Prosper Mérimée (1803-1870)

Het is vandaag 145 jaar geleden dat de Franse auteur Prosper Mérimée is overleden.

“Aan onze kant van het Kanaal is Prosper Mérimée (Parijs 1803-Cannes 1870) vooral bekend als de auteur van de novelle waarop Carmen is gebaseerd; hoewel de opera van Bizet, in de woorden van Alan Raitt, de beste Britse biograaf van Mérimée, ‘niet meer dan een slappe, opgetutte versie van Mérimées verhaal’ is. Hij schreef fictie – waarbij hij zich specialiseerde in thema’s als wreedheid, wraak en de Ongenaakbare Vrouw – toneelstukken en poëzie. Hij was zwaar anglofiel, vroeg ooit Mary Shelley ten huwelijk en was zo bekend in het British Museum dat de bewakers hem bij aankomst doorgaans begroetten; hij hield ook erg veel van Spanje, werd later in zijn leven russofiel en vertaalde Poesjkin, Toergenjev en Gogol. Hij was reiziger, hoveling, lid van de Académie Française, vriend van Stendhal, minnaar van George Sand, liefhebber van platvloerse seks en senator onder Napoleon III. Maar zijn aanspraak op eeuwige roem verdiende hij als tweede Inspecteur Generaal van Historische Monumenten, een post die hij bekleedde van 1834 tot 1860.”
Aan het woord is Julian Barnes en de opmerking waarmee hij eindigt is niet eens ironisch bedoeld: Mérimée heeft inderdaad veel conserverend en (minder geslaagd maar goed bedoeld) restaurerend werk geleverd om de monumenten te redden die door de Franse Revolutie geminacht werden. Hadden we zo maar iemand die de sociaal-realistische kunstwerken in de voormalige Sovjetunie en de rest van Oost-Europa kon redden, zou ik zo zeggen.
Maar wat nu die “slappe, opgetutte versie” van Carmen betreft, daarover kan ik u het volgende meedelen. In december 1830 is Prosper Mérimée in Spanje op zoek naar de juiste plaats waar zich de Slag van Munde had afgespeeld (waar Caesar de troepen van Pompeius had verslagen). Hij ontmoet er een rabauw, een zekere Don José, die wordt gezocht door het gerecht. Zijn gids Antonio wil dan ook de beloning opstrijken die op zijn hoofd was gezet. Mérimée verwittigt Don José echter tijdig, zodat deze kan ontkomen. Mérimée zelf dient zich te verantwoorden voor de Alcalde. Een week later ontmoet hij een zigeunerin die zichzelf Carmencita noemt en die zich aan Mérimée opdringt. Aangezien ze “goed gedraaid is van oren en poten” heeft ze eigenlijk niet veel moeite om hem te overhalen mee naar haar huis te gaan (en om eerlijk te zijn: Mérimée was nogal een “heet konijn”, zoals ook Julian Barnes getuigt). Op dat moment komt echter haar man thuis, die wel boos is op Carmen, maar niet op Mérimée. Integendeel, hij beweert hem te hebben behoed te worden uitgeschut. Het blijkt natuurlijk Don José te zijn. Toch is Mérimée bij het afscheid zijn horloge kwijt. Nog een week later passeert hij opnieuw in Cordoba, waar hij vaststelt dat de dief van zijn uurwerk die dag zal worden gewurgd. Dit was eigenlijk een “voorrecht” omdat hij een hidalgo (edelman) is. Anders zou hij worden gefusilleerd. Mérimée mag Don José in de gevangenis bezoeken en daar doet deze zijn verhaal, dat Mérimée in 1845 te boek zou stellen. Don José had immers zichzelf aangegeven, nadat hij Carmen had vermoord. Mérimée moet wel beloven dat hij een aandenken aan de moeder van Don José zal overhandigen en haar zeggen dat haar zoon gestorven is, maar niet de manier waarop.
Het verhaal van de opera van Bizet volgt vrij nauwkeurig dit zogezegd authentieke verhaal (alleen de figuur van Micaëla is verzonnen en de toreador was eigenlijk slechts een picador), zelfs tot in de kleine details zoals “la fleur que tu m’avais jetée”. Er wordt zelfs nog een leuke anecdote weggelaten: toen Don José in de gevangenis zat, stuurde Carmen hem een brood met een vijl erin verborgen. Net als in de stripverhalen, jawel. Bizet liet ook het verhaal van de terugkeer van haar wettelijke man Garcia weg, maar dat kenden we dan toch uit de enscenering door het ECOV.
Mérimée is echter niet alleen de auteur van Carmen en van Cordoba, zijn bekendste werken. Hij was ook een begaafd briefschrijver, stond in het brandpunt van het maatschappelijk leven hoewel hij een Einzelgänger was (met een eigenzinnig tamelijk conservatief wereldbeeld) als vertrouweling van de keizerin, senator; hij bekleedde ook meerdere openbare ambten.
Maar zijn literaire werken reiken verder dan voornoemde. Zijn kortverhalen mogen ons verbazen. Hier brengt hij telkens het rationeel twijfelen tot een filosofie. Zo b.v. in Lokis dat een eigenaardige mengeling vormt van classicisme en middeleeuwse beelden. Bovendien is het stilistisch sterk opgebouwd. Een professor verschuilt zijn verhaal achter zijn manuscript, daarin laat hij een dokter het gebeuren analyseren, deze ‘draagt’ de gedachten van ene Julia die op haar beurt haar denken onthult via een ballade die zij gestolen heeft van een Poolse auteur (onder het mom dat het een oeroude Litouwse tekst betreft)… Een vernuftig knutselwerk met tragisch einde: de hoofdfiguur was het resultaat van de verkrachting van een jonge gravin door een beer; hij heeft alle elementen van de beer in zich, zijn moeder is krankzinnig, hij huwt… een vrijwel barbaars verhaal uit de middeleeuwen! De mens als een dier, alleen dit: hij kan zichzelf in een spiegel herkennen.
Mérimée speelt ook graag met de tijd. Zoals in Het visioen van Karel XI als hij deze confronteert met een ganse scène in zijn raadszaal die zich pas enkele generaties later in werkelijkheid zal afspelen. Hij hanteert hier realiteit (geschiedkundig) en fictie om een bloedstollend verhaal, Poe waardig, in scène te zetten. Min of meer gelijkaardig gebeurt in Djoumâne dat speelt in Algerije maar in een soort tijdsvacuüm. Al zou men nuchter beschouwd kunnen stellen dat de griezeltaferelen die zich voor de hoofdpersoon (en de lezer) ontvouwen een koortsdroom waren, met de filosofie van Mérimée in het achterhoofd is dit te gemakkelijk. Tijd én ruimte lijken te ontbreken in het gebeuren. Alleen erotiek en het exotische resten nog.
Dan is er ook nog het bizarre Federigo waarin de ongelovige auteur (Mérimée geloofde wel in een hogere kracht maar niet in een god) Jezus en zijn apostelen laat opdraven, evenals de dood. Deze laatste wordt door Federigo dankzij de bijzondere wensen die hij verkreeg, meermaals bij de neus genomen; het eerste luik is identiek aan ons rederijkersstuk Esbattement van de appelboom (!). Het hoofdpersonage verwijst ongetwijfeld naar de Boccaccio-figuur. En in wezen toont hij hiermee zijn visie op de mens, nooit in wezen slecht, vaak sluw en geslepen.
Uit deze verhalen blijkt dat Mérimée een veelzijdig, intrigerend auteur is. Qua inhoud van zijn werken maar ook stilistisch zeer gevarieerd.

Johan & Jan de Belie-Segers

Referentie
Julian Barnes, “De man die het Oude Frankrijk redde” in “Uit het raam”, Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Atlas Contact, 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.