Het is vandaag al 25 jaar geleden dat de Antwerpse volkszanger John Lundström is overleden.

Als L.P.Boon Wannes van de Velde met Tijl Uilenspiegel vergelijkt, dan zou hij John Lundström zeker Lamme Goedzak noemen. Je zou het met andere woorden de brave man niet aanzien maar ook hij kon aardig katachtig uit de hoek komen, namelijk toen hij reageerde op een heleboel mensen die hem zijn derde elpee “Liedjes van bajons vol.II” kwalijk hadden genomen. John was al heel lang actief in de Volksdanscentrale en in jeugdbewegingen vooraleer hij in een platenstudio terecht kwam. Alhoewel hij helemaal buiten de folkrevival stond, was het voor een baanbreker als hem niet meer dan normaal dat hij zijn graantje kwam meepikken.
Tot dan liet John zich niet bijwijlen door een commerciële firma maar had hij een album gemaakt vol socialistische strijdliederen. Lundström was een vurig BSP-propagandist maar niet onvoorwaardelijk – hij zag de BSP liever scheep gaan met de KP dan met de CVP b.v. – en dit werd hem niet steeds in dank afgenomen, zo heeft hij zich bij de BSP-leiding moeten komen verantwoorden voor zijn “Stakingslied Antwerpen 73”. Kortom, het zou duren tot Vuile Mong vooraleer er iemand van zijn kaliber zou opdagen.
Voor zijn tweede elpee werd Lundström echter onder de arm genomen door CBS. Geen geëngageerde leideren meer, maar men zei dat het “reculer pour mieux sauter” was en bovendien waren het nog steeds “koleirige liedjes”. John (in Humo 6-3-75): “Een meer directe aanleiding tot mijn zeemansliedjes waren die toestanden op de tentoonstelling ‘Het Schip’ in de Antwerpse Stadsfeestzaal. Daar stond een reusachtig mechanisch orgel dat melodieën uit Het Witte Paard en De Lustige Weduwe speelde. En als dat ding ophield met dreunen, kwam Freddy Quinn aan de beurt met gelul over Seemann, Heimweh, das Mer… En dan ben ik kwaad geworden. Ik heb gezegd: ik ben van Antwerpen en van het Schipperskwartier en bij ons stond er een elektrische piano en naast ons In de zwarte kat stond er een orgel dat liedjes van bij ons speelde. De zeelui zongen in ons café hun eigen liedjes en dat waren geen zoetelijke dingen over Heimweh en zo. Ik heb dadelijk twaalf liedjes gemaakt en die staan op de plaat Liedjes van bij ons. Zo zie je maar hoe liedjes soms ontstaan: je maakt je eens kwaad, en het is gebeurd!”.
Maar op zijn derde elpee was er van de linkse Lundström nóg geen spoor te bekennen. Toen schreef Miel Appelmans in Tliedboek dat het voor hem niet meer hoefde (alleen formuleerde hij het een beetje anders, “schijnheilig” en zo), daarom klom John zelf in de pen (TL 41) voor een soort manifest a.h.w.: “Ik ervaar u, Miel, als iemand die zich een stukje socialisme bijeengelezen heeft. Werkmensen, en daar hoor ik bij, hebben altijd wat wantrouwig gestaan tegenover pseudo-socialistische intellectuelen. Als gij bovendien nog gebruik maakt van van uw positie als erkend criticus en uw artikels vult met verdachtmakingen, dan stinkt dat een beetje naar fascisme.”
Waar is de tijd dat Lundström “Tliedboek” nog met gerust gemoed kon lezen omdat daar dingen instonden zoals “Lundströms teksten hebben niet de snede van linkse intellectuelen als Biermann, Degenhardt of Ferré maar muzikaal en tekstueel herinneren ze aan Woody Guthrie en dat is geen kleine referentie.” (Lieven Tavernier). Of Dirk Van Esbroeck die beweerde: “Ik denk trouwens dat de enige die de mensen bereikt met zijn engagement John Lundström is. Smartlappenmuziek die de mensen onmiddellijk herkennen, heel simpele teksten, het is iemand van hun leeftijd, dàt komt over bij de mensen. De mensen verstaan dat, maar voor het overige behoren de protestzangers hier in Vlaanderen helemaal tot de bourgeoiscultuur.”
64 briefje van John LundströmDie opmerking had best gepast in het debat over “Muziek en maatschappij” dat destijds plaatsvond op het Feest van de Rode Vaan. Miel Appelmans zei daarin o.a.: “John Lundström b.v. bekloeg er zich voortdurend over dat zijn betaalde optredens zich voor negen tienden situeerden bij katholieke organisaties. Ten derde zijn er vanuit links nooit creatieve dingen geprobeerd. Ik denk aan een alternatieve platenfirma b.v. of een soort van subsidiebeleid.”
Willy Courteaux: “Ik deel je pessimistische bedenking bij de optredens van John Lundström niet. De voornaamste reden zal immers wel zijn dat onze culturele infrastructuur op de eerste plaats conservatief-katholiek is. De fameuze parochiezalen.”
Jef Turf: “Is het ook niet verkeerd de scheiding progressief-conservatief gelijk te stellen met katholiek of niet? Ik geloof dat men in vele katholieke middens Lundström uitnodigde omdat men het eens was met de door hem vertolkte ideeën.”
(John Lundström was in 1959 al te zien op de toenmalige NIR in het programma “Blijf jong”. Hij zorgde ook voor de muziek van “Zwart en wit“, de bewerking van de roman van Gerard Walschap in het Mechels Miniatuur Theater. Hij nam ook deel aan het eerste – en enige – Vlaams Progressief Zangfeest.)

Een gedachte over “John Lundström (1916-1990)

  1. Je stuk over John Lundström wekte zeer aangename herinneringen aan de tijd toen hij in de utopische beginfase — 1972 tot ca.1975 — van de Universitaire Instelling Antwerpen op de campus in Wilrijk herhaaldelijk mocht optreden in het kader van het departement “Didaktiek en Kritiek”, meer bepaald binnen de cursus van Pierre Deleu (1927-1990). Deleu was een prominente linkse figuur, doctor in de rechten van de VUB en licentiaat filosofie van de ULB, directeur van het Instituut voor Conflictstudie in Antwerpen en co-directeur van het Europees Informatiecentrum samen met Ludo Dierickx.
    Deleu wou op de UIA wat tegengewicht bieden tegen de bourgeoiscultuur die de meeste studenten van huize uit meebrachten, maar Lundström viel niet in goede aarde bij de potentaat die toen de plak zwaaide over Didaktiek en vond dat onze studenten vooral “profèchenels” moesten worden. Dus geen voorbijgestreefde flauwe kul van Aristoteles meer, maar zeker ook geen subversieve volkscultuur! Lundström kon het schudden, en tegen hem werd uitgespeeld dat hij zogezegd op zijn naamkaartje “docent aan de UIA” had laten drukken, maar ik heb daarvan nooit een bewijs gezien. Men zocht wellicht eerder een stok om de hond te slaan. Een utopische golfslag duurt nooit lang… Evenmin was Pierre Deleu een lange loopbaan beschoren: tegen hem werd uitgespeeld dat hij nog niet beschikte over een doctoraat met proefschrift, dat hij voorbereidde bij de polemoloog Röling in Groningen.
    Als adjunct-directeur van het Hoger Architectuurinstituut verruimde Deleu eveneens de horizon van zijn studenten o.a. door Tone Brulin uit te nodigen. Hij onderhield bovendien vriendschappelijke betrekkingen met belangrijke buitenlandse beeldende kunstenaars, o.a. de Pool Jerzy Mierzejewski (1917-2012), die niet alleen schilderde maar ook film doceerde (hij heeft vele Poolse filmmakers opgeleid). Ook hij mocht als gastdocent optreden en logeerde dan bij Deleu in de Koning Albertstraat 61 in Wilrijk, zoals hij zich nog levendig herinnerde in gesprek met Ernest van Buynder begin jaren 2000, toen Deleu al lang overleden was. Deleu stierf op z’n 62 in 1990, een half jaar voor Lundström die nochtans een tiental jaren ouder was. Twee onvergetelijke figuren, elk in zijn eigen genre.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s