Verhalen van Johan de Belie (1)

01

Isolde

Een smalle streep zonlicht viel binnen in de opslagruimte toen Luc de poort open duwde. Langs de rechterzijde stonden decorstukken, zo te zien reeds sedert lang niet meer gebruikt. Hij liet de poort op een kier staan en stapte snel naar de tegenoverliggende deur. De gang was nog donker, Luc knipte het licht aan. Enkele seconden later was het helwit, de TL lampen waren genadeloos voor de gekalkte muur en de wit geverfde deuren van de loges. Op het eind van de gang ging Luc de gemeenschappelijke ruimte binnen, keuken, zitplaats, repetitielokaaltje, de plaats deed dienst voor alles. Hij gromde binnensmonds. Dat is het nadeel dat ik altijd zo stipt ben, ik ben steeds de pineut die koffie mag zetten. Maar de koffiezet had zijn werk nog maar half gedaan toen Bie en Paul reeds binnenkwamen.

Waarschijnlijk was het gemor van Luc meer een gewoonte want hij begroette het echtpaar enthousiast en vriendelijk: “Aha, monsieur le directeur et la belle blonde Isolde”. Het was zijn gewone groet wanneer Paul, de regisseur, en diens echtgenote Bie die de rol van Isolde zou spelen, arriveerden. Ze schonken er reeds geen aandacht meer aan. “Nog tien dagen” zuchtte hij. “Het ziet er lang niet slecht uit, een week geleden durfde ik wel een beetje wanhopen maar inmiddels hebben we flinke vorderingen gemaakt. Wat jij Bie?” Pauls echtgenote knikte bevestigend. Zij wist dat in dit stadium van de repetities het optimisme van de regisseur onontbeerlijk was voor de goede sfeer. “Och daar hebben we Jacques” reageerde Luc toen hij stevige stappen in de gang hoorde. Ondanks de samenwerking die nu al vijf maanden duurde en de in wezen vriendschappelijke omgang klonk soms toch – zoals nu – een beetje de jaloezie door dat Jacques de fraaiste rol had toegewezen gekregen. Al moest hij bekennen, indien hij zelf de keuze had moeten maken, was Jacques inderdaad meer geschikt als Tristan naast Bie. Jonger, slanker, leniger en met fraai golvend haar. De rolverdeling lag dus voor de hand, hij zou de dienaar, de trouwe vriend van Tristan zijn, Kurwenal. Er bestond geen echte reden voor afgunst, een conflict was er dan ook nooit geweest; alleen diep binnenin verlangde hij soms nog naar de bevoorrechte plaats aan de zijde van de mooie Bie, de stralende Isolde. “Jacques, o.k., nu jij er bent kunnen we alvast enkele dialogen met Bie doornemen.” De aangesprokene sputterde onmiddellijk tegen: “Hela, eerst een koffietje, eerst de stem een beetje smeren mijnheer de regisseur. Anders verknoei ik mijn stembanden.” Paul zuchtte berustend en ging opnieuw zitten bij de anderen. Die trouwens ook nog allen koffie aan het drinken waren. Even later werd de deur geopend. Het was Jean-Paul. “Oh jullie zitten nog hier?” “Ah Jiepie goed, voor ik het vergeet, in de derde scène wil ik iets veranderen aan de belichting. Er zijn twee effecten die me niet voldoen. Dat moeten we straks eens bekijken.” “We kunnen het ook nu dadelijk doen als je wil. Ik zie dat Sylvie er toch nog niet is.” Paul en Jean-Paul, die voor het licht en het geluid instond, verdwenen naar het podium. “Voilà we hadden gemakkelijk een uurtje later kunnen komen” zei Luc. “We zouden onze tekst eens kunnen doornemen” stelde Bie aan Jacques voor. “Heb jij zin in zo’n geheugentraining? Nu ja, enfin, dan moet het maar. Baat het niet…”
Het theaterzaaltje ‘De blauwe vogel’ telde iets minder dan tweehonderd zitplaatsen. Het bevond zich in het stadscentrum, in een volkswijk van nauwe straatjes. Toen Paul en Bie het ontdekten stond het reeds tien jaren leeg. Het intrigeerde hen onmiddellijk. De gevel van het inmiddels tachtig jaar oude gebouw had hen gefascineerd. Veel werk bestond er niet voor hen op de officiële acteursmarkt, bovendien zonnen de meeste kleine aanbiedingen hen niet. Het was een mooie droom een eigen gezelschap op te richten, met enkele mensen. Een eigen theatertje, gelijkgestemden… een niet te verwezenlijken droom. Tot ze voor ‘De blauwe vogel’ stonden. Ze wonnen inlichtingen in, het pand stond te huur. Lang hoefde er niet onderhandeld te worden: indien ze het opknapten dienden ze het eerste jaar geen huur te betalen en de eerstvolgende tien jaren viel de prijs ook mee. Bie en Paul hapten dadelijk toe, zich bewust van het werk dat het zou vergen om zaal en podium weer toon- en bespeelbaar te maken. Meteen gingen ze op zoek naar actrices en acteurs die net als zij moeilijk werk vonden, én die voldoende enthousiasme konden opbrengen voor hun project. Acteergeile individuen waren er altijd te vinden maar hier dienden eerst de handen uit de mouwen gestoken te worden. Anderhalve maand later – er werd dan al flink verbouwd – was het gezelschap compleet. En na acht maanden was ‘De blauwe vogel’ toonbaar. Er kon gespeeld worden. De repetities konden beginnen. Er kon, er diende, een stuk gekozen te worden…
Terwijl Paul en Jean-Paul de belichting uitdokterden zaten de anderen te keuvelen rond de tafel. Ze hadden het er over of het stuk dat ze gekozen hadden voor de opening van hun theatertje wel voldoende publiek zou lokken. Er waren natuurlijk enkele troeven die bij de keuze de doorslag gegeven hadden. De eerste was van sentimentele aard, dat dit stuk, ‘Tristan en Isolde’, ook het allereerste stuk was dat hier opgevoerd werd. Uiteraard hadden ze het gemoderniseerd, had Paul vooral in zijn regieconcept drastisch ingegrepen. Een tweede argument was dat de titel, en het verhaal zelf aan het publiek bekend waren. En tenslotte: ze beschikten precies over het geschikte aantal actrices en acteurs voor de rolbezetting, en de personages konden mooi ingevuld worden. Bovendien zag Paul het in zijn idee wel zitten om het stuk met niet teveel middelen qua kostumering, decor en techniek op de planken te zetten. Voldoende argumenten opdat tenslotte iedereen zich achter de keuze zou scharen. “Ik vind het trouwens een schitterend idee van Paul om te beginnen met fragmenten uit dat zo gezegde dagboek van Isolde. Hopelijk krijgen we geen problemen met de auteursrechten want we hebben die niet aangevraagd.” Bie haalde de schouders op: “Die Maurice Bearing is geboren in 1922, die zal ons wel geen proces meer aandoen. Bovendien zou hij zich gevleid voelen denk ik, hij heeft zijn leven als literair wetenschapper en schrijver aan Tristan en Isolde gewijd. Dat ik nu uit het dagboek dat hij in naam van Isolde schreef op toneel breng zou hem wellicht flatteren.” Op dat ogenblik kwam Paul binnen. “Tijd voor de repetitie, iedereen naar het podium. Is Sylvie er nog niet?” Een vaststelling toen zijn blik langs de tafel ging, geen vraag. Gevolgd door een besluiteloze zucht. Iedereen begaf zich naar de zaal. Deze zag er vrijwel nog identiek uit als tachtig jaar geleden. Rode pluchen zetels, antieke wandlampen, de muren waren zwart herschilderd en opgesmukt met witte gestileerde figuren uit de Commedia dell’Arte. Ook het voordoek was behouden: zwaar rood fluweel dat naar de twee zijden openschoof. Het had heel wat zweet en tijd gekost om dit alles op te poetsen, te verfraaien, toonbaar te maken. En tenslotte ook het podium bespeelbaar te maken. Uiteindelijk dienden ook de loges opgeknapt te worden. Op dat ogenblik was er wel al een stuk gekozen, werkte Paul zijn regieconcept uit, en konden Jean-Paul en Luc beginnen met het timmeren van enkele decorstukken.
“Kom, nog één week tot de première en die scène zit nog absoluut niet goed” richtte Paul zich bits tot Sylvie en Luc. “Misschien hadden we een beetje vaker moeten kunnen repeteren” mopperde Luc. Sylvie reageerde niet, zij wist zich schuldig. Te laat komen, niet verschijnen, er was voldoende kritiek geuit op haar gedrag der voorbije maanden. Vandaar dat haar rol niet perfect zat, dat een scène als deze met Luc, tussen Brangäne, dienares en vriendin van Isolde, en Kurwenal, nog mank liep. Na een halfuur gromde Paul goedkeurend. “Ziet er beter uit, houden zo. Ga jullie kostuum aantrekken, de anderen zullen al klaar zijn voor deze eerste doorloop. Stuur hen maar al hierheen.” Paul richtte zich nu blindelings tot Jean-Paul die hij ergens in het duister van de zaal vermoedde: “Jiepie ben jij klaar voor de eerste scène? We nemen een doorloop en ik onderbreek slechts als het echt in de soep loopt. Het is ook de eerste kostuumrepetitie, ik wil dus het effect van de belichting bekijken en desnoods bijsturen.” “O.K. chief, ik ben er klaar voor”. Paul wist dat Jiepie in het duister nu voor hem salueerde, zoals steeds. Goed bedoeld trouwens want ze waren boezemvrienden geworden. Hij hoorde gestommel achter de scène. “Blijven jullie daar maar.” Hij nam plaats in de zaal: “Alle lichten doven. Bie eerste positie innemen.” Paul hoorde de stapjes van Bie op het podium niet, maar hij voelde haar aanwezigheid, hij wist dat zij er was, dat Isolde er stond. “Licht!”
Midden het podium stond Isolde. In een lang wit kleed gehuld, een bruidsjurk bijna maar nauwsluitender, met een blauwige schijn die veroorzaakt werd door de belichting. Haar kleed was niet doorzichtig, wel voorzichtig doorschijnend zodat – afhankelijk van haar houding en het licht – merkbaar was dat zij naakt was. Maar gezien het effect veeleer verhullend dan onthullend was, bleef het een poëtische erotiek meegeven zonder seksuele annotatie. Peinzend stond Isolde daar, om zich dan naar de jardinkant van de scène te begeven waar zij aan een tafeltje ging zitten, een schrift opende, een pen nam en begon te schrijven. Zij dicteerde haar woorden: “1 mei. Mama liet weten dat ik mijn beste witte jurk moest aantrekken met mijn koralen halssnoer. Er werden gasten verwacht. Brangäne was zo gehaast dat zij mijn haar in de war bracht en mijn gelaat ruw maakte door het met puimsteen te schrobben. Mama en papa zaten reeds klaar. Ik moest mijn harp nemen en in tegenlicht zitten. Ik zei dat ik alleen ‘The Mallard’, een lied uit Cornwall, goed kon spelen. Mama zei dat ik Bretoense liederen moest spelen, het zou er niet toe doen. Speel om het even wat en zeg dat het Bretoens is, zei zij. Plots schalden de trompetten. Een heraut kwam binnen en kondigde aan: Sir Tristram van Schotland. 16 mei. Kurwenal arriveerde vanavond met het bericht dat Tristram gewond is aan zijn arm door een slagzwaard. Hij zou over een tweetal dagen hersteld zijn. 17 mei. Men heeft Tristram midden in de nacht teruggebracht. Hij wil beslist op het strand blijven slapen. De dokters vinden het geen goed idee maar vermits het zijn uitdrukkelijke wens is… 1 juli. Tristram is nog hetzelfde. De dokter vreest niet voor erger. 1 september. Tristram is nog steeds niet beter. Hij spreekt nu voortdurend over een schip met een zwart zeil. 19 september. Vandaag was ik de ganse dag bij Tristram op het strand. Hij vroeg mij of het zeil werkelijk zwart is. De dokter zei dat ik hem gelijk moest geven, dus deed ik dat maar. Zijn toestand verslechtert. De dokters zeggen dat hij lijdt aan overgevoeligheid van de zenuwen, wat dat ook betekent. 20 september. Tristram is bewusteloos. De koningin van Cornwall is pas gearriveerd. Ik heb het te druk om nog verder te schrijven.” Het licht op Isolde werd langzaam gedimd. Toen het podium plots weer oplichtte waren tafeltje en stoel verdwenen. Geleund tegen een gedeeltelijke reling die driekwart naar het publiek gekeerd stond, zien we Brantäne en Kurwenal in gesprek. Zij staat face publiek, hij steunt ruggelings tegen de reling zodat hij grotendeels in profiel acteert. De dialoog verheldert wat vooraf gaat aan de geschiedenis van Tristan en Isolde, het verhaal van koning Marke.
“Uitstekend. Slechts twee keer echt moeten onderbreken bij een eerste volledige doorloop, dat valt me mee.” Paul zag er tevreden uit toen hij deze woorden sprak in de kamer waar iedereen, na het verkleden, bij elkaar gekomen was. “En we hebben nog een week om de puntjes op de i te zetten, dat komt goed denk ik.” Iedereen verliet het theater in een uitstekend humeur; zo welgezind had men Paul na een repetitie nog niet gezien. En dat na zo’n doorloop, na zo’n eerste volledige kostuumherhaling! Thuis liet Paul zich in de zetel vallen. “Wel Bie, het lijkt dat we onze droom waargemaakt hebben. Vin’ je niet!” Zij nestelde zich op zijn schoot. “Mijn mooie Isolde, je doet het schitterend. Je wordt de ster van de avond. Zoals je mijn ster bent..” voegde hij er nogal flemerig aan toe. “Ja er kan niet veel meer mis gaan lieveling.” “Fingers crossed” antwoordde Paul, “laten we nu maar iets eten, ik scheur van de honger.”
“Enfin dat is toch niet normaal” zei Luc. Jean-Paul keek hem bezorgd aan: “Nee, Paul en Bie zijn hier altijd op tijd, als eersten.” Het bleef eventjes stil. “Dat ze vijf of tien minuten later zouden zijn, goed, maar het is inmiddels al bijna drie kwartier.” Jacques klonk ongerust. “Iedereen kan zich wel eens verslapen, ik zou me niet zoveel zorgen maken” zei Sylvie. “Nee, jij bent dat natuurlijk gewoon om te laat te komen, dat is jouw gewone procedure” viel Luc bits uit. De stemming was onder nul gezakt. De onrust gestegen. Het zou nog twintig minuten duren. “De poort! Ze zijn er. Eindelijk.” Er heerste een mix van ontspanning omdat Bie en Paul blijkbaar gearriveerd waren, en van nervositeit om de reden te kennen van het te laat komen. De deur van de vergaderkamer werd geopend, alle blikken keken vragend in die richting. Het was Paul die binnenkwam. Alleen. Toen hij meteen de deur achter zich sloot wou iedereen vragen waar Bie was. Maar niemand durfde de vraag te stellen. “Slecht nieuws, Bie is ziek. Zij heeft hoge koorts. Zij ligt in bed.” Er hing een loden stilte tot Luc vroeg: “Wat heeft zij dan?” “De dokter moet nog komen. Het is vannacht begonnen.” “En dat twee dagen voor de première” opperde Luc. “Tja”, zei Paul, “laten we hopen dat zij vlug kan opgeknapt worden. Anders is het een ramp.” “We mogen ook wel een beetje bezorgd zijn om Bie zelf, niet alleen over de productie” zei Jean-Paul scherp, “plots zo’n hoge koorts krijgen, dat is toch niet normaal. Zou jij niet beter terug naar huis gaan Paul, wij repeteren vandaag wel zonder jou.” De anderen stemden hier dadelijk mee in. “Maar laat wel iets horen zodra je wat weet” vroeg Sylvie bezorgd. Paul vertrok. In mineurstemming werden scènes gerepeteerd waarin Bie niet meespeelde. Van het enthousiasme van de voorbije week was weinig meer te bespeuren. De groep was net na de middagpauze opnieuw op het podium toen de telefoon in het zaaltje klonk. Het was Jean-Paul die erheen stormde en enkele minuten later terugkeerde met de mededeling dat er niet zo’n positief nieuws was. Bie zou een longinfectie hebben. Zij kreeg zware medicatie. Maar of zij over twee dagen voldoende opgeknapt zou zijn om te spelen, Paul leek het donker in te zien. De verslagenheid was groot. En al opperde Sylvie nog “er het beste van te hopen, niet zo somber te zijn”, niemand had nog zin om verder te repeteren. De lichten werden gedoofd. Heel even bleven ze allen nog talmen maar toen bleek dat er niets zinvols kon gezegd worden, dat het samenzijn hen alleen nog triester maakte, ging iedereen er vandoor.
De volgende ochtend wachtten ze in spanning op nieuws toen ze de stap van Paul in de gang hoorden. Betekende het feit dat hij zelf verscheen een positief bericht? “Het is nog absoluut niet goed. Bie heeft nog hoge koorts, zij zou een longinfectie hebben. De dokter komt haar vanochtend en vanavond een injectie geven. Dat zou de ziekte moeten keren. Enfin dat hoopt hij. Maar of zij dan morgen op de planken kan staan? Dat is toch wel erg te betwijfelen denk ik, ik heb er geen goed oog in. Ik vrees dat zij hoe dan ook verzwakt zal zijn.” “Wat moeten we dan doen nu, afgelasten?” Het was Jean-Paul die het gevreesde woord uitsprak. “We kunnen afwachten. Of we het nu doen of morgen, voor het publiek maakt het niet veel meer uit. We kunnen toch niet echt tijdig verwittigen.” Paul klonk moedeloos. Hij zag er ook afgetobd uit na wellicht een nacht waken. “Ik stel voor dat jullie vandaag twee keer een volledige doorloop doen. Probeer de rol van Bie in te vullen door iemand die op dat ogenblik niet op de scène is zodat bijna alles kan gerepeteerd worden. Ik ga terug naar huis. Sorry. Maak er het beste van. Je weet maar nooit.” Dat laatste zinnetje klonk zonder veel hoop. En zo liet Paul de anderen ook achter. Ze hadden zoveel verwachtingen gekoesterd, zich zozeer afgebeuld om hun zaal in orde te krijgen. Daarna hadden ze zich met hart en ziel aan deze productie gewijd. En nu lag van ieder van hen een stuk van henzelf in dit alles, in dit gebouw, in deze sfeer, in alles wat er morgen te gebeuren stond. En vooral de figuur van Bie, Isolde, was een symbool van dit gebeuren. De wijze waarop zij de rol invulde, maar ook haar hele zijn. Haar uiterlijk, dat tere figuur, dat engelachtig gelaat. En hoe zij met de mensen omging, zij werd op de handen gedragen. Er was geen man, geen vrouw van het gezelschap die niet iets van verliefde gevoelens in zich droeg. Een kwartier lang palaverden ze over de mogelijkheid of de onmogelijkheid of de première nog zou doorgaan. Pas dan nam Jacques plots het heft in handen: “Genoeg getreurd, laten we gaan repeteren.” Weinig enthousiast trokken ze richting podium. De monoloog van Isolde werd niet gerepeteerd.
Toen op de dag van de première Paul en Bie niet opdaagden zonk de moed hen in de schoenen. Er werd nog nauwelijks gesproken. Niemand waagde het iets te zeggen over de mogelijkheid om ’s avonds te spelen. Het zat er gewoon niet meer in. Anderhalf uur hadden ze zo, grotendeels wezenloos, zitten staren, koffie drinkend, af en toe een zucht slakend. Luc ijsbeerde soms de gang op en neer, Jean-Paul verdween af en toe naar het podium en naar zijn technische installatie. Toen arriveerde Paul. Alleen, zoals ze reeds verwachtten. Op de première hadden ze al niet meer gehoopt, maar het bericht over Bie was nu nog slechter. Zij was in de loop van de nacht opgenomen in het ziekenhuis. Zware longontsteking. Zij ijlde van de koorts, zei Paul, was nauwelijks bij bewustzijn. Maar nu werd zij goed verzorgd, hij dacht – of hoopte – dat het gevaar geweken was. Hij was in ieder geval gekomen om de praktische zaken te regelen. De première kon niet doorgaan, de hele reeks voorstellingen van twee weken konden ze wel vergeten. Eerder zou Bie ongetwijfeld niet hersteld zijn. Eerst moeten er meldingen over de affiches aan de zaal aangebracht worden dat de voorstellingen afgelast zijn. “Wil jij die alvast maken Sylvie?” “En de opvang van het publiek?” vroeg Jacques. “Daar moeten we ook voor zorgen vanavond, wie neemt dat op zich?” Paul keek vagend rond. Na een korte stilte nam Luc het woord: “Ik denk dat iedereen hier zal willen zijn vanavond, wat zitten we die uren in ons eentje te kniezen terwijl…” Iedereen knikte beamend. “Goed, dan komen we allemaal. Is er nog iets?” “Ja, de tickets die vooraf gekocht zijn, wat doen we daar mee?” Het was Jacques die de vraag opwierp. “Geldig maken voor een andere voorstelling of terugbetalen?” “Geld teruggeven lijkt gemakkelijkst” antwoordde Paul. “Hebben we voldoende geld in de kassa?” vroeg Luc. “Nee, ik zal naar de bank gaan en het deze namiddag meebrengen. Nu ga ik terug naar het ziekenhuis.” Met woorden van hoop voor Bie vanwege iedereen stapte hij op.
Toen Paul ’s namiddags bij ‘De blauwe vogel’ aankwam was het hoe dan ook een koude douche. De mooie affiches ‘Tristan en Isolde’ zo ontsierd te zien door een witte band die er zijdelings over aangebracht was met de vreselijke woorden ‘Afgelast’. Hij stond voor de gevel die drie jaren geleden alle hoop inhield voor Bie en hemzelf. Niet alleen hoop, veel meer, een droom die ze dachten te realiseren. En dat was hen nog gelukt ook. Met hoeveel inspanning. Tot nu. Het was hem als vertoonde die oude, prachtige gevel overal scheuren. Als brokkelde hij af. Terneergeslagen ging hij naar binnen waar iedereen hem reeds opwachtte. Hoe het met Bie was? “Beter. Het gevaar is geweken. Door medicatie toe te dienen via de baxter is het ergste geleden. Maar de vooruitzichten… Het zal wel weken duren eer zij hersteld is.” Ondanks het enerzijds goede nieuws was de stemming triest. Niemand had zin om veel te praten. Wat kon er ook gezegd worden. Men telde de uren, tersluiks, over zes uren zou de première moeten beginnen. Plots werd de deur voorzichtig geopend. Een meisje stak het hoofd door de kier. “Kan ik binnenkomen?” Een zachte, een fluwelen stem. Paul veerde op. “Natuurlijk. Wat?” Zij kwam de kamer in. Het viel hen allemaal onmiddellijk op: dat tengere figuur, die lengte, het lange golvende blonde haar. Afgezien van haar gelaatstrekken kon dit het evenbeeld van Bie zijn. Dat gelaat, het was niet ruwer, het straalde niet minder vertrouwen uit, alleen de structuur was anders. “Wat kunnen we voor u doen?” “Wel ik zag dat u de voorstelling moet afgelasten, of uitstellen. Wegens ziekte van de actrice die Isolde speelt. Nu heb ik die rol gespeeld in dit stuk en ik ken hem nog perfect. Misschien kan ik jullie uit de nood helpen?” Het bleef muisstil. “In dit stuk? Bent u zeker?” vroeg Paul, “voor zover ik weet is het lang geleden dat het nog ooit ergens opgevoerd werd.” “Toch wel, deze versie.” “Maar al kent u de tekst, de interpretatie, de regie, bijvoorbeeld de plaats op de scène om nog maar dat te noemen, dat kent u dan allemaal niet” opperde Luc. Het meisje keek hem doordringend aan: “Het zou kunnen meevallen, daar zou u maar op moeten vertrouwen.” Iedereen keek iedereen aan. “Weet je, bespreek het even onder elkaar, ik wacht in de gang, en dan kunnen we misschien een repetitie houden om te zien hoe het loopt.”
“Hoe weet zij dat het om Bie gaat?” vroeg Jean-Paul. “En dat zij dit stuk gespeeld heeft, nog recent, ik vind het heel bizar” zei Paul. “Het zou ons wel uit de problemen halen” mijmerde Sylvie, “stel je voor dat we toch kunnen spelen.” “Het is me allemaal nogal gek”, Luc klonk wantrouwig. “We kunnen proberen. Met een repetitie geven we niet uit. Wie weet.” Het was Paul die de knoop doorhakte en het meisje binnenriep. “Het zou natuurlijk fantastisch zijn mochten de voorstellingen kunnen doorgaan. Maar je begrijpt dat we dan toch eerst een repetitie moeten houden, we kunnen niet zomaar… in het ongewisse.” “Natuurlijk, natuurlijk” haastte de onbekende zich, “dat begrijp ik, jullie kunnen geen risico nemen.” “Dan moeten we wel dadelijk beginnen.” Paul dacht even na. “Ik stel voor dat we een repetitie hebben met alles er op en er aan, in kostuum, met belichting en klank. Kwestie dat je ook de sfeer waarin we het stuk spelen kan begrijpen. Oh ja, hoe heet je eigenlijk, want zelfs dàt weet ik nog niet.” “Truia” zei het meisje, “ik heet Truia.” Paul toonde haar de loge van Bie waar het kleed van Isolde klaar hing terwijl de anderen zich gingen omkleden. “Oh ja Truia, het stuk begint met een monoloog die ik er zelf bijvoegde. Die kun jij onmogelijk kennen maar gelukkig zit Isolde op dat ogenblik aan een tafeltje, haar dagboek te schrijven. Dus kun je de tekst aflezen. Ik zal hem dadelijk halen dan kan je hem al eens doornemen.”
Iedereen was op het podium, wachtend op Paul en Truia. Het was Paul die eerst uit de coulissen tevoorschijn kwam, onmiddellijk gevolgd door… Isolde. De ganse cast hield de adem in. Zij was betoverend mooi, een feeërieke verschijning. Bovenaards bijna. Meteen zoals zij daar stond domineerde zij de scène, zij wàs Isolde, zij straalde het personage uit nog eer zij iets gezegd had. Iedereen was verstomd. “We beginnen” zei Paul. Het podium bleef leeg achter, alleen Truia zat achter het tafeltje met voor zich het ‘dagboek’ van Isolde. Jean-Paul had de lichten gedoofd, en trok toen langzaam de spot op. Daar zat zij, Isolde: “1 mei. Mama liet weten dat ik mijn beste witte jurk moest aantrekken met mijn koralen halssnoer. Er werden gasten verwacht. Brangäne was zo gehaast…”. Achter de scène luisterde men ademloos toe. Die omfloerste stem, dat timbre, die nuances. En dat bij een eerste lezing, nadat zij pas kennis gemaakt had met de tekst. Die inleving in het karakter zoals het bedoeld was in het concept. De tekst van het dagboek was gelezen, het licht doofde. Paul moest Sylvie en Jacques aanporren om hun positie als Brangäne en Kurnewal in te nemen op het podium voor de volgende scène, ze stonden als versteend na wat ze gezien en gehoord hadden. Toen Truia achter de coulissen kwam fluisterde Paul “schitterend” en Luc zei met een bijna verstikte stem “wat was dat prachtig, fantastisch”, hij leek zijn ontroering niet te kunnen verbergen.
Gedurende twee weken leverde men, zes avonden per week, in ‘De blauwe vogel’ een unieke voorstelling af van ‘Tristan en Isolde’, een productie die op het enthousiasme van het publiek mocht rekenen en op de meest lovende recensies. Het gezelschap zat op rozen. En ook met Bie ging alles goed; na vier dagen werd zij uit het ziekenhuis ontslagen. En toen Truia gedurende twee weken haar rol had overgenomen besloot zij haar plaats weer in te nemen. Tot dan had zij er de voorkeur aan gegeven niet naar de voorstelling te gaan kijken, zij zou het te pijnlijk gevonden hebben. “Ik wil wel met haar kennismaken na de laatste voorstelling, dan kom ik vast om haar te begroeten en te bedanken” had zij aan Paul gezegd. En inderdaad, het slotapplaus stierf weg en in de vergaderkamer wachtte Bie met een ruiker bloemen. Even later stonden de twee Isolde’s tegenover elkaar. Bie schrok even toen zij haar evenbeeld zag staan, maar het was ook een ogenblik van ontroering. Waarbij zij Truia bedankte omdat zij de productie gered had, haar rol blijkbaar – naar zij vernomen had – zo schitterend vertolkt had. Terwijl Truia zei dat zij het fijn vond dat zij deze kans gekregen had om Isolde nog eens te zijn. “En nu ga ik me eerst omkleden, dit kostuum hoort vanaf morgen jou weer toe” vulde zij aan. En zij verdween naar de loge.
Ze hadden om het geheel voor Bie nog eens op te frissen die namiddag een volledige herhaling gehouden. En toen, die avond na het afscheid van Truia, was de eerste confrontatie van Bie met het publiek in haar rol van Isolde. Logisch dat zij nerveus was hoezeer haar medespelers, en Paul, haar ook verzekerden dat haar vertolking uitstekend was – even sterk als deze van Truia waarover zij in de pers gelezen had. Wat haar nervositeit verhoogde was het feit dat Truia beloofd had aanwezig te zijn bij de voorstelling, uit sympathie. Inderdaad net voor ze zich allen naar het podium begaven kwam Jean-Paul hen inlichten dat Truia in de zaal zat. Bie nam haar plaats in op de scène, de belichting werd opgetrokken, het gevoel van zenuwachtigheid gleed van haar af, de magie van het theater en de geest van Isolde namen bezit van haar… Tijdens de pauze verwachtte men Truia in het zaaltje maar die gaf er blijkbaar de voorkeur aan in de zaal te blijven. Een uur later klonken de slotwoorden. Brangäne stond midden de scène, alleen, en lichtte het publiek in: “Toen koning Marc de dood der geliefden vernam liet hij twee doodkisten maken, één van melksteen voor Isolde, de andere van aquamarijn voor Tristan. De minnenden werden begraven weerszijden van de kapel. Uit het graf van Tristan steeg een groene doornstruik op met rijk gebladerte en geurende bloemen. Deze struik boog zich over het dak van de kapel en daalde neer in het graf van Isolde.” Het podium verduisterde tijdens het slotapplaus. Na afloop was er de gebruikelijke drukte achter de coulissen, de felicitaties, de commentaren. Maar lang duurde het niet eer Bie opmerkte dat Truia er nog niet was. Het was Jean-Paul die ging kijken waar zij bleef en even later terugkeerde: “De zaal is al leeg en bij de uitgang zie ik ook niemand meer. Het lijkt alsof zij weggegaan is.” “Dat kan nu toch niet” zei Paul, “dat is niets voor haar.” Iedereen was het daarover eens, het leek hen niet iets dat met Truia te verzoenen was. “Is zij eigenlijk betaald voor al die voorstellingen?” vroeg Jacques. “Nee, zij ging op mijn vraag niet echt in, zij wimpelde het een beetje af. En het is dan op de lange baan geschoven. Weet iemand eigenlijk waar zij woont?” Paul keek vragend om zich heen. Niemand kon antwoorden. “Bizar” zei Sylvie, “ook hoe zij hier arriveerde, ik vond het allemaal vreemd.” Luc zat wat dromerig voor zich uit te staren. Het was de anderen in de loop van deze twee weken opgevallen dat hij extra begeesterd naar Truia had uitgekeken. “Dus niemand weet iets meer te vertellen?” drong Paul nog eens aan. Luc schrok op: “Ik weet wel, ik keek het eens na omdat het zo’n vreemde naam is, hij intrigeerde mij, dat Truia in de Germaanse mythologie een andere naam is voor Isolde.” Het bleef stil. Iedereen ging zich omkleden en ontschminken. Jean-Paul was de laatste die ‘De blauwe vogel’ verliet. Hij doofde de lichten en sloot de poort. In de zaal geurde het naar pluchen zetels, publiek, magie. Er heerste een diepe, zware stilte. Toen leek het alsof zich in de schaduwen van het theatermysterie een schim bewoog, onhoorbaar. Klonk daar uit de coulissen een fluisteren: “Isolde mijn geliefde, Isolde mijn vriendin, in u is mijn dood, in u is mijn leven.”?

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.