Zeventig jaar geleden: de come-back van Vina Bovy in de Gentse opera

Het is vandaag zeventig jaar geleden dat de Gentse diva Vina Bovy haar come-back maakte in de Gentse opera met de rol van Rosina in Rossini’s “Barbiere di Siviglia“.

De carrière van Vina Bovy werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gebroken, omdat ze (in plaats van haar contract bij de Metropolitan te hernieuwen) bij haar man in Europa wou zijn. In 1928 was ze immers in Frankrijk gehuwd met de edelman Norberto Fischer en had ze de Franse nationaliteit aangenomen. Ze vestigden zich in de prestigieuze villa Cyrnos (de Griekse naam voor Corsica) van keizerin Eugénie (de echtgenote van Napoleon III, waarvan haar echtgenoot in vrouwelijke lijn afstamde). Die villa (waarin deze foto werd genomen) bevond zich in Cap Martin (tussen Menton en Monte-Carlo). Ze hadden samen een zoon, eveneens Norbert genaamd, die mogelijkerwijs nog in leven zou zijn in Parijs. In 1973 woonde hij alleszins in de Rue du Point du Jour 106 in Boulogne sur Seine.
In de periode 1947 tot vlak voor zijn dood in 1950 woonde ze met haar man in Gent. Redelijk berooid want door speelschulden had ze al haar fortuin verspeeld. Dat ze het kasteel niet kon behouden, viel dus best aan te nemen, zeker als men weet dat zelfs Churchill te licht uitviel als koper.
Bij de dood van haar man in 1950 slaagt ze er dan toch in het kasteel te verkopen. Zijzelf blijft in Gent wonen, waar ze sedert 1947 reeds directeur was van de opera, een functie die ze tot 1955 zal blijven waarnemen (met als rechterhand Arthur Metdepenninghen, de vader van Erna).
Niet alleen treedt ze tijdens haar directeurschap nog op (zoals op de foto samen met Gianni Iaia), ze studeert zelfs nog nieuwe rollen in. Zo bijvoorbeeld Desdemona in “Otello” (26/11/1948) en de titelrollen in “De Bruid der Zee” (2/10/1947), “L’Aiglon” (10/2/1950, een opera van Arthur Honegger en Jacques Ibert over de zoon van Napoleon) en “Fedora” (11/2/1955). Met een scène uit deze laatste opera (samen met Jan Verbeeck) en uit “Andrea Chenier” neemt ze op 19 april 1955 afscheid van de Bühne. Als er maar geen eind komt aan het applaus, legt ze zelf de zaal het zwijgen op, waarna ze onbegeleid een strofe zingt uit “Ik ken een lied” van Willem De Mol, meer bepaald die welke eindigt op de woorden: “Mijn hart vergeet u niet.” Dit lied had voor haar een speciale betekenis, aangezien ze het in 1929 ook in het Kursaal van Oostende had gezongen. Het was de eerste maal dat daar in het Nederlands werd gezongen en een deel van de Franstalige bourgeoisie had uit protest de zaal verlaten. (In 1962 zal haar allerlaatste optreden nog eens in datzelfde Kursaal plaatsvinden.)
Aan haar directie van de opera kwam een eind omdat ze met financiële problemen werd geconfronteerd. Ze was blijkbaar wel een grote artieste, maar daarom is men uiteraard nog geen grote zakenvrouw. Integendeel misschien zelfs. Ik heb het nu wel degelijk over haar functie in de Gentse opera, maar ook privé blijft het onduidelijk hoe ze van een paleis met zestig kamers tot een appartement aan de Kortrijksesteenweg kon verglijden. Zonder platendraaier dan nog. Haar eigen opnamen waren allemaal 78-toerenplaten. “Spijtig genoeg is de stereo maar uitgevonden in ’58,” jammert ze tegen Laurens De Keyzer in De Gentenaar van 17/9/1981. Tegen deze fijne confrater licht ze een tipje van de sluier op. Als men tussen de lijnen leest, leefde ze na de geboorte van hun zoon gescheiden van haar man. Ze weigerde het luilekkere leventje van de jet set, ze wilde blijven werken. “Mijn man zei: de dag dat ge me een kind geeft, moogt ge doen wat ge wilt. Ik heb hem een zoon geschonken en een beetje later zat ik weer op de boot.” (De Gentenaar, 13/9/1978) Daarbij moet men wel weten dat Norbert amper drie jaar na het huwelijk is geboren…
Tijdens de directie van Bart Lotigiers weigerde ze een voet in de opera te zetten, “maar meneer Locufier, dat was een mens met een groot hart!” (De Gentenaar, 13/9/1978) Ook Luigi Martelli kon op haar steun rekenen. Tussen 1955 en 1973 woonde ze trouwens opnieuw in Frankrijk, met name in Boulogne.
Op 20 september 1981 werd ze door directeur Alfons Van Impe van de pas opgerichte Opera voor Vlaanderen uitgenodigd om in een ereloge het openingsconcert met Sylvia Sass mee te maken. Ze ging er graag op in, al had ze wel haar bedenkingen bij de nieuwe constructie: “Zeg mij eens waarom er allemaal politici in de raad van beheer zitten? Wat kennen die van opera? Hebben ze eigenlijk al ooit een opera gezien of gehoord?” (De Gentenaar, 17/9/1981)
Vina Bovy overleed op 16 mei 1983 na een hartaanval. Enkele jaren daarvoor had ze in het BRT 2-programma “Met wie in de drie” nog verklaard: “‘k Ben aan St.-Pieters geboren, ‘k heb er mijn eerste communie gedaan en tons ben ik de wereld ingetrokken. Maar ‘k ben altijd gere were gekeerd naar mijn Gent en nu blijf ik hier om hier te sterven.” Of zoals voorzitter Adolphe De Meyer van het Vrienden van de Lyrische Kunst schrijft in zijn blad: “Zij zegde ten minste niet op de Franse radio: Je me sens plus Française que Belge“, ongetwijfeld alluderend op die andere Gentse diva, Rita Gorr (op de foto zijn ze samen te zien in “Hérodiade” van Massenet te Gent in 1951). Beroemd is ook de anekdote over het etentje met baron Lippens na een huldiging. Toen de baron in het poepsjieke Hôtel de la Poste vroeg wat ze wenste te eten, antwoordde ze: “Bloewuste mee appeltrut” (bloedworst met appelmoes).
Op 28 oktober 1984 werd een praalgraf ingehuldigd op de Westerbegraafplaats nr.J12 door een actie van de Vrienden van de Lyrische Kunst. Erika Pauwels, de enige leerlinge van Vina Bovy (de enige die het bij haar uithield, beweren kwatongen), was overigens niet opgezet met deze “liefdadigheid” die totaal indruiste tegen de fierheid van Vina Bovy zelf. Van Jacqueline Van Quaille, die ter gelegenheid van die inhuldiging de rol van Vina Bovy vertolkte in de “pêle-mêle” van Theater Taptoe in de Gentse opera, en van Rita Gorr wordt ook vaak beweerd dat ze les volgden bij Vina Bovy, maar dat is niet waar.
Het Gentse stadsbestuur vereeuwigde haar naam door in juni 1995 het woonpark “Rose Garden” in de Sint-Denijslaan nabij het Sint-Pietersstation in het Vina Bovypark om te dopen. Ze was de eerste in een inhaalmaneuver om wat meer vrouwen in de straatnamen te krijgen. Maar ook hier valt te betreuren dat de ligging van het park geen uitstaans heeft met haar leven of carrière. Velen vinden dat een straatnaam in de buurt van de opera veel geschikter ware geweest.
Over Vina Bovy zelf bestaat er nog geen degelijke biografie. Een weinig kritisch boekje, uitgegeven in eigen beheer door Jacques Deleersnyder in 1965, is op dit moment niet meer verkrijgbaar en zelfs zo goed als onvindbaar.

Ronny DE SCHEPPER
(met dank aan Pierre Van de Weghe voor de foto’s)

Referenties
Laurens De Keyzer, Het Grote Vina Bovy-Interview, De Gentenaar, 13 september 1978
Laurens De Keyzer, Vina Bovy in de ereloge van de Opera van Vlaanderen, De Gentenaar, 17 september 1981
Ronny De Schepper, Bloewuste mee appeltrut, Het Laatste Nieuws

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.