Patrick Conrad wordt zeventig…

42-patrick-conradDe Antwerpse schrijver-cineast Patrick Conrad vierde gisteren zijn zeventigste verjaardag.

Eind 2010 heb ik “Louisiana” gelezen van Patrick Conrad (Houtekiet, 1996). Alhoewel ik het boek gekocht heb omwille van de titel en het uiteindelijk helemaal niet over de staat Louisiana blijkt te gaan, heb ik er toch geen spijt van, omdat er een andere interesse is die al meteen van de eerste bladzijden werd gewekt. Voor Harrie Heynen van de website Wielersportboeken ben ik altijd op de uitkijk naar boeken die (al is het maar heel zijdelings) over wielrennen handelen en bij “Louisiana” is het al op de eerste bladzijden prijs. De thriller wordt immers op gang geschoten als bij de onthulling van een standbeeld voor een “dichter-wielrenner” een schoendoos wordt gevonden met daarin de voet van de Minister van Cultuur die eigenlijk het beeld moest inhuldigen…
Die (uiteraard fictieve) renner heet Rik Van Kapellen (1915-1974) en hij wordt afgebeeld terwijl hij in de Tour de France van 1939 de Mont Ventoux aan het beklimmen is (p.10). En dat is dan weer jammer dat Patrick Conrad toch niet even heeft opgezocht of dat wel kón. Want neen dus, de Mont Ventoux werd in de Tour pas voor het eerst beklommen in 1951. Maar ja, om dergelijke “details” lijkt Conrad zich niet te bekommeren. Een paar bladzijden eerder (p.7) spelt hij de Oostenrijkse componist Franz von Suppé (1819-1895) zelfs als “Von Soupé”! En op p.40 Cyd Charisse als Cid Charisse. En als je op een bepaald moment een Frank Sinatra-song tegenkomt waarbij “heart” als “hart” wordt gespeld, dan denk je, ach, een zetfoutje, zodanig dat je de pagina niet noteert, maar als dan p.152 deze zelfde fout opnieuw opduikt, dan weet je wel zeker dat het de auteur is die in de fout is gegaan. Net zoals bij “speach” (p.235), zodanig zelfs dat je je gaat afvragen of “Frituur Brodway”, die in het verhaal een belangrijke rol speelt, dan toch niet opzettelijk verkeerd is gespeld (om aan te klagen dat vele Vlaamse cafés, snackbars en frituren met een vreemde naam uitpakken die ze soms niet eens juist kunnen schrijven). Idem dito voor “Eenzaam zonder jou” dat volgens Conrad (p.250) door… Louis Neefs wordt gezongen!
Wat ik met al dat nattevingerwerk dan ook aanmoet met de postume outing van Jan Theys (p.46) weet ik niet. Toch wil ik Conrad niet te veel vastpinnen op dergelijke slordigheden, want hij heeft het nog niet zo lang geleden al te verduren gekregen van Guido Lauwaert in het weekblad Knack.
“In 1976 publiceerde dichter Patrick Conrad bij de Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel de monografie ‘Hugues C. Pernath’,” schrijft Lauwaert. “Zij was een half jaar eerder geschreven, kort na de dood van zijn vriend op 4 juni 1975 in het trappenhuis van de Antwerpse artistieke club Vecu, tevens thuisbasis van de literaire kring The Pink Poets. Drieëndertig jaar later schrijft Conrad opnieuw een grafgroet, ‘Getande raadsels’. Een ode aan de vriendschap en een eerbetoon aan de kunstenaar Hugo Claus (…) Claus is de opstap om Conrads eigen palmares en parcours te promoten. Al op de eerste bladzijde is het raak. Zesmaal ik op twaalf regels! Bladzijde 34 zevenmaal ik, bladzijde 152 achtmaal. De lezer wordt haast kierewiet van de zelfbevlekkingen.”
Ergens heeft Lauwaert natuurlijk wel gelijk, al is hij misschien niet de aangewezen persoon om deze kritiek te formuleren. Ik hoop alleszins dat hij de ik-vormen op mijn eigen pagina over Hugo Claus niet heeft geteld! :-)
Vroeger was Patrick Conrad (1945) vooral bekend als dichter, beeldend kunstenaar, cineast en auteur van romans, maar de laatste tijd spitst hij zich toe op misdaadverhalen. “Louisiana” is pas zijn tweede poging (na “Limousine” uit 1994). Die eerste werken parodiëren tegelijk ook het genre, maar stilaan ging hij er zich meer in bekwamen, zodat hij in 2007 zelfs De Diamanten Kogel, de prijs voor de beste Nederlandstalige misdaadroman, in de wacht sleepte voor zijn roman “Starr”.
Zijn bekendste film is « Slachtvee » waarover Lode De Pooter in De Rode Vaan onder de titel “Scenario-gehakt” schreef dat-ie “terug moest naar de dierenartscontrole om er enkele kwalijke gezwellen uit te verwijderen.”
“Laatstgenoemde operatie is ondertussen uitgevoerd,” gaat Lode verder, “en zodoende is de prent van deze jonge Antwerpse cineast, die zich voordien ook al met poëzie en schilderkunst bezighield, weer in de zalen verschenen.
In vergelijking met de versie die destijds op het Festival van Brussel voorgesteld werd en die er vrij negatief onthaald werd, zijn er enkele scènes weggeknipt of anders gemonteerd.
Maar het zeer onwaarschijnlijke scenario kon daardoor niet veel geloofwaardiger gemaakt worden. Een intelligente en gezonde jongeman die per vergissing door een dokter voor doodziek verklaard wordt en die in de tijd welke hem nog rest met alle « slechteriken » uit het milieu wil afrekenen, is een zo hoogst uitzonderlijk wezen dat men er moeilijk kan in geloven. Vooral niet wanneer hij de factuur zo onhandig aandient.
Om in het domein van de beenhouwersstiel te blijven : « Slachtvee » (Belg. — 1980 — in kleuren – Elan) werd gemaakt uit scenario-gehakt. Zoveel mensen hebben er hun kruiden in gedaan en het door de molen gedraaid (Jean-Claude Carrière, Kees Sengers en Patrick Conrad zelf) dat er uiteindelijk een veelkleurige maar nog moeilijk te verteren brij uit voortgekomen is.
Patrick Conrad, die zich dus qua inhoud danig vergaloppeerde in zijn debuutfilm, heeft daarmee echter toch bewezen dat hij sfeer kan scheppen (beelden van Gilberto Azevedo en muziek van Thijs van Leer), dat hij al te begane paden durft te verlaten, dat hij zelfs voor verrassende effecten kan zorgen zoals b.v. in de slotsequentie wanneer de echte trouwtrekker van de onderwereld zwijgzaam ontmaskerd wordt.
Het feit dat hij door zijn vertolkers (Herman Gilis als de wreker en Ward De Ravet als de man achter de schermen, dit naast Stephane Excoffier en Marie-Luce Bonfanti) ook niet al te best gediend werd, verhoogt nog de negatieve indruk.
Maar al zijn fouten kennende — wat nog niet altijd toegevend betekent — moet Patrick Conrad een volgende maal beter kunnen wanneer hem nog de kans gegund wordt. Een cinema-oog heeft hij wel…”
Met “Innocent when you dream” (13-3-88) heeft Patrick Conrad een programma (hijzelf spreekt van een « film », maar dat is toch een te groot woord) afgeleverd waarvan hij eer haalt. Al moet hij die wel delen met cameraman Gilberto Azevedo en met Rudi Maerten, die samen met Conrad zelf de montage voor z’n rekening nam. Het uitgangspunt was zo simpel als het groot was : ter gelegenheid van de vijfde verjaardag van het overlijden van de Antwerpse zanger Ferre Grignard, die het in de « stoute » jaren zestig van de lokale kroegen tot de Parijse Olympia bracht (en dan weer terug), wilde men een beeld ophangen van die periode, door zijn vrienden aan het woord te laten in een gelijkaardige kroeg (De Kat). Of de drank gratis geleverd werd, staat niet in de persmap vermeld, maar hij heeft alleszins zijn werk gedaan. Met deze aftastende, ietwat voyeuristische aanpak werden dan een paar schaarse archiefbeelden vermengd. Schaars, maar daarom niet minder efficiënt, zoals dit bij mode-ontwerpster Ann Salens, de enige vrouw die in deze mannenwereld blijkbaar overeind (?) was gebleven, het geval was. Inhoudelijk leverde de dronkemanspraat echter uiteraard niet veel op. Op een bepaald moment kregen we zelfs medelijden met handige platenjongen Hans Kusters die een ladderzatte Fred Bervoets ertoe trachtte aan te sporen om « de Ferre » toch min of meer in de muzikale contekst van die jaren te plaatsen. Voor Bervoets is Ferre Grignard echter opgenomen in de schoot van alle heiligen en een vergelijking met eender welke andere zanger was dan ook uit den boze, laat staan enige kritiek. Nochtans mag — ondanks een inderdaad uitstekende debuutelpee — men daarvoor niet blind (of doof ?) zijn. Iemand als een Roland (om het nog maar in dezelfde sfeer te houden) had wellicht onnoemelijk veel meer talent. En over de jaren zestig zelf? Och ja, ook dat was voorspelbaar. De ene vond ze inderdaad « stout », de andere dan weer braaf. Weer een andere vond dat de « revolutie » reeds in de jaren vijftig had plaatsgevonden, terwijl een vierde zei dat ze nu nog altijd bezig was. Naar gelang van het ingenomen standpunt werd er dan ook nostalgisch of onverschillig op teruggekeken. Maar wat dat betreft stond de conclusie in die middens natuurlijk al vast: ze dronken een glas, ze pisten een plas en alles bleef zoals het was… (De Rode Vaan nr.12 van 1988)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s