Achter de art nouveau-gevel

01“Het verleden van een reiziger verandert met de weg die hij aflegt, en ik bedoel nu niet het nabije verleden waaraan elke dag die voorbijgaat weer een dag toevoegt, maar het verste verleden. Bij aankomst in iedere nieuwe stad vindt de reiziger iets van zijn verleden terug waarvan hij niet meer wist dat hij het had: de vreemdheid van dat wat je niet meer bent of wat je niet meer bezit wacht je op het moment dat je vreemde en niet eerder bezeten plaatsen betreedt.” (Italo Calvino, uit ‘De onzichtbare steden’)

Een laan met aan de ene zijde een aantal gevels uit de art nouveau periode. Er tegenover – gelukkig voldoende afgeschermd door een bomenrij – opslagruimten en fabrieksgebouwen. Voor zo’n woning bevond ik mij. In het gezelschap van twee vrienden. De ene had de deur geopend en liet ons hoffelijk voorgaan: “Kom er in”. Het was de eerste keer dat ik het huis betrad. Een ruime vestibule die voldeed aan de verwachtingen gecreëerd door de buitenkant. Een monumentale trap met bovenaan een glas in lood raam dat geabstraheerd een kleurrijke pauw voorstelde. In de hall zelf bewonderden wij, de twee bezoekers, een mozaïek die in tere tinten symbool was van Caritas. Dat was in ieder geval de verklaring die onze gastheer er aan gaf. Wij als vijftienjarigen waren vooral getroffen, vrees ik, door de naakte schoonheid van de vrouwenfiguur die omringd en beklommen werd door vier kleine blote jongetjes. “Kom, we kunnen naar de salon gaan, er is toch niemand thuis. Nu ja, behalve mijn zuster natuurlijk.” Hij keek me meesmuilend, wat meewarig aan. Uiteraard kende hij de impact van zijn quasi nonchalant uitgesproken woorden. Michèle, zijn zus, drie jaar ouder dan wij. Ik wenste niets minder dan hier thuis bij haar te zijn. Ik verlangde niets meer dan hier dadelijk met haar oog in oog te kunnen staan, in haar nabijheid te vertoeven in haar eigen omgeving. We betraden de ruime salon, betraden, een ander woord zou misplaatst zijn. Het overdonderde ons. De ruimte. En de meubels. Geen art nouveau deze keer, maar wel in één of andere dure stijl, een Louis de zoveelste misschien, ik kende er natuurlijk niks van. “Laat jullie vallen.” Hoe zuinig we ook gingen zitten, we vielen inderdaad, zakten zowat weg in de kussens. Mijn vriend die meegekomen was en onze vriend-gastheer, François, in een zetel, ik in een tweezit. Tot mijn opluchting – toch – was zijn zuster niet te bespeuren toen ik mijn blik liet ronddwalen. Was mijn kijken te opvallend? “Michèle zal in haar kamer zijn”.
François, de broer van Michèle, had ik ongeveer een jaar voordien leren kennen toen het gezin uit een andere stad hierheen verhuisd was. Twee toevalligheden brachten ons bij elkaar. Hij belandde in dezelfde klas van de humaniora waar ik zat. En we bleken in dezelfde buurt te wonen, ik diende op weg van school naar huis nog zo’n drie minuten verder te wandelen maar mijn weg voerde me via zijn ouderlijke woning. Zo – gezien hij niemand kende en op zoek was naar een voor de hand liggend contact – werden we vlug kameraden. Toen het merendeel van onze interesses gemeenschappelijk bleek, literatuur en muziek, groeiden die gevoelens uit tot vriendschap. Waarin mijn toenmalige vriend Luc betrokken en – zonder bezwaar van François – opgenomen werd. Er was een soort triumviraat gevormd. We gingen wel eens naar de film, kwamen bij Luc of bij mij thuis, wandelden vaak in de stad, soms zelfs liftten we naar een naburige grotere stad. Bij François evenwel waren we nog nooit aan huis geweest. Ik denk niet dat we ons daarover vragen stelden, ik niet in ieder geval, Luc vermoedelijk evenmin; het was in ieder geval nooit ter sprake gekomen. Maar dan Michèle. Op een dag toen we van school kwamen, François en ik (Luc woonde in een andere wijk), en zijn woning reeds naderden, hield naast ons, met piepende, nee veeleer krijsende remmen, een fiets halt. “Mijn zus, Michèle” stelde François het tot stilstand gekomen meisje voor. Ik hoorde de tegenzin in zijn stem waarmee hij haar introduceerde. “Dit is Dirk.” Ook dat klonk niet bepaald alsof hij ons vrienden voor het leven wou maken. Michèle, ik schatte haar achttien jaar, wat ook correct zou blijken. Maar het was niet haar leeftijd waar ik oog voor had. Wat een schoonheid. Die blonde lokken. Dat perfect gesneden gelaat dat ik me ’s avonds in bed de link liet leggen met de mooiste marmeren beelden van de Griekse en Romeinse oudheid zoals ze mijn schoolboeken illustreerden. Haar blik, betoverend, maar vooral doordringend zoals zij me aankeek. Doordringend en, wat ik op dat ogenblik niet besefte, verleidelijk, verslindend. Maar dat zal François wel doorzien hebben, zijn zus kennend. Tenslotte was er haar stem. Die sprak. “Dirk. Aangenaam. Dus dit is jouw vriend. Tof, dan zullen we elkaar ook wel leren kennen. Zit jij in dezelfde klas als François?” Het kleine eindje tot hun huis stelde zij haar welluidende vragen, haar broer negerend. Ik vrees dat toen reeds mijn stem trilde bij de korte antwoorden die ik gaf, dat ik zelfs stotterde. Haar aanwezigheid, haar verschijning maakte me nerveus. Meer dan dat. Ik was vanaf het eerste moment stapelverliefd, ik lag aan haar voeten, ik aanbad haar als een godin. Nooit meer zou die laan waar ik haar een eerste maal ontmoette nog dezelfde zijn. Ooit, voor François hier woonde, liep ik ’s avonds na de avondstudie die in die onheuglijke tijden pas om 18u eindigde, alleen naar huis. Wanneer dat in de lente en de zomer bij schemerdonker geschiedde scheerden de vleermuizen me rakelings boven het hoofd, op zoek naar insecten, de lange laan langs, hun voordeel puttend uit de bomenrij. Ze huisden in boerderijen verderop waar de laan eindigde. Hen horen deed ik nauwelijks, het was een te zacht zoeven. Wel voelde ik vaak de luchtverplaatsing, zo dicht vlogen ze mijn hoofd voorbij. En ik zag hen natuurlijk. Angstig was ik nooit. De bakerpraatjes over hun klauwtjes die zich in je haren verstrengelden geloofde ik niet. Veeleer beschouwde ik hen als trouwe makkers op die eenzame wandeling. Ik hield van hun aanwezigheid, vooral in zoele avondluchten genoot ik er van en stapte zelfs trager om mijn trip te rekken. Sinds François aan mijn zijde was verloor ik mijn interesse. Wel had ik hem opmerkzaam gemaakt op hun aanwezigheid maar het maakte hem niks uit. En we verloren ons in gebabbel. Helaas misschien. Maar nu. Sedert mijn kennismaking met Michèle keek ik uit naar haar, hoopte ik op een nieuwe ontmoeting. Uiteraard niet privé maar met haar broer als alibi, en niet zozeer ’s avonds, maar telkens we langs de laan liepen. Voortdurend keek ik uit naar het meisje met de blonde krullen, hoopte ik het geluid van haar remmende fiets naast ons te horen. Vergeefs.
Edoch. Drie weken later mocht ik me gelukkig prijzen. Gelukkiger dan ik had mogen verhopen. Weekend, ik was op boodschap gestuurd naar de bakker. De adem stokte me in de keel toen ik binnen stapte; onmiskenbaar – dat figuur, die blonde lokken, die stem waarmee zij haar bestelling net doorgaf. Aarzelend vatte ik post naast haar bij de toonbank, ik durfde haar niet aan te spreken. Zij was het die een blik opzij wierp en, het klonk verrast: “Jij bent toch de vriend van mijn broer, wacht, niet zeggen, Dirk.” Ik moet ongetwijfeld een rood hoofd gekregen hebben. En afgezien daarvan zal zij ook wel gemerkt hebben aan het feit dat ik niet dadelijk kon antwoorden tenzij met een zuinig knikje, dat ik onder de indruk was van haar aanwezigheid. “Ook boodschappen aan het doen dus” zei zij. Ik trachtte de emotie weg te slikken, hoewel ik besefte dat zij natuurlijk zag dat het mij overdonderde in haar nabijheid te staan. Totaal overbodig antwoordde ik, haperend, over mijn woorden struikelend: “Ja, boodschappen doen, brood kopen”. Ik zag een glimlach op haar gelaat verschijnen, een glimlach die ik niet wist te interpreteren. Licht spottend, of vriendelijk, maar er leek me ook iets verleidelijks in te zitten. Nu ja verleidelijk was hij voor mij hoe dan ook. Maar misschien, en dat bedacht ik pas later, ging er ook iets verleidends schuil in haar blik en in de wijze waarop haar mondhoeken krulden in die glimlach. Inmiddels was zij aan het afrekenen, nam haar bestelling van de toonbank en verliet de winkel met een groet aan de bakkersvrouw. Mij keek zij niet eens meer aan. Ik stond nog met knikkende knieën na de onverwachte ontmoeting, en nu teleurgesteld dat zij me als afscheid geen blik of woord waardig keurde. Het brood in de hand stapte ik de zaak uit. Fiets in de hand stond daar Michèle de taartjes in het uitstalraam te bestuderen. “Ik heb je eventjes opgewacht, we moeten toch dezelfde richting uit. Of moet je nog boodschappen doen?”. Dat moest ik niet, en indien wél dan had ik deze gelegenheid toch nooit verraden, dan had ik die boodschappen later wel gedaan na een omweg met Michèle. Zij was met de fiets, ik te voet. Maar dat moet zij beseft hebben gezien er verder geen fiets bij de winkel stond. Het bleek ook duidelijk haar bedoeling me te vergezellen met de fiets aan de hand. Zij maakte ook absoluut geen haast, het was veeleer een slentergang die zij volhield terwijl zij me met haar zachte stem in betovering hield. Wat zij vertelde? Over hoe zij het ervaren had in deze stad te komen wonen, vriendinnen en school achter te laten. Over de nieuwe school, haar broer. En ook, bijna ongemerkt, vroeg zij mij uit; school, hobby, hoe mijn vriendschap met François was. Achteraf merkte ik dat ik loslippiger geweest was dan in mijn aard lag, dat ik me tot confidenties had laten verleiden bij haar. Terwijl we zo naast elkaar stapten kon ik haar, naar haar luisterend of haar antwoordend, voortdurend ongegeneerd aankijken. Terwijl zij meestal voor zich keek. Ach haar profiel, dat gelaat deels verscholen achter een blond gordijn. Natuurlijk kon ik geen weerstand bieden aan de verleiding om mijn blik te laten zakken, over haar mooi-lange hals, naar haar boezem die lichtjes welfde in een witte blouse. Ze konden niet groot zijn besefte ik, ook al was zij bijna achttien. Maar dat prikkelde terwijl we die tien minuten tot bij haar huis liepen, mijn fantasie en mijn begeerte des te sterker. Tien minuten van dolle verliefdheid, tien minuten waarin een eerste keer mijn seksuele verlangens zich concreet op iemand richtten. Tot dan waren ze abstract en op mezelf, of op vage fantasieën gericht. Tot dan had ik mezelf niet eens de vraag gesteld of ik meer geboeid werd door grote dan wel door kleine borsten, wat me meest opwond. Nu werd het me wel duidelijk. De suggestie van wat ik in de blouse van Michèle zag prikkelde me en ik kon me niet indenken dat zij me op louter fysisch vlak evenzeer zou bekoren met een gewelfde boezem. Nu, en mogelijk speelde ook dat een rol, leek zij daardoor voor mij plots jonger, sloot zij meer aan bij mijn eigen leeftijd, bleek zij minder volgroeid te zijn dan de voorsprong in jaren beloofde. Maar ach, moet ik hierover uitweiden? Het was uiteindelijk een detail. Misschien in mijn puberale fase, en met mijn geringe en zelfs nauwelijks bestaande ervaring, een belangrijk detail maar toch niet meer. Want essentieel bleef het feit dat ik verliefd was. En dat was toen veel meer dan een spel van mijn hormonen. Dat overigens onmiddellijk wegebde toen ik mijn ogen weer naar haar gelaat opsloeg. Het was een overwegend romantisch gegeven. Ik smolt weg bij ieder facet van haar. Gestalte, gelaat, haren, stem, ieder woord dat zij sprak, hoe en wie zij was. Een irreëel wezen. Maar opgestaan in de realiteit. En zomaar naast mij stappend, de fiets aan de hand, pratend, glimlachend, mij aandacht schenkend, haar interesse aan mij wijdend. Zo bereikten we haar woning. Zelfs dan liet zij me niet dadelijk gaan maar bleef nog enkele minuten met me spreken. Afscheid. “Ik vond het leuk wat met je te babbelen.” Gezegende woorden. Honingzoete woorden. Ik verwachtte dat zij de deur zou openen en verdwijnen terwijl ik mijn weg verder zette. Maar zij reikte me haar hand. Als een formaliteit bij het afscheid? Zo leek het niet. Zij liet haar hand opvallend lang in de mijne rusten en tenslotte, wat ik niet durfde te doen, kneep zij er wat medeplichtig in. Medeplichtig? Uiting gevend aan een sentiment, een band tussen ons bevestigend? Welke band? Dit kon toch niet. Dat zij, na mij die ene keer met haar broer gezien te hebben, en na deze korte wandeling, iets meer voor mij zou voelen. Onmogelijk. En zij was bijna drie jaar ouder. Ik moest in haar ogen een pubertje zijn, een jongetje zoals haar broer. Vanwaar die warme handdruk, vanwaar dat kneepje. Mijn hart bonsde. Geen idee hoe ik naar huis liep, in de war, verliefd, vol vragen en vertwijfeld.
Wat tot nu een abstractie in mijn geest was, een onmogelijkheid, een niet verwezenlijkbare verliefdheid, nam een andere gestalte aan. Michèle werd concreet, geen schim meer waarop ik mijn romantische ideeën projecteerde. Zij werd van vlees en bloed. Echt. Tastbaar. Bereikbaar. Dus veranderde mijn gedrag. Had ik tot nu steeds naar haar uitgekeken in de hoop een glimp van haar op te vangen, dit was steeds een passieve daad gebleven aan de zijde van François. Mijn tactiek wijzigde drastisch. Sedert onze ontmoeting en wandeling ging ik actief op zoek naar haar. Hoeveel maal fietste ik niet hun huis voorbij in de hoop dat zij zou buiten komen of zou arriveren… Of draalde ik opzettelijk toen we ’s middags van school kwamen, verwachtend dat zij ons achterop zou komen. Mijn aanbod dagelijks naar de bakker te gaan werd met enige verwondering thuis aanvaard. Langs mijn neus weg informeerde ik bij mijn vriend over haar schooluren, en of Michèle hobby’s had. En kwam te weten dat zij twee avonden per week muziekles volgde in de academie. Tien dagen later was die wetenschap het enige resultaat dat ik geboekt had. Zelf was ik me er niet van bewust maar de commentaar van mijn moeder was tekenend, dat ik blijkbaar niet veel eetlust meer had de laatste tijd. Inderdaad, het vrat aan mij. Het beeld van Michèle liet zich niet uit mijn hoofd verdrijven. Niet op straat, niet op school, niet terwijl ik thuis trachtte te lezen, niet terwijl ik ’s avonds in bed lag en de slaap niet kon vatten. Vooral daar bleven haar gestalte en haar stem in me spoken. Maar terwijl op andere plaatsen en momenten dat beeld soms prikkelend was, verloor het alle erotische kracht wanneer ik onder de lakens lag. Zodat haar beeltenis, hoe suggestief ook, juist daar niet erotiserend werkte en niet bezoedeld werd. Maar ik hield het niet meer uit. Er diende initiatief genomen te worden. Inmiddels wist ik dat de lessen bij Michèle in de namiddag een kwartier later eindigden dan bij ons. Met tegenzin verzon ik een smoes, zei aan François dat ik een boodschap te doen had en niet naar huis ging. En haastte me toen naar de school van Michèle. Natuurlijk had ik geen idee over het verdere verloop. Zou zij vergezeld zijn van vriendinnen? Zou zij hoe dan ook aandacht aan mij willen besteden in de buurt van de schoolpoort? En ik was, net als vorige keer, te voet terwijl zij vermoedelijk per fiets zou zijn. Hoe kon ik haar, in het beste geval indien zij alleen was, aanspreken; haar op mijn aanwezigheid attenderen? Van dat alles had ik geen idee. Alleen wist ik dat ik, nu of nooit, een kans moest wagen om in haar nabijheid te zijn, haar te zien. Enkele meters voorbij de schoolpoort posteerde ik mij; ik was niet alleen, er stonden nog enkele jongens op hun vriendin te wachten. Maar zij werden allicht verwacht. Het belsignaal. Twee minuten later begon het gebouw leeg te stromen. Lang hoefde ik niet te wachten, Michèle kwam buiten, net als de anderen met de fiets nog aan de hand. Pas toen zij mij genaderd was maakte zij aanstalten op de fiets te springen. Terwijl ikzelf aarzelde wat te doen – en daarmee allicht mijn kans liet voorbij gaan – merkte zij me op en stokte in haar beweging om naar me toe te komen. “Hey hello, wat toevallig. Leuk.” Ik weet niet hoe het precies klonk. Pas achteraf besefte ik dat iets in haar stem verried dat zij er van overtuigd was dat ik daar niet toevallig was, dat ik op haar wachtte. Een lichte triomf? Iets plagerig? Wat lacherig zelfs, dominant? Speels? Maar dat gold dan uitsluitend voor dat eerste pseudo-verraste zinnetje. Daarna was haar stem zacht, de intonatie lief, de woorden waren uitnodigend suggestief. Of ik op weg was naar huis? Ja? Dan konden we dat eind samen oplopen, gezellig, zij vond het tof met mij te praten. En de wandeling als de eerste keer herhaalde zich, ik was nu iets meer ontspannen en slaagde er in mijn aandeel in de conversatie interessanter te maken – hoopte ik. Bij de huisdeur stak Michèle me weer haar hand toe. Ik was daardoor deze keer niet overdonderd en nu was ik het die, waar ik de moed vandaan haalde weet ik niet, haar vingers nadrukkelijk lang vasthield en pas na een intense, ik kon maar wensen dat hij zo geïnterpreteerd werd, liefdevolle druk losliet. Michèle keek me iets te lang in de ogen, ik realiseerde me dat ook zij op deze wijze niet gewoon afscheid nam. “We moeten elkaar wat vaker zien” zei zij nog net voor zij de deur sloot, waardoor zij me de kans op een antwoord ontnam. Wat betekende dat? En waarom suggereerde zij dan geen mogelijkheid voor een volgende ontmoeting. Heel voorzichtig, om geen argwaan te wekken (ik wou mezelf, mijn gevoelens niet bloot geven) had ik gepolst bij François of hij iets zou afweten die eerste keer van de ontmoeting met zijn zus bij de bakker, en nu bij deze aan de school. Het bleek dat Michèle er niets over verteld had. Dat zij onze twee gesprekken voor haar broer geheim hield, wat betekende dat? Ik kon alleen vermoeden dat zij voor haar iets waren dat zij buiten het banale wenste te houden, iets waarmee een ander niets te maken had. Een privé aangelegenheid. Hoe handig was zij om dit te spelen? Vooral omdat, terwijl ik piekerde over een nieuwe mogelijkheid om haar te zien, zij de derde dag na onze wandeling toen François buiten kwam om in de namiddag naar school te gaan, zij samen met hem op de drempel verscheen. Zowel ’s ochtends als ’s middags en voor we naar de avondstudie gingen, was de afspraak dat ik bij de huisdeur op François wachtte. Soms, vaak, stond hij reeds klaar in de deuropening. Aanbellen deed ik nooit. “Hey Dirk, is het goed wanneer ik een eindje met jullie oploop?”. Ik kon slechts knikken. Knikken en slikken. Hoe het gebeurde weet ik niet maar Michèle manoeuvreerde het zo dat haar broer aan de gevelzijde liep, en ik tussen hen, naast haar dus. Meteen leek zij de aanwezigheid van François te vergeten en stortte zij zich in een geanimeerde monoloog tegen mij. Ik was geremd. Zou mijn vriend niet doorhebben dat hier meer aan de hand was? Uit wat hij achteraf zei bleek dat niet duidelijk, hij opperde alleen dat hij hoopte dat zijn zus dat niet te dikwijls zou doen, “tenzij ik het leuk vond natuurlijk” liet hij er wat sarcastisch op volgen. Maar geloven dat ik echt verliefd was, dat deed hij niet vermoed ik. Zijn wens, anderzijds, werd niet vervuld: sindsdien stond Michèle vrijwel iedere middag aan zijn zijde en stapte zij mee op met ons, de fiets aan de hand. Na de eerste keer was ik mijn ontreddering te boven gekomen en in staat een gewoon gesprek te voeren. Nu ja gewoon, ik vrees dat de ondertoon al te duidelijk mijn gevoelens verried. En wat Michèle betreft, niet zozeer wat zij vertelde maar de toon, haar stembuigingen, haar ganse houding naar mij toe, de verdoken glimlachjes, het luiken van haar oogleden, het werd steeds verleidelijker. Dit stiekem te doen werd haar gemakkelijk gemaakt gezien François zich steevast afstandelijk opstelde van ons gesprek. Haar aanwezigheid, ons praten, onze groeiende vertrouwelijkheid, het irriteerde hem duidelijk meer en meer. Waar de gesprekken over handelden? Een diversiteit aan onderwerpen. Maar vooral bleek Michèle geïnteresseerd in literatuur, film en muziek. Zodat wij perfect accordeerden. Soms beperkten de tien minuten zich grotendeels tot luchtig gebabbel. Toch was het mij duidelijk dat Michèle ouder en rijper, en wijzer, was; dat zij over heel wat meer inzichten en levenservaring beschikte. Het was op zo’n momenten, wanneer het gesprek, dat dan veeleer een monoloog werd, diepzinniger werd, dat Michèle zich plots triest kon betonen. Weemoedig. Bijna depressief. Naar aanleiding van boeken of films kon zij dan uitspraken doen waarvan ik schrok, zo negatief klonken ze. Ik was onthutst hoe duister Michèle op zo’n ogenblik tegen het leven aankeek, hoe donker zij de toekomst tegemoet blikte. Terwijl meestal de gesprekken, die tijd, toch ontspannen verliepen. Tussen haar en mij. Bij de wandeling ’s namiddags naar school werd François steeds minder betrokken. Hij reageerde grimmig en bits op de aanwezigheid van Michèle. Tot, na zo’n twee weken, de bom barstte en hij in mijn bijzijn tegen zijn zus op weinig vriendelijke wijze zei wat zij in hemelsnaam altijd bij ons te zoeken had. Of zij geen vriendinnen had. Michèle bleef kalm, glimlachte, en zei onomwonden: “Ik praat graag met Dirk, stoort dat je? En jij Dirk, vind jij het vervelend dat ik jullie vergezel?”. Ik moest kleur bekennen. Tegen François ingaan. Een andere mogelijkheid bestond er niet. “Misschien moeten jullie in het vervolg dan maar alleen gaan” gromde hij. “Doe nu niet zo gek, niet zo kinderachtig” repliceerde ik. En daar bleef het bij.
Hoewel. Net deze uitbarsting vormde de aanleiding voor François om zijn ongenoegen te uiten bij Luc, onze derde vriend van het triumviraat. Deze had tot dan nauwelijks iets opgevangen over het bestaan van een zus en was plots geïnteresseerd. Een averechts effect dus. Hij wou wel meer weten over haar en vermits hij op het misnoegen van François stuitte, wendde hij zich tot mij. Om door mijn geschetst beeld nog meer geïntrigeerd te zijn. “Waarom nodig je haar niet eens uit om mee te komen? Dan kan ik eens kennismaken.” Het was wellicht niet uitsluitend interesse, hiermee wou hij François ook een beetje uitdagen, prikkelen. Deze trapte in de val en reageerde furieus, wat zijn zuster in hemelsnaam bij ons kon doen! “Gewoon, gezellig een namiddagje babbelen. Zij lijkt toch best leuk te zijn als ik Dirk zo hoor. Weet je wat Dirk, als François het niet wil, nodig jij haar dan uit voor aanstaande woensdag. Als François dan liever thuis blijft moet hij het zelf weten.” Een paar ogen schoten vuur. “Waar moeten we dan afspreken?” vroeg ik. Luc keek sip: “Een meisje, bij ons ligt dat moeilijk, dat zal niet kunnen. Damesbezoek in mijn kamer!” Bij mij zou dit niet echt een probleem zijn wist ik maar ik aarzelde. Het zon me niet om Michèle in mijn kamer te ontvangen in gezelschap van de twee anderen. Die beslotenheid, mijn privé, dat wou ik niet voor haar op zo’n gratuite wijze ontsluiten. Het mysterie van mijn ziel – mijn boeken, mijn muziek, mijn heiligdom – openbaren, dat zou een sacraal gebeuren moeten zijn. Geen doordeweeks afspraakje. Ik wees mijn kamer als oplossing resoluut van de hand. Dan diende het een café, ons stamcafé, onze min of meer bruine kroeg te worden. En ik zou Michèle uitnodigen. Ondanks gegrom bevestigde François dat hij ook zou komen, “hoe idioot zou het nu zijn dat ik juist dàn wegblijf, hoe kan ik dat verklaren”. Maar zijn humeur bleef onder nul. Dat bewees zijn zwijgzaamheid terwijl we naar huis gingen. Een stilte die mij in staat stelde alles te overwegen. En absurd genoeg, om jaloers te worden. Idioot natuurlijk. Maar de belangstelling van Luc, de gedachte dat Michèle geconfronteerd zou worden met een andere vriend van haar broer, die gedachte bleek voldoende om me onrustig te maken. Was daar een concrete reden toe? Objectief gezien niet natuurlijk, Michèle kende Luc nog niet eens. Waartoe dan die angst. Omdat Luc zoveel knapper was dan ik? Uiterlijk in ieder geval. Ik kon vrezen dat hij wat dat betrof heel wat meer in de smaak zou vallen. Zou dat er voor Michèle toe doen? Zou dat voor haar primeren? Hoe dan ook was dit alles voldoende opdat ik, hoezeer een namiddag met Michèle me ook bekoorde, ik toch tegen de ontmoeting met Luc opzag.
De volgende middag stonden ze me beiden op te wachten. Zohaast ik bij hen was siste François me toe: “Vraag het nu maar, ik wil er niets mee te maken hebben”, en hij beende met grote passen weg voor ons uit. Michèle keek verbaasd: ”Wat scheelt er met mijn broer?”. Ik legde mijn hand op het stuur van haar fiets om haar af te remmen en te beletten hem achterna te gaan. “Ik moet je iets vragen en dat zint hem niet helemaal.” Zij keek me vragend aan. “Of je woensdag met ons, en met Luc ergens iets wil gaan drinken?” “Oh, Luc, dat is die vriend van jullie? Is dat jouw idee?” “Nee, eigenlijk niet.” Dan moest ik haar wel een en ander verklaren terwijl we in een slakkengang François achterna gingen. “Het lijkt me een tof idee, goed, dat is afgesproken.” Pas op dat ogenblik realiseerde ik me dat mijn hand nog steeds op haar fietsstuur lag en ik wou haar terugtrekken. En net toen legde Michèle hààr hand op de mijne en liet haar er op rusten, koel, fris, prikkelend. Een elektrische stroom doortrok mijn lichaam. Doorzinderde me. Ik tintelde. Ik denk dat ik zelfs even wankelde. Die aanraking… En Michèle maakte geen aanstalten haar hand te verwijderen. Nadat de eerste emotie weggeëbd was ervoer ik een andere sensatie. Hoe erotisch de aanraking was, wat zij met mijn lichaam deed. Ik schaamde me voor die puur fysische reactie en hoopte dat Michèle het niet zou merken. Dat zij niet zou zien wat haar hand teweegbracht in mijn ganse lichaam. Maar natuurlijk zag zij het wel. En indien zij het niet zag dan moet zij het in ieder geval wel gevoeld hebben in de trillingen die zich via mijn hand onder de hare naar haar vertolkten. Ik liet het gesprek de verdere weg grotendeels aan haar over. François was uit het gezicht verdwenen en zou ik pas op school weerzien. We namen afscheid, de wegen scheidden. Het was nog nooit gebeurd: Michèle neeg naar me toe en drukte een kus op mijn wang. Daartoe diende zij heel even met haar hele lichaam tegen me aan te leunen. Indien zij tot dan nog niet gemerkt had hoe opgewonden ik was dan kon ik dat nu niet meer verhelen. Zij stoorde zich er ook allerminst aan, integendeel, kort,nauwelijks merkbaar drukte zij haar onderbuik een beetje steviger tegen de mijne aan. De medeplichtige glimlach die zij me daarna schonk was veelbetekenend. Ik bleef verlegen en ontredderd achter. Onwetend wat ik met mijn gevoelens aanmoest. Ik was verliefd op Michèle, maar dit? Dit fysieke, dit genot? Paste dat in mijn emoties, in de wereld die ik voor haar en mij droomde? François informeerde knorrig toen ik even later op school arriveerde of zijn zus op de afspraak ingegaan was. Wanneer Luc zich bij ons voegde beet hij hem toe: “Je hebt je zin, dat wordt een gezellige namiddag.” Waarmee tussen ons drie veiligheidshalve de laatste woorden gesproken waren over de volgende woensdag. Terwijl iedereen er zijn ideeën over had. Keek ik weliswaar uit naar een samenzijn van enkele uren met Michèle, om dat in gezelschap te doen was dan toch niet bijster aanlokkelijk. Bovendien bekommerde ik me die dag voorlopig meer om de eerstvolgende confrontatie na het gebeurde. Zou ik Michèle in de ogen durven kijken? Hoe zou zij nu over mij denken? Goed, zij had weliswaar nog geglimlacht, en zelfs op een, wat ik op dat ogenblik interpreteerde, medeplichtige wijze. Begripvol dus? Maar toch. Vond zij het al bij al niet vies? Zou zij mij nu niet verafschuwen dat ik zo’n lage gevoelens had voor haar, dat ik mijn lichaam zo op haar liet reageren? Het was dan ook met angst dat ik de volgende middag de woning met de art nouveau-gevel naderde. Bang dat Michèle niet meer zou opdagen. Dat alleen François bij de deur zou staan of zou buitenkomen. Er was nog niemand. Ik wachtte. De deur werd geopend en het eerste dat ik zag was een fietswiel, dus toch Michèle. Met een meer dan lieve, een ook schalkse glimlach. Gevolgd door haar broer. We stapten opnieuw in de gebruikelijke formatie op. Hoeveel zin ik er ook in had, mijn hand op het stuur leggen durfde ik niet. Niet waar François bij was. En vermoedelijk evenmin indien hij er niet zou geweest zijn. Hoe beduusd was ik dan ook bij het afscheid. Michèle gaf me deze keer geen hand zoals gebruikelijk maar kuste me op de wang. François keek al even verbaasd. “Wat doe jij nu?” Michèle keek hem ongegeneerd aan, “Een zoentje tussen vrienden dat is toch niet ongewoon” klonk het heel neutraal. Haar broer leek weinig overtuigd en keek argwanend. Aan mij stelde hij verder geen vragen, over het ‘incident’ werd niet meer gerept.
Het ganse weekend, de volgende dagen bleef ik met vragen zitten. Veel vragen. Vragen over Michèle. Haar houding. Haar gedachten over mij. Maar vragen vooral over mezelf. Over verliefdheid. Liefde. Wat ik als een platonische relatie had gevoeld. Hoe ik Michèle gezien had als een onbereikbare fee. Die ik natuurlijk zo vaak mogelijk wou zien en horen, in haar nabijheid vertoeven. Maar die zich in mijn gedachten ontwikkeld had tot iemand die in de reële wereld onaantastbaar was. Toch moest ik mezelf nu bekennen dat haar lichaam me ook in het begin niet helemaal onberoerd gelaten had. Dat ik met zijdelingse blikken van dat profiel sporadisch opgewonden werd. Maar wat deze week gebeurd was. Hoe mijn lichaam zo heftig gereageerd had op haar aanraking. Ik schaamde me. Het had me verontrust. Op deze wijze wou ik Michèle niet begeren. Waarom dan toch dat plotse fysische verlangen waartegen geen weerstand mogelijk bleek. En hoe was het ontstaan? Door die tedere aanraking van Michèle’s hand op de mijne. Meer was het niet. Het kon toch onmogelijk haar bedoeling geweest zijn dergelijke gevoelens in mij op te wekken, mij lichamelijk uit te dagen. Natuurlijk, zij was drie jaar ouder dan ik. Dat bezorgde haar in volwassenheid een flinke voorsprong diende ik te beseffen. Anderzijds, wat zou zij zich verder met mij willen inlaten tenzij als een vriend. Eén zaak wist ik niet te plaatsen, bleef onduidelijk: haar medeplichtige glimlach toen zij haar lichaam tegen mij liet aanleunen, zelfs even – of was dat inmiddels tot een waanbeeld uitgegroeid? – aandrukte. En dan, hoe ik de stap durfde te zetten besefte ik niet, had ik – niet onlogisch – een gedicht voor en over Michèle geschreven. Puberpoëzie natuurlijk, meer niet. Het was trouwens niet het eerste tekstje dat zij als onderwerp had. Maar nu zijzelf mij naderbij gekomen was moet ik mij verstout hebben, al vervloekte ik me dat het toch een daad van verdwazing was om me enerzijds zo bloot te geven en dat anderzijds ook nog met zo’n onnozel rijm te doen. Niets aan te doen, toen zij me maandag een kus op de wang gaf drukte ik haar het papier in de hand. Ik diende natuurlijk vierentwintig uren op een reactie te wachten: dat zij zich “erg gevleid voelde”.
Hoe nerveus was ik niet die woensdag toen we in ons bruine café zaten te wachten. Michèle was niet met François meegekomen, zij volgde later op de fiets. Het humeur van haar broer was onder nul, hij liet nog eens duidelijk horen dat hij het geen goed idee vond, dat de aanwezigheid van zijn zus hem zou storen. Luc ging er tegenin, dat hij haar gewoon eens wou ontmoeten – het was toch eenmalig. En ik, ik bleef stom, onthield me wijselijk van commentaar. Toen we hadden plaatsgenomen in het café ging Luc als eerste zitten. Of het opzettelijk was weet ik niet, François zette zich naast hem, zodat ik tegenover hen terecht kwam; met een lege stoel, voor Michèle, naast me. We hoefden niet lang te wachten. Luc en Michèle werden aan elkaar voorgesteld. Met zijn blik, zijn ganse houding en alles wat hij zei, gaf Luc zich bloot: hij was overdonderd, hij viel voor Michèle. Hij voerde bijna voortdurend het woord. Zoals ook wel in zijn aard lag, in tegenstelling tot de mijne. Uiteraard zat François er stom, met overduidelijke tegenzin bij. Terwijl Michèle zich de nieuwe adoratie, passief, liet welgevallen. Zo dacht en hoopte ik terwijl ik nauwelijks iets tot het gesprek bijdroeg. Toen we reeds een poos zo gezeten hadden, terwijl ik vooral de pogingen van Luc om in de smaak te vallen gadesloeg (en achterdochtig hun effect op Michèle), voelde ik haar knie zich tegen de mijne aandrukken. Even dacht ik dat het een toevallige aanraking was, maar de druk bleef en verhevigde. Enkele minuten later, ik had niet eens gemerkt op welke wijze Michèle haar arm van de tafel naar beneden gemanoeuvreerd had, rustte haar hand op mijn knie. Gelukkig hoefde ik me om het gesprek niet echt te bekommeren, bleef Luc de aandacht voor zich opeisen. Want langzaam gleed Michèle’s hand over mijn dij omhoog, strelend. Ik weet niet of mijn ontroering, en tenslotte mijn opwinding onopgemerkt konden blijven. Tenslotte lag haar hand hoog op mijn dij en bleef me daar strelen. Gelukkig wellicht kon ze voor het fatsoen niet nog hoger komen want ongetwijfeld had Michèle zichzelf alleen daardoor afgehouden om verder te gaan. Al waren deze aanrakingen uiteraard reeds voldoende om mijn lichaam in verrukking te brengen. Niet de opperste staat, gelukkig. Zo’n drie uren brachten we aan het tafeltje door. Ik was lichtjes verdwaasd toen ik rechtstond, wankelde zelfs even. Zodat Michèle me bij de bovenarm nam en quasi bezorgd maar vooral schalks informeerde: “Wat scheelt er?”. Luc ging op huis toe, wij sloegen onze weg in, Michèle met de fiets aan de hand. Bij hun woning gekomen opende François de deur en met een korte groet ging hij naar binnen. Michèle en ik stonden aarzelend op de stoep. Ik weet niet hoe ik haar blik van dat moment mocht interpreteren. Welke gevoelens er van haar uitgingen; of welke gevoelens zij wenste te tonen. Er ging iets verleidelijks schuil in haar ogen, maar ook een weemoed. Iets waarmee zij mij wou inpalmen, ontredderen, opwinden. Maar ook triestheid. “Ik vond het vooral fijn naast je te zitten” zei zij met omfloerste stem. Onverwacht, voor mij totaal onverwacht en beangstigend, gleden toen twee tranen over haar wangen. Zij draaide zich om en nog eer ik iets kon zeggen had zij haar fiets de hall binnen gesleurd en de deur achter zich dichtgegooid.
Ondertussen was er in het café een nieuwe afspraak gemaakt, vooral op aandringen van Luc, met goedkeuring van Michèle en natuurlijk van mezelf. En François, tja… De afspraak was om samen naar de film te gaan. Volgend weekend reeds. De herinnering aan de hand op mijn dij, aan de tranen bij het afscheid waarvan ik de oorzaak niet begreep, dat was voldoende om me te verontrusten. Ik was dan ook nerveus de volgende middag toen François me opwachtte. Zonder Michèle… Dat ik naar haar informeerde was niet onlogisch, haar gezelschap was reeds tot een vaste gewoonte uitgegroeid. Maar ik voelde dat ik bij mijn vraag mijn stem niet onder controle had, dat ik bezorgder klonk dan ik wou, dat François ongetwijfeld meer dan gewone belangstelling mocht vermoeden. Voor zover hij dat nog niet doorhad trouwens, wat te betwijfelen was hoewel hij het onderwerp nog niet aangeroerd had – uit kiesheid, om zich niet te bemoeien? “Och, zij is ziek, zij ligt in bed. Nu ja ziek. Zij heeft dat wel vaker. Dan komt zij haar bed niet uit, eet niet. Een soort depressie zegt zij. Of zeggen mijn ouders in ieder geval. Aanstellerij noem ik het. Na enkele dagen is het weer over. Gedaan met het snikken en snotteren.” “Waarom is zij dan zo triestig?” “Geen idee. Dat blijkt zij zelf ook niet te weten, daarom, ik denk dat zij zich aanstelt. Aandacht opeisen. Meer niet.” Ik zweeg. Dacht er het mijne van. Of juist niet, ik wist niet wat ik mocht denken. Ik was bekommerd, vooral dat. Vrijdag ontbrak Michèle eveneens op het appèl. En zondag dienden we zonder haar naar de bioscoop te gaan. Zodat we de keuze van de film wijzigden. Niet de afgesproken ‘film noir’ maar een avonturenfilm. Niet alleen lag de film me niet maar zonder Michèle die ik bij, naast, me had gehoopt, verveelde ik me. Erger, ik zat in de put, was ook achteraf weinig aanspreekbaar. Helaas daagde Michèle de rest van de week nog niet op. Slechts voorzichtig informeerde ik bij François af en toe hoe het met haar gesteld was. Wijzer werd ik er niet van, zijn antwoord bleef gelijkluidend aan de eerste informatie. “In bed, nauwelijks eten, zogenaamde depressie, aanstellerij…”. Toen, vrijdagmiddag, ik had de hoop opgegeven haar die week nog te zien, ik stond te wachten aan hun deur, verscheen zij als eerste. Ik was totaal verrast, kon toch na enkele seconden stamelen: “Ben je beter?”. “Het is wel o.k. met mij, laten we het er maar niet over hebben” was het antwoord, glimlachend, alsof er niets aan de hand was geweest. Dan vroeg zij hoe de film was die we hadden gezien, en of we zondag misschien opnieuw konden afspreken. Ik beloofde het aan Luc te vragen, en aan haar broer die zich zo afzijdig hield van ons gesprek dat hij de vraag mogelijk niet eens gehoord had. Op de plaats waar onze wegen scheidden weerhield Michèle me, zij nam me bij de arm. “Heb je me gemist deze week?” Opnieuw gingen haar woorden gepaard met een blik die ik raadselachtig vond. Die ik niet kon plaatsen. Hoe diende ik deze glimlach te interpreteren? Er school iets lieflijks iets in, maar ook een verbetenheid. En hij was verleidelijk, achteraf zou ik zelfs durven denken dat hij bedoeld was tot ophitsen, tot geil maken. De wijze waarop zij me aankeek, de plooi van haar mondhoeken, het doordringende. En bovendien, vooral, haar stem. Die enkele woorden klonken zo zwoel, maar misten ook hun tederheid en warmte niet. De complexiteit van dit alles overweldigde me. Ik was vijftien, zonder ervaring. En werd geconfronteerd met een wirwar van niet alleen eigen gevoelens, maar met een bizarre mengeling van emoties en uitdrukkingen van Michèle waarmee ik geen raad wist. Ze leken elkaar zo tegen te spreken. En waar ik de romantiek zocht, soms beantwoord in een lieflijke zin of blik, verwarde mij iedere toespeling op het seksuele. Terwijl Michèle me op dat terrein af en toe leek uit te dagen. Speelde zij daar een dubieus spel met mij? Of wat waren haar verlangens? “Natuurlijk heb ik je gemist, heel erg”, ik zuchtte het meer dan ik het zei. Nog even bleef zij mijn arm vasthouden, liet dan haar hand suggestief, traag naar beneden glijden tot zij mijn hand kon nemen. Dan drukte ze een vlugge zoen op mijn lippen. Ongetwijfeld had François die enkele meters verder me stond op te wachten, dit gezien. Michèle had er dus lak aan. En ik? In ieder geval werd er tussen François en mij nog steeds niet over gerept. Ook niet toen we afspraken zondag, met vier, naar de bioscoop te gaan.

Het was een warme dag. François en Michèle wachtten me op bij hun woning om samen naar de film te gaan. Zij droeg een fleurig, kort rokje, en een wit bloesje. Betoverend. In de zaal kwam zij tussen Luc en mij te zitten, François zat naast mij. Het was wel iets te opvallend hoe Luc zich naast Michèle gemanoeuvreerd had. Niet dat ik het hem kwalijk kon nemen. Eerlijk gezegd had ik mijn arm argeloos op de armleuning gelegd. Ook ik was luchtig gekleed, met een T-shirt. Pas toen ik de warmte van de voorarm van Michèle tegen de mijne voelde realiseerde ik me hoe onze lichamen contact konden maken. Het licht werd gedoofd, de film begon. Nu drukten ook onze bovenarmen tegen elkaar. Of beter, Michèle duwde het warme zachte vlees van haar arm tegen de mijne aan. Dwingend. Ik tintelde. Het sensuele gevoel doorstroomde me, mijn arm, mijn schouder, mijn buik, mijn ganse lichaam gloeide. Mijn hoofd zinderde. Roerloos bleef ik zitten, bang dat er ook maar één porie zich zou verwijderen van deze van Michèle. Maar zijzelf bewoog af en toe haar arm lichtjes, voorzichtig, glijdend. Telkens opnieuw steeg de opwinding in mij, werd ik mij meer en meer bewust van het lichaam naast mij. In hoeverre ik in staat was van de film te genieten? De draad te volgen? Daarin slaagde ik slechts moeizaam. Het zouden achteraf flarden blijken te zijn die tot me waren doorgedrongen. Die gelukkig later door Michèle zouden verduidelijkt en aan elkaar gepraat worden voor mij. Dat zou trouwens gebeuren met veel diepzinnige triestheid. Tenslotte was het een ‘film noir’. Maar dat niet alleen. Toen we achteraf iets gingen drinken bleek dat nog niet zo, Michèle beperkte zich dan tot inhoud, regie, acteerprestaties. Pas toen ik haar de volgende dag, op weg naar school, alleen sprak, had zij het er over hoe droef zo’n film haar maakte. En vooral hoe terecht dat was. Want dat er in wezen in het leven niks te beleven was, dat het leven uitzichtloos was. Dat alleen de dood een valabele oplossing was uit de ellende van de walging die het leven in haar opriep. Het hoeft geen betoog dat ik erg schrok van deze bittere woorden. Die ik niet alleen niet uit Michèle’s mond verwachtte, maar die me op iedere andere wijze zouden geschokt hebben. Ik begreep het niet. Ook de volgende dagen ging Michèle meestal op dit thema door. Terwijl zij me de lectuur van Nietzsche en Sartre aanbeval. François die, naast ons lopend, af en toe iets opving, waarschuwde me: “Laat je niet vergiftigen door die negatieve ideeën van mijn zuster, zij is goed gek.”
De moeilijkste ogenblikken voor mij waren deze ’s avonds in bed. Dan begon het gepieker pas echt. Die deprimerende ideeën die Michèle op me losliet, dat negativisme dat in haar leefde. Terwijl daar tegenover een vitaliteit stond, dat verleidelijke, dat lichamelijke dat zij uitstraalde en waarmee zij mij bewust – zo leek het me toch – wou bekoren. Ik begreep het niet. Die discrepantie. Wat speelde zich af tussen haar lichaam en haar geest. Het leken twee entiteiten. Twee levens die door haar geleefd werden, die zich in haar manifesteerden. Ik lag in het duister van de nacht, warme zomernachten waren het, onder een dun laken. Starend. Ogen wijd open, zo stelde ik me voor, al konden ze net zo goed half geloken zijn – na een minuut voelde je niet meer hoe de stand van je ogen werkelijk was, en de donkerte was te compleet om het te toetsen. Soms drong nog een geluid tot me door, van binnenshuis, van buiten. Geluiden die ik vaag registreerde, waaraan ik geen aandacht schonk, geen betekenis toekende, die ik geen achtergrond toestond. Het enige dat van belang was, Michèle, zij maalde me door het hoofd. De tegenstrijdigheid van haar wezen. Telkens startte de avond, die week, met bekommernis om haar ideeën. Waarom keek zij zo zwart tegen het leven aan? Hoe diep geworteld zat die triestheid? Even moest ik dan denken aan het woord van François, aanstellerij. Maar ik geloofde het niet. Nee, de droefenis van Michèle klonk te echt, te oprecht. Nadat ik daarover een poos gepiekerd had, doemde onvermijdelijk het beeld op van haar lichaam. Hoe verwarrend het voor mij was om achter een verleidelijke glimlach, een gerichte streling, dat alles wat leek op een gretige lichamelijkheid, dat depressieve te moeten lezen. Ik piekerde me suf. Gelukkig doemde tenslotte uit dit alles, overheersend, Michèle zelf op. Ik bedoel zoals zij zich zwijgend voor mij manifesteerde. Haar lichaam, haar figuur. Het fijne tere gelaat, de blonde lokken, de kleine boezem. En al die kleine aanrakingen in de loop der voorbije weken, onze handen, haar lippen op mijn wang en op mijn lippen, haar hand op mijn dij, onze armen strelend tegen elkaar. Aanrakingen, hoe voorzichtig en klein ook, waarin we naar mijn gevoel, in elkaar opgingen. Elkaar toebehoorden. Stap voor stap. Maar wat betekenden ze? Michèle was achttien, ik vijftien. Wat kon zij zoeken in de puber die ik was. In een jongen even oud als haar broer. Was het mogelijk dat zij voor mij dezelfde gevoelens koesterde als ik voor haar? Die verliefdheid? Ik kon het nauwelijks geloven. Welke signalen stuurde zij dan uit. Zij wond me op, zij hanteerde haar lichaam. Was het een spel? Ook dat kon ik niet geloven, wenste ik niet te geloven, weigerde ik te aanvaarden. Michèle leek mij te oprecht voor zo’n spel, zij zou geen misbruik maken van de gevoelens die ik te gewillig had bloot gegeven. Wat dan? Koesterde zij toch meer voor mij dan ik zou durven hopen.
De twee laatste dagen van de week bleken de trieste gedachten uit Michèle geweken, zij filosofeerde niet meer, het gesprek verliep over de gewone dingen en – vooral – op een ontspannen toon. Maar het volgend weekend overdacht ik hoe frustrerend het werd, die dagelijkse tien minuten, met François aan onze zijde en binnen gehoorafstand. Ik wist dat Michèle twee avonden per week muziekles volgde aan de academie. Dit moest een mogelijkheid zijn. Een quasi terloopse vraag, maandag, leerde me op welke dagen zij de lessen volgde en hoe laat het einde telkens voorzien was. Dinsdag en donderdag om 20u. Natuurlijk had ik mijn komst de volgende avond niet aangekondigd, ik wou haar verrassen. En, eerlijk gezegd, ook een weigering voorkomen waarvoor ik een beetje vreesde – om welke reden ook. Een kwartier te vroeg stond ik te wachten in de fietsenstalling van de academie. Nerveus, vooral toen de deur open ging en een tiental mensen naar buiten kwamen. Michèle was uiteraard verrast mij bij haar fiets aan te treffen; blij verrast leek me. Was het te plotseling, ik had een welkomstzoen verwacht, het bleef bij een verbale uitdrukking hoe fijn zij het vond dat ik haar opwachtte. Keuvelend wandelden we naar huis. Al was de sfeer bijzonder, zo ’s avonds, alleen wij twee, noch uit het gesprek noch uit enige handeling bleek het unieke. Wel kreeg ik bij het afscheid nog een kus op de mond gedrukt, maar achteraf diende ik mezelf te bekennen dat ik meer van mijn initiatief verwacht had. Al wist ik niet precies wàt. Want tenslotte was het vooral mijn bedoeling geweest eindelijk met Michèle alleen te kunnen praten; en dat was gebeurd. Hoewel het niet eenvoudig was wou ik volgende donderdag beslist opnieuw aan de academie staan: me na de avondstudie naar huis reppen, eten binnenschrokken, een smoes verzinnen om buiten te geraken en me richting Michèle haasten. Maar uiteraard stond ik in de stalling te wachten toen zij buiten kwam. Zij maakte geen aanstalten haar fiets uit het rek te halen, begon over de voorbije les van muziekgeschiedenis te fluisteren. Naïef begreep ik toen niet waarom zij aarzelde naar huis te gaan. Pas toen ik merkte dat iedereen vertrokken was, de fietsenstalling leeg was, en Michèle haar armen om me heen sloeg, had ik het door. Zij drukte haar lichaam tegen me aan. Met intensiteit. Ik voelde de warmte van haar huid, haar buik, haar dijen die tegen me gekneld werden. En vooral haar harde borsten die zij tegen me aan plette, die zij een beetje over mijn borst heen en weer streelde. Toen voelde ik haar lippen op de mijne, en even later het puntje van haar tong dat zich over mijn mond liet glijden. Dan duwde zij tamelijk krachtig mijn lippen uit elkaar, drong mijn mond binnen. Het was de eerste keer dat ik deze sensatie onderging. Onze tongen die over elkaar gleden. Die intimiteit. Ik duizelde. De druk van haar lichaam tegen het mijne, de zoete zachte smaak van haar tong die over de mijne gleed en mijn mond verkende wat ik passief onderging. Onervaren als ik was besefte ik toch wat ik moest doen. Het enige dat ik kon bedenken was mijn armen om Michèle heen te slaan, haar voorzichtig te omhelzen. Misschien had ik haar steviger moeten vastnemen, onze lichamen nog harder tegen elkaar aandrukken op deze wijze. Dat durfde ik niet. Mijn omhelzing beperkte zich tot een gebaar van tederheid. Plots glipte Michèle uit mijn armen, of uit haar eigen armen weg, en boog zich over naar haar fiets om het slot los te maken. Toen zij zich weer oprichtte dacht ik even dat zij aanstalten maakte op haar fiets te springen en weg te rijden. Dat deed zij niet. Zwijgend stapten we een tijdje naast elkaar. Dan, alsof er niets gebeurd was, hervatte zij het gesprek over Mahler waar zij tien minuten voordien mee opgehouden was. Bij de huisdeur ontving ik de klassiek geworden mondzoen. Ik kon mezelf achteraf wel slaan. Waarom had ik geen vragen gesteld naar het waarom. Hield Michèle van mij? Was zij net als ik verliefd? Wat was er trouwens precies voorgevallen vroeg ik me af. Bleek uit het gebeurde een hartstocht van Michèle. Of wou zij een verleidingsspel met me spelen, wetend dat ik, kwetsbaar als ik was, me nog meer op haar zou verlieven. Nee, uiteindelijk wou ik dat niet geloven, weigerde ik dat te geloven. Anderzijds ging het ook mijn begrip te boven dat Michèle die zoveel volwassener was, zoveel rijper, op mij verliefd zou zijn. Dat zij van mij zou houden. Gevoelens van vriendschap, ja, vertedering misschien. Maar hoe die te rijmen met wat er gebeurd was, met haar lichaam tegen het mijne geprangd, met haar geopende mond op de mijne. Om mij te plezieren? Zij moest in dat geval toch beseffen dat zij mij hiermee zou ophitsen, een koorts door me heen zou jagen. En indien haar gevoelens niet verder reikten dan vriendschap bewees zij me een slechte dienst, mijn verbeelding steeds verder op hol te brengen, mijn emoties voor haar aan te scherpen. Dat zou zij toch beseffen, zij was intelligent genoeg. En zou vermoedelijk wel over voldoende ervaring en inzicht beschikken. De slotsom was dat ik van haar houding, van wat er die avond in de fietsenstalling voorgevallen was, niets begreep. Dat ik verward achterbleef.
De volgende dag, vrijdagmiddag, herinnerde alleen een extra medeplichtige glimlach aan de avond. Er werd niets over gezegd, ook niet toen we afscheid namen en François zich eventjes op een afstand bevond. Dat afscheid verliep bovendien op de geijkte wijze. Als waren we goede vrienden. Geen spoor van diepere intimiteit. Logisch dat ik me die dag en het ganse weekend nauwelijks op iets wist te concentreren. Mijn gedachten cirkelden voortdurend rond Michèle en rond wat zij gedaan had, het wat en vooral het waarom. De eerste dag van de week bracht geen soelaas. Zij bleef even vriendschappelijk maar dieper ging haar houding niet. Ik wist niet wat ik kon verwachten van de dinsdag. Zou ik haar opnieuw opwachten aan de academie? Verwachtte zij dat? En hoe zou zij mijn komst interpreteren. Of deed ik er beter aan weg te blijven en het initiatief aan haar te laten? Natuurlijk wou ik haar zien, natuurlijk wou ik weten hoe zij zou reageren en wat er zou gebeuren. En misschien zou ik haar vragen hoe het nu precies was tussen ons. Wat zij voelde. Dat was mijn voornemen. Maar zou ik het wagen? In welke bewoordingen? Ik repeteerde de zinnen, verwierp hen als te kinderachtig. Zocht nieuwe. Aarzelde. Was bevreesd voor Michèle’s reactie. En besefte dat ik toch uitsluitsel wou hebben. Dat de onzekerheid me te zeer kwelde. Toen we dinsdagmiddag met drie naast elkaar naar school stapten had ik nog steeds geen besluit genomen. Onze wegen scheidden. Michèle nam mijn hand, hield haar langer dan nodig vast. “Weet je, ik ben een beetje stout vandaag. Ik heb geen beha aangedaan. Als ik dan snel rij op de fiets en de wind duwt mijn blouse tegen mijn borsten is dat een fijn gevoel. Stout eh!” Natuurlijk antwoordde ik niet, ik kon niet antwoorden. Op het ogenblik zelf begreep ik het niet eens. Ik kreeg snel een zoen op mijn lippen geduwd. “Kom je me vanavond afhalen?” Zonder nog een reactie af te wachten wipte Michèle op haar fiets en verdween in het verkeer. Die namiddag kon ik moeilijk aan iets anders denken. Ik was onthutst door de woorden van Michèle. Niet zozeer door haar ‘bekentenis’. Het feit dat zij geen beha droeg kon dan misschien mijn verbeelding prikkelen. Maar minder in deze omstandigheden. Ik was vooral onthutst door de confrontatie met de seksuele beleving van meisjes. Het was naïef, uiteraard, maar tot dan had ik daarover weinig of niet nagedacht. Nu was het contact ermee bruusk. Dat Michèle, mijn godin, zo lichamelijk kon zijn choqueerde me. Een schok was het, inderdaad. En de wijze waarop zij iets van genoegen bleek te kunnen voelen. Ik vroeg me af of dat werkelijk een genot kon zijn. In gedachten zag ik haar op de fiets; ik kon me niet indenken dat zij daaruit enige lichamelijke sensatie kon puren. Of toch? Waarom had zij me deelgenoot gemaakt van zoiets intiems. Van iets dat zij volgens mij aan niemand anders zou toevertrouwen; niet eens aan haar beste vriendin. In ieder geval was mijn probleem opgelost, na haar expliciete uitnodiging kon ik bezwaarlijk anders dan ’s avonds aan de academie op post zijn.
Nerveus wachtte ik haar op. Net als vorige donderdag bleef Michèle dralen tot de fietsenstalling leeg was. Zij sloeg haar armen om me heen en liet haar hoofd op mijn schouder rusten. Onze lichamen prangden tegen elkaar, het was zij die voor de druk zorgde, ik zou het niet wagen me op dergelijke wijze aan haar op te dringen. Slechts voorzichtig sloeg ik mijn armen om haar heen. Een gloed van opwinding doorstraalde me. Niet zozeer omdat ik de sensatie van haar lichaam tegen het mijne onderging, het was deze keer vooral het weten dat zij geen beha droeg onder die flinterdunne blouse. Waarbij ik me afvroeg wat Michèle op dit ogenblik wel voelde. Vermits zij reeds ’s middags blijkbaar gevoelens puurde uit de wind tegen haar borst, genot. Wat moest de stevige omknelling tegen mij aan dan nu niet veroorzaken. Ik schrok toen zij bovendien haar borstjes langzaam over mijn borst heen en weer wreef, net als zij vorige week gedaan had. Nu voelde ik hoe hard, hoe stevig en klein ze waren. Plots drukte zij haar onderbuik enkele keren tegen de mijne, knellend. Heel even kreunde zij in mijn hals om me dan bruusk los te laten. “Je bent eigenlijk nog een klein jongetje. Maar wel lief.” Zij maakte haar fiets los. Zwijgend gingen we op huis toe. “Je moet eens bij ons op bezoek komen.” Met deze woorden en een kus nam Michèle bij de deur afscheid. Mijn lichaam gloeide inmiddels van verlangen; meer dan in de fietsenstalling waar ik te zeer overrompeld was, waar ik – eerlijk gezegd – zelfs bang was. Het was een halve waarheid dat ik haar donderdag als reden dat ik ’s avonds niet kon komen, opgaf dat men thuis wantrouwig werd over mijn late uitjes. De andere helft berustte in mijzelf. Ik kon mijn houding niet bepalen. De driestheid waarmee Michèle mij behandelde, waarmee zij mijn en haar lichaam manipuleerde, had me angstig gemaakt. Ik wou alles overdenken. Of, indien mogelijk, met haar bespreken. Maar dat laatste zou ik waarschijnlijk niet durven. Zij keek me ietwat triest aan bij mijn mededeling, zo dacht ik toch; maar die triestheid had ik reeds in haar blik gemerkt gedurende het voorafgaande gesprek onderweg. Ook vrijdag was zij zwijgzaam en diende ik moeizaam de conversatie aan de gang te houden. Was het werkelijk aan mijn afwezigheid van één avond te wijten? Helaas bleek zij ook na het weekend nog steeds in een depressieve bui, niet tot veel praten geneigd. Ik verweet mezelf de oorzaak te zijn. Ten onrechte? In ieder geval fluisterde ik haar bij het afscheid toe dat ik haar de volgende dag zou afhalen, hoe dan ook.
Toeval of niet, dinsdag was Michèle heel wat spraakzamer. Al wist zij toch de droefgeestige blik in haar ogen niet te verbergen. Evenmin klonken haar woorden optimistisch. Het gesprek naar school dat zich afspeelde onder mijn paraplu, het regende gestaag, was naargeestig van inhoud en toon. En de afscheidskus leek me vooral weemoedig, de wijze waarop Michèle “tot avond” zei bevatte iets klagend-tragisch, zij aarzelde weg te rijden alsof er nog veel te zeggen bleef. Tenslotte sprong zij aarzelend op de fiets en reed futloos, traag weg. Terwijl de regen haar blonde haren begon te doorweken. Alleen met François vroeg deze me dadelijk of ik de volgende dag, woensdagnamiddag, bij hem thuis wou komen. Het verraste me. Het was de eerste keer in dat jaar dat we elkaar toch als vrienden kenden dat ik bij hem thuis geïnviteerd werd. Ik antwoordde uiteraard onmiddellijk positief, maar liet er de vraag op volgen: “En Luc?”. Ja, die was ook welkom. Ik kon het niet nalaten te informeren hoe hij zo plots tot deze uitnodiging besloten had. Tja, hij vond hun huis niet echt geschikt of gezellig om vrienden te ontvangen, daarom had hij nooit iets gevraagd. Maar nu, ja, enfin, het was in feite een idee van zijn zus, zij had er erg op aangedrongen. In het bijzijn van zijn ouders, die het ook een goed voorstel vonden zodat er van alle kanten druk uitgeoefend werd. En och, we zouden wel zien… Ik alvast was benieuwd om te zien waar Michèle woonde, in haar dagelijkse omgeving binnen te dringen. Morgen dus. Om 13u30, en dan zouden we daarna naar de avondstudie van 16u gaan. Maar eerst was er voor mij nog de afspraak na de muziekles. “Heeft François je gevraagd om morgen bij ons thuis te komen?”. Michèle viel met de deur in huis toen zij me bij haar fiets aantrof. Ik bevestigde de komst van Luc en mij. “Fijn” zei zij. De regen kletterde nu op het gietijzeren dak van de stalling, van een milde bui die de ganse dag had aangehouden was hij overgegaan in een stortvloed. We konden elkaar nauwelijks verstaan. Dat was ook niet meer nodig. Deze keer trok zij zich niets aan van haar medeleerlingen die voorbijkwamen of die hun fiets ophaalden. Zij drukte me een lange zoen op de mond. Daar bleef het bij. Even later al stonden we aarzelend vanonder het afdak naar het regengordijn te staren. “Weet je, rij misschien best vlug naar huis. Ik heb een paraplu.” Michèle wachtte nog even, knikte me dan toe: “Goed. Tot morgen dan. Bij mij thuis.” Ik beaamde; het was me opgevallen, zij had niet gezegd bij ‘ons’ thuis. Het leek wel alsof het een persoonlijke uitnodiging betrof.
Zo bevond ik me die woensdagnamiddag met Luc voor de gevel van het art nouveau-huis en werd ons de deur open gedaan door François. En belandden we in de salon. “Er is toch niemand thuis. Nu ja behalve mijn zuster natuurlijk” had François nogal schamper in mijn richting gezegd. En toen hij mijn zoekende blik opving had hij verklaard: “Michèle is in haar kamer”. Ik vroeg me af of zij daar zou blijven, nee toch… Inderdaad, nauwelijks had haar broer ons een drankje gebracht of zij verscheen en liet zich nonchalant in de ‘Louis’ tweezit neer naast mij. Pratend leek zij opgetogen over onze komst, uit al haar woorden sprak enthousiasme, optimisme, enige frivoliteit zelfs. Helaas kende ik haar al iets beter, en las ik achter dit alles een opzet. Michèle was lang niet zo opgewekt als zij wou laten blijken. In haar ogen zag ik de droefheid die ik er reeds meermaals in herkend had, en uit haar stem klonk soms iets bitter, wanhopig en – iets waarover ik een hele tijd gepiekerd had – zonder mededogen tegenover zichzelf. Ik weet niet of dat een correcte interpretatie was, en juist omschreven, maar iets anders kon ik niet vinden, het niet anders formuleren: meedogenloos tegenover zichzelf, als gaf zij zichzelf de schuld van iets, onvoorwaardelijk en onvergeeflijk. Zou daar haar diepe steeds weerkerende droefheid haar oorsprong vinden? Ook die woensdag was ik er van overtuigd dat zij in werkelijkheid niet gelukkig was. Dat zij gedurende het gesprek dat een halfuur duurde een masker opzette voor Luc, voor haar broer die zich misschien nog liet misleiden, maar niet voor mij – zij moet wel begrepen hebben dat ik haar doorzag op dat punt. Plots kwam zij overeind. “Ik wil Dirk mijn boeken eens laten zien, in mijn kamer. Kom je mee?”. Zij nam mijn hand en trok me uit de zetel. Luc, zich enerzijds van niets bewust, anderzijds wel jaloers, slaakte een insinuerende, weinig tactvolle kreet. Maar wij waren de gang al in, de majestueuze trap op. De ene zijde van Michèle’s slaapkamer was nogal kneuterig, popperig zelfs, net als het bed met een kinderlijke bedsprei. Het dressoir was bedolven onder prullaria. De andere kant werd beslagen door haar bureau en een ruime boekenkast waar ik meteen op afging. De inhoud verwonderde me niet, enkele schoolboeken, maar vooral de klassiekers en een aantal namen uit de recente Franse en Amerikaanse literatuur. Veel tijd om de titels te lezen werd me niet gegund, Michèle stond naast me en informeerde wat ik over haar kamer dacht. Knus, meer wist ik niet te verzinnen. Ik vermoedde ook dat mijn antwoord haar niet echt interesseerde. “En hier zo in mijn kamer zijn?”. Indien ik me al onbehaaglijk voelde dan was deze vraag niet van aard me op mijn gemak te stellen. Ik denk dat ik wel even aarzelde eer ik zei dat ik het fijn vond. Ik ook, zei Michèle terwijl zij een arm om mijn schouders sloeg. “Ik wil je mijn verzameling foto’s van filmvedetten en scènes uit films laten zien, kom.”. Zij leidde me naar het bed en liet me op de kant plaatsnemen terwijl zij een doos tevoorschijn haalde. Naast mij gezeten begon zij langzaam de ene na de andere foto te tonen, te commentariëren. Plots was er een harde klop op de deur. De stem van François: “Dirk kom je, wij gaan er vandoor.” Dat werd aangevuld door de verklaring van Luc: “Het is tijd voor de studie, anders komen we te laat.” Michèle keek me aan: “Het is toch wel veel te gezellig, laat hen maar gaan.” Ik protesteerde zwakjes; zoiets had ik nog nooit gedaan. “Kom, je kan toch wel eens één keertje brossen zeker.” En vastberaden riep Michèle richting gesloten deur: “Gaan jullie maar, Dirk komt niet, hij blijft hier.” Er klonk wat gemompel aan de andere kant, dan hoorden we de buitendeur dichtslaan. Terwijl ik naar het zich verwijderend geluid van mijn vrienden luisterde had Michèle de fotodoos op de grond gezet, zo zag ik toen ik mijn aandacht opnieuw op haar richtte. Maar nu. De intensiteit van haar blik. Van haar gelaatsuitdrukking. Er lag iets verwilderds in haar ogen. Een begeren. Haar ogen vlamden op. Haar mond leek me tot een pijnlijke, gretige, bijna wanhopige grimas vertrokken. Ik wist niet wat te denken. Niet wat te doen. Ik staarde haar aan, niet in staat mijn ogen van haar gelaat af te keren. Ik was als gehypnotiseerd door het woeste verlangen dat ik aflas. Tot zij mijn hand nam en deze naar haar borst bracht. Het drong niet dadelijk tot me door, hoe lang duurde het – enkele seconden, een halve minuut. Pas dan besefte ik dat zij de bovenste knoopjes van haar blouse opengemaakt had en dat mijn hand, door haar geleid, op haar naakte borst lag, dat ik onder mijn handpalm het warme vlees hard voelde leven, dat haar tepel me rechtstreeks in de poriën priemde. Toen ik het me realiseerde trok ik met een schok mijn hand terug, stiet een angstkreet uit en sprong op. Bij die wilde beweging stootte ik een fotokadertje van het dressoir. Rinkelend viel het op de grond, het glas was gebroken, de foto los gekomen. Ik stamelde iets van sorry en wou, veeleer om mezelf na het gebeurde een houding te geven, de scherven opruimen. “Laat maar liggen” was alles dat Michèle zei. Zij was onbeweeglijk op bed blijven zitten. Ik zag ook het nut niet in om het glas op te rapen. Wel wou ik de foto op het dressoir leggen. Maar ik bleef er naar staren. Dit meisje. Zo’n twaalf jaar oud schatte ik. Geposeerd op de fiets. “Hebben jullie vroeger nog in deze buurt gewoond?” vroeg ik. “Welnee, we hebben altijd in de hoofdstad gewoond, dat weet je toch,” antwoordde Michèle toonloos. “Dit meisje, op de foto, wie is dat?” “Ik.” “En die fiets?” “Hoezo? De mijne natuurlijk, ik kreeg hem voor mijn plechtige communie.” Ik zat nog steeds met de foto in mijn hand, te turen. Haar te bestuderen. Te doorgronden. Dit meisje. Achter mij klonk Michèle. “Ga nu maar Dirk, ga nu maar.” Ik liet de foto op het dressoir. Sloot de deur zacht achter mij en daalde de trap af.
Dat meisje. Ik was negen. Zij moest twaalf geweest zijn en woonde bij ons om de hoek. Niet zo heel lang, een jaar ongeveer denk ik. Wat een prachtige blonde lokken had zij. Die lente en zomer fietste zij iedere dag voorbij ons huis. Zij moest dol geweest zijn op fietsen. En op haar nieuwe fiets. Net zo’n fiets als… En dol op, zo stelde ik me voor, op mij. Maar dat bleek geen waanbeeld. Al was ik dan een jongetje van negen, zij had zich op mij verliefd. En ook daarom kwam zij zo gretig onze woning voorbij, in de hoop dat ik – wat ik dikwijls deed – in het open raam van mijn kamer zat te lezen. Steevast zwaaide zij een groet, schonk mij een glimlach. En nadat we elkaar toevallig eens gesproken hadden liet zij iedere keer haar fietsbel rinkelen en hoorde er zelfs een kushandje bij. Toen, op het eind van de zomer, kwam het verpletterende nieuws. Verpletterend vooral voor haar. Ik herinner me dat ik het uiteindelijk nogal onbewust onderging, lijdzaam. Maar de tranen die zij vergoot omdat zij naar een andere stad moest verhuizen. De tranen bij ons afscheid… Het waren vooral haar tranen, haar verdriet die mij schokten en de herinnering aan haar in mij levend gehouden hadden. Dit meisje met de blonde lokken, zij leek als twee druppels op de twaalfjarige Michèle. Haar haren, haar gelaat, haar houding, en zelfs haar fiets. Voor mij was zij Michèle. Wat ging er schuil achter de scherven die ik veroorzaakt had, die verspreid op de grond lagen.
Totaal overstuur stond ik op het voetpad voor de gevel van het art nouveau-huis. Overstuur minder, toen ik het zo overdacht, om wat Michèle gedaan had, dan wel omwille van mijn bruuske reactie er op. In feite was het alles niet zo abnormaal, had het geen reden moeten zijn tot dergelijke paniek. Het was toch logisch, binnen de evolutie van onze relatie en in de beslotenheid van haar kamer, dat er een verdere stap zou gezet worden. Hoe naïef kon ik zijn. Waarom zo opschrikken van de aanraking met het warme levende vlees. Van de geliefde. Dat was niet alles. Ik was ook erg in de war door de confrontatie met de foto. Het beeld liet zich niet van mijn netvlies verdringen. En hoe langer het duurde, de minuten dat ik me haastig van de woning verwijderde, hoe sterker het bewustzijn zich opdrong. Het meisje op de foto kon onmogelijk iemand anders zijn dan het blondgelokte vriendinnetje van twee seizoenen, inmiddels zes jaren geleden. De identificatie was te groot. En toch, naar wat Michèle zei, naar wat ik ook van François wist, hadden ze hier nooit eerder gewoond. Mijn hoofd tolde. Ik wist niet hoe ik de bijna twee uren die me restten tot het einde van de avondstudie kon volmaken. Te onrustig om ergens te gaan zitten dwaalde ik door de stad, straten langs. Ik dacht dat ik gek werd, zo maalden de gedachten in mijn hoofd. Om 18u wachtte ik François op, even voorbij de school, om met hem naar huis te gaan. Zonder verdere verklaring zei ik dat ik nog slechts enkele minuten bij zijn zuster gebleven was. Hij keek me weliswaar verwonderd aan maar vroeg, tactvol, niet verder.
We sloegen de hoek om van de laan. Links de blinde muren, fabrieksgebouwen, rechts de huizen met vaak fraai gevels uit de periode van de art nouveau, tussenin de bomenrij. Reeds van ver zagen wij een ziekenwagen staan, ongeveer ter hoogte van de woning van François. “Bij wie?” was alles wat hij zei. Er klonk onrust in zijn stem en hij versnelde zijn stap. Het werd algauw duidelijk, het blauwe flikkerlicht bescheen onheilspellend de vertrouwde gevel waarin de deur ons wijd open toegaapte. Net op het ogenblik dat François naar binnen wou stormen werd hij opgevangen door iemand die de huisdokter bleek te zijn en hem kort, voorzichtig, inlichtte. Michèle was een halfuur voordien gevonden door haar moeder, zij had zelfmoord gepleegd in haar slaapkamer. Alle hulp was te laat gekomen. “Hoe?” stamelde François. “Zij heeft haar polsen overgesneden met een glasscherf. Ga niet kijken” riep hij mijn vriend nog na terwijl deze in de gang verdween.
François ontmoette ik pas opnieuw een week later toen hij terug naar school kwam. “Ik heb niet gezegd dat jij nog eventjes bij Michèle gebleven bent na ons, dan hadden ze jou ook maar lastig gevallen met vragen. Van mij wilden ze ook voortdurend weten hoe Michèle die namiddag was. Wat kon ik daarover zeggen. Zij heeft hier gewoon zitten praten met ons. Toch? Zij is altijd al depressief geweest. Het is bizar. Zij had blijkbaar een fotokadertje stuk geslagen en met een scherf daarvan…”. Zijn stem stokte. “Het fotootje zelf hield zij in haar hand geklemd schijnt het, zij stond er op toen zij twaalf was. Het was doordrenkt van het bloed.” Hij snikte plots bij de gedachte. Ik huiverde. Verdwenen. Mijn godinnen. Mijn godin, deze van twaalf en deze van achttien jaar, gesmoord in bloed. Ik zag de blonde lokken, de minzame glimlachjes van de puber en van de half-volwassene. Zij waren één. Misschien was ik het negenjarige jongetje dat in de fietsenstalling de lippen en de geopende mond op de mijne gevoeld had, dat in een slaapkamer onder zijn hand de naakte borst van de vrouw had betast. Die avond dacht ik aan de foto, verdwenen onder bloed, keek door het raam van mijn kamer. In de verte klonk een fietsbel.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.