Het is al drie jaar geleden dat de gewezen Gentse liberale schepen Raoul Wijnakker op tachtigjarige leeftijd is overleden aan de complicaties van een heelkundige ingreep. Bij het overlijdensbericht in De Gentenaar stond bijgevoegde foto, die aan mij werd toegeschreven. Het mag duidelijk zijn dat De Gentenaar deze foto op mijn blog is komen halen, maar dat wil daarom nog niet zeggen dat ik er de fotograaf van zou zijn. Ik heb de foto immers ingescand van het boek dat ik drie jaar geleden heb gelezen en dat van de hand van Raoul Wijnakker is, namelijk “De castraattenor en ik” (Tielt, Lannoo, 1986, 153 blz.). Helaas werd de naam van de fotograaf echter niet vermeld, zodat ikzelf dat ook niet kon doen. Maar ik had misschien wel moeten vermelden hoe de vork in de steel zat. Mijn excuses dus.

“Met weemoedige nostalgie herinnert Raoul Wijnakker (Gent 1932) zich dat zijn vader Richard op een binnenschip geboren werd en vertelt hoe grootvader Edmond op zijn pleit met één been in de ‘hel’ sliep om de waterstand in het ruim onder controle te houden. Zelf bleef hij aan de wal en nam na een doctoraat economie over de binnenvaart, het roer in handen van de familiale scheepswerf. De start van een veelzijdige carrière. Als creatief ondernemer is Raoul Wijnakker onvermijdelijk liberaal gezind. Risico durven nemen, luidt de leuze. De uitdaging zocht hij ook in de politiek. Dit bracht hem in het schepencollege van Oostakker. Sinds 1983 heeft hij op het Gentse stadhuis de zorg over de stadsbedrijven en het leefmilieu. In dit drukke doen en denken voelde hij steeds een expansieve behoefte aan zelfexpressie. Die ‘nooddruft’ — zoals hij die zelf noemt — koesterde hij in proza en poëzie. In 1960 publiceerde hij als Alfons De Harduwijn een verkennende denkroman ‘De Paaseilanders’. Vijf jaar later volgde ‘Het binnenschip’, een gevoelig verhaal uit het eigen leven gegrepen. Nu, twee decennia later, barst zijn literair talent uit in een nieuwe roman ‘De castraattenor en ik’.”
Dit laat Raoul Wijnakker over zichzelf noteren op de achterflap van het genoemde boek. Alhoewel ik hem ervan verdenk zelf de auteur te zijn van dit biootje (vooral omwille van die lofzang op het liberale ondernemerschap), laat de derde persoon natuurlijk toch nog enige mogelijkheid tot interpretatie open. Dat is echter niet het geval bij het “woord vooraf” dat de auteur tot de lezer richt: “In 1960 publiceerde ik, onder het pseudoniem Alfons de Harduwijn, ‘De Paaseilanders’, een korte roman. In 1965 volgde ‘Het Binnenschip’. Voor mij waren dat twee afzonderlijke verhalen, die niets met elkaar te maken hadden. Niets bleek nochtans minder waar. Stilaan werd mij duidelijk dat beide boeken tot stand gekomen waren door dezelfde inwendige nooddruft en deswege onvermijdelijk in elkaar overvloeiden. Zij vormden een ongedefinieerd beeld, zoals gebeurt als twee diapositieven tegelijkertijd voor de lens van de projector geschoven worden. Ik trachtte het beeld duidelijker te omschrijven door middel van drie gedichten, die ik vanaf mijn vijftigste in beperkte kring verspreidde. Maar deze oplossing gaf mij geen voldoening. Ik voelde steeds meerde noodzaak aan het beeld definitief scherp te stellen door de twee verhalen in één geheel te hergieten. De gedichten heb ik, voor alle duidelijkheid, in fine aan deze uitgave toegevoegd.”
Ikzelf heb beide boeken die dus blijkbaar aan de grondslag liggen van deze “Castraattenor en ik” niet gelezen en kan dus moeilijk oordelen wat uit het ene boek is overgenomen (en bewerkt) en wat uit het andere. Maar afgaande op de titels zou ik veronderstellen dat “Het binnenschip” redelijk dicht bij de realiteit stond en dat bij “De Paaseilanders” (*) de verbeelding meer de vrije loop kreeg. Diezelfde tweedeling vindt men alvast terug in “De castraattenor en ik”, waarbij uiteraard “de castraattenor” het imaginaire karakter vertegenwoordigt. Als men dan ook nog weet dat al van bij de aanvang van het boek de castraat en de ik-persoon aan elkaar “gekleefd” zijn, meer zelfs “als een psychodelische (sic) lijm bleek het, tot mijn stijgende verbazing, de synthese van onze ego’s dermate te bevorderen, ja te voltrekken dat ik, druppel na druppel, alles begon te weten wat de castraattenor ooit geweten had” (p.11), dan lees ik het boek als de dualiteit waarmee Wijnakker binnen zichzelf worstelt: die van de zakenman-politicus en die van de kunstenaar-dromer (**). Aangezien de artistieke pendant wordt voorgesteld door een castraat (***), is ook reeds bij voorbaat duidelijk wie de worsteling zal winnen, zoals trouwens ook uit het reële leven is gebleken. Allemaal goed en wel, maar daarmee ben ik zeker nog niet thuis in wat de toenmalige schepen hier allemaal schrijft. Zo te zien heeft hij inderdaad ferm aan de psychodelische genotsmiddelen gezeten om dit onsamenhangende relaas bijeen te pennen! (“Ik noem deze richting het fragmentarisch detaillisme. Het houdt voor dat de werkelijkheid tot het bewustzijn doordringt in details. En van deze details snappen wij uiteindelijk slechts fragmenten, die bij de enen talrijker en groter, bij de anderen beperkter en kleiner zijn”, p.134)

Ronny De Schepper

(*) “Armzalige Paaseilanders, kinderen van de stenen beelden! Wie is de schuld van uw triestig lot, van uw kwelling en bestemming?” (p.96)
(**) “Tot welke soort mensen behoorde ik eigenlijk? Tot het schippersvolk met wie ik een slapeloze nacht doorgebracht had? Of tot de elegante wereld van zeilers en waterskiërs, die mij verlokte tot nadere kennismaking doch die mij terzelfdertijd afschrikte?” (p.105)
(***) Wijnakker gebruikt wel altijd het ongebruikelijke “castraattenor” en nooit “castraat” als zodanig. Als je het woord “castraattenor” even googelt, vind je overigens enkel het boek van Raoul Wijnakker terug, verder is het blijkbaar nooit gebruikt. Dat lijkt me ook logisch: een castraat is meestal een alt, tenzij de meest befaamden, dat zijn vaak sopranen. Men hoeft dus helemaal niet te worden gecastreerd om een tenorstem te hebben. De “normale” mannelijke stem is een bariton, maar sommige zangers (Domingo, Pavarotti, Carreras…) hebben een stem die via verfijnde technieken en veel oefening uiteraard ook tenorrollen aankunnen. Anderzijds zijn er ook “natuurlijke” tenorstemmen, maar die zijn eerder zeldzaam. Onze Zeger Vandersteene is er zo één. Niet ten onrechte is van hem dan ook de uitspraak bekend: “Elke morgen voel ik of alles er nog wel zit.” Maar dan heeft-ie het wel over zijn stem, want zoals gezegd is het niet noodzakelijk om “tot de actie over te gaan”… (“De castraattenor hief het Halleluja van Mozart aan. Hij had, weze het voor korte tijd, zijn falsetstem teruggevonden”, p.135)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s