Dimitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Het is vandaag ook veertig jaar geleden dat de Russische componist Dimitri Sjostakovitsj is overleden.

Hij werd geboren op 25 september 1906 in Sint-Petersburg als zoon van de zanger Dimitri Boleslavovitsj en de pianiste Sofia Vassiljevna. Hij studeerde bij Alexander Glazoenov en wordt vaak beschouwd als iemand wiens composities werden “beknot” door de partij, maar dat is niet helemaal waar. Akkoord dat hij lid was van de in 1924 gestichte ASM (vereniging van de hedendaagse muziek), die een reactie was op de RAPM (vereniging van proletarische muziek) uit 1923, maar hij was daar dan toch het meest conservatieve lid van. En wanneer beide strekkingen door het partijbureau worden veroordeeld, schrijft Sjostakovitsj zijn eerste twee symfonieën die tussen die twee uitersten schommelen.
Oorspronkelijk was Sjostakovitsj beïnvloed door Berg, Hindemith, Milhaud, Schönberg, Stravinsky en zelfs jazz, een genre dat eigenlijk verboden was, maar dat tamelijk getolereerd en soms zelfs aangemoedigd werd. Hij was ook “een fanatiek voetballiefhebber. Hij was officieel scheidsrechter, maar vooral een vurig supporter van Zenit Leningrad. (…) Hij was een voorstander van verfijnd technisch voetbal en daarom was zijn favoriete Zenit-speler Piotr Dementiev, die in de volksmond ‘de ballerina’ werd genoemd. Sjostakovitsj componeerde in 1930 – het kon niet uitblijven – een ballet De Gouden Eeuw, over een Russische voetbalploeg die op bezoek gaat naar het Westen. Hij noemde voetbal trouwens ‘het ballet van de massa’s’. Hij wedde ook en dan kwam de pessimist in hem boven: hij zette altijd geld in op het verlies van Zenit.” (*)
Sjostakovitsj schrijft in maart 1933 zijn 24 preludes, kort na zijn huwelijk met Nina Varzar, met de humor van Chaplin of Gogol. Volgens Franz Lemaire is de sonate in d op.40 uit 1934 een opgewekt werkje, omdat Sjostakovitsj nog niet wist dat een jaar later de heer Kirov zou worden vermoord (de man naar wie later het ballet en de opera werden genoemd) “wat zou leiden tot vijftig jaar van terreur”.
1937 wordt een keerpunt. Stalin is woedend over het “formalisme” van “Lady Macbeth van Mzensk” van Sjostakovitsj en stelt “Tikhy Don” van Ivan Dzersjinski als voorbeeld (ironie: “Tikhy Don” kan maar gerealiseerd worden dankzij de actieve steun van Sjostakovitsj). Stalin laat drie nieuwe krachtlijnen voor de Sovjetmuziek uitvaardigen: 1. het onderwerp moet een proletarisch thema zijn; 2. de muziektaal moet “realistisch” zijn en steunen op Russische volksliederen; 3.de inhoud moet positief zijn en als het enigszins kan de Staat in een goed daglicht plaatsen. Sjostakovitsj maakt a.h.w. zijn zelfkritiek door zijn vierde symfonie terug te trekken en in zijn vijfde symfonie (1937) een meer monumentale muziek, die harmonisch veel eenvoudiger is, te gebruiken en zo terug te keren naar de uitdrukkingsvormen van de 19de eeuw, met name die van Mahler, Tsjaikovski en de Russische Nationale School. De pathetiek, eigen aan deze stroming, komt tot een hoogtepunt in de zevende symfonie (de ‘Leningrader’), die hij componeert na de belegering in ’41.
Het pianokwintet van Sjostakovitsj werd door hemzelf (samen met het Beethoven Kwartet) in Moskou gecreëerd op 23 november 1940 en nù vertelt men erbij dat de doodsgedachte, die als zo vaak in het werk van Sjostakovitsj opduikt, te wijten is aan de veroordeling door Stalin van zijn opera “Lady Macbeth”, maar toen zal hij er dat wel niet bij gezegd hebben!
Sjostakovitsj schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog een pianotrio (op.67), waarin het laatste deel een danse macabre is, geïnspireerd door de nazi’s die hun slachtoffers dwongen op hun graven te dansen, net voor de executie. Dat leverde hem de Stalinprijs op, zijn tweede na die voor het pianokwintet uit 1940.
Sjostakovitsj schreef echter ook vrolijke muziek in die periode, met name het “Notencahier van een kind”, op.68, uit 1945 voor zijn dochtertje Galja, dat net piano was beginnen spelen, of de “Age of gold polka”, waarin hij de draak steekt met de ontwapeningsconferentie van Genève.
Het eerste celloconcerto van Sjostakovitsj ontstond na de tweede wereldoorlog, onmiddellijk na zijn 11de symfonie. Het is opgedragen aan Mstislav Rostropovitsj en werd door deze in oktober 1959 in St.‑Petersburg gecreëerd. Het werk is in zijn geheel niet zwaar georkestreerd ‑ één hoorn als enig koperinstrument ‑ maar het eerste deel is vol beweging en energie. Het wordt ingezet door de solist met een krachtig hoofdmotief (sol ‑ mi ‑ si ‑ si bémol) onder begeleiding van de houtblazers. Dit motief en het daarvan afgeleide materiaal domineren enige tijd tot een volgende cel van vier noten, een variant (do ‑ si ‑ mi bémol ‑ re) van het “handtekening‑motief” (DSCH) van de componist, op het toneel verschijnt. Een solo van de hoorn speelt verder een vitale en virtuoze rol in dit niet aflatend levendige deel. Het tweede deel is hoofdzakelijk lyrisch en opent met een melodie van strijkers, gevolgd door een motief van de hoorn‑solo. Daarop volgt de grote solocadens die eerst in een rustig tempo over enkele thema’s van het langzame deel reflecteert maar daarna geleidelijk aan versnelt. Na een vluchtige verwijzing naar het hoofdthema wordt de slotbeweging ingezet. Het hoofdthema van deze finale wordt afgewisseld met contrasterend materiaal in de vorm van een rondo, of beter een soort rondo‑sonate, vanwege het steeds terugkerende contrasterend motief. Aan het einde verschijnt nog eenmaal het hoofdthema van het eerste deel, dat ingenieus wordt gecombineerd met het eerste thema van de finale.
Zijn eerste vioolconcerto trok Sjostakovitsj echter terug omdat hij verkoos een Stalinprijs in de wacht te slepen met de cantate “De zang van de wouden”. Kort daarna zou hij echter toch opnieuw in ongenade vallen. Tussen 1948 en 1955 was filmmuziek dan ook zijn voornaamste bron van inkomsten. In die tijd componeerde hij muziek bij een tiental films. Aan collega’s bekende hij: “Het is niet aangenaam om dit te doen. Ik raad u aan dit alleen maar te doen bij extreme armoede, extreme armoede.”
Na de dood van Stalin rehabiliteert Kroetsjov Sjostakovitsj. Diens neiging om jazz te incorporeren in zijn muziek wordt niet langer bestreden. “Repressief optreden tegen muziekgenres helpt niet,” wist Kroetsjov. “Het volk moet zelf kunnen oordelen waarom iets verwerpelijk is.” Dat jaar schreef de Sjos zijn elfde symfonie, die hij heel expliciet de titel “1905” meegaf, m.a.w. de bestorming van het Winterpaleis. Na zijn dood wijzen “waarnemers” er echter op dat deze symfonie een jaar na de inval in Hongarije is gecomponeerd en dus zou in de eerste beweging (“het paleisplein”) niet zozeer de terreur van het tsaristische regime, dan wel van het Sovjetregime worden uitgebeeld. Je moet mij eens komen uitleggen hoe je dat in muziek kunt laten hóren!

Referentie
Ronny De Schepper, Sjostakovitsj op de lunch, Het Laatste Nieuws, 15 april 1994

(*) Fred Brouwers, Zenit! Zenit! Zenit! in het magazine van het Symfonieorkest Vlaanderen nr.61 (september 2011)

Een gedachte over “Dimitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s