadeus” van Peter Shaffer, dat wij allemaal beter kennen in de verfilming door Milos Forman. Alhoewel de uitspraak van la Ono erg oneerbiedig is t.o.v. Paul en een schromelijke overschatting van wijlen haar echtgenoot John Lennon (want die zou dan Mozart moeten zijn), is de negentigste verjaardag van de auteur Peter Shaffer een aanleiding om nogmaals aandacht te besteden aan de stelling die in deze film wordt ontwikkeld.

Peter Levin Shaffer was born to a Jewish family in Liverpool. He is the twin brother of another playwright, Anthony Shaffer (who died in 2001). He was educated at St Paul’s School (London) and subsequently he gained a scholarship to Trinity College, Cambridge to study history. Shaffer was a Bevin Boy coal miner during WW2 and took a number of jobs including bookstore clerk, music critic, piano player in bars and assistant at the New York Public Library, before discovering his dramatic talents.
Shaffer’s first play, “The Salt Land” (1954), was presented on the BBC. Encouraged by this success, Shaffer continued to write and established his reputation as a playwright in 1958 with the production of “Five Finger Exercise” which opened in London under the direction of John Gielgud and won the Evening Standard Drama Award. When “Five Finger Exercise” moved to New York in 1959, it was equally well-received and landed Shaffer the New York Drama Critics Circle Award for Best Foreign Play.
Shaffer’s canon contains a unique mix of philosophical dramas and satirical comedies. “The Royal Hunt of the Sun” (1964) presents the tragic conquest of Peru by the Spanish, while “Black Comedy” (1965) takes a humorous look at the antics of a group of characters feeling their way around a pitch black room — although the stage is, of course, actually flooded with light.
“Equus” (1973) won Shaffer the 1975 Tony Award for Best Play as well as the New York Drama Critics Circle Award. Dit stuk vertrekt van de realiteit (een aantal renpaarden die door een staljongen de ogen werden uitgestoken), waarna de auteur (in dit geval samen met een psychiater) zelf een hypothese opbouwt, waarin hij deze schijnbaar zinloze daad tracht te motiveren. Natuurlijk worden we eerst geconfronteerd met de opvoeding van de jongen (het stuk is zo geconcipieerd dat de jongen voor een psychiater alles nog eens reconstrueert). Zijn vader was communist, zijn moeder daarentegen erg religieus. Toen hij nog heel klein was, werd hij op het strand bijna overhoop gereden door een ruiter. Om het kind te troosten, nam de man het mee op het paard. De vader die niet had gezien wat eraan was voorafgegaan, interpreteert de bedoelingen van die man verkeerd en rukt het kind van het paard, waarbij het zich bezeert.
Enkele jaren later krijgt de jongen van zijn moeder een nogal romantische afbeelding van een bloederige Christus aan het kruis. Wanneer zijn vader hem hiervoor in aanbidding betrapt, rukt hij woedend de prent van de muur en gooit ze in de vuilnisemmer. De jongen is hier echter zo van onder de indruk dat de vader besluit hem een mooie afbeelding van een paardenkop in ruil te geven. Het blijkt nu echter dat de jongen ’s avonds voor dit paard in aanbidding ligt.
Later wordt de jongen verliefd op een meisje dat in een manège werkt. Dankzij haar mag ook hij de paarden verzorgen. Zo kan hij zich ’s nachts de toegang tot de manège verschaffen. Hij kiest zich daar het mooiste paard uit en gaat ermee uit rijden. Terwijl hij het paard afjakkert, masturbeert hij zich. De verhouding met het meisje evolueert verder, zodat zij langzamerhand seksueel naar elkaar gaan verlangen. Zij zijn echter niet vrij, zodat de enige plaats waar zij ongehinderd kunnen vrijen de manège is. Telkens wanneer de jongen echter bij een coïtus tot orgasme wil komen, worden de paarden onrustig of zo voelt hij het tenminste aan. Het meisje van haar kant denkt dat hij impotent is en wil daarom de verhouding verbreken. Daarom steekt de jongen de paarden de ogen uit.
Onder de titel “Paard en Ruiter” bracht het NTG dit stuk in een regie van Walter Eysselinck in het najaar van 1975 en in 1977 werd het verfilmd door Sidney Lumet. Lode De Pooter schrijft hierover in De Rode Vaan: “De prent van Lumet (…) stelt de vraag of de psychiater wel als een echte overwinnaar uit de strijd komt, wanneer hij iemand zogezegd van zijn waanbeelden genezen heeft, maar hem daarbij een gedeelte van zijn persoonlijkheid ontnomen heeft, hem in zekere zin verminkt heeft. (…) De prent, die uizonderlijk sterk vertolkt is door Richard Burton als de psychiater en door Peter Firth als de staljongen, eindigt dan ook op een groot vraagteken.”
Shaffer followed this success with “Amadeus” (1979) which won the Evening Standard Drama Award and the Theatre Critics Award for the London production. When the show moved to Broadway, it won the 1981 Tony Award for Best Play and, like “Equus”, ran for more than 1000 performances. Maar het was vooral de filmversie van Milos Forman die in 1985 in brede kring voor een heropleving van de belangstelling voor Mozart en heeft vooral bewerkt dat de jeugd belangstelling is gaan koesteren voor deze oneerbiedige rebel, een provocateur die “épater les bourgeois” zo al niet bewust, dan toch onbewust hoog in zijn vaandel had geschreven. Sedert “Amadeus” is de muziek van Mozart niet langer oubollig en symbool voor een conservatieve maatschappijopvatting, maar speels en revolutionair. Een niet geringe verdienste. Neem nu b.v. de 26-jarige banketbakker, die eind ’97 zijn platencollectie voorstelde op Radio 3. Die bleek voor 60% uit Mozart te bestaan en de overige 40% werd dan nog vooral ingenomen door Haydn en de jonge Beethoven, kortom de Weense klassiek. Nochtans was deze jongeman vóór de film (toen hij dus 14 was) nooit in contact gekomen met klassieke muziek, laat staan dat hij er enige belangstelling voor zou vertonen. Voor een andere veertienjarige, Micha Hamel, vormde de film dan weer de aanleiding om compositie te gaan studeren.
Auteur Peter Shaffer heeft, als reactie op de bestaande clichés, zeker wat overdreven in de andere richting (en dan heb ik het niet over de skatologische kant van “Woolfie”, want afgaande op zijn brieven klopt dit zeker met de werkelijkheid, sommige musicologen beweren zelfs dat de nadruk die Mozart soms op blaasinstrumenten legt te maken heeft met zijn anale obsessie), maar Mozart was ondanks zijn muzikale genie nu ook tot menselijke proporties teruggebracht (zelfs Eddy Merckx zei altijd: “Ik ben ook maar een mens”) en dat is van onschatbare waarde geweest.
Dat geldt ook voor de “moord” (door uitputting) die de destijds aanzienlijke, maar sindsdien quasi vergeten componist Antonio Salieri op Mozart zou hebben gepleegd. Het staat nu wel vast dat dit niet zo was, ondanks beweringen van de seniel geworden componist zelf, die gretig ingang vonden bij de op sensatie beluste tijdgenoten.
Alexander Poesjkin schreef “Mozart en Salieri” in 1830 en dat was het eerste stuk waarin de geruchten als zou Salieri Mozart hebben vermoord werden gedramatiseerd. Het diende dan ook ruwweg als vertrekpunt voor Peter Shaffers “Amadeus”.
Het uitgangspunt van Shaffer is dat Salieri “de koning der middelmatigheid” was, d.w.z. hij had veel succes (Mozart had bij leven en welzijn inderdaad veel minder succes dan Salieri en nog een vijftal andere componisten in Wenen) met minderwaardige muziek. Dit laatste is een kwestie van smaak. Akkoord dat Salieri geen Mozart is, maar om dan maar meteen te besluiten dat zijn muziek “minderwaardig” is…
Shaffer dicht Salieri echter wel een grote luciditeit toe. Hij is zowat de enige die het geniale van Mozart inziet, maar juist daarom is hij ontzettend jaloers.
Een ander “motief” voor de moord zou ook “wraakzucht” zijn: Salieri trachtte kuis en godvruchtig te leven, terwijl Mozart zich overgaf aan seks, drugs en rock’n’roll, zo wil Shaffer ons doen geloven (al geven de brieven van Mozart zoals gezegd daar wel aanleiding toe). De wraak van Salieri betreft dan ook De Schepper, die er desondanks heeft voor gezorgd dat hijzelf slechts middelmatig is, terwijl dat stuk onverlaat een klein genie is, tot spijt van wie’t benijdt.
Vandaar dat Mozart zeker voor de jeugd een soort van idool is geworden, vergelijkbaar met Jimi Hendrix of James Dean, omdat hij het gezegde van The Who “Hope I die before I get old” (uit “My generation”) ook in praktijk heeft gebracht. Niet door zich te zelfmoorden, maar “gewoon” door zo intens, maar bijgevolg ook zo ongezond te leven. En natuurlijk bewondert men hem ook omdat hij een underdog was, een rebel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.