Shelagh Delaney (1938-2011)

66 shelagh delaney

Het is vandaag vier jaar geleden dat de Engelse schrijfster Shelagh Delaney is gestorven aan kanker. Ze werd bekend door haar eerste toneelstuk dat ze schreef in 1958, toen ze pas 19 was: “A Taste of Honey”. Ze verkocht de filmrechten voor een aanzienlijk bedrag en schreef samen met de regisseur Tony Richardson het scenario voor de verfilming, die in 1961 uitkwam met Rita Tushingham als Jo. De film won vier BAFTA awards, waaronder die voor beste Britse film. Helaas konden haar volgende toneelstukken de hoge verwachtingen niet inlossen die door haar baanbrekend debuut waren opgeroepen. Toch schreef ze nog tot haar dood vooral scenario’s voor televisie, hoorspelen en films, waaronder “Dance with a Stranger” uit 1985, gebaseerd op het leven van Ruth Ellis, die laatste vrouw die in Engeland werd geëxecuteerd.

26 Taste of HoneyIn maart 1976 voerde het Sint-Niklase amateurtheater Sint-Genesius “Een geur van honig” op van Shelagh Delaney (geboren op 25 november 1938 in the City of Salford, Lancashire, waar ook “A Taste of Honey” zich afspeelt) in een regie van Johan de Belie (achteraan in het midden op de foto). De muzikale begeleiding gebeurde door de harde kern van The Bluebirds (links op de foto). In Het Vrije Waasland had Marc Colpaert een gesprek met de regisseur. Hieronder een ruim uittreksel.
Shelagh Delaney (…) schreef “A taste of honey” toen ze 19 was. Het stuk beschrijft wat ze zelf in het arbeidersmilieu, waarin ze opgroeide, heeft meegemaakt. Later zagen we van haar enkel nog het mislukte “The Lion in Love”, dat ook in The Royal Court Theatre in Londen werd opgevoerd. Ze verzorgde verder het scenario van de film “Charlie Bubbles” (met Liza Minnelli) en schreef een verhalenbundel “Sweetly sings the donkey” waarmee haar literaire carrière afgerond lijkt.
Delaney is het product van het theatergebeuren in Engeland in de periode ’53-’67. In 1953 luidde Joan Littlewood met haar Theatre Workshop een nieuw tijdperk van experimenteren in, nieuwe auteurs kregen een kans, o.m. bij het eerste volledig professionele arena-theater, The Royal Court, onder leiding van Stephen Joseph. En daaruit werd een hele, nu reeds beroemde dramaturggeneratie geboren. De meest bekende namen zijn John Osborne, Harold Pinter, James Saunders, Ann Jellicoe, Arnold Wesker, John Arden, Edward Bond. In die rij staat ook Shelagh Delaney, hoewel zij daar enkel stand houdt met dat ene stuk, “A taste of honey” (1958).
– Waarover gaat “Een geur van honig”?
J.d.B.:
Het is een psychologisch geëngageerd stuk. Via een zeer sterke (overigens in workshopverband) vastgelegde dialoog, krijgen we een blik op het dramatische leven in een gezin aan de zelfkant. Delaney snijdt een aantal problemen aan zonder ze te willen oplossen; ze raakt aan het probleem van de prostitutie, de rassendiscriminatie, de homoseksualiteit, enz.
– Als je normaal leest dat er in een stuk hoertjes, een neger en een homofiel voorkomen, huiver je al een beetje. Weer eens, denk je dan. En toch is “Een geur…” een sterk stuk: licht, subtiel en tragikomisch tegelijk. Waaraan ligt dat?
J.d.B.:
Delaney zet geen types op de scène. Het zijn echte mensen, in gelukkige en tragische omstandigheden, in ogenblikken van verdoving van en vlucht uit de ellende en de tragiek. Het gaat haar niet om de problemen in se, maar om de mensen met die problemen. Bovendien bezit het stuk alle kwaliteiten van de workshop. De dialogen zijn enorm kernachtig, geen tierelantijntes.
– De Nederlandse tekst is van Gerard Reve. Vind je het een goede vertaling?
J.d.B.:
De vertaling is zeer goed. Maar Gerard Reve heeft wel enkele gekke dingen uitgehaald in het laatste deel. Alles staat er ongeveer in, maar de dialogen worden gewoon verplaatst. Soms is het effect beter, soms ook weer niet. Ik heb zijn versie overgenomen. Alleen het einde heb ik drastisch gewijzigd. Daar heb ik me gebaseerd op de oorspronkelijke tekst. (…) Ik heb vooral Geoffrey centraal willen stellen. Hij is niet het oppervlakkige prototype van de homofiel. Net zoals Jo heeft hij enorm veel behoefte aan genegenheid. Daar raken die twee elkaar. Merkwaardig is dat het seksuele bij veel homofielen vaak een geringe rol speelt. Homofielen zijn meestal hypergevoelige mensen. Zo is Geoffrey homofiel uit nood aan genegenheid. Vanuit zijn eigen situatie kan hij Jo veel beter aanvoelen dan welke heteroseksueel ook.
– Is dat een problematiek die je boeit?
J.d.B.:
Ontzettend. Het gaat bij deze mensen om meer dan om het seksuele. Mij treft dat de communicatieproblemen bij hen zo diep zitten.
– Communicatieproblemen zijn toch niet alleen eigen aan homofielen of lesbische vrouwen?
J.d.B.:
Toch hebben ze er meer last mee dan andere mensen. Voor hen is dat het essentiële probleem. Het is bovendien voor die mensen makkelijker om contact te zoeken met de eigen sekse dan met de andere, omdat ze vooral angst hebben voor de andere sekse. Merkwaardig is wel dat ze na enkele jaren – zoals in het stuk – zeer goed tot een communicatie kunnen komen met iemand van de andere sekse, maar niet op seksueel vlak. Er ontstaat een hechte vriendschapsrelatie, omdat ze de andere zo fantastisch kunnen begrijpen.
– Hoe verklaar jij de titel?
J.d.B.:
Ik had hem graaag vertaald gezien als “De bittere honigsmaak”. Tussen Jo en Geoffrey ontstaat liefde, maar met een wrange nasmaak. Echte communicatie blijkt namelijk uiteindelijk niet mogelijk.
– Je noemt dit stuk “in feite een experiment”. Wat dacht je dat het amateurtoneel moest brengen?
J.d.B.:
Kijk, theatervernieuwingen komen meestal vanuit amateurs of van mensen die eventueel wel professioneel werken, maar niet gesubsidieerd worden. Zodra subsidies toegekend worden, loopt men gevaar te stagneren. Men zit dan geblokkeerd wat experiment en engagement betreft. Onze kleine theatertjes werden veel te snel gesubsidieerd om nog grote dingen te doen. In het huidige amateurtoneel zitten ze verveeld – denk ik – met de conceptie van het theater. Ze gaan te veel naar het beroepstoneel. Er wordt gepresteerd en men krijgt ruzie om bepaalde rollen. Uiteindelijk zou bij de amateurs niet het repertoire het belangrijkste moeten zijn, maar het systeem van werken. Als de geest verandert, zal de rest wel volgen.
– Je bent nu zelf met een experiment begonnen: het STOK-theater.
J.d.B.:
Het STOK-theater (“Studio voor Ontspanning en Kreativiteit”) is een nieuw theatergezelschap dat in Sint-Niklaas werd opgericht met mensen van de academie. Guido de Vriese heeft daar de leiding van. We willen met nieuwe mensen stukken brengen die je normaal niet op het repertoire hebt. Het is ook de bedoeling om voor kleine groepen te spelen. Een ander repertoire, een andere opvatting over toneel: de mensen er meer bij betrekken. Zowel de acteur als de toeschouwer. (…)
– Wat is voor jou de zin van je werk aan en voor het theater?
J.d.B.:
Het is een middel om mij uit te drukken. Ik veronderstel dat iedereen die aan theater doet op welke manier ook met communicatieproblemen zit. Wat zich overigens manifesteert aan conservatoria: die mensen doen daar allemaal zo gek mogelijk; ik denk, gewoon omdat ze zich niet op een normale manier kunnen uiten. Theater is een vorm van communiceren. Ik heb minder ambities als acteur. Wel zou ik graag verder schrijven en regisseren. Bovendien probeer ik de mensen via theater aan het denken te zetten. Wat mij het meest ergert is altijd die voortdurende kortzichtigheid waarmee je geconfronteerd wordt. Theater moet voor mij iets van verdraagzaamheid meegeven.”

Referentie
Marc Colpaert, “Niets van wat gebeurt, is banaal”, Het Vrije Waasland, 12 maart 1976

Een gedachte over “Shelagh Delaney (1938-2011)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s