José Van Dam wordt 75…

José Van DamVandaag viert de Brusselse bariton José Van Dam zijn 75ste verjaardag.

José Van Dam, die in de sterfscène van “Simon Boccanegra” in de Munt Hugo Claus tot tranen kon bewegen, werd geboren als Joseph Van Damme te Brussel als zoon van een totaal niet-muzikale schrijnwerker. Ondanks het feit dat zijn moeder een Limburgse was, spreekt hij geen gebenedijd woord Nederlands. Of beter gezegd: hij weigert het te spreken met het voorwendsel dat hij het niet goed kan. Hoe de vork echter écht aan de steel zit, moet je steeds tussen de lijnen lezen, zoals ook in dat interview met de Frut, waarin hij uiteraard afgeeft op de jongste evoluties in la Belgique (lees: de overweldigende verkiezingsoverwinning van de N-VA). Dat het oorspronkelijk de Walen waren die na de oorlog België uit elkaar wilden doen vallen (eerst met de koningskwestie, nadien geconcretiseerd in het Rassemblement Wallon) is ondertussen al lang vergeten! (Toen waren de Walen nochtans goed bezig!)
Jefke Van Damme werd ontdekt door een kassierster bij de plaatselijke Delhaize die een pianolerares op zijn zangtalent opmerkzaam maakte. Na lessen bij Frédéric Anspach, waagde hij het als José Diamant in het lichtere genre (ook nu houdt hij nog altijd van jazz en chanson), maar ondertussen ging hij wel naar de opera. “Samen met mijn pa trok ik naar de Munt voor La Bohème, Le Barbier de Séville en Pelléas et Mélisande. Van die laatste voorstelling herinner ik me dat er zeventien bezoekers waren. Ik weet het zeker, want ik heb ze geteld, zo weinig volk zat er toen in de zaal. Met de komst van Gerard Mortier werd opera wel populairder dan ooit.”
Om deze opmerking uit het interview met de GVA volledig naar waarde te kunnen schatten, moet je wel weten dat Van Dam via ‘L’école des vedettes’, de Franse televisieuitzending, van ’60 tot ’64 bij de opera van Parijs belandde, ook al had Maurice Huisman van de Munt hem eveneens een contract aangeboden. Nochtans hield hij aan zijn eerste contract nauwelijks een cent over als je zijn verblijf in een Parijs hotel eraf trok. Als “straf” zou hij van Huisman slechts één keer in Brussel mogen optreden. Tot Gerard Mortier eraan kwam natuurlijk.
Maar eerst verhuisde hij nog tot ’67 naar Genève, waar vooral aan zijn acteursopleiding werd gesleuteld, en dan tot 1976 naar de Deutsche Oper Berlin (dankzij Lorin Maazel). Tussendoor schitterde hij als Escamillo zowel in de Scala (’70) als in Covent Garden (’73) of de ‘Met’ (’75) en sinds ’68 (als ‘idool’ van von Karajan) ook ieder jaar in Salzburg. In 1979 zong hij Leporello in de filmversie van “Don Giovanni” door Joseph Losey. Pas vanaf 1981 (Mortier) is hij eigenlijk sant in eigen land.
Eind 1986 verleende de befaamde Belgische bariton dan ook zijn medewerking aan de uitvoering van Beethovens 9e Symfonie ter gelegenheid van de heropening van het Muntgebouw. Daarna ging hij op tournee met de Opera van Lyon in Polen. In februari ’87 zong hij Filips II te Lausanne en Don Giovanni in de Chátelet te Parijs. In de maand mei keerde hij naar Brussel terug voor de rol van Falstaff die hij ook in de zomer te Aix en in november ’87 te Rome zal vertolken. In 1988 is hij uitgenodigd voor Pelléas et Mélisande te New York, Die Meistersinger von Nürnberg te Parijs en Der Fliegende Holländer te San Francisco.
In 1988 stond Van Dam ook aan de wieg van de Elisabethwedstrijd voor zang en in 1992 zong Van Dam in Salzburg (alweer Mortier!) de titelrol in “Sint-Franciscus van Assisië” van Messiaen, een rol die hij overigens in 1983 had gecreëerd. De regie was in handen van Peter Sellars. Dit werd op 8/6/93 gevolgd door “Die Meistersinger von Nürnberg” (Wagner). Dit was een herneming van de regie van Kurt Horres met José Van Dam als Hans Sachs, maar niet in alle voorstellingen. Ik weet dan ook niet of dit de Parijse voorstelling is, waarover hij in diverse interviews heeft verklaard: “Ik wist dat het een ramp zou worden. Het gebeurt dat je in een productie terechtkomt waarin je niet gelooft, maar je kunt niet weg omdat het contract getekend is. Ik ben tegen vernieuwing om de vernieuwing. Een regisseur mag creatief omgaan met het werk van een groot componist, maar hij moet iets bijbrengen dat de muziek waardig is en dat het genre vooruithelpt. Ik wilde uit de productie stappen, maar toen hoorde ik dat ook de andere solisten dit wilden doen en enkel op mijn voorbeeld wachtten. Maar dan zou de hele zaak in duigen gevallen zijn en dat wou ik niet.”
Die invloed van de regisseur is volgens Van Dam zelfs op CD te horen, tenminste als het registraties van live-opvoeringen betreft uiteraard, zoals in het geval van “Don Carlos” met Luc Bondy als regisseur en Antonio Pappano als dirigent. Al vond Van Dam dit dan wél een geslaagde samenwerking: “De Muntschouwburg is trouwens een voortrekker geweest wat de optimale samenwerking tussen regisseur en dirigent betreft.”
Die “Don Carlos”-opname was de eerste in de Franse versie: “Deze versie is meer theater dan opera. Op die manier had ik soms paradoxaal genoeg de indruk dat ik Spaans zong. Toch veel meer dan in de Italiaanse versie.” (Giuseppe Verdi – Don Carlos – Orchestre de Paris – Antonio Pappano – Roberto Alagna, José Van Dam, Thomas Hampson – EMI 7243 5 56152 2)
Bij het overlijden van koning Boudewijn (31/7/93) wenste de koningin dat hij op de begrafenis zou zingen (begeleid door Bernard Foccroulle), maar op dat moment zat hij in Salzburg en dat veroorzaakte, alhoewel Gerard Mortier hem uiteraard wel wilde laten gaan, wel wat moeilijkheden met de Wiener Philharmoniker. Toch werd enkel voor de begrafenis de voorstelling een paar dagen verplaatst. Daarom vond Van Dam het toch “iets speciaals”. Anderzijds wil hij blijkbaar geen royalist genoemd worden, want in het reeds vaker aangehaalde gesprek met de GVA antwoordt hij op die vraag: “Ik heb vaak opgetreden voor de koninklijke familie, maar die banden zijn louter professioneel.” Toch is José Van Dam de man achter de herdenkingsconcerten ter nagedachtenis van koning Boudewijn die op diverse plaatsen in het land werden georganiseerd in 1996. Bijgestaan door het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen geleid door zijn chefdirigent Grant Llewellyn vertolkte hij werken van Mendelssohn, Mortelmans, Schumann, Wagner en Mahler, die op de een of de andere manier met de overleden vorst te maken hadden.
Daarna wilde Van Dam in Sarajevo “L’histoire du soldat” gaan zingen (een project van Bernard Foccroulle), maar de Verenigde Naties gaven hiervoor geen toestemming.
In Marseille heeft hij in 1995 de Académie Internationale d’Art Lyrique gesticht, kortweg AIDAL, na zijn minder prettige ervaringen met zangonderricht op het Luikse conservatorium. Het is een privé-school voor twaalf gesponsorde leerlingen die na de conservatoriumopleiding volgt en die één jaar bedraagt. Tal van grote zangers (b.v. Christa Ludwig en Nicolai Ghiaurov) komen daar master classes geven in diverse genres van opera. Toen men hem dan ook nog het voorzitterschap van de operaschool van Parijs aanbood, heeft hij dat enkel aanvaard indien er een samenwerking met de Académie zou zijn.
Nog in 1995 was hij de centrale gast was op de jaarlijkse uitreiking van de Caeciliaprijzen door de Vereniging van de Muziekpers, waarvan ik toen lid was. Nu zou men zeggen dat voor hem “a lifetime achievement award” was weggelegd, ook al was de zanger toen nog lang niet aan zijn afscheid toe. Zelfs toen hij in 2010 afscheid nam van het publiek van de Muntschouwburg, verklaarde hij in een interview met de Gazet van Antwerpen dat hij nog lang niet dacht aan stoppen: “Ik doe geen grote operarollen meer, maar ik zeg geen vaarwel tegen het vak, noch tegen de muziek. Als genre werd opera me te vermoeiend: steevast zes weken repetitie, en altijd in en uit dat kostuum… (lacht) Met in de herst onder meer een concerttour in Japan blijf ik wel nog een tijdje zingen. Het opleiden van jonge zangers aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth, wat ik sinds kort doe, zal ook een steeds grotere plaats innemen in mijn carrière. En, o ja, in 2012 speel ik in een nieuw stuk in Théatre du Parc in Brussel. Acteren zonder zingen, dat heb ik nooit eerder gedaan.” Waarbij Van Dam dan wel voorbijgaat aan zijn filmrol in “Le maître de musique” van Gérard Corbiau uit 1988, wat toch op de eerste plaats ook een geacteerde rol was. Maar hij bedoelt wellicht: op de scène heb ik dat nooit eerder gedaan.
José Van Dam is drie keer getrouwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk met een pianiste heeft hij een zoon, Tom, die informatica heeft gestudeerd en amateur-zanger is. De tweede keer huwde hij een zangeres en dat was ook het geval met de derde, Christiane Oelze, waarmee hij veel in de Munt was te zien.

Referentie
Ronny De Schepper, Muziek voor Boudewijn, Het Laatste Nieuws 8 juni 1996

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.