Mijn tweede interview met Claus begon al even moeizaam als het eerste en is (in tegenstelling tot het eerste) nooit echt op toeren geraakt. Zoals ik in de inleiding reeds heb verteld, had Claus het me toegezegd, nadat ik in de problemen was geraakt door een interview met Walter van den Broeck over “Het Beleg van Laken” van de hand te wijzen (*). Daarom moest ik ter voorbereiding bij hem thuis een drukproef van de verhalenbundel “De mensen hiernaast” gaan afhalen. Deze drukproef was in de marge volgekrabbeld met allerlei aantekeningen van Oscar Timmers, sinds de jaren zestig vaste Claus-redacteur bij De Bezige Bij. Ik vroeg Claus of ik met deze aantekeningen rekening moest houden? “Hoegenaamd niet,” was het antwoord, “mijn uitgever denkt gewoon dat ik niet kan schrijven.” (**)

Ook de dag van het interview zelf ging het mis. Ik had toen een nogal ingewikkelde verhouding met iemand uit het onderwijs die eigenlijk niet vrij was en die haar “springuren” (tussen twee lessen door) gebruikte om bij mij binnen te “springen”. Zo ook die dag. Bovendien zouden nà het interview mijn kinderen op bezoek komen, waarvan de jongste jarig was. En ik moest nog een geschenk gaan kopen. Dat maakte dat mijn vriendin mij na het vrijen nog vlug naar de Veldstraat moest voeren, waar ik alsnog een Playmobil-kasteel ging kopen. Door de haast waarmee alles gepaard ging, was ik vergeten naar het toilet te gaan en stond mijn blaas zowat op springen toen ik met een groot pak onder de arm bij Claus aanbelde.
Toen hij de deur opende, vielen zijn ogen uiteraard meteen op het pak, waardoor mijn openingszin nogal ongelukkig “dat is niet voor u” was. En de tweede was al evenmin schitterend, want die was: “Kan ik even naar het toilet?”
Toch is het in principe niet hieraan te wijten dat het interview nogal stroef verliep. De echte oorzaak was immers dat ik nu dezelfde “fout” had gemaakt als Johan de Belie de vorige keer. Deze keer had ik wél voldoende tijd gehad om me voor te bereiden en, om zeker niet af te gaan in de ogen van de Meester, had ik me dus veel te veel verdiept in de teksten van de kortverhalen, steeds op zoek naar symbolen, verbanden enzovoort. En ’t ergste van al, als je lang genoeg zoekt dan vind je die ook natuurlijk! En dan wil je per se dat de auteur je bevindingen bevestigt. Maar goed, wat zit ik hier mezelf op voorhand af te breken, lees liever eerst het interview en oordeel zelf… (***)
37 hugo claus“Kuis is mode”
“Hugo Claus est l’auteur contemporain le plus important de la langue néerlandaise”. Zo staat het in “Le Monde” en zo eenvoudig is dat. Verwacht van mij dus niet méér inleiding dan dat, zeker aangezien het nu reeds meer dan twee jaar geleden is dat we met Claus gingen praten over zijn meesterwerk “Het verdriet van België” en “Le Monde” op de recente Franse vertaling door Alain Van Crugten moest wachten om dat te doen. U weet dus reeds àlles over deze door Gent geadopteerde kosmopolitische Bruggeling. Alleen, wat u misschien nog niet weet maar waarover we het zo dadelijk uitgebreid zullen hebben, dat is het feit dat begin november (1985) bij de Bezige Bij een verhalenbundel verschijnt (zeven verhalen, goed voor 204 bladzijden), die de titel “De mensen hiernaast” meekreeg, zoals het past tevens de titel van het laatste verhaal.
Aangezien ik min of meer het buurjongetje ben van Claus zou ik met enige voortvarendheid kunnen stellen dat het een boek is over mij en mijns gelijken (u dus). Maar dan zijn we toch wel erg autokritisch, want wat zegt Claus in een passage die de titel zowat illustreert? “De mensen uit de straat, de hele stad, iedereen staat altijd klaar met vragen, zij willen aldoor iets van een normaal mens die om niets vraagt…”
EEN VISIONAIRE KIJK OP DE BANALITEIT
Maar toch heeft hij gelijk, of niet soms? Sta ik hier alweer niet “klaar met vragen” en wil ik niet “iets van een normaal mens die om niets vraagt”?
‑ Naast genoemde passage, mijnheer Claus, wijzen nog een aantal citaten in de richting van een “afstand nemen”, een “zich terugtrekken”. In “I don’t care” zegt de stier b.v. “Ik wil wel dood, maar ik wil dat ze weten dat ik het niet met hen eens ben, met niets van wat ze zeggen of doen.” In een ander verhaal “Een gat in de dag”, luidt het: “Het Hotel Basilicus, het duurste en oudste van de stad was bevolkt door vreemdelingen. Nee, was bevolkt door inboorlingen, Max was de enige vreemdeling. Zoals altijd en overal.” En in “In de schaduw van de kapotte bomen” zegt de hoofdfiguur dan weer: “Ik spreek blijkbaar een andere taal”. Communiceren via uw literaire werk lijkt wel meer en meer te volstaan?
Hugo Claus:
Die citaten zijn niet zo direct te binden aan mezelf. Ik ben niet min of meer communicabel geworden, als twintig jaar geleden. Het enige wat ik in deze verhalen wou doen ‑ want ze zijn thematisch inderdaad wel verwant ‑ is de vervreemding beschrijven, iets waarin jullie eigenlijk specialisten zouden moeten zijn. Dat is iets heel essentieels. Dat heeft te maken met hoe de maatschappij in elkaar zit. Om dat dan uit te drukken moet ik niet van buitenuit, met vraag en antwoord, met oorzaak en gevolg, in een verhaaltrant werken, maar wel binnenin mijn materiaal, binnenin mijn structuur, mijn zinnen, dààr moet ik de vervreemding aanbrengen. Zonder al te pretentieus te zijn, zou ik kunnen zeggen dat het een soort visionaire kijk is op de banaliteit. Nu, dat heeft gevolgen. Men moet in die vervreemding nogal ver gaan. Men moet niet het type‑materiaal gebruiken van de vertelkunst, makkelijk leesbaar en voor iedereen meteen begrijpbaar, want dat is te veel de taal van de sprookjes en de fabels, die gehanteerd wordt in de kranten en op televisie. Maar dit gaat over het vrijmaken van lagen van het bewustzijn, via een aantal kleine scènes waarvan de samenhang raadselachtig blijft, wat paradoxaal genoeg veel dichter bij de realiteit aanleunt dan de zogezegde rechttoe‑rechtaan‑verhalen van grote meesters als Hemingway of Tsjechov. Onze realiteit is zo dat je niet de vinger op de wonde kunt leggen. Daarom ook dat ik niet precies weet, waarom ik dat nu gedaan heb. Of eigenlijk is dat juist de reden waarom ik het heb gedaan, omdat ik het niet weet. Want als ik het wist, dan hoef ik dat nog niet een keer te herkauwen. Die aandrang om te zoeken, dat is inherent aan dit soort vertellen.
‑ En daarom ook geopteerd voor kortverhalen, waarbij je rond een thema kan werken maar gespreid over een min of meer lange periode en waarbij de onderdelen op diverse tijdstippen een eigen leven kunnen gaan leiden. Zo zijn b.v. sommige van deze verhalen reeds her en der verschenen…
H.C.:
Soms heb je nu eenmaal invallen of kleine situaties die je niet in een roman kunt plaatsen en die hebben ook recht op leven.
– Maar zowel de kritiek als het grote publiek heeft wel eens de neiging aan verhalenbundels voorbij te gaan?
H.C.:
Dat hangt ervan af over welk publiek je spreekt. In Nederland is er b.v. een grote belangstelling voor verhalen. Als je in de top tien van de Haagse Post kijkt, dan zijn daar altijd wel twee verhalenbundels bij. Er zijn auteurs die niets anders dan verhalen schrijven, F.B.Hotz (1922-2000) en Biesheuvel b.v. Bij ons is dat niet zo, dat is waar. Bij ons is een verhaal iets dat je er even tussendoor neemt. Maar goed, daar heb ik dan ook rekening mee gehouden. Zo’n boek is gemaakt om een verhaal te lezen, dan eventjes de beest uit te hangen of weet ik veel en dan ’s avonds wat vroeger naar bed te gaan met het lampje.
“DE ANGST NIET MEER TE KUNNEN ZEGGEN: GEEF ME EEN PILLETJE”
– Afgezien van de toepasselijkheid van de titel “De mensen hiernaast” op de hele bundel is ook dat verhaal zelf een goede doorsnee van de bundel. De in mijn ogen vier voornaamste thema’s komen erin aan bod: ouder worden, aftakeling, de dood en het stuklopen van relaties. Laten we al deze thema’s even apart overlopen. In “De kapotte boten” schrijft een kind naar z’n vader, vóór hij de tijd had tot pestjong op te groeien: “Liefste papa, word nooit oud”. Ontroerend eenvoudig. Maar is dit het streven naar de eeuwige jeugd door het ouder worden te ontkennen (“Forever young”, Bob Dylan) of door er een eind aan te maken als er geen ontkomen meer aan is (“Hope I die before I get old”, Pete Townsend)?
H.C.:
Je doet nu alsof ouder worden iets is dat uit de lucht komt vallen, maar eens je over de dertig bent is dat een constante. Dat uit zich in de manier waarop je je haar kamt enzovoort. Ik vind het helemaal geen tragedie om oud te worden. Een heleboel mensen die ik ken, hebben daar aanzienlijk meer last van dan ik. Ik vind het al een mirakel dat ik geboren ben en dan moet ik daar maar de consequenties van dragen. Overigens, ik wil geen achttien meer worden. Dat heb ik al gehad, waarom zou ik dat dan nog eens terugwillen? Waarom zou ik daar nostalgisch op terugblikken? Ik heb, denk ik, een beetje een luciedere kijk op de dingen. Het lijkt me de meest logische gang van zaken: ik ben niet bang om oud te worden en ook niet bang om dood te gaan. Wel ben ik bang voor aftakeling in de zin dat ik niet meer het vermogen zou hebben om dingen te onderscheiden of, wat ik nog het ergste vind, dat ik in een toestand zou komen dat ik niet meer zou kunnen beslissen of ik er een eind wil aan maken of niet. Als ik iets van angst heb in die richting, is het dat. Dat ik niet meer zou kunnen zeggen: geef mij een pilletje.
“ZOALS JE ER NU OVER SPREEKT, ZOU DE LEZER DE INDRUK KUNNEN HEBBEN DAT HET ALLEMAAL DOOD EN VERDERF IS MAAR ER VALT TOCH NOG TE LACHEN OOK, OF NIET SOMS?”
‑ Vandaar allicht dat de dood in deze verhalen vaak als een bevrijding wordt ervaren: “Zij is bevrijd van een onbevredigde begeerte”, citaat uit “Martha, Martha”. Deze dooltocht van de twee dronken leraars Rutten en Leevaert schetst (nogmaals, naast het titelverhaal) wellicht het best het aftakelingsproces. Maar ook in “De overtocht” leg je veel belangstelling aan de dag voor allerlei ziektes. Namen die ik niet ken en dus zeker niet kan onthouden defileren daarin…
H.C.:
Dat hoort natuurlijk bij mijn bekommernis om die verhalen in dat klimaat te situeren. Er is ook sprake van dieet en zo. Dat hoort bij dit soort verhalen. Dat is bijna de wet. Maar zoals je er nu over spreekt, zou de lezer de indruk kunnen hebben dat het allemaal dood en verderf en grimmigheid en treurnis is, maar er valt toch nog te lachen ook, of niet soms? Er zijn ook een paar grimmige humoresken bij, vind ik. De confrontatie met de staat van dit soort personages zou je trouwens een vitale impuls moeten geven. Het werkt niet alleen maar beklemmend of bedroevend, het slaat ook om. Privé roep je dan: hoera, wat ben ik gelukkig dat ik niet een van die vele ziektes heb.
‑ Helaas is mijn eigen morfologie eerder zo ingesteld dat ik dan denk: die kan ik allemaal nog krijgen. Maar goed, nu u toch zelf de uitdrukking “vitale impuls” laat vallen, opvallend in deze verhalen is dat seksualiteit juist minder opvallend aanwezig is dan vroeger. Nu heeft in uw werk seks nooit die “bevrijdende” werking gehad die vitalisten als Hemingway, Lawrence, Geeraerts of Wolkers eraan toekennen, maar vroeger zou u ze zeker hebben aanvaard als verweer tegen die aftakeling, als remedie tegen dat stuklopen van die verhoudingen. Nu maakt seks echter déél uit van het aftakelingsproces (“Martha”) of is het ten hoogste een erg povere transactie (Muggie die in “Een gat in de dag” haar rokken oplicht om zich met een vliegenmepper ‑ nomen est omen! ‑ op de billen te laten slaan…)
H.C.:
Wat “Martha” betreft is je opmerking zeker juist, maar in “Een gat in de dag” is de seksualiteit een onderdeel van ‑ en dan verval ik automatisch in jullie jargon ‑ de verhouding verdrukker‑onderdrukte. Die politiemannen kunnen geen normale seksualiteit hebben. Je bent niet ongestraft een BOB’er. Dat vertaalt zich in je seksuele gedrag, in het hele patroon van je leven. Dat moet bestraft worden in zekere zin. Dus is het heel logisch dat dit zulke vormen aanneemt. Van lust is er bij haar dan ook hoegenaamd geen sprake. Maar zij maakt zich daar wel niet zoveel zorgen over. Dat is het beste verweer dat je kan hebben, namelijk het sacrale of vitalistische karakter van de seksualiteit ontkennen. De klassieke hoer beschouwt seks toch niet als iets dat haar aangaat? Alleen zijn er bepaalde codes, zoals de klant niet op de mond kussen, dat reserveert ze voor haar pooier of haar minnaar. Dus dat wordt gewoon verschoven van de ene opening naar de andere. (Enkele jaren later, met name in 1988, zal Claus in “Een zachte vernieling” – de titel alleen al! – juist opnieuw zeer erotiserend schrijven over begeerte. Anderzijds is dit natuurlijk wel een roman die de jaren vijftig in Parijs wil oproepen, RDS).
“HUN ENIGE REËLE OPWINDING ZULLEN NOG VIDEOCLIPS ZIJN”
‑ Het laatste grote thema zou ik kunnen samenvatten met een lied van Juliette Gréco, zoals u dat zelf ook doet in “De kapotte boten”: “Il n’y a pas d’amour heureux” (Aragon). Verhoudingen lopen stuk, men gaat uit elkaar (“Gat in de dag”) of niet, waarbij in het tweede geval dit letterlijk verlammend werkt (“De mensen hiernaast”). In “De overtocht » (wat ikzelf versta als de “overtocht” van vrouwenliefde naar mannenliefde) is er zelfs een expliciete “battle of the sexes”. U schrikt er trouwens niet voor terug om vergelijkingen met dieren te trekken (de hanen in “De overtocht”, de kippen in “De mensen hiernaast”).
H.C.:
Wat “De overtocht” betreft, dat heb je juist geïnterpreteerd, zij het dat die verandering van seksuele voorkeur vooral staat voor de wil tot verandering van een man die zijn vel aflegt en een nieuw kweekt. Hij doet dat dan via de seksualiteit, ook al heb ik dat onderwerp bijna niet aangeraakt. Ik heb zelfs mijn best gedaan om het zo metaforisch mogelijk te maken. En dat is toch ook weer een illustratie veel eerder van een vitale impuls dan van een aftakeling. In dat verhaal laat ik zien dat iemand de mogelijkheid heeft om op elk moment zijn leven van zich af te schudden, als dit hem al te zeer beklemt. (Paul Claes heeft aangetoond dat “klem” en aanverwante woorden vaak terugkeren bij Claus; alhoewel het een flauwe woordspeling lijkt, is de kern van Claus’ werk dus misschien wel terug te brengen tot claustrofobie, wat niet eens zo vreemd is, want Claus heeft inderdaad last van claustrofobie. Ook homofilie is een thema dat de laatste tijd toch wel héél frequent voorkomt bij Claus, naast SM. Denk hierbij maar aan Roberte die Axel verlaat in “Belladonna” aangezien hij er niet in slaagt haar te slaan, precies omdat hij van haar houdt, zodat ze het bij andere mannen gaat zoeken. Als die dan overdrijven, wordt ze door een Auschwitz-slachtoffer opgevangen die ironisch genoeg denkt dat Axel de boosdoener is, RDS.) En wat die dieren betreft, al in de oudste culturen, de Egyptenaren, de Grieken, gaat de literatuur bijna uitsluitend over deze metamorfosen. De goden treden daar op in de vorm van een stier of van een zwaan en dat stamt uit de immemorabele tijden toen de mens veel dichter bij de dieren stond en dat mysterie van het dier omzette in het mysterie van goden.
‑ De vervreemding mag dan anno 1985 pregnanter geworden zijn dan b.v. in die heuglijke tijden, in feite zijn al deze thema’s “eeuwig” en keren zij bij diverse auteurs terug. Dat belet echter niet dat deze verhalen in de volgende eeuw b.v. niet zullen kunnen worden gelezen zonder een aantal verwijzingen naar specifieke tijdsomstandigheden. Ik denk aan de crisis, aan gastarbeiders die a.h.w. terloops door de verhalen wandelen en vooral: tweemaal (in “I don’t care” en in “De kapotte boten”) vermeldt u expliciet “kuis is mode”. Dat is dus een aspect van onze tijdsgeest dat u wel erg moet hebben getroffen.
H.C.:
Ja! Dat is van het allerhoogste belang. Of beter: ik vind dat het belang daarvan nog niet voldoende is onderzocht. Al vóór de AIDS‑rage kon men vaststellen dat mensen dat grote gewicht dat altijd op de seksualiteit heeft gelegen steeds makkelijker van zich af schudden. Ik merk dat aan de jonge mensen met wie ik omga. Dat is een regelrechte consequentie van de robotisatie, van het ons opgedrongen patroon van hoe we zouden moeten leven. Ik denk dat daar een heel grote vervreemding aan het ontstaan is. Sociologische en andere oorzaken moeten we hier buiten beschouwing laten, dat voert ons te ver en overigens heb ik mij daar helemaal niet in verdiept. Maar ik haal daar Boy George aan met zijn androgyne karakter, mannelijk of vrouwelijk, dat onbepaalde, ik vind dat een indicatie van hoe mensen steeds meer geïsoleerd zullen raken. Hun enige binding, hun enige reële opwinding zullen nog videoclips zijn.
‑ Maar is dit dan niet dezelfde vervreemding als in het geval van Muggie?
H.C.:
Nee. Ik zie die vervreemding van Muggie niet als een uiting van haarzelf maar als iets dat haar opgedrongen wordt. Een verweermiddel, zoals ik zei, dat is dus een dààd. Je zou bijna kunnen zeggen: een list, een wil tot overleven, het niet ten onder willen gaan, een actief principe. Aan die andere vervreemding komt geen wil aan te pas, geen duidelijke stellingname, dat is iets dat gebeurt, een passief principe, dat is de passiviteit waarin de meeste mensen gedwongen worden. Ik wou dat een paar sociologen zich daarmee eens zouden bezighouden, want ik als “dichter” ‑ een beetje pompeus ‑ neem die tekenen waar, ik vang dat op en ik gebruik dat om iets te illustreren, maar ik vind dat men zich daarover zorgen moet maken.
‑ Is het in dat verlengde dat ondanks je drukke werkzaamheden er toch in toestemt om iets voor het CGSO-jaarboek te plegen b.v.? Is dat een soort engagement van uwentwege?
H.C.:
Och, dat zijn dingen als de Braille‑liga, die mogen op mij altijd beroep doen, ja.
‑ “Ongenade” is een verhaal dat er zowat buiten staat, niet? Niet toevallig is deze geschiedenis van een vrouw die (vooral uit verveling) wraak neemt op een rechter die in haar ogen een te streng vonnis heeft uitgesproken nog niet ter sprake gekomen bij één van de aangehaalde thema’s…
H.C.:
Kijk, het lezen van verhalen is vermoeiender dan het lezen van een roman. Het wisselt van personages, van situaties, van aanpak. Aangezien die andere zo compact zijn, een paar bijna stug zelfs, dacht ik: laat ik een soort rustpunt houden, een soort ademhalingsoefening voor de lezer. En ik wil ook op verschillende niveaus werken. Ik zie me b.v. ooit nog wel eens een heel eenvoudige detectiveroman schrijven. Dat heeft met kwaliteit als dusdanig niets te maken. Een scherzo van Mozart is net zo veel waard als zijn “Don Giovanni”. (Dit zou dan “Onvoltooid Verleden” worden, het vervolg op “De Geruchten” dat eind 1997 verscheen als dagbladserie in “De Morgen”.)
“SCHUIMBEKKENDE FIGUUR EN VOORZICHTIGE MANDARIJN”
‑ Uit de Franstalige interviews die n.a.v. de vertaling van “Het verdriet van België” zijn gepubliceerd komt de “angry young man” nog steeds erg naar voren. En dat op een moment dat de “échte” angry young men (Osborne e.d.) goed en wel zijn geïntegreerd in de maatschappij…
H.C.:
In dit verband is er maar één geniale regel en die is van Dylan Thomas. Toen hij merkte dat zijn vader, die altijd een woeste Welshman was, tekenen van vermoeidheid begon te vertonen, toen heeft hij dat schitterende gedicht geschreven: “Do not go gentle into that night ». Dat is meer wat me bezighoudt, ja. Maar anderzijds ben ik het er helemaal niet mee eens dat men uit een gesprek van drie, vier uur dat verhaal van die schuimbekkende figuur heeft onthouden. Dat is nogal eenzijdig. Daarnaast is er ook nog de heel voorzichtige mandarijn en zijn er nog een aantal andere personages in mij aanwezig.
‑ In dat verhaal laat men je ook nog eens driftig uithalen tegen de staat België en dan geeft u tweemaal een voorbeeld uit de voetbalwereld. Dat trof mij omdat we dit gesprek precies een dag hebben uitgesteld omwille van de voetbalwedstrijd België-Holland!
H.C.:
Ha ja natuurlijk! Dat is dan een van de weinige momenten waarop ik me wél Belg voel. Ik wil dan dat de Belgen winnen. Dat is trouwens nogal normaal, want ik zat tussen Johan Cruyff en Paul Van Himst in en die beide heren hadden het alleen maar over techniek en tactiek, maar ondertussen merkte ik ze alle twee wel fel voor hun land opkwamen.
– Velen zullen misschien verbaasd zijn dat u inderdaad een groot sportliefhebber bent. Dan zal het menigeen nog meer verbazen dat u zelf ook aan sport heeft gedaan, waarbij u vaak zo verbeten was dat u een slecht verliezer wordt genoemd.
H.C.:
Tennissen heb ik ook een hele poos gedaan. Tot ik me niet meer behoorlijk kon verdedigen tegen mijn zoon. Die nam trouwens stiekem speciale lessen. Om zijn vader er van langs te kunnen geven. Om hem af te slachten. Toen dat dan ook gebeurde, hoefde het voor mij niet meer. De lol was eraf. En ik kon op de koop toe die speciale lessen nog betalen ook. Nu ik wat ouder ben geworden pingpong ik zo nu en dan nog wel eens. Maar dat is niet van aard om mijn schrijven te beïnvloeden. Ik wil gewoon niet dichtkoeken. Vroeger ‑ omdat ik lui ben ‑ dwong ik mij heel heftige dingen te doen. Ik oefende jarenlang karate bij een privé‑leraar. Die blafte me af als een sergeant-majoor, een, twee, schoppen, slaan, kom op kerel! Walgend deed ik dat. Puur masochisme, omdat je anders honderddertig kilo gaat wegen. Maar eigenlijk sta ik dichter bij Henry James dan bij Hemingway. Een gezonde geest in een gezond lichaam is niet des schrijvers. Er mag een zekere inertie zijn. Ik bekijk de joggers van onder mijn palm. Straks weeg ik honderddertig. Draag ik geruite pantoffeltjes. Ik huldig de boeddha. Niet bewegen is het ideaal. Zitten vind ik leuker dan staan en liggen plezanter dan zitten. Het liefst lig ik voor de libido. (Een intermezzo uit achtereenvolgens Het Nieuwsblad van 6 maart 1987, KNACK van 28 januari 1987 en De Standaard van 2 april 1994, dat uiteraard niet in het oorspronkelijke interview stond, maar dat ik er achteraf wel leuk vond bij passen. Trouwens Claus houdt in het algemeen wel van het spelelement. Zo is hij een geducht kaartspeler en ontwerpt hij zelf spelletjes in de zin van “trivial pursuit”, maar dan met minder triviale onderwerpen, zoals schilderkunst e.d.).
‑ Binnenkort is er ook een dichtbundel van jouw hand op de markt de tweede, dit jaar.
H.C.:
Nee, er zijn er reeds twee geweest. Af en toe publiceer ik namelijk ook eens een bibliofiele uitgave op een beperkte oplage (met aquarellen van Sylvia Kristel, RDS) en dat was dan “Halloween”, naar de Amerikaanse gewoonte op 31 oktober. De bundel die jij bedoelt is “De dief van liefde”, een bewerking van een Sanskriet gedicht dat zo heet. Dat zijn vierregelige strofes en daaronder staan dan vijfregelige teksten die heel modern, met verwijzingen naar wetenschap en zo, dat commentariëren. Een soort rederijkerspelletje, maar ook daarin zit poëzie verscholen.
– En nu is er dus “Alibi”…
H.C.:
Wel, in “Alibi” heb ik een versie van “De dief van liefde” opgenomen. En daarnaast zijn er gedichten over liefde en over eenzaamheid, dat zijn nu eenmaal de riemen waarmee we reeds sedert de Babylonische tijd moeten roeien.
‑ Ook nog voor dit jaar: zowaar een ballet voor het Ballet van Vlaanderen over Tijl Uilenspiegel!
H.C.:
Ja, mijn origineel argument voor het ballet was iets te surrealistisch voor de smaak van Valery Panov. Het enige wat hij van de Vlaamse literatuur weet is precies “Tijl Uilenspiegel” omdat dit een uiterst populair boek is in de Sovjetunie en daarom heeft hij mij gevraagd om daarvan een argument voor een ballet te maken. En omdat ik die vreselijke arrogantie heb om me op paden te begeven waar ik geen zaken heb, wou ik dat ook eens proberen.
‑ Normaal had in het NTG nu “Goddelijke woorden” moeten lopen in het kader van Europalia, een stuk dat u zou hebben vertaald…
H.C.:
Dat is om technische en andere redenen niet doorgegaan maar ik geloof wel dat de tekst zal worden uitgegeven. Het is immers een meesterwerk. Als vertaler heb ik daar weinig persoonlijke inbreng in gehad, tenzij zo ootmoedig mogelijk die geniale tekst in het Nederlands over te zetten. Het is geen bewerking. Als hij voor het eerst vertaald wordt, vind ik dat je een bepaald respect moet hebben voor de tekst zoals hij is.
– Heb je de versie van “Bruid in de morgen” in het MMT al gezien (oktober 1985; regie René Verreth; met Mandus De Vos en Jenny Tanghe als vader en moeder Pattini; Hilde van Haesendonck als Hilda; Veerle van Overloop als Andrea en Yves Pauwels als Thomas)?
H.C.:
Nee. Zoals ik al heb gezegd: ik ben niet zo sterk in het herkauwen. En ik heb al zo’n moeilijkheden met toneel. Ik ga niet zo heel vaak met andere woorden want dat frustreert me. Zeker als het een stuk van mezelf is. Je hebt auteurs die hun eigen werk bij elke nieuwe editie navlooien op fouten en herschrijven. Hermans en Mulisch doen dat b.v. uiterst consequent. Maar ik ben precies het tegenovergestelde. Ik kan die ballast niet meesleuren. Het is alsof er een gaatje in mijn hoofd is, waarlangs wat erin zat eruit moest om iets nieuws toe te laten. Vandaar de soms genante vertoning dat ik een verklaring moet afleggen of een verantwoording moet geven voor personages of incidenten waarvan ik letterlijk het bestaan niet meer afweet.
– Dat u “Het verdriet van België” niet in het Frans wil lezen, zoals je overal kan vinden, heeft dus niets te maken met de vertaling?
H.C.:
Natuurlijk niet! Maar dan wil ik daar weer een nieuw boek over schrijven, dan wil ik het tegenovergestelde van “Het Verdriet van België” schrijven!

Referentie
Ronny De Schepper, Hugo Claus: “Kuis is mode”, De Rode Vaan nr.44 van 31 oktober 1985

(*) Op 30 oktober 1994 legde Hugo Claus er tijdens de zevende dag nogmaals – en terecht – de nadruk op dat hij voor “De mensen hiernaast” geen promotie had willen voeren. Jammer genoeg zei hij er niet bij dat hij voor één blad een uitzondering had gemaakt… “De mensen hiernaast” werd overigens “lauw” ontvangen, als ik nu even Jeroen Overstijns mag citeren bij de heruitgave van deze bundel – samen met nog andere kortverhalen – in de luxe-editie “Verhalen” uit 1999: “een absoluut onspectaculaire bundel … Het zou me verbazen mochten de lauwe reacties van toen nu worden omgebogen tot grootse vreugdevuren” (Standaard der Letteren, 17/6/1999)
(**) Later heb ik vernomen dat die redactrice Suzanne Holtzer was. Haar overdreven ijver was voor Hugo trouwens geen reden om een afkeer van haar te krijgen, eerder integendeel. Zijn broer Odo vertelt in Humo van 6/4/2010: “Hugo is prachtig gestorven. Er stonden twee vrouwen naast hem: Veerle en die dame van De Bezige Bij, Suzanne Holtzer. ‘Wie is dat?’ vroeg ik hem eens terloops over Suzanne. Hij glimlachte: ‘Eén van de redenen om geen zelfmoord te plegen.'”
(***) Zoals uit de “ontstaansgeschiedenis” van het interview al duidelijk is: deze keer was fotograaf Jo Clauwaert niet aanwezig. Alhoewel hij voor de kleurenfoto duidelijk een speciale sessie moet hebben gepland, waren de andere foto’s (ook die hier bij het artikel staan) toch van de vorige keer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.