Vandaag viert de Amerikaanse wielrenner Tyler Farrar (foto Erik Westerlinck) zijn dertigste verjaardag. Gisteren werd hij nog derde in de eindsprint van de laatste rit in de Ronde van Italië. En zo is het al een heel seizoen: Farrar doet weer mee in de sprints, maar winnen is er (voorlopig?) nog niet bij. Ik weet ook niet of Tyler nog altijd in Gent woont, maar hij heeft zich alleszins al enkele jaren laten opmerken als een uitstekende ambassadeur voor onze stad…

Een paar jaar geleden heeft het gerenommeerde reismagazine van National Geographic Gent op de derde plaats gezet op haar wereldranglijst van “authentieke historische bestemmingen”. Gent was de enige Belgische stad die een plaats kreeg op de lijst van 109 geselecteerde steden, maar Gent is niet enkel een “historische” stad. De Amerikaanse profwielrenner Tyler Farrar die al enkele jaren op de Korenlei woont, vertelde op 27 maart 2010 in de Gazet Van Antwerpen: “Dit is een overzichtelijke stad met een lucht vol energie. Dat komt omdat hier zoveel jonge mensen verblijven, vermoed ik. Er valt hier ook zoveel te beleven. De Gentse Feesten, zoiets vind je toch nergens anders? (…) Toen ik hier de eerste keer kwam, maakte ik meteen een boottocht door de stad. Samen met een vriend die de geschiedenis kent. Hij wijdde mij in. Jacob van Artevelde, het Gravensteen, het belfort: vraag mij maar uit. Ik lees er wel eens wat over. Dat grote verleden vind ik ook zo boeiend aan deze stad. In de States heb je geen steden met geschiedenis. Dat kan ook niet anders, want ouder dan 200 jaar zijn ze niet. Vanuit mijn appartement in Gent kijk ik uit op honderden jaren verleden. Amazing.”
GENT, JE ZIT IN MIJN BINNENZAK
Iedereen kent wel de lofzang van Johan Verminnen op onze nationale hoofdstad (“Brussel, je zit in mijn binnenzak”). Maar desondanks heeft Johan reeds een aantal jaren de Dansaertstraat geruild voor een nederig stulpje in de omgeving van Gent. En geen enkele geboren of ingeweken Gentenaar die hem ongelijk zal geven! Daan Hugaert stelt b.v.: “Waarom heeft Gent niet het Bokrijk-gehalte van Brugge? Omdat hier een heel palet van stijlen wordt aangeboden.” En Roland van Campenhout: “Door de studenten heb je een sfeer in Gent die andere steden niet hebben. Gent is net klein genoeg om geen dorp te zijn, maar het is geen verziekte grote stad.” Zelfs Wannes van de Velde zegt tegen Rudy Vandendaele in Humo: “Ik zal je iets verklappen: wat stadsgevoel en stadssfeer en stadsbeeld betreft, heb ik meer affiniteit met Gent dan met Antwerpen.” En om af te sluiten twee grote namen uit het popwereldje. Eerst was er Lou Reed, wiens vrouw in het Sint-Lukasziekenhuis werd verpleegd en die aan Dirk Blanchart (die hem moest rondgidsen) verklaarde: “Now I understand why people would never want to leave this town.” En daarna oreerde niemand minder dan Randy Newman in De Gentenaar van 9/8/2008: “Gent is een op-en-top warmbloedige stad met straten vol uitgelaten mensen. Een soort New Orleans, maar dan beter georganiseerd.”
Gent is inderdààd een oord van gezelligheid, waar het grootse verleden nog tastbaar aanwezig is, terwijl er ook de knusheid van een provinciestadje heerst. Door een concentratiepolitiek is het racisme de jongste jaren wel een beetje toegenomen met als onvermijdelijk gevolg een paar uitwassen aan beide kanten, maar de grote criminaliteit wordt hier toch nog altijd binnen de perken gehouden en ’s avonds kom je eerder een onbekende tegen die je goedenavond wenst dan één die je een ponjaard tussen de ribben duwt. Hieronder dus de geschiedenis van mijn geliefde stadje op basis van vele documenten (1).
DE BIJLOKE
In de Middeleeuwen was Gent één van de grootste steden in Noordwest-Europa. Dit blijkt niet alleen uit de kerken, de ruïnes van de Sint-Baafsabdij of het machtige Gravensteen, maar ook uit de honderden stenen burgerhuizen die van in de 12de eeuw het stadsbeeld bepaalden. Het eerste hospitaal in Gent was in die tijd gevestigd aan de zuidkant van de Sint-Michielskerk, langs de Leie. Voor het steeds maar uitdeinende Gent werd het hospitaal weldra te klein. In 1228 besloot men te verhuizen. Het nieuwe hospitaal verschoof een stukje stroomopwaarts van de Leie, naar een terrein dat de “Bijloke” heette, wat “omheind stuk grond” betekent. Naast een hospitaalgebouw werd ook een vrouwenklooster opgetrokken van de orde van Citeaux, dat in de persoon van de abdis zou instaan voor het beheer van het ziekenhuis, al dient gezegd dat al van bij de aanvang ook tal van lekenzusters de dienst uitmaakten. Bij het begin van de zestiende eeuw werd een tweede, kleinere ziekenzaal bijgebouwd. Die kreeg de benaming “kraakhuis”.
Van 1873 tot 1878 realiseerde Adolphe Pauli zijn imposant neogotisch hospitaalgebouw op de site van de Bijloke. De Bijloke werd als ziekenhuis gesloten in 1982 en in oktober 1995 werden de gebouwen definitief opgedeeld tussen de hogeschool (die in de constructie van Pauli terecht kon) en de stadsconcerten, die eerst de oude ziekenzaal (1172 vaste stoelen, mogelijke aanvulling tot 1324 plaatsen), daarna het 19de eeuwse anatomisch theater en tenslotte in 2000 ook het Kraakhuis inpalmden. Het is overigens onduidelijk waarvoor deze naam staat. Sommigen denken dat het een verbastering is van “krankhuis”, anderen zien een verband tussen “kraken” en “sterven” (een zaal voor de ergste gevallen zouden we kunnen zeggen). Alleszins is het een benaming die ook buiten de Arteveldestad voorkomt.
JACOB VAN ARTEVELDE
De Arteveldestad. Het woord is gevallen. Waarom wordt Gent zozeer geassocieerd met Jacob Van Artevelde of beter nog: waarom wil Gent zo graag geassocieerd worden met een figuur waarover eigenlijk bitter weinig bekend is? Laten we stellen dat het een overblijfsel is uit de negentiende eeuw toen de romantici wanhopig op zoek gingen naar historische figuren die de eenheid van een volksgemeenschap konden symboliseren (het beeld van Artevelde op de Vrijdagmarkt werd op 14 september 1863 ingehuldigd).
Nochtans is Artevelde geen onbesproken figuur wat dat “eenheidsbrengen” aangaat. Hij kon weliswaar Gent, Brugge en Ieper op één lijn krijgen door op een neutraliteitspolitiek aan te sturen in de oorlog tussen Frankrijk en Engeland, waarvan Vlaanderen respectievelijk politiek en economisch afhankelijk was. Door die neutraliteit begon Engeland opnieuw wol te leveren zonder dat dit tot represailles van de Franse koning (in de figuur van Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen) moest leiden. Toch zou Artevelde nadien wat te veel toenadering hebben gezocht tot de Engelse koning Edward III, wat hem mogelijks het leven kan hebben gekost, maar ook het conflict tussen de volders en de wevers heeft hij nooit goed kunnen beheersen. Ook dat heeft hem misschien uiteindelijk de kop gekost of zou Barbara Tuchmann (“De waanzinnige veertiende eeuw”) het toch bij het juiste eind hebben en had hij zich in al die conflicten te zeer persoonlijk verrijkt? Volgens Patricia Carson (“Jacob van Artevelde”, Leuven, Davidsfonds, 1996, 159 blz.) was hij gewoon op zijn tijd vooruit omdat hij de middeleeuwse feodaliteit wilde ruilen voor een meer “economisch” tijdperk. Wij zouden zeggen: hij was een kapitalist. Zodat Tuchmann misschien toch gelijk had…
SINT-MICHIELS
In het milleniumjaar 2000 werd in de Sint-Michielskerk een tentoonstelling georganiseerd. Twintig jaar eerder gebeurde dit ook reeds en toen was dat naar aanleiding van het einde van de restauratiewerken. In 2000 was er geen echte aanleiding, maar pastoor Flamand oordeelde dat het gewoonweg weer eens tijd was om de schatten van de zolder (maar meer nog uit de kelder) te halen en alle Gentenaars in staat te stellen mee te genieten van de kerkelijke edelsmeedkunst en het religieuze borduurwerk. Pronkstukken waren de zogenaamde reliekhouders. Deze komen niet vaak aan de oppervlakte omdat ze zo duur zijn om te verzekeren. Het schrijn met de heilige doorn (uit de doornenkroon van Christus) werd enkele jaren geleden bijvoorbeeld uitgeleend aan Antwerpen voor de Van Dijck-tentoonstelling en toen diende het voor meer dan drie miljoen te worden verzekerd! Dat maakt dat zo’n tentoonstelling, zelfs met eigen bezittingen, toch een dure aangelegenheid is.
De opening gebeurde door vicaris-generaal Paul Van Puyenbroeck, Philippe Gombault en Luc Serneels van de kerkfabriek en professor emeritus De Schrijver, die heel de geschiedenis van de kerk nog eens oprakelde. De eerste steen van de huidige kerk werd immers in 1440 gelegd, maar daarvóór stonden er reeds diverse houten kapellen (zo vanaf 1060). God keek blijkbaar niet goedgunstig neer op deze blijken van religiositeit, want het duurde tot 1650 vooraleer de kerk onder dak stond. De werken liepen enorme vertraging op door geldgebrek, stabiliteitsproblemen en natuurlijk de beeldenstorm. Het was overigens na deze beeldenstorm dat de meeste kunstschatten werden verzameld door de energieke pastoor Breydel, niet voor niks een afstammeling van de Brugse beenhouwer. Het marmeren altaar kon hij echter niet redden, tenzij dit tijdens de Franse Revolutie werd vernietigd (daarover bestaat nog altijd geen studie). Als de kerk toen werd omgedoopt (!) in de Tempel van de Rede, kon het orgel worden gered door iemand die de “slopers” enkele tonnen drank aanbood. Veel bracht het niet op, want later werd het toch vernietigd. Vandaar dat er nu een orgel van Pieter Jan De Volder (1767-1841) staat.
Daarnaast waren dan nog eens de problemen in verband met de toren, die oorspronkelijk (in 1632) op 134 meter was voorzien (na de Antwerpse kathedraal zou het dan de hoogste van Vlaanderen geweest zijn), maar men is (in 1825) slechts tot 46,70 meter geraakt. Voor de spits werden nog tot in 1919 plannen getekend en maquettes ontworpen (te zien op de tentoonstelling), maar het is er nooit van gekomen.
Om terug te komen op het schrijn: dat werd aan Antwerpen uitgeleend omdat het van dezelfde periode is als de kruisafname die Van Dijck voor de Sint-Michielskerk heeft geschilderd. Op dit schilderij staat Maria Magdalena overigens mooier (want gebruinder) afgebeeld dan op een gelijkaardig schilderij in Antwerpen. Wie echter meer geïnteresseerd is in de relikwie zelf, komt er bekaaid vanaf. Niet alleen doet de kerkelijke overheid daar zelf niet kinderachtig meer over (indien al die doorns écht uit de doornenkroon van Christus zouden komen, dan had die zowat een heel woud op zijn hoofd staan), er valt bovendien niets van te zien. Hij is, net als de stukjes van het kruishout, tot stof en as vergaan. Een lot dat ons overigens allemaal te wachten staat. Amen.
ARCHITECTUUR ALS DECOR VOOR HET SOCIALE LEVEN IN DE 18DE EEUW (2)
De 18de-eeuwse architectuur is bij uitstek een “theatrale” architectuur: ze functioneert immers in een maatschappij waarin het leven van de adel en de hogere burgerij (groothandelaars en nijveraars) een subtiel spel is, bepaald door de ongeschreven regels van rang en stand. De architectuur wordt hierbij ingezet als een belangrijke troef.
De gevels van de hôtels-de-maître omkaderen zo de flanerende dames en heren. Bijgevolg is de Kouter dé plaats om te zien en gezien te worden. Het plein is omzoomd door verschillende modieuze gevels, zoals deze van het Hotel Falligan en de Hoofdwacht. Op de Kouter of place d’armes vindt de wapenschouwing plaats, worden schutterswedstrijden georganiseerd en worden vele vuurwerken ontstoken. Ook het theatergebouw van de Sint-Sebastiaansgilde zorgt ervoor dat de Kouter zich in de 18de eeuw ontwikkelt tot het nieuwe centrum van het society-leven.
Het Franse ideaal entre cour et jardin, waarbij het hoofdgebouw of corps-de-logis gelegen is tussen een voorkoer en een tuin, blijkt in Gent door plaatsgebrek niet haalbaar. De herenhuizen moeten immers ingepast worden in het reeds vrij hechte stadsweefsel. Dikwijls worden verschillende oudere panden gebruikt als basis voor nieuwe, brede hotels.Toch zijn de 18de-eeuwse woningen veel ruimer van opzet dan tot dan toe gebruikelijk. Van de smalle huizen, hoog opgebouwd en bekroond door een trapgevel, stapt men – indien de financiële middelen het toelaten – over op in de breedte uitgebouwde woningen, waarvan de gevel vlak afgeboord wordt door een kroonlijst. Voor kleinere woningen worden klok- en halsgevels gebruikt. Van skeletbouw evolueert men naar gebouwen met bredere muurdammen, waarop de versiering evenwichtiger kan worden aangebracht. Franse houten vleugelramen vervangen de stenen kruisvensters.
Hét voorbeeld is inderdaad Frankrijk, waar de absolute monarchen, Louis XIV, XV en XVI het culturele leven sterk monopoliseren en domineren. Achtereenvolgens komen de classicerende barok, het rococo en het classicisme tot ontwikkeling. Via modelboeken, zoals deze van Blondel en De Neufforge, wordt de Franse invloed ook in onze contreien verspreid. De Franse bezettingen in 1700/06, 1708 en 1745/49 zijn hierbij eveneens een belangrijke factor. Globaal gezien breken de nieuwe stijlen bij ons door met een kwarteeuw vertraging. In plaats van de Franse witte natuursteen wordt in Gent meestal geopteerd voor een (minder dure) bepleisterde baksteengevel, die zacht groen, blauw, roze, grijs of gebroken wit geschilderd wordt.
De invloed van de Lodewijk XIV-stijl (1700-1740) komt in Gent echter zeer weinig voor. Eén van de vroegste voorbeelden is het Waepen van Zeelant uit 1702 op de Korenmarkt. Gent gaat pas echt door de knieën voor het rococo (1740-1770), een speelse en frivole stijl. Het stabiele en economisch gunstige Oostenrijks bewind in deze periode leidt tot een ware bouwwoede in onze streken. Er komt een typisch Gents rococo tot ontwikkeling dat zeer uitbundig en plastisch van vormgeving is. Mooie voorbeelden zijn het Hotel Falligan (1755), de Hoofdwacht (1738), en de voorgevel van het Hotel d’Hane-Steenhuyse (1768).
Ook het classicisme (1770-1790) kent in Gent succes. Hierbij wordt dan wel sterker het Franse model gevolgd. Eén van de vroegste voorbeelden hiervan is de achtergevel van het Hotel d’Hane-Steenhuyse (1771).
De straatgevel vormt het visitekaartje naar buiten toe en vertolkt dus de sociale status van de bewoner. Toch wordt het echte sociale spel achter de gevel gespeeld, en dit spelen is dikwijls letterlijk te nemen, want in de 18de eeuw vormt de speeltafel een belangrijk element in het sociale contact, vergelijkbaar met de eettafel in de 19de-eeuwse diner-cultuur. Dammen, schaken, tricktrack, kaarten en het lottospel behoren tot het favoriete tijdverdrijf.
Het interieur van de woning is een actief element in het tonen, behouden en eventueel verhogen van de status. De aankleding van het interieur is er dus op gericht de bezoekers te imponeren. Toch mag men de regel van de bienséance of welvoeglijkheid niet overtreden: de inrichting moet gepast zijn, in overeenstemming met de reële status. Wie zijn woning boven zijn stand decoreert, is al gauw de risée van de hogere kringen… Wie zijn woning echter té spaarzaam inricht, mag eveneens rekenen op verontwaardigd gefluister achter de paravents…
Toch zijn bepaalde regels in Gent soepelder dan in Frankrijk. Zo is in Frankrijk de kleur-combinatie rood/wit/goud het privilegie van het vorstenhuis. In Gent laat graaf d’Hane-Steenhuyse echter zonder scrupules zijn slaapkamer in deze kleuren decoreren…
In de hall vertolkt de grootte van de plavuizen de rijkdom van de bewoner. De ontvangst-kamers of de appartements de parade et de société worden bij voorkeur in enfilade aaneengeschakeld, dit is met de deuren zijdelings in elkaars verlengde. Bij de ontvangst van belangrijk bezoek worden alle deuren opengelaten: de diepte van de zo geboden doorblik is één van de parameters voor de welvaart van de bewoners. Een zogenaamd Chinees salon, gedecoreerd met exotische wandschilderingen op papier of zijde, is bijna verplicht als teken van welstand, verfijning en kosmopolitisch denken.
Maar de architectuur vertolkt niet alleen de status van de bewoners; ze wordt ook gebruikt om de status van de bezoeker te benadrukken. Zo is de plaats waar men ontvangen wordt van groot belang. Hierbij spelen twee elementen : tot hoever komt de gastheer om de bezoeker te verwelkomen? En tot hoever mag de bezoeker vervolgens in het woonhuis doordringen: wordt hij te woord gestaan in de antichambre, in de chambre, of wordt hij toegelaten tot in de persoonlijke vertrekken?
Eveneens pionnen in het sociale spel zijn de bedienden, die prominent aanwezig zijn in het receptieve gedeelte van de woning. De meubilering in de ontvangstruimten bestaat immers nog voor een groot deel uit verplaatsbaar meubilair. Zo worden de chaises courants en de verschillende soorten tafels door de bedienden opgesteld waar en wanneer men ze nodig heeft. Pas aan het eind van de 18de eeuw zullen kamers met een vast omschreven functie en permanent opgesteld meubilair, zoals salons en eetkamers, opgang maken.
Toch is er in de 18de eeuw een stijgende aandacht voor comfort en privacy in de woning. Diensttrappen en dégagements zorgen voor een discrete verplaatsing van de bedienden. Vooral in de privévertrekken, de appartements de commodité, wordt gestreefd naar intimiteit en gerieflijkheid. De ruimten zijn hier niet té groot en dus goed te verwarmen, logisch geschikt ten opzichte van elkaar, en voorzien van comfortabel meubilair.
Dit samengaan van aandacht voor representatie enerzijds en streven naar gerieflijkheid anderzijds is kenmerkend voor de architectuur van de 18de eeuw. Het sociale spel wordt gespeeld vóór het (architecturale) decor, maar achter de coulissen komen de acteurs in alle comfort en privacy tot zichzelf.
In september 1996 hield het veilinghuis Loeckx zijn eerste veiling in het Hotel Van Goethem in Ingelandgat, dat door hen werd aangekocht en op die manier van de ondergang gered.
Het zag er inderdaad niet goed uit voor dit prachtige pand uit de achttiende eeuw dat een twaalftal jaren eerder door de stad Gent werd aangekocht met de bedoeling er een meubelmuseum van te maken. Men kon echter niet aan de nodige fondsen geraken en daarom werd het doorverkocht aan de Vlaamse Gemeenschap die het huis in 1985 uitriep tot beschermd monument maar het evenwel verder liet verkrotten. Uiteindelijk werd de woning op nieuwjaarsdag 1993 gekraakt, wat er uiteraard ook geen goed aan deed, maar Peter Loeckx legt er de nadruk op dat de grootste vernielingen daarvóór zijn gebeurd.
Toen hij met zijn Oostendse partner Cecile Govaert in maart 1994 voor ongeveer elf miljoen frank het huis kocht, vlogen de krakers aan de deur en kon de restauratie beginnen. In 1996 stond de gevel nog in de steigers en werd ook nog niet geraakt aan de bovenverdiepingen, maar het gelijksvloers werd goedschiks kwaadschiks in gereedheid gebracht om er reeds veilingen te kunnen laten plaatsvinden, aangezien het vorige veilinghuis in de Ajuinlei gesloopt werd. De enige noodzakelijke wijziging was het overkoepelen van de binnenkoer, die toch niets waardevols bevatte.
Tot dan toe werden reeds voor zeven miljoen restauratiewerken uitgevoerd (schouwen, plafonds met stucwerken), maar het zullen zeker niet de laatste zijn. De eerste verdieping is een schitterende locatie voor tentoonstellingen en op de grote zolder kunnen wellicht ook kamerconcerten plaatsvinden. Maar dat is dan letterlijk en figuurlijk toekomstmuziek. Subsidies heeft men tot nu toe niet ontvangen, maar ook niet gevraagd zo blijkt, aangezien deze werken dringend noodzakelijk waren en een subsidieaanvraag ze zodanig zou vertragen dat er wellicht onherstelbare schade zou optreden.
Het hotel Van Goethem werd in het midden van de 18de eeuw gebouwd in opdracht van J.B.Van Goethem, administrateur van de Oostendse compagnie. De bekende schilder Pieter Norbert Van Reysschoot werd aangezocht om met enkele werken het huis op te vrolijken en deze horen dan ook bij de verkoop. In afwachting van een veilige expositieruimte worden ze nu echter nog bewaard in het Museum voor Sierkunst. In de zogenaamde Chinese kamer moet ook nog een “grisaille” (monochrome, ruwe muurschildering) gerestaureerd worden. Nadien ging het huis over in de handen van de familie Macquaert-Ter Linden, gevolgd door de familie Morel, notaris Timman, tot het tenslotte de familie Brunin was die het huis overliet aan de stad.
Belangrijke acteurs in die 18de eeuw waren de jezuïeten. Om het aanzien van Gent te verhogen waren ze met heel veel geld aangetrokken door het stadsbestuur. Zij vestigden zich in de Volderstraat.
Het samengaan van die twee aspecten blijft ook in de volgende eeuw nog een feit. Zo is Gent op 1 september 1827 de eerste stad na Brussel om met 313 gaslantaarns uit te pakken. De gas werd overigens geleverd door de Imperial Continental Gas Company, gevestigd op wat nu de Waalse Krook wordt genoemd, een oliegasfabriek van de Engelse ingenieur Drory en de Gentse stadsarchitect Louis Roelandt (1786-1864), de ontwerper van o.a. het operagebouw, het Justitiepaleis, de Aula van de universiteit, het slachthuis en het pakhuis, maar ook van de Stapelhuizen in Antwerpen en de O.L.V.Kerk in Sint-Niklaas.
Gent was nogal orangistisch gezind (met aan het hoofd burgemeester Joseph Van Crombrugghe). In 1815 waren in Ledeberg zelfs een heel leger Russische soldaten gekazerneerd, omwille van de Slag van Waterloo (vandaar de naam van de wijk “Moscou”). Misschien daarom dat men hier nog uitbundig de verjaardag van Willem I vierde toen in Brussel al de opstand woedde. Zelfs op 26 september 1833 was er nog een opstootje in de opera omdat een minderheid de uitvoering van het volkslied eiste. Let echter wel op: dit had niets met de taal te maken (de Gentse bourgeoisie was even verfranst als al de rest), maar wel met de economische opbloei onder Willem I. Enerzijds uit dankbaarheid voor de speciale gunsten die hij Gent had toegestaan (de universiteit!), maar anderzijds ook uit platte commerciële overwegingen, namelijk Holland als afzetmarkt. De orangistische beweging werd vooral geïnspireerd door de Gentse vrijmetselarij met aan het hoofd Hippolyte Metdepenningen (1799-1881), wiens standbeeld aan het Justitiepaleis prijkt.
KEIZER KARELSTRAAT
Alhoewel de vrijmetselarij oorspronkelijk niet antiklerikaal was, moeten we hier toch een sprongetje maken naar de laïcisering van de maatschappij. Zo hadden in 1699 de Capucinessen ofte Grijze Zusters zich in het voormalige klooster van de spinnessen of linnenspinsters (een kloostergemeenschap zonder vaste kloosterregel) aan de Reep gevestigd (3). Maar onder de keizer-koster Jozef II werd het klooster opgeheven en in 1784 verkocht aan een zekere Van Poppelen om er een stoffenfabriek in onder te brengen. Datzelfde jaar vestigde de familie Lousbergs, afkomstig uit Maastricht, zich in Gent. Kort daarop (op 24 juli 1784) huwde François Xavier Lousbergs met Marie Catharina Villiot, dochter van een der eerste Gentse katoendrukkers/kooplieden, François Villiot, die sinds 1767 in Gent een katoendrukkerij uitbaatte. Met de steun van zijn schoonbroer Charles Villiot stichtte François Xavier een identiek bedrijf in de Sint-Margrietstraat. Er zouden er nog een paar volgen.
In 1790 werden de Grijze Zusters in eer hersteld en namen opnieuw hun pand in. Alweer zes jaar later vlogen ze echter weer aan de deur, deze keer op last van de Franse bezetter, die de gebouwen vernielde. In 1813 werden ze door architect Van de Cappelle heropgetrokken als fabriek voor koopman Gomard Verhegghen.
Ondertussen leden de bedrijven van de familie Lousbergs heel erg onder de crisis van 1810-1811. De oudste zoon, Godefroid, pleegde zelfmoord de dag voor het faillissement van zijn firma werd uitgesproken. Zijn broer Hubert wist amper de katoendrukkerij te redden.
Of het iets met hun Hollandse roots te maken had, weet ik niet, maar het tij keerde alleszins onder het bewind van Willem I. Het dient trouwens gezegd dat de hele Gentse textielindustrie floreerde vanaf 1820 dankzij de stimulansen vanuit het centrale gezag (in 1820 waren er 29 katoenbedrijven in Gent, dat waren er tien jaar later al 63!). Zo kon in 1823 Ferdinand Lousbergs (1799-1859), zoon van Hubert, de fabriek van Verhegghen verwerven. Bovendien kon hij zijn katoenspinnerij uitbreiden met de aanpalende tabaksfabriek.
Zijn familie was al één van de eersten geweest om vanaf 1819 stoommachines aan te schaffen, Ferdinand zelf deed er nog een schepje bovenop door in 1833 als allereerste de weefstoelen “à la Jacquard” in te voeren. Alhoewel het niet denkbeeldig is dat het spotlied “De vier weefgetouwen” van Karel Waeri hierdoor werd geïnspireerd, dient toch ook te worden toegegeven dat Lousbergs bekommerd was over het lot van zijn arbeiders. Hij mag dan nog het voorbeeld geweest zijn van de typische “paternalistische” patron, hij heeft er toch voor gezorgd dat zijn arbeiders de cholera- en tyfusepidemieën, die de negentiende eeuw teisterden, zonder problemen zijn doorgekomen, dankzij “ruime en luchtige” productieruimtes.
Het geld voor die weefgetouwen had Lousbergs bijeengegaard omdat de Algemene Handelsmaatschappij in 1829 een bestelling plaatste bij de Vlaamse katoenfabrikanten voor het leveren van 40.000 stukken katoen. 37.000 daarvan werden toegewezen aan Gentse bedrijven…
Lousbergs, die in een huis van de firma in het Gewad woonde en zo zuinig leefde als zijn Hollandse afkomst laat vermoeden, verwierf ook een immens terrein tussen de Reep en de Lange Boomgaardstraat (4), waardoor de Keizer Karelstraat (de oorspronkelijke naam “Nieuwebrugstraat” is slechts heel kort in voege geweest) werd aangelegd. Van die gelegenheid maakte hij gebruik om voor zichzelf een luxueus herenhuis in de buurt van zijn fabriek op te trekken. Aan de overkant van de straat liet hij een monumentale toegangspoort bouwen, zodat hij op die manier bij wijze van spreken vanuit zijn bed zijn fabriek kon binnenrollen. Achter de fameuze toegangspoort huist nu de basisschool van het Sint-Lievenscollege.
Toch heeft hij niet lang van deze faciliteiten kunnen gebruik maken, want de bouw sleepte aan tot 1855 of 1856 en in 1859 overleed Lousbergs reeds. Hij deed dat kort nadat zijn “onderhuurder”, de drie jaar oudere Emelie Tiquent, een Franse rentenierster, eveneens was overleden. Aangezien men wel vaker hoort dat mensen die een nauwe emotionele band met elkaar hebben, elkaar slechts met enkele maanden overleven, kan men zich de vraag stellen of Emelie inderdaad enkel maar een “onderhuurster” was… (5)
Op het moment dat Lousbergs stierf, stelde het bedrijf 1.500 mensen te werk. Omdat hij geen kinderen had, gingen huis en fabriek naar de aangetrouwde familie de Hemptinne. Wellicht is dit een tak van de prominente familie in Temse, maar op het eerste gezicht geen dichte. De Hemptinnes van Temse waren de laatste eigenaars van de steenbakkerij van Tielrode, waar nu het Waesmeer is. De familie heeft destijds zelf nog de overgang bepaald van steenbakkerij naar recreatiedomein, maar is intussen volledig “verdampt”.
In zijn testament schonk Lousbergs aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (een voorloper van het OCMW) een terrein van 1,3 hectare langs de Visserij, plus de som van 400.000 frank om er een tehuis voor gebrekkige en bejaarde katoenarbeiders op te richten. De familie de Hemptinne probeerde nog het testament aan te vechten (het is de grootste schenking aan de stad Gent ooit), maar ze moesten uiteindelijk capituleren: het tehuis ging eind 1865 open. Er was aanvankelijk plaats voor veertig bejaarden. Uit erkentelijkheid gaf de stad de kaai in 1864 de naam van de schenker.
Door de crisis in de jaren dertig werd de NV Lousbergs in 1933-34 geliquideerd en werd het gebouw opnieuw opgekocht door de Zusters van Liefde, die er de Sint-Bavo Humaniora uitbouwden. Ook nu weer was Lousbergs een innovator, zij het deze keer een trieste, want het was de eerste grote katoenspinnerij die in Gent gesloten werd.
Zijn woonhuis werd daarna vooral bekend eerst als veilinghuis en later als het zogenaamde Huis der Notarissen. Nu is het huis eigendom van de firma Optima.
De laatste bejaarden verlieten het tehuis op de Lousbergskaai begin 1998. Het complex stond lange tijd leeg, maar werd uiteindelijk aangekocht door de Lofting Group en Condominium 99. Men vindt er nu kantoren en lofts.
Rond diezelfde tijd nam Sint-Bavo ook het terrein in van het mineraalwaterbedrijf Gand-Thermal, dat reeds braak lag sedert ik in het begin van de jaren tachtig mijn intrek had genomen in het appartementsgebouw Keizer Karel naast de woning van Lousbergs. Vanaf dan had ik geen uitzicht meer op de slaapkamers van de meisjes, die als intern in Sint-Bavo verbleven en, al dan niet bewust, zich vaak met het licht aan en de gordijnen open omkleedden om te gaan slapen (6). Dit troostvolle spektakel moest nu plaats ruimen voor klaslokalen die zo dicht bij mijn raam zijn gelegen, dat ikzelf nu moet uitkijken hoe ik door de kamer flaneer!
WERELDTENTOONSTELLING
Het gebouwencomplex in het Citadelpark, waarbij dus ook het voormalige Casino, waarin nu het SMAK is gevestigd, is nog een overblijfsel van de Wereldtentoonstelling in Gent in 1913 (net als het vroegere postgebouw op de Korenmarkt trouwens), maar het is geen toeval dat uit datzelfde jaar ook het socialistische feestpaleis Vooruit dateert: de socialisten wilden immers een tegenhanger voor dat burgerlijke symbool, om hun voet naast die van de textielbarons te plaatsen.
Die Wereldtentoonstelling was ook de aanleiding om het Zuidstation te laten verdwijnen ten voordele van het Sint-Pietersstation. Dat betekende ook een grondige wijziging van het stadscentrum. Vroeger was het Zuid immers een prestigieuze uitgaansbuurt met tal van cafés, dancings en bioscopen. Nu begon het verval in te treden dat bij de eeuwwisseling uiteindelijk zou uitmonden in een gigantische kaalslag gevolgd door een reusachtig winkelcomplex van projectontwikkelaar Urbis.
Toch zou het nog tot 1929 duren vooraleer het Zuidstation volledig zou verdwijnen. Op de spoorlijnen werd het Albert I-park aangelegd (met een standbeeld van de vorst door Temsenaar Karel Aubroeck), dat door iedereen evenwel het Zuidpark wordt genoemd. In de jaren zestig werd dit beeld evenwel opnieuw verstoord omdat alles baan moest maken voor Koning Auto. En zo werd de afrit van de E17 tot in het centrum van de stad gebracht.
Op de wereldtentoonstelling in Gent trof men zowel Filippijnen als Senegalezen aan, die elk een primitief dorpje in Gent installeerden. Een zestigtal Filippijnen exposeerden hun primitieve nijverheden en huishouden voor de bezoekers, maar ook oorlogsdansen. Ook het Senegalees dorp maakte een diepe indruk op de bezoekers, maar werd omschreven als een soort kermisattractie. Dat is niet zo verwonderlijk als je weet dat deze ‘inboorlingen’ aan een impressario verbonden waren en de Senegalezen getrainde expobewoners waren. Ze hadden weinig aanpassingsproblemen en organiseerden zelfs een ‘grand bal’. Voor de Filippijnen viel het wat tegen, want op het einde van de Gentse expositie ging hun impressario ervandoor en liet hij de Filippijnen aan hun lot over, waardoor ze na de afloop van de tentoonstelling in Gent al bedelend moesten zien te overleven.
In het paviljoen van Belgisch Kongo troffen we geen Kongolezen aan, maar ditmaal gaf men uiting aan de exotische fascinatie met behulp van optische middelen. Langs een gang in het paviljoen werd de bezoeker naar een klein platform geleid, opgesteld in het midden van een
rotonde. Hierop kon men een panorama bewonderen van 1640m². De twee kunstschilders van dit werk hadden hiervoor speciaal twee maanden in Kongo rondgereisd. Het doek moest een les in de ‘koloniale vooruitgang’ voorstellen. Simplistische tegenstellingen zoals de afbeelding van lianen bruggen naast ijzeren viaducten, hutten naast fabrieken enz., moesten de bezoekers van de vooruitgang door de koloniale ingreep overtuigen.
Net als de wereldtentoonstelling kon ook het variététheater als ‘een wereld in het klein’ beschouwd worden. Artiesten van diverse nationaliteiten stonden op het podium, waar het exotische element vaak het onderwerp van de act was. Zo werden er tal van exotische en folkloristische dansen opgevoerd. Ook illusionistsche acts waarbij men een ‘tour du monde’ presenteerde aan het publiek waren zeer populair. ‘Black Faces’, blanke artiesten die werden zwart geschminkt, waren zeer geliefd. Geleidelijk aan vonden ook ‘des véritables nègres’ hun ingang in het variététheater. Het feit dat zwarte variétéartiesten heel lang opmerkelijk minder vergoed werden voor hun optreden dan hun blanke collega’s bewijst dat hun populariteit de raciale vooroordelen niet kon wegwerken. Naast zwarten verschenen ook andere exotische volkeren op het toneel, zoals Turken en Arabieren. De opvoering van de ‘wilde vrouw’ in dit spektakel kon zoals bij de Turkse of Arabische harems eveneens voor een bijkomend erotisch effect zorgen.
Circus Renz (die zijn naam zou geven aan een bekende virtuoze accordeonmelodie) voerde de pantomime ‘L’Ile de Sumatra’ op. Deze pantomime behandelde ‘Vie, Moeurs et Aventures des habitants de l’île de Sumatra’. Het zondige karakter van de primitieven in deze pantomime stond haaks op de luxueuze uitvoering. Deze bestond uit een ‘ballet au grand complet’, ‘brillants effets de lumière électrique’, ‘costumes somptueux et caractéristiques de la grande maison de Berlin’. Uit de westers klinkende namen van de acteurs leiden we af dat de exotische personages door westerlingen vertolkt werden.
Die Wereldtentoonstelling vormt ook de aanleiding voor commentaren van diverse literatoren. Zo leren we zowel Karel Van de Woestijne als Cyriel Buysse als onvervalste racisten en moralisten (al die exotische toestanden geven aanleiding tot zedenverval) kennen (zie Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap XV, p.86 e.v.). Men zou kunnen aanvoeren: het is de weerspiegeling van de tijdsgeest, maar daar staat tegenover dat iemand als Stijn Streuvels, die nochtans door Buysse himself in diens auto naar de Expo werd gevoerd, zijn commentaar op de journalistieke gewrochten van Buysse over de Wereldtentoonstelling kort en bondig formuleerde als “zeveraar”!
EEN GEDEELDE STAD
Hoe dan ook, “De gedeelde stad” zou als titel dezelfde lading moeten dekken als de slagzin “Gent heeft geen gezicht”, waarmee cultuurfilosoof Bart Verschaffel zijn inleidende bijdrage op het fotoboek aanvat. Geef toe, deze slagzin is enigszins dubbelzinnig (in een pamflet misbruikten de CVP-jongeren hem dan ook als een aanval op het SP-PVV-stadsbestuur) en kwam als titel zeker niet in aanmerking.
Toch zit er een grond van waarheid in die niet eens negatief is, maar juist de charme van Gent uitmaakt. “Brugge houdt zichzelf en anderen het beeld voor van ‘historische stad’,” schrijft Verschaffel, “Antwerpen is een ‘cosmopolitische havenstad’, Leuven is een ‘universiteitsstad’.” Gent eist geen enkele van deze kwalifikaties op en beantwoordt er tegelijk toch aan. Vandaar: “Gent heeft geen (specifiek) gezicht”.
Dit boek wil dus de stad Gent in haar vele verschijningsvormen tonen en meteen ook “de stad” als zodanig. Dit heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis van dit boek.
Aansluitend bij de stedebouwkundige wedstrijd “Pit in de kern” (1988) gaf toenmalig minister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Pede aan de Koning Boudewijnstichting immers de opdracht een concept voor een fotoboek over de kwaliteiten van de stad uit te werken.
Het boek moest meer zijn dan een klassieke, toeristische publicatie, het moest oog hebben voor de levende stad in al haar facetten, voor de mensen en de activiteiten in de stad. De onderliggende bedoeling was het stedelijk wonen en leven te propageren, een halt toeroepen aan de uittocht naar de voorsteden dus, de zogenaamde “suburbanisatie” van onze steden, met vooral in de jaren vijftig en zestig stadsverval, verkrotting en grootschalige vernieuwing als gevolg.
De Koning Boudewijnstichting verkoos dit concept uit te werken voor één stad, om zo de veelzijdigheid van de stad te kunnen tonen. Een synthese van stadsbeelden is immers niet voldoende om een stad te beleven: de contrasten en de samenhang tussen beelden worden pas sprekend als ze betrekking hebben op één reële stad.
Waarom dat dan precies Gent werd, daarover werden op de persvoorstelling wel allerlei grapjes gemaakt (“de Gentse lobby in de Koning Boudewijnstichting”) zonder dat er een echt duidelijk antwoord kwam, maar gezien het veelzijdige karakter van Gent lag dit misschien voor de hand. Hoe dan ook, al wie Gent liefheeft kan met dit boek maar best tevreden zijn.
Na de inleidende beschouwingen van Bart Verschaffel, waaruit o.a. mag blijken dat “door haar uitgestrektheid Gent ingrijpende en soms brutale veranderingen heeft kunnen absorberen en op die manier wonderlijk gaaf is gebleven”, volgen een aantal stedelijke excursies van ingenieur-architect Mil De Kooning. Met oog voor het detail wordt telkens een indringende impressie van een stadsdeel uitgewerkt: het centrum, Gent-Zuid, de Sint-Machariuswijk, de stadsrand, Muide en Meulestede. Telkens verhaalt de auteur het ontstaan en de evolutie, de problemen en de mogelijkheden, de vergissingen en de uitdagingen van elk gebied.
“De stad is een collage,” schrijft De Kooning, “Ze is niet gaaf, niet af. Een stad vraagt om bescherming, om behoud, maar ze vraagt ook om verandering.” In de laatste bijdrage “architectuur en stad” behandelt De Kooning dan ook deze spanning tussen verleden en toekomst. De tekst is een betoog voor goede architectuur, voor “gebouwen die onvervaard en met persoonlijkheid een gesprek kunnen aangaan met zichzelf en met de stad”.
EEN REBELSE STAD
Het boek van het Mercatorfonds daarentegen heeft als ondertitel “Apologie van een rebelse stad” meegekregen en die is waarschijnlijk afkomstig van de samensteller, stadsarchivaris Johan Decavele. Deze heeft in 1984 immers nog een tentoonstelling over Gent in de 16de eeuw opgezet onder de titel “Het einde van een rebelse droom”.
Gent speelde als calvinistische republiek echter niet enkel een leidinggevende rol in de opstand tegen het Spaanse gezag in die tijd, reeds in 1128 werd er hier geschiedenis geschreven toen een woordvoerder van de bevolking de graaf van Vlaanderen ter verantwoording riep voor zijn onrechtmatige beleid. Deze man stelde voor dat vertegenwoordigers van de Gentse bevolking zouden oordelen of de graaf na al zijn schendingen van het geldende recht nog wel verder zou mogen regeren, dan wel of hij verplicht moest worden het land te verlaten, zodat de vertegenwoordigers een betere kandidaat zouden kunnen aanduiden.
Ook in de 13de eeuw, toen Gent uitgroeide tot de belangrijkste industriestad van West-Europa, was de stad een voorloper in het gebruik van de volkstaal in officiële documenten en dat ten nadele van het Frans dat gebruikelijk was bij de elite (met de door Conscience nochtans zo geroemde graven van Vlaanderen op kop) en van het Latijn in kerkelijke middens.
Met de kerkelijke instanties ging Gent in die tijd trouwens meteen ook reeds een “schoolstrijd” aan, aangezien de stedelijke overheid het kerkelijke monopolie op het onderwijs doorbrak. En nog in deze zelfde periode verwierven de ambachtslieden in de naweeën van de Guldensporenslag (die eerder een sociale dan een nationale strijd en zéker geen taalstrijd was) een medezeggenschap in het stadsbestuur dat nergens in Europa werd geëvenaard.
Gent zal trouwens steeds een koppositie blijven innemen wat het industrialiseringsproces betreft, niet alleen op het vlak van modernisering en/of mechanisering (denken we maar aan Lieven Bauwens), maar ook of zelfs vooral op het vlak van de sociale gevolgen die dergelijke veranderingen met zich meebrachten. Zo is Gent ook de bakermat van het socialisme in Vlaanderen.
Dit alles “en nog veel meer” lezen we in het eerste gedeelte van dit majestueuze boekwerk dat de geschiedenis van de stad Gent behandelt. Naast Decavele zelf treffen we als auteurs o.m. ook nog aan: Adriaan Verhulst, Walter Prevenier en Ludo Milis, terwijl de voorgeschiedenis (de prehistorie en de Romeinse periode) uitgebreid en deskundig belicht wordt door Marie Christine Laleman en Hugo Thoen. Op een manier die we eerlijk gezegd niet voor mogelijk hielden, worden hier zowel de verlangens van een groot publiek als van geïnteresseerde wetenschappers vervuld.
Het laatste hoofdstuk van dit deel is voorbehouden voor prof.Herman Balthazar (die zijn bijdrage had toegezegd nog voor hij provinciegoeverneur werd). Het is een erg “kleurrijke” beschrijving geworden, die ons echter wel een beetje op onze honger laat omdat ze reeds in 1940 wordt afgebroken. De echt “hedendaagse” geschiedenis wordt ons dus onthouden, ook al mag Gilbert Temmerman, de eerste socialistische burgemeester van Gent, toch reeds een kleine bijdrage leveren nog voor het “voorwoord” (van prof.Van Caenegem). Gaston Geens zorgt dan met een “nawoord” voor het politieke evenwicht…
Het tweede deel is gewijd aan de kunstgeschiedenis. Elisabeth Dhanens behandelt de plastische kunsten tot 1800 en Robert Hoezee en Bart De Baere (twee medewerkers van Jan Hoet die zelf “geen tijd had”) brengen ons naar de dag van vandaag toe (en deze keer wel heel letterlijk: de allerrecentste ontwikkelingen zijn reeds vertegenwoordigd). Dezelfde scharnierdatum werd gekozen voor de behandeling van de “kunstnijverheid”, resp. door Erik Duverger en door Lieven Daenens, maar bij nader toezien is deze opsplitsing in “echte” en “toegepaste” kunst niet steeds even bruikbaar. Twijfelgevallen zouden op de koop toe eventueel nog terecht kunnen in het vijfde deel, dat gewijd is aan de architectuur en waarvoor Geert Van Doorne tekent als auteur.
Het muziekleven, beschreven door Micheline Lesaffre, is een ontgoochelende oppervlakkige opsomming, waarin dan nog figuren als Karel Waeri of Walter De Buck ontbreken (niet deftig genoeg?) om natuurlijk nog te zwijgen over een eventuele bijdrage over popmuziek!
Professor Van Elslander van zijn kant heeft in zijn goed gedocumenteerd stuk over de literatuur dan weer wél aandacht voor de volkse aspecten, maar net zoals bij prof.Balthazar wordt ook hier de draad veel te vlug afgebroken. Dat de naam van Hugo Claus enkel opduikt in een “kritisch overzicht van de literatuur” (naast een vermelding als plastisch kunstenaar) is toch echt wel onverantwoord.
De voornaamste verdienste van dit werk ligt dus zeker bij het prachtige documentatiemateriaal dat werd verzameld door An Delva en Patrick Viaene. Met zijn bijna 700 prenten is het boek trouwens het rijkst geïllustreerde werk geworden van het Mercatorfonds en dat wil wat zeggen!
De prijs is dan natuurlijk in verhouding, maar anderzijds mag men dit soort boeken niet vergelijken met de manier waarop men zich vlug even een pocket of een bestseller gaat aanschaffen. Als geschenkboek kennen beide boeken echter huns gelijke niet.
Zij het dat het beter is ze te ontvangen dan ze te moeten geven…
KONINKLIJKE ACADEMIE VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE
In 1603 werd in Rome de eerste Academie gesticht. De “Accademia dei Lincei”, letterlijk vertaald: van de lynxogigen, wat stond voor “scherpzinnige onderzoekers”. Het was inderdaad een refleks tegen de verketteringen die wetenschapslui vaak moesten ondergaan. In het midden van de zeventiende eeuw volgden nog de Royal Society of London en de Académie Française. Pas in 1772 was het de beurt aan Brussel. Uiteraard was die eentalig Frans, zodat de eer van de eerste Vlaamse academie te beurt valt aan Gent in 1886 (al zou uiteindelijk enkel de Nederlandse Taal- en Letterkunde er worden beoefend en niet de andere wetenschappen). Toen werd dankzij de steun van eerste minister August Beernaert uiteindelijk toch de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde opgericht, gevestigd in Gent in het rococo-hotel van architect David ’t Kint, gebouwd op de resten van het Dammansteen of het Huis van Oombergen (de middeleeuwse patriciërsfamilie Damman werd in de 16de eeuw de heren van Oombergen) in de huidige Koningstraat 18 (een zijstraat van de Sint-Jacobsnieuwstraat). De Academie bestaat uit 30 leden (10 taalkundigen, 10 literatuurwetenschappers en 10 letterkundigen). Daarnaast zijn er 25 buitenlandse ereleden en een onbeperkt aantal binnenlandse ereleden, die voordien werkend lid zijn geweest. De Academie vergadert iedere derde woensdag van de maand.
Ook dat verwaterde zodat op een bepaald moment de stoel van vaste secretaris voor zeven jaar niet werd ingevuld. Pas eind 1997 werd dit ambt opnieuw opgenomen, door een Antwerpenaar dan nog wel, de linguïst Georges De Schutter. Toch draait de academie nog niet naar behoren. Voor 250 fr. als zitpenning haal je immers b.v. geen Hugo Claus binnen. Met de werkingsgelden wordt bijna uitsluitend aan tekstedities gedaan, b.v. de volledige bibliografie van Louis Paul Boon. Die armoedige toestand is te wijten aan het feit dat toen de academies onttrokken werden aan onderwijs, ze naar wetenschapsbeleid werden overgeheveld, behalve precies de Academie voor Taal- en Letterkunde die op de veel armere cultuurbegroting terechtkwam.

Ronny De Schepper

(1) Meestal afkomstig van het stadsbestuur maar dan zonder vermelding van de auteur. Bovendien werden al die teksten door elkaar gehaspeld en ook nog eens met eigen brouwsels vermengd. Ik wil hier zeker geen pluimen op mijn hoed steken die mij niet zouden toekomen, daarom wil ik vooraf duidelijk stellen dat men er mag van uitgaan dat alle “serieuze” teksten van overheidswege zijn, de grappen en grollen daarentegen zijn van ondergetekende. Ieder zijn stiel!
(2) Hiervan is de auteur wél bekend. Het betreft Leen Meganck.
(3) Terloops dient erop gewezen de Reep of beter gezegd de Nederschelde van de negende tot de elfde eeuw de scheiding heeft gevormd tussen het Franse en het Duitse keizerrijk. Ik zou helaas aan de Duitse kant van de grens hebben gewoond…
(4) Op deze plaats moet ooit het Hof ter Wyngaarde (eigenlijk Wijdenaarde) hebben gelegen, een torenvormig gebouw te midden van een omgrachting. Wellicht gaat het terug tot de dertiende eeuw toen dit gebied (Overschelde) in 1254 bij de stad Gent werd gevoegd.
(5) Het is onduidelijk of Lousbergs er inspraak in had wie er zoal in de Keizer Karelstraat mocht komen wonen, maar alleszins is het een feit dat enkel de “fine fleur” van Gent er terecht kon. Typerend voor die tijd is wel dat naast edellieden (zoals baron Jules de Saint-Genois, tevens schepen en bibliothecaris), professoren (zoals die in nr.53) en industriëlen, er ook plaats werd ingeruimd voor kunstenaars, zoals de bekende architect Louis Minard, maar ook kunstschilder Felix De Vigne, die trouwens eveneens een “onderhuurder” had in de gedaante van een collega-schilder, Lieven de Winne. Honi soit qui mal y pense… Op zijn eigen huisnummer is ook lange tijd mevrouw Françoise Van Monckhoven gedomicilieerd. Zij was als meid opgeklommen tot de betere standen door het feit dat ze de moeder was van een onwettig kind van een (onbekend gebleven) rijke vader (Lousbergs zelf?). Naar deze zoon, Désiré, werd ondertussen zelf ook reeds een straat genoemd, aangezien hij een pionier zou worden op het vlak van de fotografie.
(6) Sedert Dutroux (wiens vader op de koop toe ook zicht had op deze meisjes) wordt er niet meer gegniffeld met deze mededeling, maar eerder bedenkelijk gekeken. Weet echter dat het om laatstejaars ging, dus die waren al vlug achttien jaar of ouder…

2 gedachtes over “Tyler Farrar wordt dertig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s