Het is vandaag precies honderd jaar geleden dat het boek “Dubliners” van James Joyce werd gepubliceerd na talloze problemen met uitgevers in Londen en Dublin. Joyce schreef de vijftien verhalen die gebundeld zijn in ‘Dubliners’ tussen 1903 en 1906. Het zijn schetsen, tekeningen van mensen uit Dublin en omgeving. Velen van hen zijn terug te vinden, vermomd, in het later werk van Joyce, vooral in “Ulysses”. Het zijn veeleer flarden van het dagelijks leven, van ‘de kleine man’. Wat schreef T.S.Eliot: “Van de werken van James Joyce leze men als eerste ‘Dubliners’. Het is de enige mogelijkheid om het werk van een van de belangrijkste auteurs – niet alleen van onze tijd maar van de gehele Europese literatuur – te begrijpen.”
Ze zijn inderdaad stuk voor stuk schitterend deze teksten, qua tekening van de ten tonele gevoerde mensen, qua opgeroepen sfeer, qua opbouw, qua dialogen…

Het start al met het verhaal over een aftakelende, stervende priester en de vriendschap voor hem van een jonge knaap: heel subtiel, suggestief ontroerend. Plaats daar onmiddellijk het volgende verhaal naast, over een pedofiel, langzaam van opbouw, met spanning – en met een bittere nasmaak. Het kan ook teder, ‘Arabië’ toont de prille verliefdheid van een jongen. Terwijl het volgend verhaal de wanhopige strijd laat zien van een vrouw die haar geliefde wil volgen om zich aan de sleur te onttrekken en dit tenslotte niet aandurft: zij kan de conventies niet opgeven. Een portret van enkele jonge snobs; een ander waarbij twee jonge mannen zonder scrupules een meisje geld aftroggelen… alle types passeren de revue. Een man die in de val loopt wanneer hij een meisje zwanger maakte. Of een man die zijn mislukt leven als kantoorbediende, slaaf van een gezin, getoetst ziet aan dit van een vroegere vriend, avontuurlijk en succesvol. Even zielig is de kantoorklerk, vernederd op het werk, stoer bij zijn drinkebroers tot hij ook daar een trieste nietsnut blijkt en zich thuis bewijst en afreageert.
Heel teder is een simpele schets over een eenzame wasvrouw die op Allerheiligen gedurende enkele uren het gezin van haar broer bezoekt: er gebeurt niet echt iets: zeven bladzijden ontroering, simpele ontroering! In de volgende tekst leren een alleenstaande man en een gehuwde vrouw elkaar kennen via de muziek. Tot de vrouw aandringt op een meer intieme relatie: de man neemt de vlucht; twee jaren later verneemt hij dat de vrouw als alcoholiste verongelukt is… de schuldvraag? Achttien bladzijden beslaat een verhaal waarin enkele mannen vergeefs wachten op hun leider; zij ronselen mensen voor de verkiezingen. In feite lezen we nauwelijks iets anders dan beuzelpraat, blabla… over politiek, drank, geld, geroddel… maar in welke stijl, prachtige dialogen, sterke tekening van alle figuren via hun geklets. ‘Een moeder’ schetst op sarcastische wijze dan weer would-be artiesten en hoe dweepziek een moeder kan zijn. Het alcoholisme komt wel vaker aan bod in de bundel maar staat centraal in ‘Genade’. Een groepje vrienden tracht een huisvader te overhalen – om hem van zijn alcoholisme te redden – hen te vergezellen naar een retraite (lezing) bij de Jezuïeten; dit gesprek zelf ontaardt al veeleer in een drinkgelag. Maar ook de lezing blijkt tenslotte een nietszeggende preek te zijn…
De bundel besluit met het lange verhaal, een novelle veeleer, ‘De doden’. Het beschrijft het jaarlijkse bal, georganiseerd door de twee bejaarde zussen Kate en Julia Morkan en hun jongere nicht Mary Jane. We maken mee wat in dat grote bonte gezelschap gebeurt; of net niet gebeurt… Er is muziek, men danst, men drinkt, er is een uitvoerig beschreven maaltijd, en vooral: er wordt gepraat. Een conversatie over onbenulligheden, beleefdheden worden gewisseld, steken onder water, men heeft het over politiek (Engeland/Ierland), het weer, men tracht elkaar al eens te overtroeven. En top of the bill: de jaarlijkse traditie, de speech van neef Gabriel Conroy. Deze, aanwezig met zijn echtgenote Gretta, is een buitenbeentje: erudiet, gevoelig… Dan komt het einde van de avond in geharrewar, gestoei, gelach. Gabriel verkeert in een romantische, zeg maar poëtische stemming terwijl hij met Gretta door een besneeuwd Dublin naar het hotel rijdt. Helaas, daar – door het horen van een lied tijdens het bal werden herinneringen gewekt bij zijn echtgenote – verhaalt Gretta over haar jeugdliefde die voor haar stierf. De ontnuchtering is voor Gabriel heel plots en totaal. Hij ziet zichzelf als minderwaardig, beschouwt alles een leugen; de wereld en iedereen is eindig, hij aanschouwt de mensen die hij even tevoren verliet als dood. “Zijn ziel ebde langzaam weg, toen hij het zachtjes hoorde sneeuwen door het heelal en zachtjes sneeuwen als in het laatste uur over levenden en doden.”
Vijftien boeiende schetsen, geen voorwaarde om het verdere werk van Joyce te begrijpen misschien maar het kan helpen. In ieder geval vinden we hier zijn personages, zijn krachtige dialogen, zijn ritme, zijn gevoel voor symbolen en verwijzingen. Dus aangeraden als opstapje.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.