De Canadese regisseur Robert Carsen viert vandaag zijn zestigste verjaardag…

Na zijn eerste eclatant succes met Mefistofele werd de jonge Robert Carsen uitgenodigd door Marc Clémeur om, samen met dirigent Silvio Varviso, een volledige Puccini-cyclus in Opera Vlaanderen te realiseren. Deze cyclus betekende de internationale doorbraak voor zowel Robert Carsen als voor het operahuis. Vandaag behoort Robert Carsen tot een van de meest gevraagde regisseurs. Hij was onder meer werkzaam bij de Scala van Milaan, de Muntschouwburg, The English National Opera Covent Garden, The Metropolitan Opera New York en L’Opéra national de Paris. De voortreffelijke Puccini-cyclus die Clémeur heeft opgezet, begon inderdaad in januari 1991 met “Manon Lescaut”. In het weekblad “Panorama” verklaarde Gerard Mortier destijds: “Giacomo Puccini is voor mij het summum van slechte burgermanskunst uit de negentiende eeuw. Wat kunnen mensen op het einde van de twintigste eeuw nog opsteken van een opera als Madama Butterfly? Die hele handel moet de vuilnisbak in!” Aan deze uitspraak hebben we het te danken dat Marc Clémeur met zijn geruchtmakende Puccini-cyclus is gestart. “Vanaf dat ik hier kwam heb ik dingen willen doen die in de Munt niet gebeuren. Zo koos ik voor Puccini, Mortier haat Puccini en het is mijn stokpaardje.” Zoals àlle Puccini-opera’s werd “Manon Lescaut” gebracht in een enscenering van de jonge Canadees Robert Carsen. Alhoewel hij eigenlijk een acteursopleiding heeft gekregen (aan de Bristol Old Vic Theatre School) is hij toen hij amper twintig was reeds als assistent-operaregisseur aan de slag gegaan tussen 1980 en 1985 aan de Glyndebourne Festival Opera. Toen hij in 1986 als assistent van Giancarlo Menotti in Genève “La Bohème” kwam instuderen, werd hij door directeur Hugues Gall (vanaf 1995 directeur van de Bastille tot de komst van Gerard Mortier) opgemerkt en mocht hij in 1988 zijn eerste eigen regie doen. Het was meteen raak: “Mefistofele” mocht hij nadien met Samuel Ramey overdoen in San Francisco, Houston en Chicago. De productie werd ook opgenomen voor televisie en zo werd hij ontdekt door Marc Clémeur, die hem naar Antwerpen haalde, maar niet exclusief: in 1989 regisseerde Carsen “Lucia di Lammermoor” in Zürich, “La Finta Giardiniera” in Frankfurt en Lausanne, “A night at the Chinese opera” van Judith Weir in Santa Fe, “Le Nozze” in Long Beach. In 1990 volgde “Lady Windermere’s fan” voor de Bristol Old Vic, een Franse “Salomé” (met Karen Huffstodt, die later in de Vlaamse Opera zijn Tosca zou worden) voor de opera van Lyon, “Ariadne auf Naxos” voor Santa Fe (hier ontmoette hij Miriam Gauci, die de titelrol in “Manon Lescaut” zou zingen) en “I Capuletti ed i Montecchi” voor Genève.
Zelfs Gerard Mortier had lof voor de concurrentie: “Ik denk dat Robert Carsen, die nu in Antwerpen Puccini ensceneert, ook heel goed belcanto zou kunnen brengen, omdat het iemand is die truuks vindt om bepaalde opera’s toch een modern cachet te geven. Het gaat niet altijd op, maar hij heeft b.v. wel een goede Lucia di Lammermoor gedaan, een enscenering die men in Brussel misschien eens kan afkopen.”
Robert Carsen en dirigent Silvio Varviso grepen, geheel consequent met hun herontdekkingspolitiek van Puccini, terug naar de eerste versie van Madama Butterfly, die veel meer anti-Amerikaans heet te zijn. Nu, buiten het gebruik van het woord “smoelen” voor de Japanse inwoners (en men kan zich afvragen of dit geen vrijheid van de vertaler was, die overigens moet leren dat een bevel geen -t heeft in het Nederlands!), viel dat wel mee. Maar toch was het een goede ingreep, want het gaf Carsen de kans tijdens het lange intermezzo dat het tweede en derde bedrijf oorspronkelijk aan elkaar smeedde, een droomscène in te bouwen, waarin Cio-Cio-San de terugkomst van Pinkerton idealiseert. Een zeer sterk contrast met wat volgt! In de laatste scène schijnt Puccini nog te suggereren dat Pinkerton tot inkeer is gekomen, maar zijn schrijnende kreet “Butterfly!” komt te laat. Bij Carsen krijgt hij echter geen kans op berouw: net voor haar zelfmoord heeft Cio-Cio-San haar blonde zoontje een Japans masker opgezet en een Japanse vlag (overigens die van nà de Tweede Wereldoorlog, maar kom) in zijn handen geduwd. Als hij dan ook nog de dolk opraapt en die in de richting van zijn vader houdt, is het duidelijk welke toekomst Pinkerton tegemoet gaat.
Bij “Turandot” liet Carsen de “Chinoiserieën” achterwege, maar dat was perfect doenbaar omdat het hier een algemeen thema betrof, waarbij het niet echt terzake deed dat het zich in China afspeelde. Bij “Butterfly” is de tegenstelling tussen de beide culturen echter essentieel. Regie-assistent Joris Bultynck wees er dan ook bij voorbaat al op dat er wel degelijk kimono’s e.d. zouden te zien zijn. “Maar in tegenstelling tot andere regisseurs hanteert Carsen dit niet als couleur locale, maar wel om aan te geven dat die integere Japanse wereld wordt verstoord door het westerse imperialisme. De cultuurschok als het ware.”
Een ander steeds weerkerend probleem is Butterfly’s jeugdige leeftijd. Marc Clémeur heeft ooit eens gezegd: “Het is heel belangrijk voor de geloofwaardigheid om jeugd op de scène te zien. Mijn criteria zijn eerst en vooral dat ze er goed uitzien, dat is belangrijk. Uiteraard moeten ze ook een fantastische stem hebben. En als ik ze op een auditie goed heb bevonden, ga ik naar een van hun optredens om ze als acteur op de scène te zien.” Bij zo’n veeleisende rol verwachten we uiteraard geen tiener op de scène, maar “een ouwe tante” zal het zeker niet zijn, verzekerde Joris Bultynck. “Ook hier onderscheidt de Vlaamse Opera zich van meer oubollige instellingen, waar enkel de directeur en de dirigent de casting doen. Bij ons hebben ook de regisseurs inspraak en wordt er dus ook naar andere factoren dan louter zangtalent gekeken.” Was het misschien daarom dat Cynthia Lawrence in extremis werd vervangen door Cheryl Barker?
De rol van Pinkerton was voor Frederic Kalt, de Amerikaanse tenor, die destijds op de valreep de rol van Calaf in “Turandot” moest overnemen van de zieke Stefano Algieri. Anne Collins is een oudere Suzuki (nergens staat geschreven dat Suzuki een leeftijdsgenote moet zijn van Butterfly, maar ik zag dat toch steeds zo, ze zou in mijn regie zelfs lesbisch zijn), Ruth Peel een Kate Pinkerton die op water kan wandelen (zie verder), Jorma Hynninen een uitstekende Sharpless, Chris De Moor een bulderende Bonzo, Piet Vansichen een chargerende Yakuside en Eric Raes verving Francis Egerton als Goro.
Dit bracht Mark Meersman naar de voorstelling, die niks van de symboliek van Carsen bleek te snappen. En dat terwijl hij het er volgens mij nu eens te dik opsmeerde. De opening met de boeg van de “Abraham Lincoln” die als een reusachtige penis het huis van Cio-Cio-San binnendringt is natuurlijk prachtig, maar op die manier moet je wel een heel bedrijf lang tegen een reusachtig zwart vlak zitten aankijken. Bovendien is ook de rest van het alweer schuin oplopende plateau moeilijk te bespelen omdat het wellicht de talrijke eilandjes moet voorstellen die Japan uitmaken. Of Japan zelf dat verbrijzeld wordt door de Amerikaanse invasie. In het tweede deel speelt men immers expliciet op de landkaart van Japan. Daar het land echter erg smal is, verhindert dit een vlotte beweging van de acteurs (alleen Kate Pinkerton kan zoals gezegd op het water wandelen, Christus achterna). De kleur is rood, of eerder roze, waardoor vooral in het eerste bedrijf die typisch Japanse waterbloemen worden opgeroepen, maar samen met de witte achtergrond en het blauwe water krijgen we natuurlijk ook de Amerikaanse vlag, die overigens ook in de kimono van Cio-Cio-San zit: zoals gezegd, allemaal een beetje té nadrukkelijk (zoals b.v. ook haar bekering tot het katholieke geloof).
Het was de bedoeling dat de hele Puccini-cyclus ook door de BRTN werd gecapteerd, maar voor “La Bohème” is men daar wegens problemen met de toneelbelichting niet in geslaagd. Voor “Madama Butterfly” zou het echter wel opnieuw gebeuren. Het betrof hier geen gewone captaties, maar een montage van de beste opnamen gespreid over verschillende dagen. Een duurder, maar artistiek meer verantwoord procédé. Nu, wat La Bohème betreft, ikzelf heb letterlijk al ontelbare versies van deze opera gezien en ik word hem maar niet moe. En de mooiste versie die ik ooit heb gezien (ik heb het nu over het visuele aspect) was ongetwijfeld die in de Vlaamse Opera, geregisseerd door Robert Carsen (foto Annemie Augustijns). Alle voorstellingen van de Vlaamse Opera waren uitverkocht, maar moedigen konden aan de kassa toch nog proberen een niet-afgehaalde kaart te bemachtigen. Laat je evenwel niet afschepen met een “laissez-passer”. Daarvoor betaal je 1.000fr en toch word je als de eerste de beste party-crasher voortdurend van je plaats verjaagd, als er weer een beotiër tussen twee bedrijven komt binnengewandeld. (*)
Het loont echter de moeite: niet enkel is deze klassieker van Giacomo Puccini op zich reeds één van de mooiste bladzijden uit de muziekgeschiedenis, regisseur Robert Carsen en dirigent Silvio Varviso hebben zich weer eens overtroffen. Na “Manon Lescaut”, “Tosca” en “Turandot” was dit de vierde Puccini-parel aan de kroon van de Vlaamse Opera. Carsen heeft terecht voor een “optimistische” lezing geopteerd. Mimi is in zijn ogen geen “sloorke” dat vrij toevallig in dat kunstenaarsmilieu terechtkomt en er dan aan ten ondergaat, nee, zij verleidt heel doelbewust Rodolfo. Zij is ook niet tegengesteld aan Musetta, integendeel: ze kijkt er naar op, het is slechts haar ziekte die haar parten speelt. Een ziekte waarop ze dan reageert met overmatig drankgebruik b.v., zodat ze eigenlijk zichzelf nog wat sneller in de dieperik helpt en niet de anderen. Die anderen zijn anderzijds wel echt getroffen door haar dood, maar het leven gaat verder. Dàt is de boodschap als ze op het einde buiten het kader van het kleine kamertje treden en het gele bloembed inwandelen.
Ook de zangrollen waren uitstekend bezet. De Amerikaanse Mary Mills is een geloofwaardige Mimi, terwijl Fabio Armiliato als Rodolfo niet meer hoeft voorgesteld te worden, want die was nu reeds voor de vijfde keer aan de slag in de Vlaamse Opera (na Don Carlo, Macbeth, Tosca en Manon Lescaut). Zijn vrienden zijn Ned Barth als Marcello (deze Amerikaan is ook al aan zijn vierde rol toe, na Edgar, La Rondine en Falstaff), Harry Peeters als Colline en “onze eigen” Werner Van Mechelen als Schaunard. Een andere bekende zanger van bij ons, Piet Vansichen, moet twee ietwat sullige personages ten tonele voeren: de huisbaas Benoit en de hoorndrager Alcindoro. De Amerikaanse Jean Glennon is Musetta. Deze keer was het decor van een andere Canadees, Michael Levine, die met Carsen o.a. reeds de veel geprezen enscenering van Brittens “Midsummernight’s dream” had gedaan in Aix-en-Provence.
la_bohemecannemie_augustijnsMiriam Gauci noemt zijn Manon Lescaut in de Vlaamse Opera een voorbeeld van hoe het moet: “We hebben bij de creatie ongeveer vijf weken aan die productie gewerkt. Robert Carsen is een fantastische regisseur, die tegelijk toch blijft openstaan voor onze ideeën. Zijn voornaamste kwaliteit is dat hij je specifieke mogelijkheden onmiddellijk door heeft en dat hij in die richting verder werkt. En dan werk je daar zo hard aan dat je de regie gaat aanvoelen alsof het een deel was van jezelf. Als dat niet zo zou zijn, dan vind ik trouwens dat je beter opstapt. Ofwel werk je goed samen, ofwel gaat het gewoon niet, zo simpel is dat. Toen ik in Santa Fe La Bohème zong, kwam Robert Carsen, die ook iets aan het doen was in de Verenigde Staten, me zijn idee voorleggen. En dat helpt natuurlijk. Ikzelf hou er b.v. niet zo van om de tijdsperiode van de opera te veranderen. Ik heb niets tegen een moderne enscenering, maar dat wil daarom niet zeggen dat men de opera ook naar de huidige tijd moet overbrengen. Deze Manon Lescaut is daar alweer een uitstekend voorbeeld van. Het is een moderne enscenering, maar toch wordt de sfeer van de oorspronkelijke opera behouden.” Op de herneming van “Manon Lescaut” (op 11 juni 1993) vertelde Anthony Ward me dat het een misvatting is te denken dat hij een vast duo vormt met Robert Carsen (hij hàd trouwens al een vriend…). Het is toeval dat de enige twee producties van Carsen die wij te zien kregen er juist twee met Ward waren. Carsen werkt met zowat een viertal decorateurs en omgekeerd werkt Ward ook met andere regisseurs (o.a. met The Royal Shakespeare Company waar hij “King Lear” heeft gedaan met dezelfde regisseur die Kenneth Branagh in “Hamlet” heeft geregisseerd – daar heeft Ward trouwens blijkbaar een hekel aan Branagh overgehouden), maar het is wel wààr dat Ward niet werd gevrààgd voor “Turandot”. Hij is niet zeker of hij zou hebben toegestemd of niet. Voor “La Bohème” daarentegen is hij ook niet gevraagd, maar daar heeft hij niets op tegen want hij heeft nog maar pas een “Bohème” gedaan in Engeland met een andere regisseur en Puccini begint hem stilaan de keel uit te hangen. Voor “Madama Butterfly” werkt Carsen dan ook met een nieuwe decorateur, namelijk Paul Steinberg, die ook de kostumes voor zijn rekening neemt.
Voor de herneming van “Manon Lescaut” had Ward overigens (op vraag van Carsen) twee wijzigingen doorgevoerd: in het eerste bedrijf werd de kleurrijke kledij van de studenten vervangen door een soort van gazettepapier dat dan wel pruiken en bijpassende barokkledij opriep en in het fameuze derde bedrijf waren de fameuze “bootjeskapsels” wel behouden, maar deze keer stoorden ze niet meer, integendeel, het kreeg een zeer aangrijpend aspect, aangezien de hoertjes deze keer niet uitgedost waren zoals de sjieke bourgeois-bootjesdames, maar wel met verwarde haren en kledij die van vergane schoonheid getuigde. De totaal nieuwe cast was trouwens een grote verbetering (op uitzondering van Jeffrey Reynolds als Edmondo; geef mij dan toch maar Donald George!) met vooral een speciale vermelding voor Fabio Armiliato die mij tot nu toe toch altijd een beetje op mijn honger had gelaten. De enige die was mogen blijven was zoals gezegd Miriam Gauci, die een opvallend sterke acteerprestatie neerzette. Toch vond Ward haar de vorige keer beter, omdat ze toen nog onzeker was in zo’n moeilijke rol en die onzekerheid ook de kwetsbaarheid van Manon goed vertaalde. Nu bewonderde ook hij haar acteerprestatie, maar Miriam is nu heel wat zekerder van zichzelf, dat was ook te merken op de receptie achteraf. Desondanks bleef ze nog altijd erg vriendelijk.53f5af09ae262Zoals gewoonlijk pakte Carsen ook bij Tosca uit met beklijvende beelden, zoals de “tenhemelopneming” van Floria Tosca (Karen Huffstodt) als een Madonna in de oude én de moderne betekenis van het woord op het einde van het eerste bedrijf (foto Annemie Augustijns), dat muzikaal op zich ook al zeer sterk is. Puccini is volgens regisseur Robert Carsen (en ook volgens mij) helemaal niet geïnteresseerd in het politieke aspect. Het is b.v. bekend dat ook Verdi geïnteresseerd was in het stuk van Sardou en die zou er helemaal iets anders mee gedaan hebben. Voor Puccini was de politieke tegenstelling gewoon van belang omdat het noodlot van Tosca is bemind te worden door twee politieke tegenstanders. Want ook Scarpia is eigenlijk in haar ban.
Volgens Katelijne Theuwissen in de Gazet van Antwerpen van 10/2/1998 zijn opera’s van Händel statisch en onspeelbaar. Een veelgehoorde uitspraak, maar ze blijkt o zo relatief wanneer bij de Vlaamse Opera Robert Carsen en Marc Minkowski de handen in elkaar slaan voor “Semele”. Een drie uur lang meeslepende productie. Tijd om vooroordelen terzijde te laten.
Het libretto voor “Semele” dat William Congreve schreef naar één van Ovidius’ metamorfosen is ongeveer dertig jaar ouder dan Händels opera. Een onbeduidende voorganger van de meester wist ermee te floppen, maar Händel haalde het politiek gedurfde libretto opnieuw uit de kast, snoepte de oorspronkelijke toondichter zijn beste ideetjes af en zette een knappe Semele op papier. Hij liet zich bovendien sterk inspireren door Purcell, wat maakt dat deze opera gaat overhellen naar het oratorium. Misschien neemt men om die reden aan dat het een onspeelbaar werk zou zijn. Maar Minkowski zelf beweert het tegendeel. “Semele” mag dan op oratoriumleest geschoeid zijn, de compositie werkt volgens hem even goed als oratorium dan als opera.
Ook Carsen schijnt geen moeite te hebben met de dramatische mogelijkheden van “Semele”. Hij regisseerde de opera in 1996 voor het Festival van Aix‑en‑Provence en doet dat nu met evenveel glans weer voor de Vlaamse Opera. Al heeft hij er dan na de tragische dood van prinses Diana zijn allusies op het Britse koningshuis een beetje moeten afschrapen. Maar de vele grapjes en knipoogjes waarmee hij de productie doorspekt, zijn evergreens waar het publiek hoorbaar genoegen aan beleeft. Ook afgezien daarvan heeft Carsen vele registers om te bespelen. Van zichtbare kneepjes zoals het ‘bevriezen’ van het scenische beeld, over ongrijpbaar filmisch regiewerk tot spitse maar tegelijk discrete nevenhandeling die werkt als een bijzondere belichting bij breedvoerige aria’s.
Uit Aix‑en‑Provence kwamen de schitterende decors en kostuums van Patrick Kinmonth mee en verder enkel titelzangeres Rosemary Joshua die een gegoten Semele neerzet. Ik wil het haar niet nadoen in dat broze onderjurkje. Maar nergens mankeert het haar aan stem, schoonheid, kracht of temperament. Voor de andere rollen koos Minkowski met opzet geen barokspecialisten, maar allround opera‑zangers met een naar zijn zeggen Angelsaksisch geluid. Sara Fulgoni is als Ino heel sterk, net als Charles Workman in de rol van Jupiter en Kathleen Bret als Iris.
Gidon Saks liet meer als Somnus dan als Cadmus een prachtig geluid bewonderen. Della Jones alias Juno zette een knappe acteerprestatie neer maar was vocaal ronduit zwak en Roberto Balconi heeft als contratenor misschien wel een ondankbare positie, maar hij woog vederlicht. Toch is de productie ook muzikaal een succes: Les Musiciens du Louvre zijn meer dan thuis op dit terrein, het koor van de Vlaamse Opera onder leiding van Peter Burian was eens te meer prima voorbereid.
De gedreven Minkowski houdt zijn faam moeiteloos hoog in het daaropvolgende “Cendrillon”. In een verlate kerststemming programmeerde de Vlaamse Opera immers “Cendrillon” van belle époque‑componist Jules Massenet. Die schreef deze sprookjesopera op een libretto dat ‑ typisch voor het vorig fin‑de‑siècle ‑ baadt in nostalgie en een onvervuld verlangen naar een verre, ideale wereld. Het is ook gestoeld op degelijke en burgerlijke waarden. Robert Carsen voerde de regie. Hij beschikt over een hecht ensemble zangers, met vooral karakterrollen voor wie de expressie en het komisch talent belangrijker zijn dan de vocale schoonheid. In die categorie vallen de vader, Michel Trempont, de boze stiefmoeder, Joyce Castle, en de stiefzussen Mireille Capelle en Marie‑Noëlle de Callatay. De echte protagonisten, Assepoes en haar droomprins, vormen een droomkoppel. De sopraan Rebecca Evans balanceert als Cendrillon vocaal tussen argeloosheid en dan toch iets meer ervaring. De mezzo Charlotte Hellekant, haar Prince Charmant, brengt overtuigend de mistroostige en dweperige kanten van haar minnaar aan het licht. Lilian Watson, de fee, zette koket een van de meest duizelingwekkende coloraturen uit de operaliteratuur neer.
Het toneelbeeld dat Carsen aan Michael Levine vroeg, geeft mooi de koortsdromen weer die je als kind in je bedje meemaakte. Het varieert zoals in een film constant van standpunt. Het zoomt in en uit, de verhoudingen veranderen, om duizelig bij te worden. De fee en haar geesten blijken in echte sprookjessfeer niet meer dan een duim groot te zijn. En met het decor wisselt de atmosfeer van het koldereske over het sentimentele naar wanhopige scènes, om plots luchtig te eindigen. Een avond feeëriek vertier.
ob_ac5bf3c7fb2eaccb6a7101f51cf91aa1_rigoletto-aix2013-2

Aan het einde van het seizoen 2006-2007 nam Bernard Foccroulle afscheid van de Muntschouwburg om directeur te worden van het “Stemmenfestival” in Aix-en-Provence. In die hoedanigheid gaf hij in de zomer van 2013 de opdracht aan niemand minder dan Robert Carsen om voor hem een versie van Verdi’s “Rigoletto” te ensceneren, die volgens mij wel enigszins afweek van (zeg maar: “verder ging dan”) zijn regie in de Muntschouwburg van 2007.
John Allison schrijft in The Telegraph van 17 juli 2013: “Robert Carsen’s new production of Rigoletto – one of the highlights of this summer’s Festival d’Aix-en-Provence – is as slick as anything this elegant director has done. Not that the showmanship of the production, actually set in a circus, makes it superficial: it is one of the most dark and unsettling interpretations of Verdi’s masterpiece around.
Making his first appearance in a clown’s costume, the Rigoletto of George Gagnidze proves an uncommonly split personality. Deeply tender and moving in the scenes with his daughter Gilda, he is utterly heartless in his mistreatment of the blow-up doll with which he entertains the debauched ‘courtiers’. Vocally, the Georgian baritone is solid rather than special, but Carsen gets the best out of him as an expressive actor, and he carries the show on his hunched shoulders.
Possessed of a dark soprano that is even throughout her range, and boasting some secure coloratura, Irina Lungu is well cast as Gilda. She sings Caro nome from a swing high above the stage, with the lights of the circus tent – Radu Boruzescu’s single set – twinkling everywhere behind her. Of the principals, only the dry-voiced Duke of Arturo Chacón-Cruz is disappointing. Presumably, he exposes his bottom (as he sets off to rape Gilda) to disguise shortcomings at the top of his tenor.
The semi-nudity in the opening scene, with its swarms of acrobats and exotic dancers, threatens to turn the opera into Wiggletto. But Gianandrea Noseda, conducting the London Symphony Orchestra (LSO), steers a taut path through this and captures the vitality of the music.”
Het is wel merkwaardig dat Allison Justina Gringyte’s Maddalena vergeet te vermelden, die – zoals zo vaak bij Carsen – voor haar femme fatale-rol een meesteressenpakje krijgt aangemeten…

Referentie
DRG, La Bohème in de Opera, Het Laatste Nieuws 4 januari 1994

(*) Een allusie op wat mezelf overkwam tussen bedrijf één en twee, alhoewel daar eigenlijk geen onderbreking voorzien was. Ik gaf dan ook geen krimp en stond mijn plaats pas bij de pauze af.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s