Al wie geen liedje zingen kan, die moet er maar eentje blazen

IMGEen operavoorstelling in Antwerpen en dan nog wel in volle zomer! Een luxe die wij te danken hebben aan de Vlaamse Kameropera, die in samenwerking met Studio Lirico uit Florence enkele voorstellingen bracht van Mozarts « Cosi fan tutte ».

De Studio Lirico is een nog jong gezelschap (opgericht in 1982) en voert in hoofdzaak oude, minder bekende kameropera’s op. Het ensemble dat bij ons gasteerde, bestond uit zeer jonge, beloftevolle zangers, helemaal niet van Italiaanse oorsprong, aangezien er uitsluitend Zweden (Sara Perssop, Susan Vegh en Annika Hedbjörk), Amerikanen (Tyrone Jolivet en David Orcutt) en een Fin (Peter Vogel) in de rolbezetting voorkwamen.
« Cosi fan tutte» is een zware opgave voor debutanten en het lag volkomen binnen de verwachtingen dat zij van tijd tot tijd een steek zouden laten vallen. Onder de dynamische leiding van Walter Proost werd er echter met zo’n enthousiasme gezongen en gemusiceerd dat wij deze enkele schoonheidsfoutjes graag voor lief nemen.
De enscenering van Talmage Fauntleroy (hij deed ook « The Rape of Lucretia » enkele weken geleden) was speels en smaakvol. Opvallend was dat hij — in navolging van de oorspronkelijke visie van Woolfie die de regisseur de keuze liet tussen twee mogelijke slotscènes — voor de « progressieve », « geëmancipeerde » versie opteerde: de « ontrouwe » zusjes keren niet terug naar de hun toegewezen verloofde, maar blijven bij de partner van hun eigen keuze. Een verfrissende opkikker dus van dit nogal zielig geëindigde Antwerpse operaseizoen.
Met deze opmerking willen we uiteraard refereren aan de noodlottige « avonturen » van de Opera voor Vlaanderen, die voortaan als Vlaamse Operastichting door het leven zal moeten trekken. Kunnen we uiteindelijk moeilijk ontevreden zijn over de keuze van Gerard Mortier als intendant (al doet het plan van Dewael om de VLOS op te zadelen met nog te componeren opera’s van jonge Vlaamse genieën ons al bij voorbaat de koude rillingen over de rug lopen), dan valt het uiteindelijk nog altijd af te wachten welke oorspronkelijke leden van de OVV behouden zullen blijven en welke met een gouden handdruk of een trap onder de broek (schrappen wat niet past) aan de deur zullen vliegen.
De kwaliteiten van Mortier kennende, zijn wij alvast gerust wat de houtblazerssectie van het Gentse opera-orkest betreft. Hoboïst Yvan Dudal en klarinettist Eddy Vanoosthuyse behoren immers werkelijk tot de top van onze nationale blazershelden. Bovendien hebben zij in fagotist Luc Verdonck van het BRT-Filharmonisch Orkest hun evenknie gevonden. Zo vormen zij samen reeds sedert 1985 het Houtblaastrio van de Opera voor Vlaanderen (ook Verdonck speelde oorspronkelijk in het OVV-orkest) om in kamermuziekverband de OVV te vertegenwoordigen op festivals en concerten. En tot meerdere eer en glorie, zoals we zelf reeds mochten vaststellen !
Alhoewel hun repertoire zich uitstrekt over verscheidene eeuwen, hebben zij toch een speciale voorliefde voor hedendaags (niet-experimenteel) werk, wat zich o.m. ook uit in verscheidene composities van eigen Vlaamse toondichters, speciaal voor hen geschreven. Twee daarvan vinden we nu terug op de eerste elpee die dit trio op de markt heeft gebracht. Het divertimento van Alain Craens bestaat uit drie delen (allegro, andante en allegro e ritmico) waarbij de drie instrumenten om beurten een solorol mogen vertolken, telkens uiteraard ondersteund door de twee andere.
In de sonatina van Frits Celis (jawel, de OVV-dirigent) wordt de hobo in het langzame tweede deel vervangen door de Engelse hoorn (ook althobo genoemd) en de klarinet door de fluwelig klinkende basklarinet. Dit middendeel bestaat, na de dromerige intro, grotendeels uit een dialogerend spel tussen telkens twee van de drie instrumenten en functioneert aldus hoofdzakelijk als een intermezzo. Het slot is dan weer voornamelijk gebouwd op een nerveus ritmisch motief, zoals we dat ook bij Craens reeds aantroffen.
Naast deze twee creaties staan ook nog twee « suites » van Jean Rivier en Darius Milhaud op deze plaat, waarmee we uiteraard bij het Franse repertoire zijn beland. De combinatie van accuraat samenspel en op de spits gedreven virtuositeit kan hier enkel maar worden waargemaakt dankzij de reeds geroemde kwaliteiten van ons drietal.
Als toegift — best leuk, maar enigszins storend in het opzet van de plaat als geheel — wordt tenslotte ook nog een bewerking van de fameuze « vlucht van de hommel » van Rimski-Korsakov uitgevoerd. Voor ons part mag het Houtblaastrio van de OVV gerust eens een volledige elpee met dergelijke grappige virtuositeiten uitbrengen, maar in het geheel van het product dat hier nu ter beoordeling voor ons ligt, hadden we het liever achterwege zien gelaten. Laat dit de liefhebbers echter niet weerhouden om zich dit kleinood alsnog aan te schaffen!

Referentie
W.M. & R.D.S., Al wie geen liedje zingen kan, die moet er maar eentje blazen, De Rode Vaan nr.32 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.