Van onderstaande tekst van Johan de Belie ontbreekt het begin en dus ook de titel, maar we vallen erin als hij zich volop over de Duitse schrijver Peter Handke buigt…

Het onderwerp van het creatieve werk, van de schrijver, van Handke, versmalt zich. Wat is de zaak van de schrijver ? vraagt de schrijver zich af. Een held, een god waarover een epos kan geschreven worden? Een heerser, een Olympische kampioen, een volkenmoordenaar? Of de zeer mogelijke ondergang van de wereld? En daarnaast de « vriendelijke dingen van deze planeet hun werk laten doen, in de vorm van een strofe of een alinea op een boom, een streek, een jaargetijde ? Die gezichtshoek van de eeuwigheid — waar was die nog te vinden ? » (pag.60). Een versmalling van onderwerp die een verdieping qua innerlijke reflectie betekent. « In de begintijden van het schrijven trof ik de wereld in mij aan als een betrouwbare opeenvolging van beelden… » en later « …dat mij diep van binnen zoiets als een oertekst was meegegeven die ( ..) snel en zonder omwegen op het papier over te brengen was. » Daarna volgt de angst voor de schrijfdaad; die resulteert — niet voor de ik-persoon evenwel — in een nog uitsluitend vertalen van andermans teksten : « Zo, met jouw wond zo mooi mogelijk te tonen, verberg ik de mijne » (68).
Literatuur is het « meest vrije van alle landen » om te existeren (29) maar de schrijver hoort er nooit meer bij; hij dankt zijn schrijver-zijn aan het feit dat hij zich « afzonderde, aan de zijkant opstelde om te schrijven » waarmee hij zijn nederlaag als sociaal wezen toegeeft. « Ook al zit ik hier tot aan mijn stervensuur onder het volk, begroet, omhelsd, deelgenoot gemaakt van zijn geheimen — ik zal er toch nooit bijhoren » (61). De ‘ideale verteller’ is dan ook het personage dat betiteld wordt als de Wetgever, die in de kroeg zit, geen woord zegt en enkel (?) door blik en houding invloed uitoefent op het hele kroeggebeuren: de ideale verteller zegt geen syllabe meer… Het Handke-alternatief ?

EEN FASCINERENDE QUEESTE

Peter Handke wil « schrijven, beschrijven, vertellen », drie daden die met elkaar te maken hebben maar toch als afzonderlijke gebeurtenissen, schrijfdaden, problemen voor de auteur gezien worden. De drie elementen vertonen een gradatie waarvan het vertellen het doel is: « In het teken van de vertelling ben ik begonnen. Doorgaan. Laten zijn. Laten gelden. Uitbeelden. Overleveren. Doorgaan met de vluchtigste aller stoffen te bewerken, je adem; daar de ambachtsman van zijn. »
De schriftuur van Handke maakt het grillige patroon van de schrijfact parallel aan de grillige lijnen van de stad. Het labyrint waar de schrijver zich doorheen worstelt, de opeenvolging van binnenplaatsen, het omslaan van hoeken met voorbehouden verrassingen, de rechte wegen soms, een brug, een autobushalte… het zijn zovele symbolen van het schrijven (en lezen, herschrijven, vertalen). De ontmoetingen, vluchtig en diepgaand : confrontaties met zovele personages. Het op stap gaan, het achterlaten van werkkamer, huis, stapeltje kryptische poststukken, tuin: de bezonnen roekeloosheid waarmee de schrijver zich met zijn taal aan de werkelijkheid overlevert. Het terugkeren tenslotte, de definitieve confrontatie met zichzelf. « Hij verwonderde zich over zichzelf, een allang vergeten huivering nabij. » Een fascinerende queeste door stad en schrijven, op zoek naar de Schrijver
(Peter Handke. Namiddag van een schrijver. De Prom, Baarn, 1988. 77 blz.; 450 fr).

ARMAND PIEN EINDELIJK WERKLOOS!

Met « Het Genie », zijn debuutroman, schreef Dieter Eisfeld een satirische kroniek over het leven van een, gefingeerde, natuurvorser Yan Zabor. Deze slaagt erin, na een leven van zoeken, van persoonlijke en maatschappelijke successen én problemen, het weer te manipuleren. Een droom kan in vervulling gaan en leidt, we schrijven juni 1994, tot de ondergang van Midden-Europa. De parallellen met andere 20ste eeuwse uitvindingen liggen voor de hand. Ook de problemen i.v.m. nut, toepassing, (militair en economisch) misbruik, zijn uit de realiteit gegrepen. Dit aansluiten bij reële vragen maakt deze roman waardevol. En geeft de auteur geen oplossingen, zijn waarschuwing is overduidelijk.
Fascinerend is Eisfeld vooral in de opbouw van zijn personage, de psychologische motivering van het genie en van zijn streven. Terwijl hij daarnaast een perfect logisch en waarschijnlijk verhaal opbouwt: logisch niet in zijn resultaat, wel in de stapvoetse verovering van een nieuw terrein door de wetenschap, nl. het manipuleren, ‘verbeteren’ van de natuur door wetmatigheden te ontkennen. De ziekte van de hoogmoed, zich niet tevreden te stellen met de natuurende weersomstandigheden zoals deze zich aandienen, is niet belerend aangebracht. Als spotschrift over mens en maatschappij, politiek, economie en machtswellust, is « Het Genie » een amusant boek. De Nederlandse vertaling (Amber, Amsterdam, 1987; 185 blz.) laat echter te wensen over: stroef en erg letterlijk.

VROEGER EN NU

In vroeger dagen was ik des ochtends blij, des avonds treurd’ik, — thans, nu ik ouder ben, begin ik twijflend aan mijn dag, maar heilig en helder is mij zijn einde.

In jüngern Tagen war ich des Morgens froh,
Des Abends weint ich; jetzt, da ich alter bin,
Beginn ich zweifelnd meinen Tag, doch Heilig und heiter ist mir sein Ende.

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is door links én rechts nu eens geclaimd, dan weer verguisd. Voor het Derde Rijk waren de nationalistisch getinte gedichten van deze Duitser dankbaar propagandamateriaal. Terwijl de andere zijde gretig kon zwaaien met de verheerlijking van de Franse revolutie, een ander poëtisch stokpaardje van de dichter. In zijn inleiding op de eigen selectie én eigen vertaling stelt Ad den Besten dat alles wat nauwkeuriger, relativeert de interpretaties; en zingt zijn persoonlijke liefde voor één der grootste romantische dichters, uit. Het engagement van Hölderlin, zoals het uit de hier prachtig vertaalde teksten, naar ons overkomt, is een engagement tegenover de mens en de natuur; in de traditioneel romantische opvatting. De dichter sluit ook stilistisch daarbij aan; hij hanteert de klassieke versvormen die in hun diversiteit ver van ons liggen. Het is dan ook de verdienste van Ad den Besten dat hij naast een interpretatieve benadering van de auteur ook een hoofdstuk heeft toegevoegd waarin hij dieper op de structuren die Hölderlin hanteerde, ingaat. In een commentaar achteraf wordt voor elk gedicht nog enige omschrijving van voor ons veraf liggende begrippen en/of ontstaanssituatie gegeven, terwijl de vertaler zich daar hoedt om door een teveel aan interpretatie het persoonlijke aandeel van elke lezer te verknallen.

HET AANGENAME DEZER WERELD…

Het aangename dezer wereld is genoten,
De jaren van de jeugd zijn, ach hoe lang! vervloten.
April, mei, juli — waar zijn zij gebleven ?
Ik ben niets meer. Ik wil niet graag meer leven.

Das Angenehme dieser Welt hab ich genossen,
Die Jugendstunden sind, wie lang! verflossen,
April und Mai und Julius sind ferne,
Ich bin nichts mehr, ich lebe nicht mehr gerne!

Ad den Besten, die hier een prachtig werkstuk aflevert dat getuigt van liefde en inzicht in de persoonlijkheid van de dichter Hölderlin, én van eigen technisch en poëtisch kunnen, duidt ook zo voorzichtig mogelijk de ‘duistere’ periode van Hölderlin; de dichter werd in zijn tweede levenshelft psychisch gestoord. Ad den Besten gaat niet in op het verleidelijk romantische facet hiervan, noch op de wetenschappelijke interpretaties die door de afstand in tijd en door de geringe kennis van de psyche ten tijde van Hölderlin, erg speculatief blijven. Gedrenkt als ze ook zijn in vaak vage bewoordingen van vrienden en familieleden van de dichter. Den Besten stipt wel de stilistische verschillen en daarmee samenhangende vertaalproblemen aan. De geselecteerde gedichten dateren uit de twee perioden, voor én na 1803. Wij gaven ze in originele versie en in vertaling (zoals ook het boek een complete parallel biedt) om de rijkdom van Hölderlin én het poëtische vertaaltalent van Ad den Besten recht te doen. « Ehmals und jetzt » is een Alkeïsche ode, in de traditie van de dichter Alkaios (600 voor Christus) en werd geschreven in 1798. Het prosodische gedicht « Das Angenehme dieser Welt » dateert van 1811.
De uitgave « Friedrich Hölderlin; gedichten, vertaald, ingeleid en toegelicht door Ad den Besten » is van De Prom, Baarn, telt 479 blz. en kost 1290 fr.
(Johan de Belie in De Rode Vaan nr.37 van 1988)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s