Jo Claes wordt zestig…

00De Vlaamse auteur Jo Claes viert vandaag zijn zestigste verjaardag. Zelf ken ik hem niet, moet ik toegeven, maar mijn vriend Johan de Belie schreef er destijds wel een stuk over in De Rode Vaan.

Na « De stenen toren » en « De dwaling » is Jo Claes met « Postume dood » aan zijn derde roman toe. Hoe zwaar belast ik een auteur wanneer ik hem in één adem noem met Johan Daisne? Belast, in positieve dan wel negatieve zin. Een roman als de « Postume dood » refereert te overduidelijk aan het magisch-realisme, speelt te expliciet in op de rol van het Toeval, flirt te sterk met begrippen als Lot, predestinatie en determinisme. Als het magisch-realisme dan geen genre is, maar veeleer een filosofie, dan blijkt Jo Claes niet zozeer een adept maar wel een theoloog van de richting. Hij dweept niet, hij maakt van zijn fictie geen religie; hij schuwt de bombast die nogal eens bij de literaire en ook bij de plastische richting lijkt te horen. Sober, strak, boeiend en toch zeer indringend is « Postume dood » een boek uit een richting die ik al een beetje in een hoek van mijn onderbewuste had geduwd. Een aangename en leerzame confrontatie.
Joris Hamelent reist richting St.-Goar, bij de Loreley, om de begrafenis van zijn vader, die toen Joris nog een kleuter was zijn gezin verliet om in Duitsland met een nieuwe liefde ook een nieuw bestaan op te bouwen, bij te wonen. Pas vertrokken geeft hij een lift aan het meisje Anita Wevers; wie is zij? Is haar relatie tot Joris’ vader, deze van bewonderaarster van de literator Herbert Hamelent? En hoeveel initiatief gaat uit van haar, om haar verhouding tot Joris te intensifiëren? « Een ont-moeting lang geregeld voor zij plaatsvond » zegt Anita zelf (pag. 27). Daarmee de rol van het toeval in een ander licht plaatsend. « De wereld van een verhaal had slechts realiteitswaarde zolang je binnen het verhaal bleef. Daarbuiten golden andere wetten: oorzaak en gevolg… de grillen van het lot » meent Joris (pag. 81); maar gelden die wetten tenslotte echt ? De fictie heeft structuur en samenhang, de werkelijkheid niet; tenzij ze zo schitterend geregisseerd wordt dat het werkelijke nauwelijks geloofwaardig is. Jo Claes zal tenslotte in zijn roman elke theorie op de helling zetten; wat rest zijn emoties, vermoedens, vragen.
Binnen deze intrige tussen Joris en Anita, en in voortdurende wisselwerking ermee (want oorzaak en gevolg ervan) is de zoektocht van de verteller naar zijn vader die hij nooit echt kende, met wie door toedoen van zijn verbitterde moeder, elke band verbroken bleef, elke brief onbeantwoord en zelfs ongelezen, één
der romans uit het autobiografische oeuvre van Herbert Hamelent « De verloren vader » zelfs ongeopend. In het kleine stadje aan de Rijnoever ontdekt Joris stap voor stap, daarbij voortgestuwd door de herinneringen van de plaats en door Anita wier rol in dat proces steeds onduidelijker maar manifester wordt, zijn verloren vader, diens motieven, diens pijn om de breuk; en langzaam leert hij zien hoe een vader veroordeeld werd om daden die hij nauwelijks controleerbaar in de hand had. Om gevoelens die niet ontkend konden of mochten worden.
Omwille van het geluk. Maar dan, zo stelt Herbert zich in zijn roman de vraag, « ben ik gelukkig? Was het allemaal de moeite waard ? …Volmaakt geluk is een illusie. Maar geen enkel leven is leefbaar zonder illusies… Misschien is de waarheid ook slechts een illusie, en is illusie een waarheid. » (pag. 135)
Volg je de ontwikkeling van Joris, zijn eindelijk volwassen worden (ook al is hij gehuwd en heeft hij, net als zijn vader toen, één zoon) dankzij de confrontatie met zijn vader, dan volg je ook via zeven fragmenten die telkens een hoofdstuk inluiden, het relaas van de verloren vader zoals Herbert dat zelf neerschreef. Wat de parallelsituatie van Joris nog scherper maakt, vooral wanneer je soms denkt in het verhaal van Joris te zitten terwijl even later blijkt dat je het relaas van de vader leest. Een structureel knappe vondst, sterk uitgewerkt, die het parallelverhaal voor de lezer een zeer grote werkelijkheidswaarde verleent — waarmee we weer bij het magisch-realisme en zijn voorwaarden zijn aanbeland. Vanuit een bijna klinisch opgebouwde werkelijkheid, weet Jo Claes de magie van het lot, het toeval en de liefde in zijn verhaal in te voegen. En ook daaraan een perfect logische verklaring mee te geven, die hij even prompt en verrassend weer in twijfel dompelt, aldus elke (overbodige) verklaring aan de lezer overlatend.
Geen echt open einde, hoewel je dat bij een klassieke roman wel zo zou noemen; veeleer een kans om de magische vonk te laten overspringen, en het verhaal van de werkelijkheid opnieuw te beginnen. Want « welke beslissing rest ons ? Welke vrijheid blijft over? Niemand ontsnapt aan de tirannie van het leven, niemand zet de toekomst naar zijn hand. En elk plan, elke beslissing is afhankelijk van de grillen van het lot. Er is geen vrije keuze, want noch de aanzet, noch de uitkomst wordt door ons bepaald. » (pag. 97). Wat Joris, die steeds meer de identiteit van zijn vader over zich heen voelt schuiven (mooi gesymboliseerd wanneer hij in het bed van zijn vader gaat slapen en vaststelt dat « de uitholling in de matras paste als gegoten »), tegenspreekt door zijn vertrek, ook nadat hij zich de snor heeft afgeschoren om meer op zijn vader te lijken. Maar hoe definitief dat vertrek was, dat blijft het echte open einde…

Referenties
Jo Claes, Postume dood, Uitg.H, Schoten, 1987, 140 blz.
Johan de Belie, Een verloren vader, De Rode Vaan nr.22 van 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.