Het is vandaag 140 jaar geleden dat de Deense auteur Hans Christian Andersen is gestorven. Hij is vooral bekend als sprookjesschrijver.

Met sprookjes kun je alle kanten uit, en veralgemenend kunnen we dit ook stellen voor “kinderlectuur” van welke aard ook. Al haasten we ons dan wel om erop te wijzen dat sprookjes oorspronkelijk niet voor kinderen bedoeld waren (*), vandaar bijvoorbeeld het grote aandeel van seksualiteit en erotiek. Wat later uiteraard werd “weggezuiverd”.
Dit is reeds zo vanaf het moment dat ze voor het eerst werden opgetekend. Inderdaad, daar sprookjes tot de “volkscultuur” behoorden, achtten de “intellectuelen”, de burgerij, het niet noodzakelijk dat ze te boek werden gesteld (hetzelfde is gebeurd met de volksmuziek). Het heeft dan ook geduurd tot de romantiek – een burgerlijke beweging met evenwel veel belangstelling voor “het volk” – zich aandiende.
DE GEBROEDERS GRIMM
Met name de gebroeders Grimm hebben zich hiervoor ingezet. Waar Jacob een filoloog was, die ernaar streefde de woorden van de oude sprookjesvertelsters zo nauwkeurig mogelijk op te tekenen, ontpopte Wilhelm zich reeds als een moralist en “dus” als vervalser. Eén voorbeeld, namelijk uit “De dood als peter”. Dit is een sprookje over een arme man die een peter zoekt voor zijn dertiende kind. Ook Onze Lieve Heer komt zich aanbieden, maar de man antwoordt: “Ik wil U niet als peter hebben, want U geeft aan de rijken en laat de armen honger lijden”. Tenminste, in de eerste editie, in de volgende echter voegt Wilhelm daaraan toe: “Dat zei de man, omdat hij niet wist hoe wijs God rijkdom en armoede verdeelt”.
Jacob Grimm (1785-1863) en Wilhelm Grimm (1786-1859) studeerden beiden rechten aan de universiteit te Marburg. Jacob is de grondlegger van de Germaanse filologie als wetenschap en was politiek ook erg actief in zijn tijd. Zo bezoekt hij Parijs en het Congres van Wenen als secretaris van de Hessische gezant. Hij wordt hoogleraar en bibliothecaris in Göttingen in 1829, maar zal samen met broer Wilhelm in 1837 verbannen worden. Hij wordt hoogleraar te Berlijn en had zitting in de Nationale Vergadering te Frankfurt. Zijn wetenschappelijke onderzoekingen hadden vooral ten doel een overzicht te maken van het intellectuele leven van het Duitse volk: de taal, rechtsgeschiedenis, dichtwerken.
Samen met Wilhelm geeft hij sprookjes uit: “Kinder und Hausmärchen” (I-II) en “Deutsche Sagen” (I-II). In het laatste deel van de Märchen zijn er aantekeningen voorzien, wat hem tot de grondlegger van het moderne sprookjesonderzoek omdoopt. Zijn activiteit is erg veelzijdig geweest: hij gaf Oud-Duitse poëzie uit en schreef een ‘Duitse’ grammatica waarin hij de (later naar hem genoemde) wet van Grimm, dit is de wet van de Germaanse klankverschuiving van de consonanten, formuleerde. Dit is één van de belangrijkste feiten der Germaanse taalgeschiedenis. Grimm is ook de invoerder geweest van de termen ablaut, umlaut en sterke en zwakke verbuiging…
Met zijn “Deutsche Mythologie” schreef hij de eerste systematische behandeling van alles wat met het geloofsleven der oude Germanen samenhing, een eerste poging om door te dringen tot de essentie van de heidense godsdienst. Ook uit het gezichtspunt van de neerlandistiek verrichtte hij origineel werk. In 1834 gaf hij in zijn “Reinhart Fuchs” niet alleen de Middel-Hoogduitse en Middel-Nederlandse teksten, maar ook andere Latijnse gedichten die met de dierenfabel in verband stonden.
Ook broer Wilhelm werd hoogleraar te Göttingen en te Berlijn. Hij bestudeerde vooral de Duitse middeleeuwse poëzie. Ook hij zorgde voor een wetenschappelijke primeur, nl. “Über deutsche Runen”, de eerste wetenschappelijke behandeling der runen. Hij verwierf het meest bekendheid door een ander standaardwerk “Die deutsche Heldensage” waarin hij de oorsprong en ontwikkeling van de heldensage behandelt.
Een paar bekende sprookjes in deel één van de pocketuitgave van Prisma zijn o.a. Hansje en Grietje, Sneeuwwitje en Doornroosje. En in deel twee vinden we Roodkapje, Assepoester, De wolf en de zeven geitjes en Klein Duimpje terug. (Sprookjes van Grimm, Uitgeverij Het Spectrum, deel één 256 blz., deel twee 272 blz.)
VLAANDEREN
In Vlaanderen dient op dit vlak vooral Victor de Meyer (1873-1938) te worden vermeld met “De Vlaamsche Vertelselschat”. Tussen 1925 en 1933 verschenen hiervan vier delen, samen de uitvoerigste bundel van Vlaamse volksvertellingen waarover we beschikken. De Meyer nam niet minder dan 439 sprookjes op en vermeldde bij ieder sprookje al de bekende varianten.
Een andere de Meyer, Maurits namelijk (1895-1970), liet in 1921 een sprookjescatalogus verschijnen en in de jaren vijftig het boek “Vlaamse sprookjes” dat tot een bestseller zou uitgroeien.
Andere namen die een vermelding verdienen zijn Amaat Joos (1855-1937), met eveneens een vierdelig werk, “Vertelsels van het Vlaamse Volk”, en daarnaast nog eens tweehonderd niet gepubliceerde sprookjes. En Hervé Stalpaert (1914-1981) bundelde het vertelrepertoire van Richard Duytschaever (1880-1966) uit Oedelem.
Volkssprookjes zijn in de versies zoals ze tot ons zijn gekomen vaak zodanig verminkt (“verbeterd” heette dat dan) dat men ze haast als “cultuursprookjes” kan catalogeren. Vooral Erik Hulsens heeft zich daaraan vaak gestoord. Het baart dan ook geen opzien dat hij bij Infodok de leiding op zich heeft genomen van een reeks die deze sprookjes opnieuw willen uitgeven zoals ze oorspronkelijk werden verteld, “zonder schmink” dus. Als eerste kwamen die van de gebroeders Grimm aan bod en wel via een herwerking van een licentiaatsverhandeling van Patrice Van Reet. De titel is geworden “De ongeschminkte Grimm”, het aantal bladzijden bedraagt 144.
Naast deze “ongekuiste” versie van Grimms sprookjes in een uitgave van Infodok, zijn er ook “feministische” versies, o.a. door Angela Carter of Emma Donoghue (“Een kus voor de heks”).
Toch brengt uitgeverij Casterman nog altijd sprookjes op de traditionele manier op de markt. “De drie beren”, “De drie varkentjes”, “Aladin”, “De gelaarsde kat”, “Klein Duimpje” en “Sneeuwwitje” werden door Anneke Aalbers aangepast voor kindjes van de laagste klassen en waar de woorden misschien toch nog moeilijkheden opleveren komen zoeterige tekeningetjes van René Cloke de kinderen te hulp. Het is niet direct lectuur die ik aan mijn kinderen zou geven (een oud wijf dat mooie meisjes vergiftigt, een vrijgevochten feministe die zo maar de pap van drie macho-beren uitdrinkt enz.), maar ja, je hebt er van alle soorten de dag van vandaag.
Wist je overigens Sneeuwwitje roots in de echte wereld zou kunnen hebben? Haar verhaal zou gebaseerd zijn op dat van Margarete von Waldeck, een Duitse
edelvrouw. Haar broer baatte een kopermijn uit. De kinderen die er werkten raakten misvormd door het werk en werden dwergen genoemd. Er was zelfs een schoonmoeder in het spel die haar, jaloers op haar schoonheid, naar het hof in Brussel stuurde. Daar raakte ze in een romance met prins Filip II van Spanje verwikkeld.
FANTASIE OF NIET?
In het verlengde daarvan kan men vaststellen dat sprookjes aanvankelijk vaak subversief waren. De oudste, landelijke, sprookjes “dromen” gewoon van een grote rijkdom die door een “wonder” een arme te beurt valt, omdat dit soort subproletariaat totaal onmondig was en niet in staat tot organisatie. De jongere, stedelijke sprookjes hebben dikwijls een soort Tijl Uilenspiegel of Charlie Chaplin in de hoofdrol, een sluwe guit dus die de rijken door list en handigheid de buit afsnoept, zo bijvoorbeeld in “Met z’n zessen de wereld door” en in “De meesterdief”.
Vaak behoorden die rijken ook tot de geestelijke stand (vooral nota bene in Oost-Vlaamse volkssprookjes, zoals ze in de 19de eeuw werden opgetekend door de Duitse vriend van Jan Frans Willems, Johann Wilhelm Wolf, 1817-1855), waarbij meteen ook de seksuele hypocrisie werd aangeklaagd. Die heren predikten immers kuisheid en onderdanigheid, maar zelf namen ze het er goed van.
Deze verzameling Oost-Vlaamse sprookjes verscheen dus wel in het Duits (zelfs onder de titel “Deutsche Märchen und Sagen”), zodat we voor de eerste “Vlaamse” uitgave aangewezen zijn op West-Vlaanderen, namelijk “Oude kindervertelsels in den Brugschen Tongval” van Adolf Lootens (1835-1902). Men zou geneigd zijn op te merken dat het typisch is dat het hier meteen “kindervertelsels” betreft, maar op het einde van de negentiende eeuw verschenen ook twee boekdelen met erotische Vlaamse sprookjes. Dat gebeurde uiteraard anoniem in een internationale reeks van erotische folklore “Kryptadia”, die twaalf boekdelen in beslag nam tussen 1883 en 1911. Later heeft men deze bundels kunnen toeschrijven aan August Gittée (1858-1909) en Alfons de Cock (1850-1931).
Niet toevallig zijn deze sprookjes minder gekend dan de “wonderbare”, al dient meteen toegegeven dat de Cock ook met Pol de Mont (1853-1931) heeft samengewerkt aan “Vlaamsche Wondersprookjes, het volk naverteld” (Gent, 1896). Twee jaar later verscheen, eveneens in Gent, een vervolg: “Vlaamsche vertelsels uit de volksmond opgeschreven” door dezelfde auteurs.
Ook buitenlandse auteurs als Hans Christian Andersen of Alan Alexander Milne hebben schuld aan die evolutie. Zij zijn dan ook niet langer “optekenaar”, maar “echte” schrijvers. Uitzonderingen zoals Frederik van Eeden, ja zelfs Godfried Bomans bevestigen de regel.
Het kwam zelfs zo ver dat onder het nazisme de verspreiding van sprookjes in de hand werd gewerkt. Niet te verwonderen dus dat linkse critici, schrijvers, leraars en dergelijke, sprookjes met argwaan gingen benaderen.
Ze begingen evenwel de fout van de schuld enkel en alleen op het “fantastische” te schuiven. Het is wel juist dat de burgerij dit element opzettelijk gaat beklemtonen om zo de kinderen verwijderd te houden van de “harde” realiteit, maar die fantasie is dan toch maar “voor een groot deel” en niet “alom” tegenwoordig. De vertrekbasis (arme proletariërs) was, zeker in de ontstaansperiode van sprookjes, zeer reëel.
Het gevolg was dat “linkse kinderlectuur”, realiteit was en niets dan realiteit. En tot de grote verbazing van de schrijvers, grepen dikwijls hun eigen “links opgevoede” kinderen toch nog liever naar die “verderfelijke” sprookjes. Geen wonder natuurlijk, daar een kind inderdààd een voorliefde heeft voor het fantastische. Zelfs de werkelijkheid is fantastisch voor hen. Dat alles van nature op zijn minst reeds tweemaal groter is dan het kind, kan in nachtmerries bijvoorbeeld “uiteraard” tot nog grotere disproporties leiden.
Het komt er dus vooral op aan, aan de fantasie een gerechtvaardigde plaats te geven. Dit kan men op verschillende manieren doen.
EEN VARKEN ALS KAPITALIST
Het zal misschien verwondering wekken, maar de strips van Walt Disney kunnen hier als voorbeeld gesteld worden. Het spreekt vanzelf dat Disney als prototype van de Amerikaanse kapitalist (cfr. Disneyland) in zijn verhalen systeembevestigend te werk gaat, maar toch is de techniek om de realiteit iets “fantastisch” te geven door ze te bevolken met muizen of eenden zeer geschikt om de werkelijkheid “aanspreekbaar” te maken voor kinderen. Als zodanig is het niets nieuws natuurlijk, want onze vos Reinaert is daarvan een veel ouder voorbeeld, veel linkser ook, al was het hier natuurlijk geen kapitalistische maatschappij die ten tonele moest worden gevoerd.
Deze techniek wordt ook met succes toegepast in “Arthur en Clémentine”, een uitstekend boekje dat het vooral op het doorprikken van het rollenpatroon gemunt heeft.
Het tekent de geschiedenis van vrouwtjesschildpad Clémentine die dacht dat trouwen met Arthur het grote avontuur ging worden. Maar toen Arthur de tijd gekomen achtte om zich met Clémentine ergens te vestigen en zelf dagelijks met voedsel terug te komen, begon de ellende. Clémentine had immers de wereld in willen trekken. “Nee“, zei Arthur, “je blijft gezellig thuis“. Maar zij verveelde zich spoedig. “Vervelen?”, verbaasde hij zich. Clémentine wilde een fluit hebben, dan zou ze muziek kunnen leren. “Haha“, zei haar man, “Jij fluiten? Maar kind, ik ken je toch, je kunt geen noot van een ander onderscheiden“. En Arthur, die goede huisvader, bracht een grammofoon voor haar mee. Toen Clémentine wilde schilderen, kwam Arthur met een schilderij aanzetten… En zo is dat een tijdje doorgegaan. Tot Clémentine uiteindelijk de vrijheid koos en de wijde wereld introk.
Deze stichtelijke en bovendien ware historie werd geschreven en geïllustreerd door Adela Turin en Nella Bosnia. De jeugdige lezers leren er niet alleen een bepaald rollenpatroon in vraag stellen, ook wordt hun oog gestreeld door de prachtige tekeningen in kleur. Treffend is wel hoe goed de tekenares de psychologie van beide partners heeft kunnen weergeven: de blikken die Arthur en Clémentine elkaar toewerpen, spreken op zichzelf boekdelen.
ER WAS EENS
Een tweede mogelijkheid is het aanwenden van de typische verteltrant van sprookjesverhalen en op die manier de werkelijkheid te “vertalen”.
Als voorbeeld kunnen we Hermynia Zur Mühlen (1883-1951) nemen. Haar sprookje “De Knecht”, begint als volgt:
Er was eens een klein dorp, dat lag in de wildernis aan de voet van een hoge berg (…) De dorpsbewoners velden de bomen, verkochten de mooie, dikke stammen overal in de wereld (…) Toch was het zwaar werk (…) Zo kwam het dan ook, dat ze door het al te harde werk mopperende mistroostige kerels werden…”
Op een dergelijk moment treedt in een sprookje dan meestal een tovenaar op, en inderdaad ook hier. Echter gewoon in het taalgebruik dan, want in werkelijkheid is het een ingenieur die een stoomzaag (“De Knecht”) in elkaar geknutseld heeft.
Het “sprookje” gaat dan verder met het feit dat “een vreemde” de machine koopt (“Jullie zullen het veel beter hebben dan tevoren, want ik zal jullie werk geven, en elke week krijgen jullie loon, jullie hoeven niet eerst te wachten tot het hout weg is. Alle moeite en alle last zal ik op mij nemen, uit liefde voor jullie“) en nadien de arbeiders ongenadig uitbuit.
Voor één keer eindigt het boek van Zur Mühlen dan eens niet met een (geslaagde) revolutie en een schildering van een in een sprookjestaal getransponeerde socialistische maatschappij, maar op een vooruitzicht op die revolutie (door de kinderen).
Liva WillemsIn ons eigen taalgebied kan “Zazapina in de Zoo” van Liva Willems (1933-2002) misschien als voorbeeld dienen, want Zazapina is een “heks”. Een vooruitstrevende weliswaar want samen met de kinderen uit de buurt belet zij de bouw van een building op een speelpleintje.
Een andere lieve heks is bijvoorbeeld Saxana uit de gelijknamige (uitstekende) Tsjechische film.
REALISEERBARE FANTASIE
Een derde mogelijkheid tenslotte is dat men wel gaat fantaseren maar dan zodanig dat het theoretisch toch doenbaar blijft. Dit gaat terug op een ander groot discussiepunt in de sprookjesliteratuur: de pertinente wreedheden. Denken we nu nog maar alleen aan de bekende zoals daar zijn “Roodkapje”, “Hansje en Grietje”, “Klein Duimpje” en “De wolf en de zeven geitjes”. Bij de minder bekende zijn er nog explicieter wreedheden te signaleren.
Deze wreedheden gaan terug op de ontstaansperiode van de meeste sprookjes: de feodaliteit, voorwaar een harde tijd. Door de burgerij werd op dit gebied geen censuur gepleegd, integendeel, Wilhelm Grimm laat op eigen houtje, aan het einde van “Assepoester” de twee “gemene” zusters de ogen uitpikken.
Dat is als volgt te verklaren: iedereen weet dat door het uitspreken van angstgevoelens men deze tenminste voor een deel reeds de baas is (cfr. de fameuze sofa van de psychiaters). Hetzelfde kan men ongeveer zeggen van agressie (“afreageren”). En net zoals men op de colleges zo graag de sport stimuleert (en liefst de meest “agressieve” zoals voetbal) om de leerlingen te “kalmeren” (ook seksueel), zo oordeelde de burgerij de wreedheden in sprookjes erg “nuttig” om de onvrede van de jeugdigen in een bepaalde richting te kanaliseren.
Ook linkse pedagogen als Merkel en Richter (“Vertel geen sprookjes over sprookjes”) zijn echter principieel niet tegen geweld in kinderlectuur. Een kind hééft nu eenmaal angsten in een wereld van volwassenen (“reuzen”, zie hoger). Het beste wat men kan doen is niet ze te verdringen, maar ze op te lossen. En dit kan men nu precies doen door die “realiseerbare fantasie”, dit wil zeggen door in de verhalen nadruk te leggen op het eigen kunnen van de kinderen, op hun mogelijkheden, op hun vindingrijkheid.
Zij geven dan als model “De aardewerkers en de rovers” van Jochen Unbehaun, maar als ze Nederlands zouden kennen, kon daar ons inziens gerust “Jam van Ilona” van Bert Kok en Riek Swarts naast staan. Zelfs op televisie wordt dit procédé aangewend namelijk in “Wickie de Viking”, zij het wellicht niet met “linkse” bedoelingen.
Over Vikingen gesproken, de Noordse mythen (en niet “Noorse” zoals het boek vermeldt) zijn bij ons, West-Germanen, hooguit “gekend” via de opera’s van Richard Wagner. En “gekend” plaats ik dan bewust tussen aanhalingstekens, want veel verder dan de imponerende muziek zullen de meeste “kenners” niet geraakt zijn. Vandaar dat de verdienste van de Nederlander Henk van Kerkwijk, om de godenwereld en reuzen en dwergen uit het koude Noorden voor ons te openbaren in zijn boek “Dondergoden en Pestkoppen” op zich reeds zeer groot is. Maar van Kerkwijks verdienste gaat nog verder. Hij wil namelijk op de eerste plaats een jeugdig publiek bereiken. En dat is uitstekend want kinderen mogen dan wel vertrouwd zijn met de Bijbelse mythologie (niet alleen gelovige kinderen, hoop ik) en misschien zelfs met de Griekse of de Keltische, maar de Noordse sagen zijn volslagen onbekend. En ten onrechte, zo blijkt uit dit boek dat sprankelt van diversiteit. Anderzijds is deze diversiteit (vaak tegensprekelijk zelfs, zoals volkse verhalen geregeld zijn) net zoals de moeilijke en talrijke eigennamen (ondanks een uitstekend register achteraan, want ja, wie raadpleegt dit voortdurend tijdens z’n lectuur?) juist een beletsel dat het boek het zal “doen” bij een jeugdig publiek. Jammer, maar volwassenen en andere bollebozen kunnen hier alvast hun voordeel mee doen.
We blijven in het hoge noorden: wat weten we b.v. over Finland? Geef toe, heel weinig. En wat over Estland? Nog minder, om precies te zijn practisch niets. In zo’n geval ben je natuurlijk blij te kunnen kennismaken met de volkscultuur van die landen onder de vorm van een verzameling volkssprookjes. Helaas deze bundel van Bruna bevat vooral archetypische sprookjes, die zich eigenlijk in niets onderscheiden van andere volkssprookjes.
Dat houdt in dat ze even grillig, even fantastisch en even wreed zijn en hoegenaamd niet geschikt om b.v. voorgelezen te worden voor kinderen.
CULTUURSPROOKJES
Ik wil nog eens terugkomen op het verschil tussen “volkssprookjes” en “cultuursprookjes”, want dat is tamelijk essentieel. “Volkssprookjes” werden immers sedert eeuwen mondeling overgeleverd en bestaan bijgevolg in talrijke min of meer afwijkende versies met als constante veel geweld en erotiek en ook vaak een nauwelijks verholen kritiek op de (meestal feodale) maatschappij.
“Cultuursprookjes” daarentegen zijn producten van een bepaalde schrijver. Meestal koppelt die er dan ook een soort van zedenles (“moraal”) aan vast – ook als het zich tot volwassenen richt – zodat dit genre veel dichter bij de fabel of de parabel komt te staan dan het voorgaande. “De kleine Johannes” van Frederik van Eeden is hiervan een goed voorbeeld (en op een grimmige manier ook de erotische parafrase “Zomerdagdroom” die Louis Paul Boon hierop schreef).
Daar beide genres echter vooral in de romantiek erg populair waren en er fameus werd geknoeid met de authenticiteit van de volkssprookjes is het wel begrijpelijk dat b.v. wetenschappers als de gebroeders Grimm vaak in één adem worden vermeld met de Deense schrijver Hans Christian Andersen (1805-1875). Over hem bestaan mede dank zij de geromantiseerde biografieën in film (met Danny Kaye) en in musical (met Tommy Steele) de meest groteske misvattingen.
Andersen heeft voor meer dan driekwart van zijn leven aan de zelfkant van de maatschappij geleefd. Zijn ouders waren arm. Hij was immers een onecht kind van een prostituée (iemand die zich uitgaf als zijn vader is later wel met haar getrouwd, maar nu beweert men dat Andersen mogelijk zelfs het product is van een koninklijk slippertje; hijzelf heeft dit echter nooit geweten) en zijn grootvader was de dorpsgek (liep met een papieren hoedje op en maakte mooie houten vogeltjes voor de kost, maar meestal gaf hij ze gewoon weg). Zijn zuster volgde haar moeder op in haar beroep. Andersen schaamde zich verschrikkelijk over z’n afkomst, alhoewel hij het in een verhaal als b.v. “De Sneeuwkoningin” dan toch ook weer positief voorstelt. Maar er is bij hem steeds een grote kloof geweest tussen droom en realiteit. Als voorbeeld mag de geweldige anekdote die wijlen Godfried Bomans steeds aanhaalt over zijn bezoek aan Dickens volstaan: Andersen schreef dat Dickens tranen weende wanneer hij hem verliet; in werkelijkheid schreef Dickens: “He was a terrible bore” (“Hij was een vreselijke klier”). Boven het bed waarin hij had geslapen hing Dickens het volgende briefje: “In this bed slept H.C. Andersen for three weeks; it seemed ages for us” (“In dit bed sliep H.C. Andersen gedurende drie weken; voor ons leken het echter jààààren”).
Andersen was dan ook een neurotisch iemand: hij was lelijk (cfr. “Het lelijke eendje”, de zwaan stelt de roem voor waarnaar hij streefde), had net als Edgar Allan Poe angst voor “premature burial” (schijndood begraven worden) en hij had smetvrees.
Dit laatste heeft ervoor gezorgd dat hij als maagd is gestorven. Vooral vrouwen vond hij immers vies (oorzaak wellicht te zoeken bij het beroep van z’n moeder). Toch heeft hij drie huwelijksaanzoeken gedaan o.a. aan Jenny Lind, een beroemde operazangeres, de zgn. “Zweedse Nachtegaal”. Zij sprak hem echter steeds aan als “broer”. Hij schreef met de gedachte aan haar: “Onder de wilgeboom” en natuurlijk “De nachtegaal”. Wellicht was hij echter homoseksueel. Sommigen leiden dit af uit de verhalen “De kleine zeemeermin” (omdat hij dit zelf zou zijn) en “De tinnen soldaat”, maar vooral uit het feit dat hij nogal dweperig met iemand bevriend was, maar daarmee totaal brak toen deze huwde.
Hij begon met toneel spelen, daarna schreef hij zelf stukken en nog later romans, maar alles waaraan hij begon flopte. Tot men hem aanspoorde zijn vertellingen op te schrijven. Het werd een succes (eerst in Engeland) maar werd als kinderlectuur aanzien, zodat hij nog steeds “onbevredigd” bleef. Toen hij dan eindelijk aan het Deense hof werd uitgenodigd, vertelde hij het verhaal van de nachtegaal om de koning te pesten. Deze vond het echter leuk.
Dit sprookje, samen met o.a. “Het leuke eendje” en “De nieuwe kleren van de keizer” vinden we in deel één van de pocketuitgave van Prisma. “Het tinnen soldaatje” en “De sneeuwkoningin” staan in deel twee. (Sprookjes van Andersen, Uitgeverij Het Spectrum, deel één 192 blz., deel twee 188 blz.)
Bekend zijn ook de sprookjes van Godfried Bomans, maar wist u dat zelfs Karl Marx een sprookje heeft geschreven? In “Hans Röckle und der Teufel” verkoopt de titelfiguur zijn ziel aan de duivel in ruil voor tovermacht. Als hij die echter niet voor zichzelf aanwendt, zal zijn ziel toch gered worden. Ondanks alle listen van de duivel, gebruikt Hans Röckle zijn toverkracht om de verdrukte boeren te helpen en zo blijft hij uiteindelijk toch uit diens klauwen. Dit zeer moralistische (en eigenlijk zelfs christelijke) sprookje werd destijds in de DDR verfilmd door Ibse en Vimas Korn.

Ronny De Schepper

(*) “Je moet die sprookjes beschouwen als een soort van inwijdingsritueel, dat vroeger bedoeld was om de toehoorders, zowel volwassenen als kinderen, te helpen om het leven beter aan te kunnen.” (Kamagurka in Weekend-Knack van 19/3/1997)

Beperkte bibliografie
Walter Scherf, Das Märchenlexikon, uitgeverij C.H.Beck, 1.621 blz.
Ton Dekker, Jurjen Van der Kooi & Theo Meder, Van Alladin tot Zwaan kleef aan, Lexicon van sprookjes. Ontstaan, ontwikkeling, variaties, Kritak/Sun, 1997, 478 blz.
J. Merkel-D. Richter, Vertel geen sprookjes over sprookjes, Kritak.

3 gedachtes over “Hans Christian Andersen (1805-1875)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.