Franco Nero (San Prospero Parmense, 23 november 1941) is een Italiaans acteur die vooral actiehelden in Italiaanse exploitatiefilms speelde. In het dagelijks leven heet hij Francesco Sparanero. Nero is biseksueel en had verscheidene relaties met zowel mannen als vrouwen. Hij hertrouwde in 2006 met actrice Vanessa Redgrave die van hem in 1969 zoon had gekregen. Hij had haar leren kennen tijdens de opnamen van Camelot, waarin hij haar minnaar (Lancelot) speelde.

Francesco studeerde economie aan de universiteit van Milaan. Tijdens zijn studie werkte hij als freelancefotograaf. In die periode begon John Huston aan de opnamen van een film over de Bijbel, die hij vanwege de lagere productiekosten opnam in Italië. Franco moest foto’s maken op de set van deze film en kwam in contact met Huston. Die was onder de indruk van het uiterlijk van Franco en vroeg hem Abel te spelen in The Bible: In the Beginning (1964). Franco kreeg de smaak te pakken en hij ging audities doen. Zo kreeg hij de hoofdrol in de cult-spaghettiwestern Django (1966). In deze film speelde Nero het soort rol dat hem zou typeren tijdens de rest van zijn acteercarrière, die als koele, stoere en mysterieuze held. Hij speelde later in onder meer de spaghettiwesterns Texas Adios (1967), Massacre Time (1968), A Professional Gun (1968), Companeros (1969), The Mercenary (1970) en Keoma (1976). Hiermee verkreeg Nero de bijnaam ‘de Italiaanse John Wayne’. (Wikipedia)
Die Django-films waren zogenaamde exploitatiefilms, die echter wel een originele aanpak “exploiteerden”. Het was inderdaad in Europa dat er een grondige verandering van het karakter van de western kwam.
Niet dat er tot dan toe nog geen Europese westerns gedraaid waren, maar die waren vaak van een bedenkelijk allooi. Niet toevallig waren dat vooral Duitse films, die teruggingen op de boeken van Karl May. Aangezien Karl May nooit in Amerika was geweest (hij beweerde van wel – hij schafte zich zelfs memorabilia aan – maar dat was dan gedurende de jaren dat hij in de gevangenis had gezeten wegens… frauduleuze praktijken van diverse aard), was het beeld van de indianen echter allesbehalve correct. Vandaar misschien dat May nooit populair is geworden in de V.S., laat staan de verfilmingen van zijn werk!
Ongelooflijk maar waar, zelfs onder de nazi’s werd er een western gedraaid. Met een budget van 1,385 Reichsmark was “Wasser für Canitoga” van Herbert Selpin in 1939 zelfs een superproductie voor die tijd. Dat er zoveel geld werd tegenaan gesmeten had ongetwijfeld te maken met het feit dat de hoofdrol werd vertolkt door “superster” Hans Albers, die in de film de hit “Goodbye Johnny” vertolkte, die echter wél door de nazi’s werd verboden.
Maar het was dus in Italië dat we met de omwenteling werden geconfronteerd vanaf “A fistful of dollars” van Sergio Leone (of is het toch van Duccio Tessari zoals hij zich toen nog liet noemen?), een “remake” van “Yojimbo”, de klassieker van Akira Kurosawa uit 1961, die in 1997 nogmaals als “Last man standing” werd verfilmd door Walter Hill.
Alhoewel “A fistful of dollars” een film is uit 1964 heeft een en ander toch te maken met het rebelse jaar 1968 dat reeds in de lucht hangt. Zo wordt “Once upon a time in the west” (eveneens Sergio Leone), waaraan Bernardo Bertolucci o.a. meeschreef, beschouwd als een “marxistische geschiedenis” van Twilde Westen. Desondanks kon dit Lode De Pooter in De Rode Vaan niet vermurwen. Hij schreef: “Men kan van zeer knap vakwerk spreken (…) maar een echt bezielende kracht gaat er naar onze mening toch niet uit van deze films. De mens wordt er op een te gewild negatieve manier in afgebeeld. Het recht van de revolversterkste wordt er wat te opzichtelijk als voorbeeld in gesteld. En van die mentaliteit houden wij nu niet precies…”
Sergio Leone (1929-1989), die tot dan toe zogenaamde “sandalenfilms” (over de Grieks-Romeinse oudheid, b.v. “De kolos van Rhodos”) had gedraaid, haalde het in de jaren zestig dus in zijn hoofd om Europese westerns te gaan draaien. Die werden dan ietwat spottend “spaghetti-westerns” genoemd, enerzijds omwille van het land van herkomst, maar anderzijds ook omdat de “bolognaisesaus” rijkelijk vloeide. Leone’s films mochten dan minder expliciete maatschappijkritiek bevatten dan b.v. een “Soldier blue”, ze waren op hun manier toch ook erg effectief, aangezien ze de rauwe realiteit toonden. Als Cooper in “High noon” b.v. met een hele gangsterbende afrekent, dan vloeit er nochtans geen druppel bloed. Kogels blijken mooie ronde gaatjes in lijven en hemdjes te maken en men verwacht als het ware dat op elk moment een dode weer tot leven kan komen (*).
Leone daarentegen toonde schotwonden zoals ze zijn: diep, vuil en vreselijk bloederig. Clint Eastwood in Humo: “Amerikaanse westerns moesten in die tijd gehoorzamen aan de zogeheten Hays Code. Zo mocht je de cowboy die schiet en degene die getroffen neervalt nooit in één en hetzelfde shot laten zien. Maar Sergio trok zich daar geen zier van aan en filmde de schietpartijen gewoon in één take. Dat was revolutionair – zijn shoot-outs waren tegelijk hondsbrutaal en ongelooflijk opwindend.”
Dat was ook het geval voor Sam Peckinpah, al werd die tegelijk een fascinatie voor (en dus een aanzetten tot) geweld verweten. “The wild bunch” uit 1969 b.v. speelt zich af in een Texaans grensstadje in 1913, waar vijf gangsters (Ernest Borgnine, Edmond O’Brien, Warren Oates, Ben Johnson en leider William Holden) het spoorwegkantoor willen overvallen. Die aanval wordt echter verijdeld door “wakkere burgers”. Een aantal van die burgers zijn echter niet alleen wakker, maar ook oververhit en die willen o.l.v. Robert Ryan de achtervolging inzetten en de premie binnenrijven die is uitgeschreven.
In feite is hier de basis voor “Unforgiven” reeds aanwezig. Ook Clint Eastwood wil immers de mythe van de revolverheld ontluisteren. “Het is verdomd lastig om iemand te vermoorden,” wordt een paar keer in de film gezegd. En inderdaad, zelfs voor een premiejager kan het doden van een mens niet zo eenvoudig zijn. Maar daarmee zijn we nu plotseling veel te snel gegaan. Bij Sergio Leone was Clint Eastwood immers nog niet de grote vedette. Ook hij was, net als Candice Bergen en Peter Strauss, een televisie-acteur. De oudere jongeren onder ons herinneren zich b.v. ongetwijfeld nog de serie “Rawhide” (1958-1964). Toen al was Eastwood toch een iets stoerder type dan Strauss (niet toevallig speelde deze de “rich man” in de gelijknamige serie terwijl Nick Nolte de “poor man” was) en de films van Sergio Leone maakten het beeld compleet. Eerlijkheidshalve moet ik onmiddellijk daaraan toevoegen dat de aanwezigheid van Eastwood evenveel gedaan heeft voor het succes van de films als omgekeerd! Hij heeft trouwens zelf tot de kenmerkende stijl ervan bijgedragen door pagina’s dialoog weg te gooien en het beeld voor zichzelf te laten spreken.
De spaghetti-westerns werden zo populair, dat er ook komische spaghetti-westerns werden gedraaid. Het oervoorbeeld uit 1970 is “De rechter- en linkerhand van de duivel” (Enzo B.Clucher) met Bud Spencer (Carlo Pedersdi) en Terence Hill (Mario Girotti). Later ging deze laatste solo met “My name is Nobody”. Toen hij nog later de hoofdrol vertolkte in het door hemzelf geregisseerde “Lucky Luke”, droeg hij trouwens niet het typische gele hemd met zwart jasje en rode sjaaltje (rood-geel-zwart, heeft u ‘m?), maar het pak dat hij in “My name is Nobody” droeg. Omdat het hem geluk zou brengen. Het kan de perfecte illustratie van de onzin van bijgeloof zijn, want de film zonk als een steen. En één van de redenen was trouwens dat niemand Lucky Luke herkende…
Hill had trouwens beter moeten weten. Jaren eerder had immers ook Jean-Paul Belmondo reeds getracht de stripheld tot leven te wekken. Met Jean Gabin als rechter Roy Bean zelfs (**). Geen kleinschalige productie dus, maar toch nooit afgewerkt. O.a. omdat het geen zin heeft striphumor over te planten op filmbeelden (denk hierbij ook aan de Popeye van Robin Williams b.v.): in een stripverhaal springt de hoed van iemand die schrikt b.v. enkele centimeter van zijn hoofd. Zelfs met special effects wérkt zoiets niet in een film. En het casting bureau had – ongelooflijk maar waar – zelfs vier Fransen gevonden, die perfect de Daltons konden voorstellen, van klein naar groot. Alleen bleken deze vier heren hoegenaamd geen kaas te hebben gegeten van acteren.
Dat wil daarom natuurlijk niet zeggen dat komische westerns niet kùnnen. “The Cheyenne social club” van Gene Kelly was b.v. een komisch bedoelde western met Henry Fonda en James Stewart. Onnodig eraan toe te voegen dat de “social club” eigenlijk een bordeel is. En ene Harrison Ford debuteerde naast Gene Wilder in de komische western “The Frisco Kid” van Robert Aldrich uit 1978.
POLITICALLY CORRECT
Maar dat is allemaal natuurlijk slechts “tweede keus”. Niet alleen kwalitatief maar ook kwantitatief ging het ontzettend bergaf. In 1950 alleen werden meer westerns opgenomen dan tussen 1970 en 1990. Een uitzondering was “Little big man” van Arthur Penn naar een scenario van Calder Willingham, die ook het scenario schreef van “The Graduate”. In Frankrijk wordt Dustins stem hiervoor gedubd door Patrick Dewaere, die een groot bewonderaar van hem was. En er was ook “Jeremiah Johnson” van Sydney Pollack met vriendje Robert Redford. En nog in 1969 was er “Tell them Willie Boy is here” (met alweer Robert Redford, maar niet in de titelrol, dat was Robert Blake en diens vrouwelijke tegenspeelster was de mooie Katharine Ross), waarin Abraham Polonsky zijn eigen discriminatie onder de McCarthy-heksenjacht uitdrukt onder de vorm van de vernederingen die de indiaan Willie Boy moet ondergaan.

Ronny De Schepper

(*) Een ander lachwekkend voorbeeld is het hagelwitte kleed dat Joan Crawford in “Johnny Guitar” (Nicholas Ray, 1954) aantrekt om een lynching party tegemoet te treden en als ze dan nadien op de vlucht slaat samen met de Johnny Guitar uit de titel (die eigenlijk Johnny Logan heet, rol van Sterling Hayden), dan blijft die jurk kraakwit!
(**) Over rechters en dan zeker rechters die Bean heten gesproken: de ergste straf was natuurlijk de dood door verhanging. Daarbij is een bekend neveneffect dat gehangenen het letterlijk in hun broek doen. Dat Will Tura in “Twintig minuten geduld” dus “een bord met zwarte bonen” wordt voorgezet is dus geen goed idee. En de Hollanders wilden er dan per se nog bruine bonen van maken! (Denk ook aan de hilarische scène uit “Blazing saddles”.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s