25 jaar geleden: “Ik wil dringend terug naar mijn eigen manier van werken” (Dirk Tanghe)

49 dirk tangheHet Nederlands Toneel Gent (N.T.G.) viert dit jaar z’n 25ste verjaardag. Nog niet veel van gemerkt, zal je opmerken en gelijk heb je. Omwille van de herstellings- en vernieuwingswerken in de eigen schouwburg op het Sint-Baafsplein is het N.T.G. ook dit seizoen immers nog steeds verbannen naar het sportcomplex aan de Tolhuislaan en daarom besloot men de feestelijkheden nog een jaartje uit te stellen. Volgend seizoen zullen echter de champagnekurken knallen ter gelegenheid van «Jungle Book », geregisseerd door Dirk Tanghe in… het Tolhuis !

Het gaat dus nog steeds niet goed met de Gentse zalen. Niet alleen het operagebouw zal langer gesloten zijn dan voorzien, ook de werken in de K.N.S. blijven maar aanslepen. Men oordeelde echter dat men de viering van de verjaardag niet nog eens een jaartje kon uitstellen, zodat die uiteindelijk toch in het Tolhuis zal plaatsvinden.
Het jaartje uitstel is dus een maat voor niets geweest, tenzij misschien voor Dirk Tanghe zelf, want anders had de publiciteit zich nog meer op de pas voorbije productie van « Christus wordt weer gekruisigd » naar Nikos Kazantzakis geworpen dan dit nu reeds het geval was. En precies die overdadige publiciteit die de toeschouwers op het verkeerde been zette (men speelde in op de eindejaarstraditie die nu reeds enkele jaren is gevestigd met « Peter Pan » en « Pinokkio ») is er misschien de oorzaak van dat dit stuk niet met het gebruikelijke enthousiasme is ontvangen. Dirk Tanghe zelf is overigens de eerste om bepaalde tekortkomingen toe te geven. Zonder naar excuses te zoeken wijst hij wel op de korte voorbereidingstijd die er aan dit massaspektakel (zestig acteurs en figuranten) is voorafgegaan. En misschien komt het ook wel omdat dit, voor zover wij weten, de eerste maal is dat Tanghe een « opdracht » uitvoerde. Dat het dus geen stuk van zijn eigen keuze was en dat het daarom misschien de gedreven bezetenheid miste die aan de oorsprong ligt van succesproducties als « De getemde feeks », « De vrek » of « Romeo en Julia ».
Misschien, misschien, misschien. Het stopwoordje keert voortdurend terug en dit is niet toevallig. Want er is ook nog iets anders aan de hand met dit stuk. Het is immers onze vaste overtuiging dat deze productie op meer krediet van recensenten had mogen rekenen indien ze — op dezelfde manier — door een ander jong regisseur op de planken was gebracht. Wat heeft Dirk Tanghe misdaan dat hij steeds weer « gekruisigd » wordt door leden van de « incrowd » die dan echter wel zo ver uit elkaar liggen als het progressieve theatertijdschrift « Etcetera » aan de ene kant en Ivonne Lex aan de andere… ? Akkoord, op persconferenties kan hij soms vernietigend uithalen, maar dit is dan eerder een ietwat overspannen reactie op kritiek die eraan voorafgegaan is. Ongetwijfeld heeft dergelijke opwinding er ook toe bijgedragen dat Dirk vorig jaar enkele maanden uit de circulatie is geweest. Zijn grote « Koning Arthur »-project diende op die manier enige jaren te worden uitgesteld.
33 dirk tanghe« Ik moet me steeds maar verantwoorden en daar heb ik geen zin meer in. Ik wil opnieuw onbevangen zijn. »
Over dit alles ben ik met Dirk Tanghe zelf gaan praten, net op het moment dat zijn gedenkwaardige « Romeo en Julia »-aanpassing op televisie te zien was. Enige tijd daarvoor was overigens « De vrek » aan de beurt geweest en bij de publicatie van dit interview komt stilaan « De getemde feeks » er reeds aan. Onze eerste vraag lag dan ook voor de hand : wat vindt Dirk zelf van deze uitzendingen? Tenslotte zijn die producties niet voor het televisiemedium bedacht…
Dirk Tanghe: « Het is wel zo dat ik veel contact heb gehad met Berend Boudewijn, die de televisieregie voor zijn rekening heeft genomen. Hij heeft « Romeo en Julia » wel zeven of acht keer gezien en hij heeft dan met mij de mogelijkheden onderzocht om zo’n theaterproductie op een televisieschermpje te krijgen. En met een zeer beweeglijke camera is hij er volgens mij wel in geslaagd dat stuk zeer spontaan, zeer « telegeniek » te laten overkomen. Natuurlijk kan je het spanningsveld met een zaal nooit overbrengen op een televisiescherm, maar aan de andere kant kan je op de televisie met close-ups werken, je kan de acteurs a.h.w. in de ogen kijken. En ook het ritme van de voorstelling werd goed weergegeven, b.v. op het feest of tijdens het gevecht, wanneer de camera werkelijk over de schouders van de acteurs meekijkt. Daarvoor was het wel noodzakelijk om een paar scènes apart over te doen, zonder publiek, omdat de camerabewegingen anders de mensen in de zaal zouden gehinderd hebben. Kortom, ik was heel enthousiast, want ik heb reeds vele theatercaptaties gezien en slechts zelden heb ik daarvan kunnen genieten.
Anderzijds blijven het natuurlijk wel twee aparte media. Vandaar dat we voor « De Getemde Feeks » een volledige herwerking in de studio hebben gemaakt. Dat stuk hebben we helemaal aangepast aan de wetten van de televisie en dat werkt perfect. Ondanks het feit dat we maar drie draaidagen hadden, wat eigenlijk veel te weinig is, hadden we veel meer mogelijkheden voor camerabewegingen en ik had ook de kans om de acteurs veel intiemer te laten spelen. Hier kon dat ook, omdat « De getemde feeks » eigenlijk een voyeurstuk is : men kijkt binnen in de woonkamer van die mensen. Bij « Romeo en Julia » kon dat niet. Daar is het publiek echt noodzakelijk. Dat is echt een kwestie van vraag en antwoord. »
— Krijg je in zo’n geval geen zin om nu eens speciaal voor televisie te gaan werken ? Ik denk aan de reeks « Made in Vlaanderen » b.v….
D.T.:
« Jazeker. Er zijn contacten zowel met de KRO als met de BRT om in de toekomst iets te gaan doen. En dan bedoel ik: over drie, vier jaar. Want ik wil me daarin eerst wel scholen. Ik mag nu reeds op alle opnames aanwezig zijn om ervaring op te doen en een andere mogelijkheid is natuurlijk, zoals dat de laatste tijd steeds vaker gebeurt, samen te werken met iemand die zich meer met de opnameregie bezighoudt, terwijl ikzelf de acteurs zou begeleiden. Dat zou ik heel graag doen. Ik denk nu al tamelijk filmisch als ik stukken maak, dus… »
— Inderdaad. Ik dacht al dat men je afkeer van soap-series niet mocht veralgemenen tot een afkeer van het televisie-medium in het algemeen…
D.T.:
« Zeker niet. Ik zal ooit nog wel voor televisie werken, wees maar gerust, het heeft alleen een beetje tijd nodig. Net zoals ik ook nog voor de opera wens te werken. »
— Precies! Reeds op de persconferentie van « De Vrek » verklaarde je: « Als Gerard Mortier deze voorstelling ziet, zal hij me een regie in de Munt aanbieden. » Zover is het helaas nog niet gekomen ?
D.T.(na een kort lachje weer ernstig) :
« Waar ik vroeger een soort onbevangenheid had om, niet uit ambitie, maar gewoon uit plezier, iets te doen met een stuk of iets te maken, is er nu een grotere druk in de plaats gekomen. Ik moet me steeds maar verantwoorden en ik heb daar geen zin meer in. Ik wil opnieuw onbevangen zijn. Maar dat wil daarom niet zeggen dat ik zo maar aan een opera ga beginnen. Tenslotte weet ik niet hoe je met zo’n orkest, met die zangers moet omspringen. Het zou misschien goed zijn mocht ik de kans krijgen een opera te maken met « frisse » mensen. Die b.v. bereid zijn om twee maanden te repeteren. Ik moet ervoor zorgen dat mijn manier van werken niet naar beneden gedrukt wordt door het instituut, door zangers die slechts enkele dagen voor de première komen aanwaaien, de partituur in handen namen en vragen: zeg mij waar ik moet staan. Dat geldt trouwens niet alleen voor het instituut opera: wat ik met « De getemde feeks » heb kunnen doen (bij Malpertuis, RDS), kan ik helaas niet in het N.T.G. doen. Dat is nu eenmaal zo. Daarom ook dat ik dringend terug wil naar mijn manier van werken. En ik moet zeggen dat die toekomst er momenteel zeer, zeer goed uit ziet, hoor! »
46 dirk tanghe– Er is een ontzettende druk in de plaats van je onbevangenheid gekomen, zeg je, o.m. omdat je je steeds dient te verantwoorden. Dat klopt, mijns inziens, maar hoe komt dat nu precies? Omdat jij meer gevoelsmatig te werk gaat, terwijl er een trend is van meer cerebraliteit?
D.T.:
« God, ik weet het zelf ook niet. Ik ben daarin geduikeld, ik heb altijd achter mijn stukken gestaan, al heb ik daar zelf ook altijd vragen bij, maar op een bepaald moment wil ik toch met een product naar buiten komen. En dan duik ik op 28-jarige leeftijd met « De getemde feeks » plotseling vanuit het niets op en dan beginnen mensen dingen te schrijven waar ik zelf versteld van sta. Mensen die denken dat ze me kennen. Mensen die denken me in een vakje te kunnen duwen en daar dan het etiket « commercieel » of « oppervlakkig » op kleven. Maar ondertussen merk ik dat er duizenden mensen zijn die geroerd zijn, die geraakt zijn door dingen die ik gemaakt heb. In het begin was ik daar dan ook … ja ik zou niet zeggen gedeprimeerd van, maar toch … Waarom zo bitter? Waarom zo hard? Waarom zoveel azijn? Waarom die controverse? Goed, in de ogen van vele mensen ga ik oneerbiedig om met bestaande teksten. Maar ik denk dan : laat er mij, dan maar liever oneerbiedig mee omspringen i.p.v. alweer museumtheater te maken, stofferig, grijs, middelmatig, doods, ellendig, vervelend. Maar ja, zo’n klein land, met zo’n vreemde structuur, waar we drie schouwburgen hebben die om het jaar vierentwintig stukken moeten creëren op nog geen veertig kilometer van elkaar, zo’n kleine gemeenschap dat moet natuurlijk een echt roddelgat zijn.
Maar desalniettemin wil ik in dit woud mijn weg zoeken en wil ik mijn onbevangenheid terug. Op vele vragen heb ik immers ook geen antwoord. Waarom doe ik dit ? Waarom dat? Ik weet dat niet. Omdat ik dat zo aanvoel. Omdat het mij zo raakt. Ik heb altijd al een eigen manier van werken gehad met mijn acteurs en ik wil die niet verliezen. Anderzijds ben ik ook soms wel blij dat mijn stukken controverses uitlokken. Dat moet toch zijn omdat ze de moeite waard zijn. Hoeveel stukken zijn er niet die een recensie krijgen bij de première maar waarover later nooit meer wordt gesproken ? Maar het spreekt vanzelf dat ik nu bepaalde stukken helemaal anders zou regisseren. Ik noem mezelf trouwens niet graag een regisseur, eerder een schepper. Iemand die vertrekt van een idee, die het de moeite waard vindt om via een toneelstuk iets te vertellen over zichzelf of over de wereld en dan dat idee samen met de spelers en de mensen van het decor en de
costumes uitbouwen. Dát is wat ik graag doe. En in een instituut zoals het N.T.G. kan dat helaas niet. Ik moet mijn manier van werken versnellen en daar hou ik niet zo van. »
« Het liefst zou ik zonder tekst willen werken. Zonder woorden zou men moeten kunnen voelen wat er tussen twee personages omgaat. »
— En hoe is het werken met de acteurs in zo’n instituut? Zijn die hun enthousiasme niet wat verloren ? Bij « De vrek » was je in de wolken over hun stielkennis, maar anderzijds werk jij toch graag met amateurs, met jonge mensen ook?
D.T.:
« Ik heb het gevoel dat ik niet over voldoende tijd beschik om ze opnieuw enthousiast te maken. Als de repetities beginnen, zindert het vorige stuk nog na in hun hoofd en als de repetities gedaan zijn, zitten ze met hun gedachten reeds bij het volgende stuk. »
— Geldt dat ook voor jou ? Op 17 maart komt « Elektra » van Sophocles er reeds aan !
D.T.:
«Tussen « Christus wordt weer gekruisigd » en « Elektra » liggen gelukkig toch nog twee maanden. Ik heb nog meegemaakt dat op zaterdag « De goede mens van Sezuan » in première ging, op zondag « Oidipoes » in Amsterdam en ’s maandags moest ik aan « De vrek » beginnen! Première van « De vrek » op 11 november, eerste repetitie voor « Romeo en Julia » op 14 november. Als die reeks afgelopen was, startte een week later « Medea ». Zoiets vreet aan je. Maar niemand treft daarbij schuld, tenzij mezelf. Ik heb moeten constateren dat dit niet langer zo kan gaan. »
— Wie « Elektra » zegt, zal automatisch aan je enscenering van « Medea » denken. Wordt het m.a.w. weer een intieme voorstelling?
D.T.:
« Ik moet eerlijk zeggen dat ik het nog niet weet. Ik heb weer vijf voorstellingen in mijn hoofd zitten en ik ben er nog niet uit. Maar « Medea » is er zo gekomen. Ik wilde vermijden dat het een kopie werd van mijn andere voorstellingen. Vandaar die sobere voorstelling waarbij ik me erg op de tekst heb geconcentreerd. En ik blijf het een mooie voorstelling vinden, maar niet zo flamboyant als mijn andere producties. En van « Elektra » zou ik wél een flamboyante voorstelling willen maken. »
— Ik stelde de vraag vooral omdat de productie in het immense Tolhuiscomplex zal lopen en dat is nu niet direct bevorderlijk voor de intimiteit. Ik denk b.v. aan jouw « Dood van een handelsreiziger » vorig jaar, waarover ook alweer een polemiek is ontstaan, maar die kon vermeden worden indien de voorstellingen het kleinere NT2 op de Minnemeerskaai had plaatsgevonden.
D.T.:
« Arthur Miller gaf zijn stuk zelf als ondertitel mee « een aantal gesprekken in een huiskamer ». Ja, creëer die illusie maar eens in het Tolhuis ! Anderzijds heeft deze ruimte ook zijn voordelen: het decor van « Christus wordt weer gekruisigd » vind ik nog altijd fantastisch. Je kan met de ruimtebezetting werkelijk soms filmische beelden oproepen. Natuurlijk is « Elektra » intiemer. Maar dan denk ik: vroeger speelde men deze stukken in arena’s voor 14.000 mensen. Ik zou dus noch de grootsheid, noch de intimiteit van het stuk willen verliezen. Alleen zou ik niet willen dat het te theatraal overkomt. Ik wil echte mensen op scène. Vandaar ook dat ik met Johan Boonen naar een vertaling streef die heel rijk is aan poëzie, maar toch niet ver van ons afstaat. »
— En na « Elektra » ligt « Jungle Book » alweer op de loer…
D.T.:
« Voor « Jungle Book » ben ik samen met de tekstschrijver Jan De Vuyst en componist Lieven Coppieters op zoek naar « de nieuwe musical ». Ik heb er onlangs in Londen nog een aantal gezien en die zijn degelijk, die zijn professioneel, maar die zijn echt ouderwets. En het Ballet van Vlaanderen brengt daarvan bij ons kopieën en die blijven voor mij ergens steken in dat conservatieve. Ik zou graag hebben dat de mensen bij « Jungle Book » het gevoel hebben dat ze in een jungle zitten, zonder dat ze een jungle zien. En zo wil ik ook een musical maken. Een die niet gebaseerd is op bepaalde regels en patronen. Ik wil dat de muziek organisch uit de voorstelling groeit. Heel moderne muziek ook, geen Walt Disney, al vind ik die tekenfilm op zich prachtig, maar mijn voorstelling moet iets helemaal anders worden. »
48 dirk tanghe— We hebben het nu al vaak gehad over de nadelen van het werken in zo’n « instituut » als het N.T.G., maar anderzijds als er één regisseur is die thuishoort in een repertoiregezelschap, dan ben jij dat toch wel ?
D.T.:
« Wat mij het meeste boeit in die klassieke stukken is wat er met die mensen gebeurt. Hoe gefrustreerd Elektra is omdat ze haar wraak niet kan koelen. Hoe eenzaam de vrek wel is. De menselijke verhoudingen hebben me altijd meer geboeid dan b.v. via « Romeo en Julia » te proberen vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Ik ben niet dat soort geëngageerd regisseur. Ik ben geëngageerd op het menselijke vlak. Eigenlijk zou wat « Elektra » betreft Euripides, die meer psycholoog was, me nauwer aan het hart moeten liggen dan Sophocles. Je zal dan natuurlijk vragen… »
— Waarom Sophocles?
D.T.:
« Omdat het structureel mooier in elkaar zit. In de vertaling werden trouwens de drie versies (Aischylos heeft er ook één gemaakt, RDS) een beetje door elkaar gebruikt. Eigenlijk maken we geen nieuwe maar toch een eigen « Elektra ». Misschien begin ik wel met een filmisch visioen van Elektra waarin ze het eerste deel van de Oresteia, met o.a. de moord op haar vader, voor ogen ziet. Voor mij zijn al die stukken goed gemaakte thrillers. Al heb ik mij voorgenomen om in de toekomst wat eerbiediger om te springen met de auteur, wat meer vertrouwen te hebben in de bestaande tekst. Maar dat betekent wel dat ik een goede vertaling wil. « Romeo en Julia » vond ik vreselijk oubollig. Als die jonge mensen die tekst in hun mond namen, dan klonk dat net als het tegenovergestelde van hoe ik wilde dat-ie zou klinken. Ik blijf er trouwens bij dat een tekst niet mag primeren. Een tekst is het resultaat van een gedachte, van een gevoelen. »
— Er is op dit moment inderdaad een herwaardering van het teksttheater, vooral dan ten nadele van het improviserend werken. Indien men werkelijk van niets vertrekt, als de acteurs alles zelf moeten komen aandragen, vind ik dat terecht, maar zo werk jij toch niet? Persoonlijk vond ik nog heel wat Shakespeare, zelfs letterlijk terug in « Romeo en Julia »…
D.T.:
« Zeker, zeker. Ook in « De vrek » trouwens. Alleen de humor doet het nu niet meer op die manier. Maar als je daar wat aan sleutelt, behoud je toch nog de essentie van die stukken. Anderzijds zou ik bepaalde dialogen uit die stukken alweer veranderen. Omdat er betere equivalenten zijn. Ik heb vroeger in Torhout teveel moeten werken met amateurs die niet wisten wat er eigenlijk in die teksten stond. En daarom heb ik hen via improvisaties de bedoeling ervan leren kennen. Maar ik heb te lang die eigen zinnen weerhouden. In de toekomst wil ik uiteindelijk toch terug naar de schrijver. Met beroepsmensen heb je dat probleem natuurlijk veel minder. Die kunnen een tekst analyseren, die wéten wat er tussen de lijnen staat. Maar juist door hun métier hebben die dan weer de neiging om de tekst nu eens op die manier en dan weer op een andere te zeggen. Ik heb daar een hekel aan. Ze moeten voelen, ze moeten luisteren, ze, moeten geraakt zijn door elkaar.
Eigenlijk zou ik « Elektra » moeten kunnen laten spelen zonder één woord. Dat is eigenlijk mijn manier van werken. Zonder woorden moet men kunnen voelen wat er juist tussen die twee personages heerst: woede, angst, haat, seksuele aantrekkingskracht… En als je dan toch een zin wil laten zeggen dan moet die precies kloppen, moet die scherp zijn. Woorden zijn messen. Maar voor zo’n systeem, daar heb je tijd voor nodig … Je kan onmogelijk zeggen : beste spelers, maandag, dinsdag en woensdag improvisatie en donderdag de tekst erbij. Dat kan niet. Er zijn immers spelers die ontzettend snel improviseren en anderen hebben dan weer meer tijd nodig. Maar soms lukt het. Ik heb « Medea » eens laten improviseren, de vierde dag van de repetitie. Het was prachtig. Als ik dat op scéne had gebracht … De mensen wisten precies waar het over ging en met hun eigen woorden hebben ze mij dat stuk verteld. Ik was echt ontroerd. Maar als je daar dan een voorstelling wil van maken, komt zo’n moment soms nooit meer terug. En dan moet je consequent zijn. Een voorstelling maken blijft immers een avontuur. »

Referentie
Ronny De Schepper, “Ik wil dringend terug naar mijn eigen manier van werken”, De Rode Vaan nr.4 van 26/1/1990

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.