Alhoewel hij afkomstig was uit Rijsel, was Philippe Noiret oorspronkelijk actief in het destijds door de Franse toneelregisseur Jean Vilar geleide Théâtre National Populaire (gevestigd in Villeurbanne), waar hij ook zijn vrouw (sinds 1962) Monique Chaumette heeft leren kennen.

Philippe Noiret speelde in die tijd in veelal klassieke toneelstukken van Molière, William Shakespeare, Victor Hugo en Bertolt Brecht. In diezelfde tijd deed hij ook aan cabaret. Hij vormde een succesrijk komisch duo met Jean-Pierre Darras.
In de jaren zestig stootte Noiret door in de filmwereld. Sleutelfilms waren het echtelijk misdaaddrama Thérèse Desqueyroux (Georges Franju, 1962) en de komedies La vie de château (Jean-Paul Rappeneau, 1966) en Alexandre le bienheureux (Yves Robert, 1968).
In de jaren zeventig werd hij pas echt een beroemd acteur. Heel wat prenten scoorden vaak uitstekend zoals de komedie La Vieille Fille (Jean-Pierre Blanc, 1972) met Annie Girardot (foto). Samen zitten ze ook in “Tendre poulet” van Philippe de Broca uit 1973 en in 1980 voor het vervolg, “On a volé la cuisse de Jupiter”. De interactie tussen politiecommissaris Annie Girardot en leraar Griekse cultuur Philippe Noiret zorgde ervoor dat dit vervolg er was gekomen. Overigens merkwaardig: in heel de film komt de titel niet ter sprake, maar gaat het wel degelijk over “les fesses d’Aphrodite”. Slechts in de allerlaatste scène (zonder dialoog) wordt de titel verklaard. Na “Tendre poulet” volgde het oorlogsdrama Le Vieux Fusil (Robert Enrico, 1975). Hierin wreekt Philippe Noiret op z’n eentje de verkrachting van en de moord op zijn vrouw (Romy Schneider dus) en dertienjarige dochter (Catherine Delaporte) door de bezettende nazi’s, waarbij niet enkel “un vieux fusil”, maar ook een vlammenwerper op een bepaald moment wel prominent aanwezig is. Daarna volgde de schandaalfilm La Grande Bouffe (Marco Ferreri, 1973), met beroemde acteurs als Marcello Mastroianni, Michel Piccoli en Ugo Tognazzi, toont een groep mannen die zich in een afgelegen villa met een stel prostituees te buiten gaan aan groepsseks en een vreetpartij met fatale afloop. Op het in hetzelfde jaar gehouden filmfestival van Cannes leidde de film tot de nodige opschudding. Dankzij La Grande Bouffe werd Noiret echter een acteur die veel gevraagd werd door Italiaanse cineasten als Mario Monicelli (o.a. over het leven van Gioacchino Rossini), Francesco Rosi en Ettore Scola. In die jaren ontmoette hij ook de jonge ambitieuze cineast Bertrand Tavernier, wat de start betekende van een langdurige vruchtbare samenwerking die resulteerde in acht films.
In de jaren tachtig bouwde hij zijn carrière alsmaar verder uit. Hij speelde onder meer in de dramatische in koloniaal Afrika gesitueerde komedie Coup de torchon (1981) en in het oorlogsdrama La vie et rien d’autre (1988), zijn twee meest succesvolle films met Bertrand Tavernier. In 1984 werd hij door Claude Zidi gevraagd om de hoofdrol te vertolken in diens politiekomedie Les Ripoux. De film werd zijn grootste commerciële succes en kende nog twee sequels. Het merkwaardige is wel dat deze duidelijk niet waren voorzien. Zo eindigt de oorspronkelijke film met het feit dat de “ripoux” (= “flics pourris”), Noiret en Thierry Lhermitte, een grote slag slaan en dus meteen ook uit het politiekorps verdwijnen. In “Ripoux contre ripoux” uit 1990 begint de film echter met de toestand zowat halverwege de oorspronkelijke Ripoux-film, namelijk wanneer Lhermitte nog enigszins tegenspartelt tegen de manier waarop Noiret hem eveneens op het slechte pad wil brengen. Het amorele van de Ripoux-films zit ‘m in het feit dat de “kleine” corruptie van Noiret als positief wordt voorgesteld tegenover de andere flikken die nog veel corrupter zijn…
Voorts volgden de mediathriller Masques (Claude Chabrol, 1987) en “Noyade interdite” van Pierre Granier-Deferre, eveneens uit 1987, waarin drie vrouwen (twee zussen en een Canadese vriendin) het opnemen tegen de mannen. Granier-Deferre baseerde zich op een Amerikaans boek: “Widow’s walk” van Andrew Coburn. Het lesbische aspect werd uit het boek wel weggevlakt. Alleen bij de Canadese vriendin vraagt inspecteur Philippe Noiret daar naar. “Ik heb genoeg aan mezelf,” antwoordt ze, terwijl ze haar zonverbrande huid toont, daarbij nonchalant haar borst ontblotend. Maar het zijn vooral de twee big budgetfilms Fort Saganne (Alain Corneau, 1984) en Chouans! (Philippe de Broca, 1988) die hoge ogen gooien bij de critici en aan de kassa.
In de jaren negentig bleef Noiret, ook buiten de Franstalige wereld, een bekende verschijning door zijn optredens in kassuccessen als Nuovo Cinema Paradiso (Giuseppe Tornatore, 1989), Uranus (Claude Berri, 1990) en Tango van Patrice Leconte, een intelligente komedie uit 1993. Naar het schijnt zou de film soms van vrouwenhaat worden beschuldigd omdat de hoofdpersoon (Richard Bohringer) zijn vrouw en haar minnaar vermoordt en er dankzij de compliciteit van de rechter (Philippe Noiret) mee wegkomt, maar ik kan u verzekeren dat ik destijds de film heb gezien in gezelschap van een vriendin en dat deze er evenzeer door gecharmeerd was als ik. Daarna volgden o.a. nog Le Bossu (Philippe de Broca, 1997) en Il Postino (Michael Radford, 1994) waarin hij de Chileense schrijver Pablo Neruda gestalte gaf.
Hij vond daarnaast altijd tijd om te blijven spelen in buitenlandse producties: van The Night of the Generals (Anatole Litvak, 1967) over Topaz (Alfred Hitchcock, 1969) tot Who Is Killing the Great Chefs of Europe? (Ted Kotcheff, 1978) en dat tot de kanker hem van ons wegrukte. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.