Vanessa Williams doet afstand van haar titel als “Miss America”

74 vanessa williamsVandaag is het dertig jaar geleden dat Vanessa Williams als allereerste vrijwillig afstand deed van haar titel als Miss America, wanneer uitkwam dat ze samen met een ander meisje naakt had geposeerd voor Penthouse. Zij had daarvóór al een plaats in de geschiedenisboeken verdiend omdat zij in 1983 als eerste niet-blank meisje tot Miss America werd verkozen. Deze twee feiten zijn alvast belangrijker dan haar verdiensten op het vlak van het acteren, het beroep dat ze dan daarna is gaan uitoefenen. En dat ondanks het feit dat ze als Renée Perry toch wel goed haar streng trok in “Desperate Housewives”.

Met de twee voornaamste oscars voor zwarte acteurs (Halle Berry en Denzel Washington) leek het wel alsof Hollywood in 2002 politiek correct wou zijn. Niet toevallig kreeg op de dag van de oscaruitreiking ook pionier Sidney Poitier een Academy Award voor zijn hele carrière, maar voor velen is het slechts een doekje voor het bloeden…
Het grootste bastion van het racisme in de Verenigde Staten is immers steeds Hollywood geweest. Tot die vaststelling komt men als men gewoonweg de statistieken over de tewerkstelling bekijkt. En uiteraard daalt het aantal kleurlingen vooral naarmate men naar de top stijgt. Zelfs die twee oscars kunnen deze curve niet ombuigen. Anno 2002 heeft men echter de schuldige gevonden voor deze wantoestand: ’t zijn wij.
Jawel, wij Europeanen zorgen er samen met de Japanners voor dat zwarten minder kansen krijgen in de filmindustrie. Als voorbeeld citeert men dan een typische zwarte film als de remake van “Shaft”. Die bracht in de VS 70 miljoen dollar op, in de rest van de wereld echter slechts 14 miljoen. Als men dit vergelijkt met bijvoorbeeld “The sixth day” met Arnold Schwarzenegger in de hoofdrol, dan blijkt die in de VS slechts 34 miljoen dollar op te brengen, maar daarbuiten wordt dat dan wel 67 miljoen!
Aangezien buitenlands kapitaal ook steeds machtiger wordt in Hollywood (de doorsnee Hollywoodfilm wordt voor ongeveer zeventig procent met niet-Amerikaans geld gefinancierd) valt aan te nemen dat de trend om zwarten van het scherm weg te houden, voorlopig niet zal verdwijnen…
BIRTH OF A NATION
1896 wordt algemeen aanvaard als het geboortejaar van de film. Het is tevens het jaar dat de segregatie wordt ingevoerd in de Verenigde Staten. Ook voor de filmindustrie was dit belangrijk, aangezien op die manier ook films uitsluitend voor en door zwarten werden gedraaid. Iets wat verdween tijdens W.O.II, omdat racisme “dankzij” Hitler eindelijk ook in de V.S. een negatief begrip werd. En ook omdat men zwart kanonnenvlees nodig had, maar dat is dan weer een ander hoofdstuk. Maar het ironische is dus dat op het moment dat Hollywood “de goede zwarte” ontdekt (zij het op een even paternalistische manier als vroeger), meteen ook die eigen films de nek worden omgedraaid. Het zou duren tot in de jaren negentig, maar dan van ónze eeuw, vooraleer er opnieuw een zwarte filmindustrie ontstaat.
Meer zelfs, als men nu een artikel schrijft over racisme in Hollywood, dan denken de meesten allicht aan de racistische ondertoon in de clichématige voorstelling van blanken in films van Spike Lee. Het is b.v. typisch dat in de multiraciale remake van de klassieker “Twelve angry men” door William Friedkin de meest racistische monoloog nu door een Black Muslim wordt uitgesproken (hij wordt weliswaar de mond gesnoerd door een andere zwarte).
In dit geval ging het over een Latino. Aangezien het bij Spike Lee over joden ging, hebben zijn racistische uitlatingen wél de pers gehaald. Zolang het over “gewone” blanken ging, werd er echter niet over gepiept, tenzij door Eros Ramazotti voor wie hij een videoclip heeft gedraaid. Dat het een Italiaan is die dit “omgekeerde racisme” aankloeg en geen Amerikaan, heeft ongetwijfeld te maken met het enorme schuldcomplex dat de Amerikaanse blanke met zich meedraagt. En niet ten onrechte, want als we de nominaties voor de oscars van datzelfde jaar overlopen, dan blijkt er slechts één zwarte bij te zitten (een regisseur van een kortfilm) op 166 genomineerden! Om dat te verhullen werd Whoopi Goldberg als presentatrice ingehuurd en Quincy Jones als producer. Toch maar magertjes als men ziet dat 12% van de Amerikaanse bevolking van “Afro-Amerikaanse” origine is, zoals de politiek correcte term nu luidt. En niet minder dan een kwart van de bioscoopbezoekers is dat ook! Toch is Hollywood nooit een haantje de voorste geweest op het vlak van een gelijke kansenbeleid. Slechts 3,9% van de Academy of Motion Pictures is zwart, 2,3% van de Directors’ Guild of America en 2,6% van de scenaristen.
Het begint al met één van de eerste mijlpalen uit de geschiedenis van Hollywood: in 1915 draait D.W.Griffith “The Birth of a Nation” over de Amerikaanse Burgeroorlog. Aangezien de familie van Griffith zelf afkomstig was uit het Zuiden (Kentucky) en haar fortuin had verspeeld bij de nederlaag, bevatte de film ook kritiek op de uitbuiting door het Noorden in de zogenaamde “Reconstructieperiode”. Hij voelde zich hierin gesteund door president Woodrow Wilson. Maar het Witte Huis trok zijn steun in, toen er stemmen opgingen om de film te verbieden wegens racisme.
“Birth of a nation” was immers gebaseerd op een toneelstuk van een zekere dominee Thomas Dixon die het ter verdediging van de Ku Klux Klan had geschreven. Zoals gezegd worden de zogenaamde “carpetbaggers” uit het Noorden in een slecht daglicht gesteld evenals de “scalawags” (de zuidelijke collaborateurs). Griffith voegt er onverbloemd aan toe dat het eigenlijk dankzij de KKK is dat the Old South toch niet helemààl is ten onder gegaan. In de film komt trouwens een personage voor dat Silas Lynch heet. Ik vraag me af of de benaming “lynchen” niet op dit historische (?) personage teruggaat…
Toen men aan Griffith zei: als men je film in Atlanta vertoont, komen er rassenrellen van, antwoordde hij: ik hoop dat dit het geval is. Commentatoren zeggen dan dat men dit niet politiek moet interpreteren, maar dat hij het zo interessant vond dat zijn Kunst dat kon teweeg brengen. Als bewijs voert men dan aan dat hij in 1911 in “The rose from Kentucky” een minder rooskleurig beeld van de KKK heeft opgehangen. Toch is het niet te verwonderen dat wanneer Griffith nerveus was, hij placht uit te barsten in aria’s uit “Tannhäuser”! De KKK rijdt trouwens op de Walkürerit, zoals later de helicopters van Coppola dat zouden doen.
Aangezien de geruchten op een mogelijk verbod er alleen maar toe leidden dat iedereen de film wilde zien, trachtte men het hele geval dan maar in de doofpot te stoppen. Merk wel op dat in die tijd zwarte acteurs geen hoofdrollen mochten vertolken zodat de voornaamste zwarte rollen gespeeld werden door zwart geschminkte blanken. De eerste rol gespeeld door een zwarte was overigens pas een jaar eerder te zien. Niet helemaal onverwacht gebeurde dit ter gelegenheid van de verfilming van “Uncle Tom’s Cabin”. Toch is het enkel de 72-jarige Sam Lucas die als echte zwarte mag meespelen. Wellicht was door zijn hoge leeftijd de vrees voor “seksuele overweldiging” (want dààr had men schrik voor) wat afgenomen…
De rol van de KKK komt ook goed tot uiting in “Mississippi burning” (Alan Parker). Ondanks, of juist dankzij zijn typische emotionele aanpak (vgl.”Welcome to the paradise”) weet Parker het rassenprobleem erg goed te schetsen.
Hoe zwarte soldaten de Civil War beleefden kan men anderzijds vaststellen in “Glory” met het ware verhaal van het 55th Massachusetts Volunteers Infantry Regiment, het eerste zwarte regiment dat onder de impuls van de Abolitionisten uit Boston bij het noordelijke leger werd ingelijfd. Oorspronkelijk was het niet eens de bedoeling dat de zwarte recruten het slagveld zouden zien. Enkel dankzij de passie van hun jonge (“uiteraard” blanke) bevelhebber, de toen vijfentwintigjarige kolonel Robert Gould Shaw (vandaar dat zijn rol wordt vertolkt door eeuwige babyface Matthew Broderick), op wiens brieven en geschriften het scenario is gebaseerd, mochten ze toch bewijzen wat ze waard waren. De vraag is nog of Shaw hen daarmee een dienst heeft bewezen, want bijna de helft van de manschappen sneuvelt bij de bestorming van Fort Wagner in Zuid-Carolina (toegegeven, ook Shaw zelf liet het leven), een tot mislukken gedoemde slag, die door regisseur Edward Zwick met grote kracht in beeld wordt gezet in 1989.
Maar zover zijn we natuurlijk nog niet. Om aan werk te geraken in de films moesten de Amerikaanse zwarten de speer leren hanteren in Tarzan-films en dergelijke. En dan nog, want voornamelijk werd er geacteerd in de studio tegen een doek waarop een soort documentaire over Afrika werd gedraaid, met hierin dus echte Afrikanen en geen Amerikaanse zwarten. Onnodig te zeggen dat deze films erg racistisch waren. Niet enkel de manier waarop de “wilde stammen” worden voorgesteld, maar ook, als er b.v. een drager verongelukt, dan is de eerste bekommernis niet het slachtoffer, maar wel datgene wat hij droeg. Die dragers worden overigens met een zweep tot wat meer enthousiasme aangespoord. De aanvallen door krokodillen en nijlpaarden doen denken aan wat er in “Jungle fever” met Dorothy Lamour gebeurt: om de een of de andere mysterieuze redenen schijnen deze beesten immers zwart vlees boven blank te verkiezen.
BLACK BOTTOM
Dit soort van racisme is natuurlijk politiek heel erg belangrijk, maar in Hollywood zelf legde een andere vorm veel meer gewicht in de schaal, namelijk het behandelen van de zwarten als komische curiositeiten. Zo was Fredi Washington een zwarte actrice, die na een Broadway-carrière in 1929 in “The Emperor Jones” terechtkwam, maar verder kreeg zij als zwarte actrice weinig interessante rollen aangeboden in Hollywood, zodat ze opnieuw terugkeerde naar het toneel. Ze werd tevens een actieve militante in de strijd voor gelijke rechten en was als dusdanig mede-oprichtster van “the Negro Actor’s Guild”. Toch is ze de geschiedenis ingegaan omdat men zegt dat zij de prins van Wales de “black bottom” heeft leren dansen. Ze stierf in juli 1994 op 80-jarige leeftijd. Hetzelfde zou men ongeveer kunnen zeggen over Josephine Baker, zij het dan dat die carrière heeft gemaakt in Frankrijk en niet in Hollywood.
Anderzijds is het ontegensprekelijk dat het via de muziek is dat de zwarte bestaansrecht heeft verworven in de Amerikaanse maatschappij. Dat gebeurde wel via de omweg van de black’n’white minstrel shows (met zwart gemaakte blanken) – ook in de film, zelfs in de allereerste geluidsfilm, namelijk “The jazz singer” (Alan Crosland, 1927), maar al zeer snel ensceneren blanke regisseurs als King Vidor (“Hallelujah”, 1929), William Keighley (“Green pastures”, 1936) en later Vincente Minnelli (“Cabin in the sky”, 1943) “all-black” musicals. Het dient echter gezegd dat “all-black” simpeler was dan gemengd. Zo moest Mae West in 1934 hemel en aarde bewegen om het orkest van Duke Ellington te laten optreden in haar film “Belle of the nineties”. En toen ze daarin dan uiteindelijk was geslaagd, dacht ze dat ze het drie jaar later in “Everyday’s a holiday” eens met een zanger kon proberen, en alweer niet zo maar de eerste de beste, want het was Louis Armstrong. Maar opnieuw kwam men met excuses aandraven: dat hij niet verstaanbaar was en wat weet ik al. Maar Mae hield zoals steeds het been stijf.
GONE WITH THE WIND
Ondertussen werd reeds in 1921 de eerste film gedraaid door een zwarte cineast: “Symbol of the unconquered” van Oscar Micheaux. De originele kopij is overigens het bezit van het Filmmuseum in Brussel. Samen met Spencer Williams steekt Micheaux ook met kop en schouders boven de andere filmmakers uit die segregatie-periode, aangezien deze zélf soms racistisch waren, in die zin dat de “goede” vaak een blekere huidskleur had dan de “slechte”.
In 1922 begon Our Gang, ook bekend als The Little Rascals, een serie van Amerikaanse korte komische films over een groep arme kinderen en de avonturen die zij beleven. In totaal werden er maar liefst 220 korte films uitgebracht. Our Gang was de eerste serie die Afro-Amerikanen en blanke Amerikanen met elkaar lieten omgaan. In de films trokken zowel jongens als meisjes, blank én zwart, met elkaar op. Dat was voor de tijd waarin de reeks werd opgenomen een vrij gewaagde zet aangezien rassensegegratie nog volop aanwezig was in de filmindustrie. De vier belangrijkste donkere Amerikanen in de serie, waren Ernie “Sunshine Sammy” Morrison, Allen “Farina” Hoskins, Matthew “Stymie” Beard en Billie “Buckwheat” Thomas. De zwarte kinderen in de reeks werden meestal als stereotiepe zwarten afgeschilderd. Jaren later vroeg men zich af of er hier sprake was van racisme. Ernie Morrison, Matthew Beard en Billie Thomas vonden echter dat dit niet het geval was, en stelden dat de blanke acteurs in de reeks net zo goed stereotypes waren, zoals ‘het dikke kind’ en ‘de locale pestkop’. Ik moet het toegeven: in de paar afleveringen die ikzelf zag, was het zwarte jongetje weliswaar de domste van de hoop, maar ook de liefste. Ik kan me gerust voorstellen dat hij de meeste fans had.
In 1926 startte het radiostation WGN, op vraag van sponsor Pepsodent met het eerste vervolgverhaal: “Amos and Andy”, de tegenslagen van twee zwarten uit het zuiden in Chicago. Tegen 1929 stemden wekelijks ongeveer 14 miljoen luisteraars af op dit programma. Men maakte echter wel gebruik van het feit dat het radio was om de rollen door blanken te laten vertolken…
Het is, na “Birth of the Nation”, een tweede “blockbuster” over de Civil War, die opnieuw de discussie over het racisme in Hollywood aanzwengelt. Niet minder dan acht oscars vielen de film immers te beurt, waarbij ook één voor Hattie McDaniel als beste bijrol, die hiermee de eerste zwarte werd om een oscar te behalen. Zij was ook de eerste zwarte die aan het oscar-banket mocht aanzitten i.p.v. het te bedienen. Nochtans was dat precies het soort rollen dat ze vooral zou spelen, waardoor ze vanuit de zwarte gemeenschap wel veel kritiek kreeg. McDaniel zag het anders: “Nu krijg ik zeven duizend dollar per week om de rol van een meid te spelen. Als ik dat niet deed, zou ik zelf een meid zijn en slechts zeven dollar per week verdienen!” Andere bronnen zeggen echter dat deze woorden haar door een ghostwriter van de studio in de mond zijn gelegd. Privé zou ze b.v. wél hebben gezegd nooit meer de rol van een meid te willen spelen. En op de première van “Gone with the wind” in Atlanta mocht ze niet aanwezig zijn…
Kort na die première brak overigens de Tweede Wereldoorlog uit en die zou voor de zwarten toch wel één en ander teweeg brengen. Wie een idee wil, hoe blank en zwart zich in die tijd in het leger verhielden, verwijzen we naar de film van de blanke regisseur Norman Jewison, die eerder reeds “In the heat of the night” draaide over het rassenprobleem (1966), namelijk “A soldier’s story” (1984).
Het is pas na Pearl Harbour dat de zwarten voor het eerst voor Amerika in Europa of Azië “mochten” gaan sterven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dienden ze immers nog als vrijwilligers in het Franse leger te vechten, aangezien de V.S. hun diensten weigerden! Toch vroeg Generaal Eisenhower zich in het openbaar nog altijd af “of ze de strijd wel zouden aankunnen”…
Ook de films die Hollywood tijdens de oorlog draaide (“Bataan” uit 1943 b.v.) zijn totaal leugenachtig. De rassengemengde (laat staan rassengelijke) pelotons die men erin te zien krijgt, bestonden immers niet. Het gemengde peloton dat in “The Glenn Miller Story” vrolijk marcheert op de “St.Louis Blues March” is dan ook pure fictie!
Om voor het eerst een realistische visie op racisme in het leger te zien, moesten we wachten op de Koreaanse oorlog en met name op “The steel helmet” (1950). Dit is niet toevallig een film van Sam Fuller, meteen ook diegene die het meest waarheidsgetrouw de Tweede Wereldoorlog had verfilmd (zo was hij trouwens met filmen begonnen: hij had toevallig een camera bij toen ze het concentratiekamp Falkenau bevrijdden). De scène waarin een gewonde Koreaanse gevangen genomen communist een gesprek voert met de zwarte soldaat die hem behandelt, maakte filmgeschiedenis. De Koreaan doet de zwarte namelijk inzien dat hij nog steeds als een minderwaardige wordt behandeld (op de bus moet hij achteraan gaan zitten) en vraagt hem dan ook waarom hij zijn leven zou riskeren om de gelen (al zijn het dan roden) te gaan bestrijden? De soldaat antwoordt echter dat hij geleidelijkheid boven revolutie stelt: “Vroeger mochten we helemaal niet op de bus, binnen vijftig jaar mogen we misschien zelfs vooraan zitten.”
Dit is een zeer expliciete verwijzing naar de zaak van Isaac Woudard, een zwarte Amerikaanse soldaat die beladen met decoraties van het slagveld was teruggekeerd. Toen hij naar huis wilde gaan, weigerde hij in de bus nog langer achteraan te gaan zitten. De chauffeur en enkele reizigers haalden er de politie bij en deze sloegen hem en staken hem de ogen uit.Harry Belafonte
Dit verhaal wordt o.a. verteld door Harry Belafonte in zijn autobiografie. “Men had ons verteld dat we moesten vechten voor de democratie, dat we de wereld moesten bevrijden opdat iedereen een menswaardig bestaan zou kennen,” aldus Belafonte. “Toen ik dan van de oorlog thuiskwam, begon ik samen met vele andere zwarten dit concept van democratie op onze eigen situatie toe te passen. Maar wat zagen we? Dat de vooroordelen tegenover ons intact waren gebleven, dat de wet nog altijd rassenscheiding voorstond, en dat gelijkheid van kansen een lege slogan was.”
Een typisch voorbeeld was b.v. dat “Curley” met The Little Rascals (de boefjes) in 1947 in Memphis werd verboden omdat blanke en zwarte kinderen hierin samen speelden!
ISLAND IN THE SUN
Na de oorlog bracht de CIA dan ook snel weer alle kanonnen in stelling om de Sovjet-Unie van bejubelde bondgenoot opnieuw tot het Rijk van het Kwade te bombarderen. In Hollywood mondde dit uit in de zogenaamde McCarthy commissie die naging of de acteurs geen linkse sympathieën hadden. Natuurlijk vielen er ook slachtoffers bij de zwarten. Zo was er Lena Horne, ook al zag ze zo wit als Michael Jackson. (Ongelooflijk maar waar, zelfs in 1982 overkwam een dergelijke discriminatie ook nog Jennifer Beals, het hoofdpersonage uit “Flashdance”, nadat bekend werd dat ze haar mooie bruine huidje niet van de zonnebank had, maar van één van haar ouders.)
In “Cabin in the sky” en “Stormy weather” had Lena Horne een opgemerkte verschijning gemaakt, maar toen bekend werd dat ze ondanks haar bleke huidskleur eigenlijk toch een “kleurlinge” was, was een verdere carrière in Hollywood voor haar niet weggelegd. Oorspronkelijk werd ze nog opgevangen door Benny Goodman, de eerste jazzmusicus om met een gemengd ensemble op te treden, maar toen ze een verhouding begon met zanger-acteur Paul Robeson (1898-1976), kwamen er nog méér problemen. Robeson, die in 1922 een juristendiploma had behaald aan de universiteit van New York, was door zijn huwelijk met scheikundige Eslande Cardozo Goode, die hem had aangezet toneel te spelen, en zijn vriendschap met Eugene O’Neill in elf films terechtgekomen, nadat hij in 1925 reeds was gedebuteerd met gospelsongs. Zijn reizen door de Sovjet-Unie en zijn optredens bij de republikeinen in de Spaanse burgeroorlog en vooral de Stalinprijs die hem in 1952 werd toegekend maakten hem tot mikpunt van de McCarthy-hetze.
Ook Belafonte werd voor de commissie opgeroepen. Hij ontkende niet dat hij zich inzette voor rassengelijkheid en als het comité vond dat hij zich daardoor aan de kant van de communisten schaarde, dan moest dat maar zo zijn, aldus Belafonte. “Maar ik geloof niet dat het hen in de eerste plaats om die bekentenis te doen was,” aldus Belafonte in zijn autobiografie. “Hun enige doel was een machinerie op gang te brengen die zich eerst tegen het communisme en links zou richten om daarna het fascisme te kunnen vestigen.”
Belafonte is vooral als zanger bekend, maar van opleiding is hij echter een toneelacteur (in 1959 heeft hij zelfs een film geregisséérd: de thriller “Odds against tomorrow”) en af en toe was hij dan ook in een film te zien. Zo b.v. in “Island in the sun” dat de woede van producer Darryl Zanuck opwekte, omdat de zwarte Belafonte het waagde (nààst het doek, want óp het scherm was het zéker ondenkbaar) met de toen 24-jarige Joan Collins te rotzooien. Aldus mijn bron. Maar is dit geen vergissing? De hoofdactrice is immers Joan Fontaine!
Misschien houden we het beter op het “incident” tijdens de eerste Amerikaanse TV-show van de Britse Petula Clark in 1968 toen zij tijdens het slotnummer “On the path to glory” Harry Belafonte vriendelijk kuste. De sponsor, een autofabrikant, protesteerde tegen het feit dat een blanke vrouw op het scherm een zwarte man kuste. Hij wilde de scène knippen, omdat hij vond dat de kijkers net zoals hem zouden reageren en zijn auto’s zouden gaan boycotten. Petula Clark ging echter dwarsliggen en niet alleen haalde zij het, nog belangrijker was dat na de show geen enkele klacht volgde, integendeel zelfs, er stroomden zoveel sympathiebetuigingen binnen dat ook andere televisiestations het gingen navolgen. “Star Trek” was enkele maanden later het eerste feuilleton, waarin een blanke man (namelijk William Shatner in zijn rol als Captain Kirk) een zwarte vrouw mocht kussen (Nichelle Nichols alias Lieutenant Uhura). De tijden waren dan tóch veranderd…
De erkenning als acteur kwam voor Belafonte pas halfweg de jaren negentig. Eerst was hij samen met John Travolta te zien in “White man’s burden” van Desmond Nakano, een film waarin de klassieke patronen op hun kop worden gezet. Terwijl Travolta een arme ontslagen blanke speelt, is Harry Belafonte een rijke zwarte bedrijfsleider. Het is allemaal komisch bedoeld, maar het heeft toch ook iets wrangs.
GUESS WHO’S COMING TO DINNER
In de jaren vijftig speelde Belafonte ook de hoofdrol in “Carmen Jones”, de zwarte bewerking van de opera van Bizet (met een bokser, Husky Miller genaamd, i.p.v. een stierenvechter en met een aanpassing van Bizets muziek aan het zwarte idioom dat soms opvallend dicht in de buurt komt, maar soms ook, b.v. bij een wals, als een tang op een varken slaat). De titelrol werd gespeeld door Dorothy Dandridge. Zij kreeg hiervoor een oscarnominatie, maar later zou ook zij zich zodanig ergeren aan de typecasting, dat ze op 42-jarige leeftijd zelfmoord pleegde met een overdosis drugs. Het is wel gek dat uitgerekend zangeres Whitney Houston naar verluidt haar rol zal vertolken in een biopic (Janet Jackson had reeds foto’s van zich laten publiceren als deze zwarte Carmen, maar het mocht niet baten), want één van de problemen van Dandridge was dat ze niet kon zingen en toch steeds in musicals werd gecast, waarbij haar stem dus werd gedubd.
Zong Belafonte wél zijn eigen rol, dan kreeg ze in “Porgy and Bess” een tegenspeler die evenmin kon zingen als zij: Sidney Poitier, een man die zo belangrijk was voor de rol van de zwarten in Hollywood dat ik er een eigen artikel aan heb gewijd.
Sidney Poitier werd immers op de eerste plaats gecast voor zijn “good looks”. En niet enkel als zwarte, als “man” tout court. Hij was in Hollywood dan ook de eerste zwarte die als “leading man” kon optreden, zonder dat het specifiek een film over rassenproblematiek diende te zijn. In die tijd werd zelfs gezegd in Hollywood: “Als je Sidney Poitier niet kan krijgen, herschrijf de rol dan voor een blanke.” Niet te verwonderen dat hij ook de eerste en tot voor kort dus zelfs de enige was om een oscar te ontvangen voor een hoofdrol (in 1964 voor “Lilies of the field” van Ralph Nelson). Denzel Washington (“Glory”), Louis Gosset Jr. (“An officer and a gentleman”), Cuba Gooding Jr. (“Jerry Maguire”) en Whoopi Goldberg (“Ghost”) hebben in de twintigste eeuw ook wel een oscar gekregen, maar dan voor een bijrol, net als Hattie McDaniel destijds.
Nochtans zag het er voor Sidney Poitier oorspronkelijk ook niet allemaal zo rooskleurig uit. Geboren op 20 februari 1924 in Miami verhuisde z’n familie al vlug naar de Bahamas, waar ze als arme tomatenkwekers aan de kost kwamen. De jonge Poitier verzeilde bij een jeugdbende en het zou zeker slecht met hem afgelopen zijn, mocht hij niet opnieuw in Amerika zijn beland door op de vlucht te slaan voor de politie. In Amerika, meer bepaald in Harlem, ging het hem echter ook niet voor de wind. Hij neemt dienst in het leger, maar na het beëindigen van de oorlog, ligt ook zijn droom opnieuw aan diggelen. Hij auditioneert op goed geluk bij het American Negro Theatre maar is zo slecht dat hij zodanig door de regisseur wordt beledigd, dat hij besluit zich te wreken door zich ernstig op het vak van acteur toe te leggen. Zijn eerste rol is een afknapper: in “Lysistrata” haspelt hij de twaalf lijnen die hij moet zeggen hopeloos door elkaar. De theatercritici denken echter dat het zo bedoeld is en bejubelen zijn komisch talent.
Joe Mankiewicz vraagt hem in 1950 reeds voor de hoofdrol in “No way out”, waarin een gangster met demagogische middelen een hele gemeenschap tegen de zwarten opzet. Overigens een niet mis te verstane boodschap aan het adres van McCarthy. Sidney Poitier debuteert in deze film als Dr.Luther Brooks, die in de gevangenis twee blanke gangsters, tevens broers, moet verzorgen die bij een razzia gewond zijn geraakt. Als één van de broers sterft, beschuldigt de andere de dokter van moord, waarna uit wraak hun handlangers de zwarte wijk aanvallen.
Maar het is “Blackboard jungle” van Richard Brooks in 1955 die voor de doorbraak zorgt. Alhoewel hij reeds 31 is, speelt Poitier hierin de rol van een zwarte rebel die het op muziek van “Rock around the clock” de progressieve (want jazzliefhebber) leraar Glenn Ford lastig maakt. Poitier zal trouwens zo’n tien jaar later opnieuw een dergelijke film draaien (“To sir with love”), maar dan met hemzelf in de rol van de leraar.
Een tweede bekroning vormt “The defiant ones” van Stanley Kramer in 1958, voor één keer eens terecht beter gekend onder z’n Nederlandse titel “De geketenden”. Poitier speelt hierin immers een gevangene, die erin slaagt te ontsnappen. Hij is echter aan een andere gevangene geketend, gespeeld door Tony Curtis, en de film is dan ook een parabel over hoe zwart en blank elkaar nodig hebben. De zwarte gemeenschap stoorde zich echter aan het slot, als Poitier de kans krijgt om alleen te ontkomen, maar daar vrijwillig van afziet om Curtis te helpen.
Vanaf dan beginnen zijn rasgenoten hem van “Uncle Tomming” te beschuldigen. Maar zoals de (toen nog) onovertrefbare Julie Burchill schrijft: “Poitier speelde zwarten die uit het ghetto braken en de jobs, de macht en de vrouwen van de blanken inpikte: een KKK nachtmerrie! De verondersteld fiere zwarten uit die tijd – en van vandaag – die dit model verwierpen, blijven honkvast in het ghetto, weigeren alle opvoeding (en kunnen daardoor geen enkele job van een blanke inpikken) en schieten elkaar overhoop alsof het niks is: de droom van de KKK! Wie is er hier eigenlijk de Uncle Tom en wie is de idioot met een Uzi?”
Vooral seksualiteit blijft echter gevoelig liggen, zelfs in de “vrijgevochten” jaren zestig. Dat wordt eveneens bewezen door twee films waarin Poitier de hoofdrol vertolkt. In 1961 speelt hij met Paul Newman de hoofdrol in de jazzfilm “Paris Blues” van Martin Ritt, maar als beiden in Parijs met de meiden gaan scharrelen, dan doet de blanke Newman het wel met even blanke Joanne Woodward en de zwarte Poitier met de zwarte Diahann Carroll (later vooral bekend als de secretaresse van Mannix). Idem in de komische western “Skin Game” en zelfs in 1996 wordt in de SF-film “Independence day” op de vooravond van een totale vernieting van de aarde nog steeds netjes gescheiden gepaard, de zwartjes met de zwartjes en de bleekschijtertjes met de bleekschijtertjes.
Ook in het werkelijke leven vormden Newman-Woodward en Poitier-Carroll twee koppels. Maar daar zal, alleszins wat deze tweede component betreft, verandering komen. Zo is er in 1967 “Guess who’s coming to dinner” van Stanley Kramer. Ondanks het feit dat het hier een deftig burgerlijk huwelijk betreft (ik geloof zelfs dat ze mekaar “respecteren” vooraleer te trouwen) veroorzaakte deze film toch een schandaal, omdat seks tussen blank en zwart nog altijd ophef maakte in die tijd. En zeggen dat de zwarte in de film een geneesheer is, terwijl het meisje gewoon een blonde bimbo is, die haar “gelijkwaardigheid” enkel en alleen ontleend aan haar blanke huid. Bovendien werd de rol van de dokter vertolkt door Sidney Poitier! Ook nu zou Poitier trouwens weer de film in realiteit omzetten, zij het met enkele jaren vertraging, want pas in 1976 trouwde hij met de blanke actrice Joanna Shimkus.
Vele jaren later, in 2005 om precies te zijn, kwam Kevin R.Sullivan op de idee om de film nog eens over te doen, maar nu zijn we al zo ver dat de rollen kunnen worden omgekeerd. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat dit wel degelijk de bedoeling was, krijgt de film als titel “Guess who” mee. Maar daar eindigt dan ook iedere overeenkomst. Alhoewel het op papier best om een goed idee ging, stelt het scenario niks voor. Dat er met drie man aan gewerkt werd, liet reeds het ergste vermoeden. En de wel erg “bleke” vertolking van Ashton Kutcher, die dat jaar met Demi Moore zou trouwen, maakt het er ook al niet veel beter op.
Maar terug naar Sidney Poitier. Het is immers toch wel zeer merkwaardig dat de schone jongen Sidney Poitier nooit een erotische scène heeft mogen spelen, laat staan met een blanke vrouw. Dat taboe wordt uiteindelijk doorbroken door een mindere god, Jim Brown (op de foto samen met Elvis Presley), die in een western (“Hundred rifles” van Tom Gries uit 1969) eens mag stoeien met Raquel Welch. En dan nog! Het duurde tot in 1996 vooraleer Desdemona (Irene Jacob) door een echte zwarte Othello (Laurence Fishburne) mocht worden bepoteld! (Op de scène had Paul Robeson wel de rol reeds vertolkt in 1943.)
Hier past trouwens een anecdote over de opera “Otello” van Verdi. De zwarte bariton Mark Rucker zou daarin zo graag de rol van Jago vertolken, maar hij mag niet: “Men doet een heleboel moeite om een blanke zanger zwart te schminken voor de rol van Otello, maar men komt niet op het idee of men vindt het not done om mij voor de Jago-rol wit te schminken.” (Odeon nov.’96)
Voor de zwarte vrouwen ging het zoals gezegd nog moeilijker. Niet alleen zijn zwarte mannen zelf grote macho’s tot wiens “cultuur” het behoort hen af te slaan (zelfs Martin Luther King stond daarvoor berucht), men kon blijkbaar niet verkroppen dat een blanke man zelfs op het scherm met een zwarte zou vrijen, zodat men er zelfs niet voor terugschrok om blanken als kleurlingen op te voeren zonder noemenswaardige make-up: Jeanne Crain in “Pinky”, Ava Gardner in “Showboat” (*) en Susan Hohner in “Imitation of life”. Blake Edwards beweert zelfs dat hij het aanbod kreeg om het leven van Billie Holiday te verfilmen met in de hoofdrol een blanke zangeres. “Aan wie had je gedacht?” vroeg Edwards spottend, “aan Doris Day?” “Toen bleek dat de bonzen mijn voorstel ernstig namen, ben ik wat afstand beginnen te bewaren van Hollywood,” zegt Edwards. (**)
Zelfs Whoopi Goldberg, na een opgemerkt debuut in Spielbergs “The Color Purple” oscarwinnares voor “Ghost”, veroorzaakte nog schandaal toen ze de hoofdrol in “Made in America” vertolkte en tegenspeler Ted Danson voor haar vrouw en kind verliet. Het is en blijft ten slotte toch een “negerin”, zeker!
Het nog steeds aanwezige “verzet” tegen interraciale bedscènes op het scherm zou in 1993 er ook de oorzaak van geweest zijn dat de liefdesverhouding uit het boek “The Pelican Brief” van John Grisham niet werd overgenomen, aangezien de hoofdrolspelers Julia Roberts en Denzel Washington waren. (***)
Harry Belafonte en Sidney Poitier waren de vertegenwoordigers van de “respectabele” zwarte. In zekere zin was Sammy Davis jr. dat ook. Als zogenaamde “ridder van het toepétje” (d.w.z. dat hij aanwezig mocht zijn als Frank Sinatra zijn haarstukje afnam), genoot hij zelfs de bescherming van de maffia, maar niet ongelimiteerd natuurlijk. Toen hij wou trouwen met Kim Novak, een ster die door producer Harry Cohn was “opgebouwd” om Marilyn Monroe te vervangen, zei Cohn tegen Novak dat er wel eens iets zou kunnen gebeuren met dat ene goede oog van Davis (hij had al een oog verloren in een auto-ongeluk). Hij huwde dan maar een zwart meisje om even later toch een Scandinavisch blondje te trouwen, Maj Britt. Maar dat kon Cohn niet schelen. Daarin had hij geen “aandelen”…
Tragisch was ook het lot van de blanke actrice Jean Seberg. In 1979 werd haar lijk aangetroffen in haar auto in een voorstad van Parijs. Ze had te veel medicijnen genomen. Zelfmoord zegt het politierapport. Vermoord door de FBI, zegt één van haar vroegere echtgenoten, de Franse schrijver Romain Gary. Volgens hem was Seberg immers in een uitzichtloze depressie terechtge¬komen nadat de FBI haar reputatie had proberen kelderen door het gerucht te verspreiden dat ze zich alleen maar inzette voor rassengelijkheid omdat ze graag met negers naar bed ging. Men vertelde zelfs dat het kind dat ze verwachtte van een zwarte zou zijn. Het was overigens blank (maar het stierf). Al jaren doen geruchten de ronde dat Jodie Foster haar leven zou verfilmen, maar “om een of andere reden” is het er tot nu toe nog niet van gekomen…
BEVERLY HILLS COP
In “Stir crazy” wordt de hoofdrol opnieuw vertolkt door een duo. De blanke Gene Wilder wordt erin gekoppeld aan de zwarte Richard Pryor, een effect dat wel meer gebruikt wordt in komische films. Pryor (1941-2005) is de eerste zwarte acteur die het als humorist waarmaakt, maar blijkbaar is ook dat zwaar te tillen, want in de jaren tachtig tracht hij zich van het leven te benemen door zichzelf in brand te steken bij het bereiden van een “freebase” (een cocktail op basis van cocaïne; zijn drugverslaving was trouwens de reden voor die zelfmoordpoging). Hij houdt er een zware hartaanval aan over, overleeft het, maar men komt tot de constatatie dat hij aan multiple sclerose lijdt. Sindsdien zat hij in een rolstoel.
Voor “48 hours” (1982) werd hij dan ook vervangen door zijn grootste fan, Eddie Murphy, die hier ook weer tegenover een blanke (Nick Nolte) wordt geplaatst. De in Brooklyn geboren Murphy (°1961) was ontdekt door Saturday Night Live toen hij amper 19 was. Toch bekloeg hij zich erover dat het essentiële van de rol gewoon beperkt was tot het zwart zijn op zich (nochtans zou de rol oorspronkelijk bedoeld geweest zijn voor Sylvester Stallone). Dat werd nog meer benadrukt in “Trading places” van John Landis (1983), waarin hij met Dan Aykroyd – zoals de titel aangeeft – van plaats (en dus van milieu) wisselt. This film was also conceived as a vehicle for Gene Wilder and Richard Pryor. When Pryor dropped out and Eddie Murphy came on-board, he made a motion to get Wilder replaced because he didn’t want people to think he was just trying to be another Pryor. Zijn typetje “dumb with an attitude, which often passes for intelligence in the young” (aldus alweer Julie Burchill) kon hij pas botvieren als Axel Foley in “Beverly Hills Cop” (1984) van undergroundcineast Martin Brest (“Hot Tomorrows”), overigens alweer naast een ietwat domme blanke (Judge Reinhold). Murphy werd hiermee de dikst betaalde acteur in Hollywood. Niet alleen bij de zwarten, maar bij àlle acteurs!
Hij maakte ervan gebruik om “Best defense” te draaien (1984) van Williard Huyck en “The Golden Child” van Michael Ritchie (1986). Een video van zijn “Stand Up Comedian” act (“Delirious” uit 1983) werd snel heruitgebracht. Maar wél met een sticker “for adults only”, want ondertussen was Murphy vooral een held bij het jonge volkje geworden en dat was toen nog niet voorzien. Zijn parodies op Mr.T en vooral Stevie Wonder zijn ook niet direct een staaltje van subtiliteit. Ook zijn homofobe grappen zijn berucht. (Homofobie komt overigens vaak voor in “zwarte” films. Wellicht is dit te wijten aan het feit dat de zwarten nog steeds op zoek zijn naar hun eigen identiteit en daarbij niet mogen “afgeleid” worden door andere thema’s. Of nog anders geformuleerd: zwarte vedetten zijn zo schaars dat zij zich wel degelijk telkens als “held” moeten profileren.)
“Beverly Hills Cop 2” (1987) van Tony Scott (met o.a. Jürgen Prochnow en Brigitte Nielsen) was volledig op hetzelfde stramien gebouwd: de onconventionele politieagent Eddie Murphy jaagt op iemand die een vriend van hem heeft omver geschoten (deze keer Ronny Cox die als Bogomil het trio met Murphy en Reinhold vervolledigde). Dit was niet helemaal onverwacht, aangezien Murphy zelf een aandeel had in het scenario.
Daarna begon Murphy’s carrière echter te slabakken. Hij speelde datzelfde jaar nog de hoofdrol in “Coming to America” van John Landis met Shari Headley (Lisa) en James Earl Jones (koning Jeffe Joffer van Zamunda), maar zijn regie van “Harlem Nights” ging helemaal de mist in. Dat was des te erger omdat hij het speciaal had gedaan om met zijn idool Richard Pryor te kunnen werken. Deze streek echter enkel zijn dikke wedde op en had blijkbaar een hartsgrondige hekel aan Murphy. Sindsdien vertelt Murphy dat Elvis Presley zijn idool is geweest (wat heel zeldzaam is bij zwarten).
In 1990 draaide hij “Another 48 hours” (Walter Hill), maar ook “The Distinguished Gentleman” van Jonathan Lynn kon er hem niet bovenop helpen. Hierin speelt Eddie Murphy een zwendelaar die erin slaagt verkozen te worden in het Amerikaanse parlement (een zwarte en magere versie van Jean-Pierre Van Rossem?) en op die manier van de legale voordelen van zijn nieuwe status kan genieten. Tot een rechtvaardige lobbyiste (niet Mieke Vogels maar Sheryl Lee Ralph) zijn sociaal geweten, maar vooral ook zijn libido prikkelt.
De laatste tijd maar in de slappe was, wordt Eddie Murphy door de bloedmooie Robin Givens dan ook afgewezen in “Boomerang”. Niet te verwonderen dat Eddie Murphy zijn debuut wilde maken als een ernstig acteur. In “Fences” vertolkte hij de rol van een mentaal gehandicapte zoon van een baseball-speler (toch wel gevaarlijk om daardoor niet juist een karikatuur neer te zetten!). Maar zelfs “Beverly Hills Cop 3” van John Landis (1994) bracht hem niet opnieuw op de voorgrond.
Privé is Murphy gehuwd met het voormalige fotomodel Nicole Mitchell en ze hebben drie kinderen: Bria, Myles en Shane. Bij een zekere Paulette McNeely heeft hij nog een Eddie jr. Dat is het enige kind dat hij heeft erkend uit de talloze vaderschapsprocessen die tegen hem lopen (recent nog heeft Scary Spice hem zo’n proces aangedaan). Zelf is hij van arme komaf. Zijn vader (een politieman, die bij het amateurtoneel was) stierf toen hij acht was en zijn stiefvader heeft hem heel streng opgevoed. “Maar dat heeft mij voor veel onheil behoed,” aldus Murphy, die geen vijf zinnen kan zeggen zonder er de godheid eens bij te halen. En dan niet als vloek, hé! Hij woont gedeeltelijk in Beverly Hills (in het paleis van 1001 nacht dat hij van Cher heeft gekocht) en gedeeltelijk in New Jersey.
Wat andere zwarte politieagenten betreft (“your worst nightmare: a nigger with a badge”, zoals Murphy zegt in “48 hrs”), was er o.m. Wesley Snipes (1962) in “Rising sun” en Denzel Washington in “Devil in a blue dress” van Carl Franklin. De zwarte cineast Charles Burnett heeft het zelfs heel expliciet over deze problematiek in “The glass shield”. Hierin speelt Michael Boatman de rol van J.J.Johnson, de eerste kleurling in het plaatselijke politiekorps van een corrupte wijk in L.A. Net als de enige vrouwelijke agente Deborah (Lori Petty) is hij het slachtoffer van pesterijen en om aanvaard te worden legt hij een valse getuigenis af over de betrokkenheid van een blanke collega in een moordzaak. Toch blijft het knagen en probeert hij samen met Deborah de stal uit te mesten. De overgang van Uncle Tomming naar het behoud van de integriteit is duidelijk de onderliggende bedoeling van deze film.
Zelfs O.J.Simpson speelt een politieagent in de “Naked gun”-reeks. Deze voormalige American footballer had de twijfelachtige eer het wereldkampioenschap voetbal (soccer) van het scherm te verdringen door een spectaculaire politieachtervolging (rechtstreeks in beeld gebracht!) nadat hij zijn ex-vrouw Nicole Simpson en haar nieuwe vriend Ron Goldman zou hebben vermoord. Hij werd vrijgesproken, maar volgens velen was er hier sprake van omgekeerd racisme.
BLAXPLOITATION
Want stilaan komen we bij de agressieve zwarte filmers terecht. De voorloper was ongetwijfeld “Sweet Sweetback’s Baadasssss Song” van Melvin Van Peebles uit 1971. Zelf slachtoffer van discriminatie (z’n eerste film moest hij noodgedwongen in Frankrijk draaien, “La Permission”), was zijn film over het getto in Harlem een oprechte aanklacht tegen het racisme in al zijn facetten. Aangezien in de commissie die moest oordelen over de leeftijd voor wie de film mocht gaan zien, bijna uitsluitend blanken zaten, weigerde Van Peebles zijn film ter beoordeling voor te leggen, wat hem automatisch een X-certificaat (vergelijkbaar met porno b.v.) opleverde. Toch werd de film in de zwarte getto’s een enorm succes.
Hollywood hoorde de kassa rinkelen en bedacht dat ook zwarten geld in het laadje konden brengen. Daarom begonnen zij zelf ook een cocktail van geweld, sex en muziek te brouwen, specifiek bestemd voor de zwarte gemeenschap. Op die manier kregen we het ontstaan van de zogenaamde “blaxploitation”-films van de vroege jaren zeventig, zoals “Shaft” van Gordon Parks (1912-2006) of “Superfly”.
Door deze films werd de gettocultuur aangewakkerd en op die manier ontstond er inderdaad een vorm van “omgekeerd racisme”, dat weliswaar een gerechtvaardigde oorsprong heeft, maar door het feit dat het zich ongenuanceerd tegen àlle blanken keert, heeft het toch zeker ook racistische trekjes (misschien daarom dat Shaft onder de douche met een blanke vrouw vrijt?). Bovendien is er ook de afwijzing van de “blanke” beschaving (ook de goede aspecten) en wordt er een nieuwe cultuur in de plaats gesteld, die vooral anders wil zijn. Maar dat betekent ook: verbasterd Engels, eentonige muziek en macho-gedrag.
En daarmee komen we terecht bij Spike Lee, die met zijn “Do the right thing” (1989) de rage van de rap-films op gang bracht (door het aanwenden van “Fight the power” van Public Enemy). Van Spike Lee is ook de mening dat Hollywood wel degelijk schuld heeft aan de recente rassenrellen in Los Angeles (vergeten we het niet: Hollywood is een “wijk” van Los Angeles), niet omdat de filmindustrie racistisch zou zijn, maar omdat men nu eenmaal geen films maakt die zich enkel of voornamelijk tot de zwarte minderheid richten. John Singleton had met z’n “Boyz in the hood” eigenlijk de rellen reeds voorspeld. Met deze film is Singleton overigens de enige zwarte regisseur die een oscarnominatie in de wacht sleepte voor een langspeelfilm. Spike Lee zelf, bij cinefielen verder hoog aangeschreven door films als “School daze” en “She’s gotta have it”, slaagde daar voorlopig enkel in voor de categorieën “documentaire” en “screenplay”.
“Menace to society”, waarbij “to” modieus als “II” wordt geschreven, is dan weer een rapfilm over de straat”cultuur” in Los Angeles, d.w.z. ongebreidelde agressie, gemaakt door een jonge zwarte tweeling, Allen & Albert Hughes. Hoofdfiguur is Tyrin Turner als Caine, een dealer (uiteraard), die wel hogerop wil, maar meegezogen wordt in de geweldspiraal om hem heen. Afgaande op de respectievelijke karakters zou men kunnen zeggen dat Caine Allen zou willen zijn, maar eindigt als Albert. De beide Hughes geven overigens toe dat ze wellicht zoals hun filmpersonages zouden zijn geëindigd indien hun moeder hen op twaalfjarige leeftijd geen videocamera had gegeven.
Vriendje John Singleton pakte met “Higher learning” uit met in de hoofdrollen Omar Epps, Kristy Swanson, Michael Rapaport, Ice Cube en Laurence Fishburne. Een typisch zwart-Amerikaans product waarin clichématig gedacht wordt over racisme (cfr.de extreem-rechtse blanken aan de universiteit) en waarin als boodschap “unlearn” zit. Maar dat is in Amerika al lang niet meer nodig. Bewijs: ook Jermaine Jackson gaat in een film spelen, hij speelt de rol van de eerste zwarte heilige.
De rassenproblematiek komt op een humoristische wijze ook aan bod in “Soul man” (Steve Miner, 1986) en ook in “Enemy mine” van Wolfgang Petersen wordt er mooi met het gegeven omgesprongen, ook al omdat de “alien” vertolkt wordt door de zwarte Lou Gossett jr.
DRIVING MISS DAISY
In 1989 was er “Driving Miss Daisy”. Hierin speelt Jessica Tandy de rol van een oude joodse weduwe (Miss Daisy) die door haar zoon (gespeeld door Dan Aykroyd) een zwarte chauffeur opgedrongen krijgt. De rol van chauffeur Hoke Colburn wordt vertolkt door Morgan Freeman. Eerst reageert Miss Daisy nogal knorrig op deze man, die bijna even oud als haarzelf, maar langzaamaan maakt die knorrigheid plaats voor een warme vriendschap. Naast de problematiek van het ouder worden, komt ook het rassenprobleem aan de orde. Men zou kunnen stellen dat in het levensverhaal van deze beide mensen tegelijk ook de rassenrelaties worden geschetst in de staat Georgia, waar dergelijke problematiek steeds van prominent belang is geweest, en dat in de periode 1948-1973. Regisseur Spike Lee vindt dat de anti-racistische boodschap in deze film (de vriendschap tussen een oude joodse dame en haar zwarte chauffeur) eigenlijk precies een latent racisme verbergt: de nostalgie naar de goede oude tijd toen de zwarte zich nog lijdzaam aan de blanke onderwierp.
Misschien dat het door deze kritiek is dat Morgan Freeman zich een beetje in een egelstelling heeft gewrongen. Zo zegt hij onder meer: “Volgens het politiek correcte taalgebruik ben ik een Afro-Amerikaan. Maar ik ben een Amerikaan en daarmee basta. Ik ben blij dat mijn voorouders naar hier kwamen. Op welke manier dan ook. Ik ben tenminste in New York, zit in een voortreffelijk hotel en niet in de Rwandese brousse krijgertje te spelen.” (De Standaard, 25/2/1998)
Freeman doet deze uitspraak naar aanleiding van zijn rol in “Amistad” van Steven Spielberg. Het is niet geweten hoe Spike Lee op deze film reageerde, maar hij had wél kritiek op het feit dat Steven Spielberg “The Color Purple” regisseerde. Deze laatste déélt zelfs deze kritiek. Niet zozeer omdat hij blank is (want producer Quincey Jones vond dat dit geen belang had), maar omdat hij nog te jong was om zo’n thema aan te pakken. Hoofdrolspeelster Whoopie Goldberg verdedigt hem echter: “Had die film dezelfde kritiek gekregen als hij door een andere regisseur was gemaakt? Ja, als die andere regisseur een blanke was. Neen, indien hij een zwarte was. Spike Lee had beter die kleine rukker van een Prince aangepakt toen die een jaar eerder Purple rain uitbracht. Dat was pas écht dumb shit. Ofwel moesten de vrouwen in die film topless gaan baden, ofwel werden ze afgeranseld en in een vuilnisbak gedumpt. Maar over die film heb ik Spike Lee nooit horen piepen. Spike Lee is trouwens de laatste die anderen mag verwijten dat hun films vol stereotypen zitten. Zijn eerste film ging over een zwarte vrouw die via seks de mannen manipuleerde. En Mo’Better Blues gaat over een man die via seks de vrouwen manipuleerde. Ja kom, het sprookje van de potente neger kénnen we al. Ik neem Spike Lee met een korreltje zout en werp hem daarna over mijn schouder. Hij zal nog wel leren.” (Humo)
Ronduit ergerlijk was dat in 1996 het taaltje (of wat daarvoor moet doorgaan) dat in dergelijke films wordt gebezigd in Oakland als een evenwaardige taal aan het Engels werd erkend, het zogenaamde Ebonics. Gelukkig kwam er verzet vanuit de centrale regering, ook al was dat dan voornamelijk op financiële gronden (men zou er dan extra geld moeten voor uittrekken namelijk). Dus nog beter was het verzet van de zwarte senator Jesse Jackson die terecht stelde dat men hiermee de zwarte jeugd met een onoverbrugbare leerachterstand zou opzadelen! Hier had men in Oakland wel oren naar en dus werd het besluit opgeschort. Wie echter “he bin” zegt i.p.v. “he has been” maakt volgens hen nog altijd geen fout. Het is gewoon een “ander” taalgebruik. My ass!
In “What’s love got to do with it”, de biografische film over Tina Turner van de Engelsman Brian Gibson kregen in 1993 ook vele zwarte acteurs een kans, voornamelijk natuurlijk Angela Bassett, die er een Golden Globe als beste musical-actrice aan overhield. Ook haar tegenspeler Laurence Fishburne kreeg een oscar-nominatie als Ike Turner. Spike Lee, weer hij, was met deze film niet tevreden. Volgens hem gaf het slaande echtpaar Turner gestalte aan het misprijzende beeld dat blanken over zwarten hadden en was het dus helemaal niet lovenswaardig dat zij voor die rollen werden genomineerd. Collega Linton Mdele voegde daar nog aan toe dat deze film een Touchstone-productie was (van de Disney-studio’s), die dat jaar ook “Cool runnings” uitbrachten, een komische film naar het waar gebeurde verhaal van een bobsleigh-team uit… Jamaica dat aan de Olympische Spelen heeft deelgenomen. De komische situaties hebben echter vooral een racistische ondertoon. (****)
De hoofdrol in “Malcolm X” werd gespeeld door Denzel Washington, die daarna te zien was in “Philadelphi¬a” van Jonathan Demme. Daarmee wilde de “Academy” duidelijk ook een standpunt innemen ten opzichte van het aidsprobleem. In deze film wordt advokaat Andrew Beckett (Tom Hanks) ontslagen omdat hij aids heeft. Zijn homofo¬be zwarte collega Joe Miller (Denzel Washing¬ton) neemt het echter voor hem op, nadat Beckett hem Maria Callas heeft laten horen met een aria uit “Andrea Chenier”. Een onvergetelijke scène, die echter ook een racistische ondertoon heeft: Miller, nochtans een zwarte advocaat, blijkt nog nooit van Callas te hebben gehoord!
“Waiting to exhale” werd in 1996 aangekondigd als eerste zwarte vrouwenfilm, maar dat is uiteraard onzin. Het is de eerste zwarte Hollywood-vrouwenfilm, zoals “Philadelphia” de eerste Hollywood aidsfilm was. Want in 1991 was er b.v. reeds “Daughters of the dust” van Julie Dash en in 1994 zelfs “I like it like that” van Darnell Martin, waarmee deze medewerkster van Spike Lee als eerste zwarte vrouw een film mocht maken voor een grote studio. De film gaat, uiteraard zou ik bijna zeggen, over de Bronx, maar toch is het deze keer een komedie. “De moeilijkheden begonnen toen de studio de originele titel van mijn film, Blackout, veranderde in I like it like that. Dat klinkt meer als She’s gotta have it en Do the right thing, zeiden ze dan. Ze wilden me verkopen als de vrouwelijke Spike Lee, als de zwarte, vrouwelijke Woody Allen zeg maar. (…) Maar de manier waarop John Singleton en Mario Van Peebles het leven in de getto’s tonen kan ik niet slikken. Uit die films spreekt niets dan geweld en wanhoop, alsof elke zwarte met een Uzi en enkele onsjes crack rondloopt!” (*****)
Black is dus opnieuw beautiful. Het brengt zelfs geld op. Martin Lawrence van “Bad boys” was immers de eerste zwarte om te worden opgenomen in het clubje van de acteurs die 600 miljoen frank verdienen (hij moest er wel drie films voor draaien en Jim “Ace Ventura” Carrey b.v. maar één).
POLITICAL CORRECTNESS
En racisme in soaps? Dat ligt gevoelig. Merkwaardig is b.v. dat interraciale relaties zelden voorkomen, wellicht juist omdat een basiskenmerk van soaps de vergankelijkheid van relaties is (van eender welke aard) en men wil voorkomen dat ruzies tussen echtelingen van divers ras verkeerd zouden worden uitgelegd.
Want de laatste tijd lijden ook soaps aan de ziekte van “political correctness”. In het Zuid-Afrikaanse “Egoli, place of gold” of het Amerikaanse “Generations” worden zwarten nu b.v. zó positief voorgesteld dat het niet meer geloofwaardig is. Dat in een Amerikaanse politieserie de hoofdcommissaris voortaan altijd een zwarte is, daar kijkt zelfs niemand meer van op.

Ronny De Schepper

(*) Hierbij dient echter opgemerkt dat het plot juist vereist dat zij oorspronkelijk als blanke doorgaat.
(**) Eerlijkheidshalve moet ik hier wel aan toevoegen dat rond die tijd ook elders (met name in Italië) een blanke als zwarte werd opgevoerd. Het betrof dan nog wel Sophia Loren in een merkwaardige verfilming van de Verdi-opera “Aida” door Clemente Francassi (in 1953). Aangezien haar stem vervangen werd door die van Renata Tebaldi, had de regisseur hier zelfs meer dan ooit de kans om eens een echte zwarte in de hoofdrol van deze opera te casten. Maar neen, het werd dus het seksidool van dat moment, Sophia Loren, die met lichtbruine schoensmeer werd ingestreken. Lichtbruin, jawel, want deze Ethiopiërs moesten niet echt zwart zijn, aangezien de Egyptenaren blank als botermelk waren!
(***) Goed mogelijk, maar ikzelf was al gedegouteerd door de hint naar een verhouding tussen die twee. Niet omwille van het rassenverschil uiteraard, maar omdat dit helemaal niets bijbrengt aan de film. Er was op geen enkel ogenblik ook maar iets van vuurwerk merkbaar tussen die twee. Goed dus van Alan J.Pakula!
(****) En daarbij komt ook nog een achterhaald anti-communisme, dat gestalte krijgt in de DDR-ploeg.
(*****) Martin concentreert zich dan ook niet op de zwarten, maar op de Latino’s (zelfs Rita Moreno krijgt op die manier nog een rolletje toegewezen). Het verhaal gaat immers over een jonge vrouw (Lauren Velez), die nadat ze haar man (Jon Seda) het huis heeft uitgezet, met drie kinderen het hoofd boven water moet houden. Als ze door een leugentje aan een job geraakt bij een platenproducent (Tomas Melly) gaat er een nieuwe wereld voor haar open.

Referenties
Ronny De Schepper, Racisme in Hollywood, Switch, april 1996
Ronny De Schepper, Racisme in Hollywood, De Hoogste Tijd, juli 1996
Ronny De Schepper, Racisme in Hollywood, Film nr.3, augustus 1996
Ronny De Schepper, Racisme in Hollywood, Nitro, januari 1997
Lance Morrow, Blacks on TV: a disturbing image, Time 27/3/1978

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.