Morgen zal het tweehonderd jaar geleden zijn dat in Dinant Adolphe Sax werd geboren…

En zo is er dit jaar weer een Sax-jaar, nadat dit ook al het geval was in 1994 omdat het toen op 4 februari precies honderd jaar geleden was, dat de brave man was gestorven. In Gent, meer bepaald in Oudburg, wou men destijds niet achterblijven. Pascal Vandelanote was nog jong en dynamisch genoeg om een evenement uit de grond te stampen dat de nodige ophef maakte. Op 15 augustus 1994 brachten in het kader van de Patersholfeesten immers niet minder dan 120 saxliefhebbers (opletten voor zetfouten) hun geliefkoosde instrument aan hun lippen om een compositie te horen brengen die Gent en omstreken met verstomming sloeg. Toen hij begin juni van de plannen van Vandelanote hoorde, heeft buurtbewoner John Gilbert Colman immers spontaan aangeboden een ode aan Sax van zes minuten te schrijven. “O’de Sax” heet ze, met een knipoog naar de sponsoring door de verzamelde jenevers van Oost-Vlaanderen “O’de Flandres”. Centraal staat daarbij het plezier van het spelen. De moeilijkheidsgraad werd daarom zo laag gehouden dat men na één jaar studie reeds kan meespelen.
1994 was dus hét Sax-jaar, maar wellicht kwam dat ook omdat in 1941 de kop van de mensen er niet naar stond om veel te herdenken. Nochtans was dàt jaar veel meer geschikt geweest, want honderd jaar dood zijn dat kan iedereen, maar een instrument uitvinden, dàt is andere koek. En wàt voor een instrument dan nog!

Op een tentoonstelling van de Belgische industrie in Brussel in 1841 blies de toen 27-jarige Adolphe Sax immers van achter een gordijn (*) op een instrument dat hij in alle bescheidenheid naar zichzelf een saxofoon had genoemd. En daarmee hebben naast de Afrikaanse negerslaven toch ook de Belgen een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de jazz. Toegegeven, mijnheer Sax wist op dat moment nog van toeten of van blazen.

SAX-KANON

Over jazz dan, bedoel ik, want zélf toeten en blazen dat kon Adolphe wel. Hij speelde immers reeds fluit en klarinet vooraleer hij in Brussel bij zijn vader Charles Joseph (1791-1865) “in de zaak kwam” als instrumentenbouwer. De zaak had zo’n succes dat Sax een concertzaal liet bijbouwen, waar hij met La Société de la Grande Harmonie geregeld concerten gaf om de superieure kwaliteit van de Sax-instrumenten met klinkende bewijzen te illustreren. Na verloop van tijd beperkt de jonge Sax zich niet meer louter tot het vervaardigen van bestaande instrumenten, maar begint hij zelf te experimenteren. Uiteindelijk zal hij op niet minder dan 46 nieuwe uitvindingen een oktrooi aanvragen!

Het waren trouwens niet allemaal instrumenten: daarbij hoorden ook inhaleerapparaten, een luchtververser, signalisatie-apparatuur voor de spoorwegen en zelfs een sax-kanon. Het uitvinden zat trouwens in de familie, want zijn broer Alphonse is de uitvinder van de sax-bom. Alhoewel hij ook een “studie” heeft gewijd aan de weldadige invloed van het spelen in een fanfare voor vrouwen (voor de toename van de borstomvang?), mag dit toch niet verward worden met een sex-bom, want het betreft hier de zogenaamde fragmentatiebom. Een waarachtige gruwel dus, bijna zo erg als die andere uitvinding van Alphonse: de kunstbloemen!

Hoe Adolphe precies op de idee van de saxofoon gekomen is, zullen we wel nooit weten, maar Ignace De Keyser van het Brusselse Instrumentenmuseum vermoedt dat het is gegroeid uit een poging om de “ophikleïde” te verbeteren. De “ophikleïde” was een even onbespeelbaar als onuitspreekbaar bas-blaasinstrument, waarbij Sax als klarinetspeler begon met het mondstuk te vervangen door een “kop” met een riet, terwijl hij hoopte dat dit een instrument zou zijn dat harder kon blazen dan houtblazers. Want hard spelen, dààr ging het om bij Sax. Hij heeft b.v. ook een oktrooi ingediend voor een “stoomorgel”: een heuse wagon die aan een trein zou worden gekoppeld met een orgel dat, aangedreven door de vrijgekomen stoom van de lokomotief, door berg en dal muziek zou laten horen.

Tijdens de voorstelling van de saxofoon, had Adolphe (die eigenlijk Antoine Joseph heette) ook de saxhoorn geïntroduceerd en het was dit instrument dat bij leven en welzijn zijn roem vestigde. Daardoor aangemoedigd trok hij even naar later naar Parijs (sommigen dachten dat dit was omdat vader Sax veel voor koning Willem I had gewerkt en dus in het jonge onafhankelijke België min of meer als een “collaborateur” werd beschouwd, maar dat is onwaarschijnlijk aangezien ze in die tijd ook aan het Belgische leger leverden), maar in plaats van nog meer roem en geld te verwerven, viel hij van de ene ontgoocheling in de andere. Hij was er vooral naartoe getrokken om de kwaliteit van de Franse militaire harmonieën te verbeteren, maar hij stuitte er op de onwil om van de “dunne toon” af te wijken, waarop o.a. Walter Boeykens 150 jaar later ook nog altijd wijst.

Hij kreeg ook last met andere producenten uit de sector omdat hij niet tevreden was over de kwaliteit van de onderdelen die hem door toeleveringsbedrijven werden toegestuurd, zodat hij deze zélf ging produceren en deze bedrijven overkop gingen. Bovendien waren zijn latere uitvindingen, de saxtromba en de saxtuba, alles behalve een succes. Tegen 1878 is Sax reeds drie keer failliet gegaan en deze keer was de derde keer wel de “goede” keer. In 1928 zou zijn zoon Adolphe-Edouard de merknaam en de ateliers door verkopen aan de Parijse instrumentenbouwer Patrick Selmer. Sedertdien is een “Selmer” in het saxofoonwereldje, wat een “Fender” voor de gitaristen is.

SAXOFOONORKEST

Maar bij leven en welzijn, was het dus niet de nu zozeer geprezen saxofoon die vadertje Sax uit de moeilijkheden kon halen. Al werd in 1847 reeds het Zwijndrechtse Saxofoonorkest gesticht! Maar buiten merkwaardig genoeg (of misschien juist niet) Franse (of verfranste) operacomponisten als Hector Berlioz, Georges Bizet, Jules Massenet, Gustave Charpentier, Camille Saint-Saëns, Léo Delibes, Ambroise Thomas, Gioacchino Rossini en Giacomo Meyerbeer had niemand in de klassieke muziek belangstelling voor het instrument. Berlioz was de eerste om er gebruik van te maken in zijn compositie “Hymne sacré” (1844), die echter verloren is gegaan. De volgende keer dat het instrument opduikt is in “Hamlet” van Thomas (1868). In diens “Mignon” zit zelfs een mooie aria, waarin de tenor dialogeert met de saxofoon. De bekendste klassieke compositie die er gebruik van maakt, zal uiteindelijk de “Boléro” van Ravel zijn, maar die gebruikt het eerder omdat het dan in de jazz al volop ingang heeft gevonden. Dat is ook het geval voor de meeste composities: van de 6.500 die er in 1985 werden geteld, dateert meer dan 90% van nà 1920. Claude Debussy en de Russische componist Alexander Glazoenov behoren tot de witte raven die een concerto (Debussy noemt het een rapsodie) voor saxofoon hebben geschreven, maar “klassieke” saxofonisten bleven toch uitzonderingen. In de conservatoria was er zelfs totaal geen opleiding voor voorzien. In Parijs zelf werd na Sax zelf niemand meer benoemd tot in 1942. Marcel Mule zette dan een zeker eerherstel in, vanaf 1954 in Brussel nagevolgd door François Danneels. Terloops opgemerkt: in de klassieke muziek hoort de saxofoon bij de groep van de houtblazers.

VAN SOPRAAN NAAR TENOR

In de jazz daarentegen werd de saxofoon inderdaad al vlug één van de centrale instrumenten. De sax is in de jazzmuziek terechtgekomen via de militaire muziekkapel van John Philip Sousa, want net zoals op het continent werd het instrument immers in de eerste plaats voor dit soort muziek aangewend. De eerste saxofonist van Sousa was overigens wellicht niet toevallig een Belg, een zekere Moeremans. W.C.Handy, die vooral de geschiedenis is ingegaan als de auteur van “St.Louis Blues”, hoorde het daar en nam het op zijn beurt op in zijn dansorkest.

Toch werd Handy maar als een randfiguur beschouwd in de jazz, de échte jazz werd in die tijd (het begin van deze eeuw dus) gespeeld in de bordelen van New Orleans, oordeelde men. En dààr vond men geen sax terug in de zogenaamde Dixieland-groepjes. De reden was eenvoudig: de spelers waren te arm om zich zo’n splinternieuw instrument aan te schaffen.

De ommekeer kwam er door klarinettist Sidney Bechet, die zich tijdens een Europese tournee in 1920 in Londen een sopraansax aanschafte. Toch is dit geluid dat nog erg nauw bij een klari­net aanleunt (wat zich o.m. uit in de niet gekromde vorm van het instrument zelf) eigenlijk niet de typische sax-sound. Het zogenaamde “scheuren” b.v., dat gaat niet met een sopraansax. Dat wordt dan eerder een soort van “klagen”. Wie dit zelf even wil uittesten, kan in elke winkel wel een goedkope verzamel-CD aantreffen, waarop “Petite fleur” van Bechet is terug te vinden.

Merkwaardig is dat Bechet ook de link is tussen de traditionele jazz en de avant-garde, meer bepaald in de persoon van Steve Lacy (1934-2004), die in navolging van Bechet voor de sopraansax en de dixieland-muziek koos, maar die tijdens zijn studies aan de Manhattan School of Music in contact kwam met de progressieve pianist Cecil Taylor. Lacy zou bij hem debuteren, maar zou rond 1958 zijn eigen weg vinden, samen met drummer Elvin Jones en Mal Waldron. Opvallend is dat dit trio op anderhalf jaar tijd is overleden…

OP NAAR POP

Als tussenstap tussen de sopraansax van Sidney Bechet en het “scheuren” van de tenorsaxofonisten is altsaxofonist Jimmy Dorsey van belang. Net zoals bij de zangstemmen ligt de alt tussen de sopraan en de tenor en het is precies aan het geluid van de tenorsax, dat men denkt als men het over de “typische” klankkleur van de sax heeft. Bovendien maakte Jimmy Dorsey deel uit van het orkest van zijn broer-trombonist Tommy en op het einde van de jaren dertig engageerde dat orkest niemand minder dan Frank Sinatra als zanger. Op die manier vond de sax ook zijn weg naar de popmuziek.

Vanaf de jaren dertig is de populariteit van het instrument niet meer bij te houden: Charlie Parker, Sonny Rollins, Ben Webster, John Coltrane en niet te vergeten Lester Young, die met zijn “eenvoudige” stijl de inspiratiebron was voor Stan Getz.

Uit “Some like it hot” leren we dat er ook volledig vrouwelijke orkesten waren, maar dan eerder als curiosum, niet als ernstig genomen big bands. Het was zelfs zo erg dat Dorothy Lucille Tipton uit Oklahoma een mannelijke identiteit aannam (Billy Tipton) om sax te kunnen spelen in de big bands in het midden van de jaren dertig. Later vormde hij ook nog een trio onder zijn eigen naam, waarbij hij ook piano speelde. Toen hij overleed op 21 januari 1989, wisten zelfs zijn drie vrouwen en drie (geadopteerde) zonen niet dat hij eigenlijk een vrouw was.

84 kathy stobartDaarna was er Kathy Stobart (1925-2014). She first played in Don Rico’s all-girl band at the age of 14. She then moved to London in the 1940s playing with Denis Rose, Ted Heath and Jimmy Skidmore. Later that decade she played with Art Pepper and Peanuts Hucko. She played with pianist Art Thompson in the late 1940s, and was married to him briefly. She toured with Vic Lewis in 1949 and led her own group in 1950-51; among its members were Derek Humble, Dill Jones, and Bert Courtley; she was married to Courtley from 1951 until his death in 1969. In the 1950s and 1960s she went into semiretirement to raise her family. From 1969 to 1977 she played with Humphrey Lyttelton. Following this she led her own groups, with Harry Beckett, John Burch, and Lennie Best, among others.
Ook nu zijn vrouwelijke saxofonisten nog ongewoon. De enige die mij voor de geest komt, is de Nederlandse Candy Dulfer, wier vader niet toevallig een saxofonist was.

JUMP BANDS

Na de Tweede Wereldoorlog begon in de zwarte ghetto’s de zogenaamde Rhythm and Blues de zuivere blues en vooral de jazz in populariteit te overtreffen. Bij deze jump bands speelde de sax de hoofdrol. Niet alleen was er een line-up die met riffs (korte repetitieve frases) het nummer droeg, meestal kwam er ook nog een solist naar voren die op tenorsax niet enkel muzikaal, maar ook “theatraal” in de spotlight kwam. Zij werden honkers genoemd omdat het geluid dat ze produceerden in de nabijheid kwam van toeterende (“honking”) auto’s, maar misschien ook met een referentie aan een honky tonk (bordeel), want alhoewel het puur toeval is dat de Engelse uitspraak van “saxophone” dicht in de buurt komt van “sexofoon”, toch is het een feit dat tal van vrouwen zwichten voor dat glimmende instrument, waarop zo zwoel kan worden geblazen. Jonge lezers zullen nu o.a. aan de begeleider van Tina Turner in “We don’t need another hero” denken, maar die oude zwartjes, dat was nog wat anders: bovenop de tafels gaan staan en hun ding in het gezicht van de meisjes duwen of op de grond knielen en dan achterover buigen met hun sax agressief in de lucht.

Aangezien in de jaren veertig deze muziek nog tot de ghetto’s beperkt was, zijn namen als die van Big Jay McNeely slechts bij insiders bekend, maar in de jaren vijftig kwam daarin verandering, dankzij de rock’n’roll (eigenlijk een blanke verbastering van rhythm’n’blues). Instrumentale hits werden schering en inslag en in de V.S. speelde de saxofonist daarbij meestal de hoofdrol. Zo was er “Honky tonk” van orgelist Bill Doggett met Clifford Scott op sax, “Raunchy” van Bill Justis, “Tequila” van The Champs (met Chuck Rio en later Jimmy Seals), “Rebel rouser” van gitarist Duane Eddy (met o.a. Jim Horn op sax, de man die later de “Memphis Horns” zou leiden op tal van sessies), “Rockin’ goose” van Johnny Paris met zijn Hurricanes en “McDonald’s cave” door The Piltdown Men. Dit laatste is ongetwijfeld de minst bekende hit in deze opsomming, maar ik neem ze er opzettelijk bij omdat de solo-saxofonist Plas Johnson wél de belangrijkste vertegenwoordiger is van deze strekking. Zijn naam is echter minder bekend omdat hij bijna uitsluitend van sessiewerk leefde. Vooral dan voor films. Als er ergens een striptease-scène in voorkwam (nog tot in “The graduate” toe), dan mag je er zeker van zijn dat Plas in actie was (behalve dan juist in “Harlem nocturne”, het meest bekende strip-nummer, of “The stripper” zelf, die van orkestleider David Rose zijn als ik het goed voor heb).

Hetzelfde deed Plas voor de zogenaamde “beach movies” met surfmuziek en zelfs het thema van de Pink Panther wordt door hem geblazen! Hoezeer Plas onrecht werd aangedaan, mag blijken uit zijn opnamen met The Routers. Alhoewel deze platen uitsluitend door zwarten werden gespeeld, was het toch een blanke groep die op de cover stond en onder die naam de baan optrok! (Hetzelfde gebeurde met B.Bumble and the Stingers van “Nut rocker”.)

Daarnaast zijn er saxofonisten die in de schaduw van vocalisten stonden, zoals Lee Allen (1927-1994) bij Little Richard, Nino Tempo bij Bobby Darin, Fred Kemp bij Fats Domino, Sam Butera bij Louis Prima (**), King Curtis bij The Coasters, Hank Crawford bij Ray Charles, Clifford Scott bij Bill Doggett, Merritt Mel Dalton bij Lloyd Price, A.C.Reed bij Albert Collins, Maceo Parker bij James Brown of Daddy Gee Barge bij Gary U.S.Bonds. Deze werd in de jaren zeventig uit de vergetelheid heropgevist door Bruce Springsteen, wat niet echt een toeval mag heten, want de saxofonist van de E Street Band, Clarence Clemmons, zit duidelijk in dezelfde lijn.

Toch is dit een uitzondering want sedert de “British Beat Invasion” zijn instrumentale sax-hits eerder uitzonderingen geworden. Er was “Shotgun” van Junior Walker en later “Soul finger” van The Bar-Kays, de begeleiders van Otis Redding, die samen met hem omkwamen bij een vliegtuigongeluk. Ook de blanke tenorsaxofonist Red Prysock (1926-1993) die eerst rock’n’roll speelde bij Tiny Bradshaw en nadien overschakelde op soul (bij Jackie Wilson en Brook Benton) raakte in de vergetelheid.

Want in Engeland was de sax niet populair. Instrumentale groepen waren daar gitaargroepen met op kop The Shadows. Vergeet niet dat The Beatles oorspronkelijk bij Decca de deur werden gewezen omdat zij ook in deze kategorie werden gerangschikt. Beatle-opnamen met een belangrijk aandeel voor de saxofoon bestaan er dus niet en ook voor de Rolling Stones zou het tot in de jaren zeventig duren vooraleer zij er aan toe waren. Dan deden zij wel een beroep op jazz-virtuozen als Sonny Rollins wanneer er al eens een pakkende sax-solo ten beste diende te worden gebracht, zoals op “I’m just waiting for a friend”.

Referenties
Ronny De Schepper, In memoriam Adolphe Sax, Het Laatste Nieuws, 12 februari 1994
Ronny De Schepper, Adolphe Sax: a blow job, Graffiti, maart 1994

(*) Omdat het instrument nog niet gepatenteerd was. Dat zou pas vijf jaar later (op 17 mei 1846) gebeuren.

(**) Samen zijn ze te zien in de film “The young and the cool” uit 1962. Sam Butera (1927-2009) is trouwens in nog wel meer films te zien, al dan niet samen met Louis Prima, maar dat is dan telkens als “a personal appearance”. Slechts één keer is hij ook echt als acteur te zien en dat is in “The Rat Race” van Robert Mulligan uit 1960. Samen met Gerry Mulligan speelt hij daarin een “valse” saxofonist die erop uit is om hoofdpersonage Tony Curtis zijn instrumenten afhandig te maken. En er nog in slaagt ook!

Een gedachte over “Adolphe Sax (1814-1894)

  1. Enorm interessant artikel voor echte muziekliefhebbers. Saxsolo’s tilden veelal de hitjes op naar een hogere niveau, en meestal stonden de uitvoerders in de schaduw. Hoog tijd om eens aandacht te besteden aan deze tweedeklassers, want dit waren ook klasbakken.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s