De première van “Rigoletto”, een opera van Giuseppe Verdi op een libretto van Francesco Maria Piave, gebaseerd op Victor Hugo’s drama “Le Roi s’Amuse” uit 1832, vond plaats op 11 maart 1851 in het Teatro La Fenice in Venetië. De wereldberoemde aria “La donne è mobile” werd op deze première voor het eerst uitgevoerd; Verdi had geweigerd om de aria in te oefenen tijdens de repetities om te voorkomen dat de melodie op elk straatorgel zou weerklinken vooraleer de opera zelf officieel uitgevoerd was. De première was een overdonderend succes en betekende internationale doorbraak voor Verdi. Na de première zei de componist dat hij waarschijnlijk nooit nog zo iets moois zou kunnen schrijven. De opera is nog steeds een vaste in het operarepertoire en is één van Verdi’s meesterwerken.

De Venetiaanse censuur wilde de opera eerst niet op laten voeren, aangezien het ten tonele voeren van soevereine vorsten verboden was. Daarom verving Verdi koning Frans I van Frankrijk door de hertog van Mantua. Verschillende aanpassingen volgden nog eer het werk opgevoerd kon worden. Dit betekende aanzienlijke aanpassingen in het libretto en de muziek, wat als resultaat had dat het stuk dramatisch veel sterker werd en ook de muziek op een hoger plan kwam te staan. Het beste voorbeeld daarvan vind ik de zogenaamde vendetta- of wraakscène. Eerst heeft Gilda schoorvoetend aan haar vader bekend hoe de liederlijke Hertog van Mantua vermomd als een onhandig studentje haar onschuld heeft geroofd. “Piangi, fanciulla,” ween maar m’n kindje, zingt de bezorgde vader, maar even later hervat hij zich en zweert dat hij dit geval van ongewenste seksuele intimiteiten tijdens het werk eigenhandig zal wreken (“Si vendetta, tremenda vendetta”).

Dat schreef ik ergens in het begin van de jaren negentig, in 1984 was ik nochtans streng voor de opera en niet enkel wegens de manier waarop hij in de Opera voor Vlaanderen werd opgevoerd: “Evenmin zullen wij de « Rigoletto »-versie met gouden letters in het boek van ons geheugen neerschrijven, al was Ferdinand Radovan in de titelrol beter op dreef dan in de zo bewierookte « Chenier ». Want, laten we het maar toegeven, ook magister Verdi heeft enigszins schuld aan deze indruk : is muzikaal deze « Rigoletto » immers weliswaar een « string of hits », dan is het dramatisch toch maar een « draak ».”

Maar enkele jaren later (in 1986 of ’87) klonk dat al helemaal anders: “Het is ontzettend jammer dat wegens plaatsgebrek de opera-rubriek een paar weken niet is kunnen verschijnen, zodat het nu reeds te laat is om voor deze productie nog wat publiciteit te maken. Nochtans is het voor een opera-instelling belangrijker via goede producties haar bestaansrecht te onderlijnen, dan via pamfletten.
Anderzijds bewijst zo’n voorval wel dat er iets schort met de programmering van de O.V.V. Akkoord dat er vaak voorstellingen dienen te worden afgelast « wegens ziekte van één van de solisten », maar als een voorstelling dan daarentegen wél succes kent, moet het toch mogelijk zijn die te verlengen, of niet soms ? En waarom deze « Rigoletto » niet naar Antwerpen gaat is ons helemaal een raadsel !
Dan maar, just for the record, even kort signaleren dat Michael Davidson in de titelrol één van de beste Rigoletto’s was die ik ooit heb gehoord en alleszins de beste die ik ooit heb gezien. Ik geef toe dat mijn ervaring nog zo pril is dat dit eigenlijk geen referentie is, maar toch zal het m.i. moeilijk vallen zijn levensechte dramatiek te evenaren. Te vaak wordt Rigoletto als een huppelende hunchback met theatrale dramatiek opgezadeld. Uiteraard zit ook regisseur Werner Saladin hier voor iets tussen en laten we meteen ook maar scenograaf Olaf Zombeck in de hulde betrekken. Valerie Girard gaf uitstekend repliek als Gilda en viel tenor Antonius Nicolescu mij — traditioneel zouden we bijna zeggen — een beetje tegen, dan is het even traditioneel hij die in Gent het meest wordt toegejuicht. Ja, het Gentse publiek komt nog steeds voor de hoge noten ! Maar toegegeven, zijn « Donna è mobile » maakte zijn zwakkere start ruimschoots goed. Misschien lag dat wel aan de bezielende leiding van Edmond Saveniers die hem na verloop van tijd zijn tempo wist op de dringen. Het Gentse orkest speelde overigens zo gedisciplineerd dat zelfs een ongevalletje met het parelsnoer van één der violisten enkel de lachers even uit hun concentratie kon brengen. Proficiat, ook voor de eigen mensen in de kleinere rollen.”

ob_ac5bf3c7fb2eaccb6a7101f51cf91aa1_rigoletto-aix2013-2

Aan het einde van het seizoen 2006-2007 nam Bernard Foccroulle afscheid van de Muntschouwburg om directeur te worden van het “Stemmenfestival” in Aix-en-Provence. In die hoedanigheid gaf hij in de zomer van 2013 de opdracht aan niemand minder dan Robert Carsen om voor hem een versie van Verdi’s “Rigoletto” te ensceneren, die volgens mij wel enigszins afweek van (zeg maar: “verder ging dan”) zijn regie in de Muntschouwburg van 2007.
John Allison schrijft in The Telegraph van 17 juli 2013: “Robert Carsen’s new production of Rigoletto – one of the highlights of this summer’s Festival d’Aix-en-Provence – is as slick as anything this elegant director has done. Not that the showmanship of the production, actually set in a circus, makes it superficial: it is one of the most dark and unsettling interpretations of Verdi’s masterpiece around.
Making his first appearance in a clown’s costume, the Rigoletto of George Gagnidze proves an uncommonly split personality. Deeply tender and moving in the scenes with his daughter Gilda, he is utterly heartless in his mistreatment of the blow-up doll with which he entertains the debauched ‘courtiers’. Vocally, the Georgian baritone is solid rather than special, but Carsen gets the best out of him as an expressive actor, and he carries the show on his hunched shoulders.
Possessed of a dark soprano that is even throughout her range, and boasting some secure coloratura, Irina Lungu is well cast as Gilda. She sings Caro nome from a swing high above the stage, with the lights of the circus tent – Radu Boruzescu’s single set – twinkling everywhere behind her. Of the principals, only the dry-voiced Duke of Arturo Chacón-Cruz is disappointing. Presumably, he exposes his bottom (as he sets off to rape Gilda) to disguise shortcomings at the top of his tenor.
The semi-nudity in the opening scene, with its swarms of acrobats and exotic dancers, threatens to turn the opera into ‘Wiggletto’. But Gianandrea Noseda, conducting the London Symphony Orchestra (LSO), steers a taut path through this and captures the vitality of the music.”

Het is wel merkwaardig dat Allison Justina Gringyte’s Maddalena vergeet te vermelden, die – zoals zo vaak bij Carsen – voor haar femme fatale-rol een meesteressenpakje krijgt aangemeten…

Renato Bruson is voor velen de ultieme Rigoletto. Samen met Edita Gruberova als Gilda zorgt hij voor een crescendo-effect, enkel vergelijkbaar met “Child in time” van Deep Purple. Een woedeuitbarsting die zich muzikaal vertaalt. En zo hoort het ook! Opera gaat over passie en opera is een passie, eens je erdoor gegrepen bent. Volgens regisseur Luc Bondy heeft deze vader-dochter-relatie trouwens iets incestueus.
“Rigoletto” was de eerste van drie opera’s geschreven in deze kenmerkende stijl en werd opgevolgd door “Il trovatore” (1853) en “La traviata” (1854). De opera’s markeren de “middelste periode” van Verdi’s ontwikkeling als operacomponist.

Referentie
Ronny De Schepper, Laatste voorstellingen van de Opera voor Vlaanderen, De Rode Vaan nr.26 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.