Het is ook al twee jaar geleden dat de Gentse “kunstpaus” Jan Hoet is overleden. Ondanks het feit dat ik mij als journalist enkel maar zijdelings met de plastische kunsten heb beziggehouden (bij De Rode Vaan was dit het terrein van Jan Mestdagh) heb ik Jan Hoet toch enkele keren ontmoet, vooral dan in de jaren negentig toen ik de rubriek “cultuur in Gent” verzorgde voor Het Laatste Nieuws.

Zo herinner ik mij een uitgelaten Jan Hoet (toegegeven, de drank had een beetje geholpen) die tijdens de Gentse zesdagen de ene premie na de andere wegschonk. Dat waren dan meestal lithografieën. Eén ervan werd gewonnen door de Australiër Scott McGrory. Om te testen of Hoet wel een échte wielerfan was, vroeg ik hem op de eerstvolgende persconferentie (die uiteraard totaal niks met wielrennen te maken had) wat McGrory van zijn trofee vond. Ik had verwacht dat Hoet uit de lucht zou komen vallen, maar nee, hij wist heel goed wie McGrory was en wélke lithografie hij had gewonnen. Hij beklemtoonde trouwens nog eens dat het lithografieën uit zijn eigen collectie waren en dat hij niet die van het museum aan het wegschenken was.
Heerlijke man dus Jan Hoet, ook al wegens de manier waarop hij op de (uitstekende) imitatie door Chris Van den Durpel reageerde. En dan was er dat evenement dat hij zo’n twintig jaar geleden in mijn geboortedorp Temse heeft georganiseerd, Ponton Temse. Deze manifestatie viel ongeveer tussenin zijn twee grootste verwezenlijkingen, deze keer in Gent zelf: “Chambres d’Amis” en “Over the edges“. Ook deze twee manifestaties heb ik bezocht, net als diverse malen uiteraard zijn geesteskind het SMAK, wat voor iemand als mij toch wel uitzonderlijk is. Daarmee is tevens bewezen dat Jan Hoet in zijn opzet is geslaagd, namelijk hedendaagse kunst ook ingang te doen vinden bij mensen die daar eigenlijk helemaal niet in geïnteresseerd zijn…
Jan Hoet was een oud‑inwoner van Geel. Als zoon van een psychiater woonde hij destijds in het huis aan de Pas, een negentiende‑eeuwse ambtswoning vlak naast het psychiatrisch ziekenhuis, waar in 2001 het zwaartepunt van de tentoonstelling “Y.E.L.L.O.W.” lag. Naast het ouderlijk huis van Jan Hoet fungeerde het Van Disselhuis als tweede locatie. Tot voor een dertigtal jaar werd deze tempel gebruikt als cultusplaats voor de vele protestantse patiënten die in Geel werden opgenomen. Zowel het ouderlijk huis, het psychiatrisch ziekenhuis, het Van Disselhuis als het opvangsysteem van psychiatrische patiënten in gezinnen in de stad zorgden voor een heel bijzondere sfeer en brachten een reeks inhoudelijke associaties met zich mee.
Eén keer heb ik Jan Hoet “officieel” geïnterviewd, dat was dan weer ten tijde van de culturele actieweek “Vlaanderen Leeft” die in het Gentse ICC plaatshad, o.a. ook in de hangar waarin hij enkele werken van zijn geliefde Panamarenko had ten toon gesteld. En dààrover ging nu net dat interview:
Jan Hoet : « Tweehonderd vijftig mentaal gehandicapten zien dansen van geluk in mijn tentoonstelling is toch een enorme ervaring »
Aan Jan Hoet de vraag of hij denkt dat ook de niet direct geïnteresseerde bezoeker iets gehad heeft aan het feit dat zijn tentoonstelling zowat als draaischijf diende voor het hele gebeuren…
Jan Hoet : Het is moeilijk om een evaluatie te maken. Ik vind het een beetje te gemakkelijk om zo maar te zeggen : ’t is allemaal bullshit. Er zijn toch een paar goeie dingen gebeurd. Tenslotte is het de eerste keer dat men erin geslaagd is iets te organiseren zonder selectief te zijn. Iedereen die wou binnenkomen kreeg een plaats. Vormelijk, architecturaal en ook vaak inhoudelijk stemt dit niet overeen met wat ik met mijn museum nastreef. Dat moet duidelijk zijn. Maar het is op die manier dat men kan zien waar de goeie dingen liggen en waar de minder goeie. En zo heb ik toch een aantal positieve klanken gehoord. 250 mentaal gehandicapten al dansend van geluk door mijn zaal zien lopen, dat was toch een enorme ervaring. Want dat gebeurt anders natuurlijk nooit. Er is geen enkel instituut dat daarop zou komen. Dat zie ik in de opera of in de K.N.S. of op het stadhuis nog niet zo gauw gebeuren. Begrijp je wat ik bedoel ? Zoiets is alleen hier mogelijk en dat vind ik niet zo negatief. En er zijn hoe dan ook mensen die hier naartoe gekomen zonder goed te weten waarom en die dan opeens worden geconfronteerd met een werk van Panamarenko. Dat is toch fantastisch? Dat vind ik toch een belangrijk vertrekpunt voor een mogelijke confrontatie in de toekomst. Het was nu nog allemaal wat chaotisch, maar de grootste dingen zijn uit de chaos ontstaan.
— Bent u tevreden over de opkomst ? En dan zowel de opkomst specifiek voor uw tentoonstelling als over die van de « toevallige bezoekers »…
Jan Hoet:
Ik ben zeer tevreden over de opkomst voor MIJN tentoonstelling. De meeste mensen kwamen daar specifiek op af, dat mag je gerust vragen aan eender wie hier een standje had. Voor de happening als zodanig is de opkomst uiteraard absoluut beneden alle verwachtingen. Volgens mij is dat te wijten aan het feit dat de culturele instellingen eigenlijk het opzet niet goed hebben begrepen. Ze komen hier met een standje en met papiertjes. Dat is totaal voorbijgestreefd. Bij cultuur moet er activiteit zijn. Kunst is passief, maar cultuur is actief. En vele standjes zijn veel te passief aangepakt. Als men een culturele happening organiseert, moet men in de schoot van bepaalde kringen naar een programma streven dat doorwerkt in het geheel van de manifestatie. En dat is niet gebeurd. Er was te veel leegte. Momenten dat er niets gebeurde.
— En is uw eigen museum hiermee nu een stapje dichterbij gekomen ?
Jan Hoet:
Dat geloof ik wel. Het is de eerste keer dat we dit hebben kunnen doen en dat was uiteraard enorm. Maar gelukkig dat het nu voorbij is, want de voorwaarden waren eigenlijk beneden alle peil. Ik denk b.v. aan de vochtigheidsgraad. Het is dus duidelijk dat we een tentoonstelling in deze omstandigheden niet langer dan anderhalve maand mogen laten staan. Maar precies dat heeft de besprekingen in gang gezet in het vooruitzicht van een nieuwbouw of de aanpassing van dit gebouw en we kunnen dat nu doen op grond van ervaringen. We hebben nu voor het eerst aan den lijve ondervonden wat deze ruimte aan mogelijkheden heeft. Ik weet nu wat mag en wat niet mag. En ik weet wat mogelijk is. Want ik wil ook de gemeenschap niet overladen met een raming van ik weet niet hoeveel, alleen omdat de omstandigheden niet goed zijn. Ik wil de gemeenschap niet taxeren met een overdreven budget. En ik ben dus op zoek naar een reële oplossing. En voor het museum, én voor wat de portemonnee betreft. Nu moeten dus de besprekingen met de politiekers gebeuren op een heel eerlijke manier.

85 jan hoetReferentie
Ronny De Schepper, Leeft Vlaanderen? Een pertinente vraag na Happening 88, De Rode Vaan nr.46 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s