Vandaag viert de Amerikaanse wielrenner Tyler Farrar (foto Erik Westerlinck) zijn dertigste verjaardag. Gisteren werd hij nog derde in de eindsprint van de laatste rit in de Ronde van Italië. En zo is het al een heel seizoen: Farrar doet weer mee in de sprints, maar winnen is er (voorlopig?) nog niet bij. Ik weet ook niet of Tyler nog altijd in Gent woont, maar hij heeft zich alleszins al enkele jaren laten opmerken als een uitstekende ambassadeur voor onze stad…

Een paar jaar geleden heeft het gerenommeerde reismagazine van National Geographic Gent op de derde plaats gezet op haar wereldranglijst van “authentieke historische bestemmingen”. Gent was de enige Belgische stad die een plaats kreeg op de lijst van 109 geselecteerde steden, maar Gent is niet enkel een “historische” stad. De Amerikaanse profwielrenner Tyler Farrar die al enkele jaren op de Korenlei woont, vertelde op 27 maart 2010 in de Gazet Van Antwerpen: “Dit is een overzichtelijke stad met een lucht vol energie. Dat komt omdat hier zoveel jonge mensen verblijven, vermoed ik. Er valt hier ook zoveel te beleven. De Gentse Feesten, zoiets vind je toch nergens anders? (…) Toen ik hier de eerste keer kwam, maakte ik meteen een boottocht door de stad. Samen met een vriend die de geschiedenis kent. Hij wijdde mij in. Jacob van Artevelde, het Gravensteen, het belfort: vraag mij maar uit. Ik lees er wel eens wat over. Dat grote verleden vind ik ook zo boeiend aan deze stad. In de States heb je geen steden met geschiedenis. Dat kan ook niet anders, want ouder dan 200 jaar zijn ze niet. Vanuit mijn appartement in Gent kijk ik uit op honderden jaren verleden. Amazing.”
GENT, JE ZIT IN MIJN BINNENZAK
Iedereen kent wel de lofzang van Johan Verminnen op onze nationale hoofdstad (“Brussel, je zit in mijn binnenzak”). Maar desondanks heeft Johan reeds een aantal jaren de Dansaertstraat geruild voor een nederig stulpje in de omgeving van Gent. En geen enkele geboren of ingeweken Gentenaar die hem ongelijk zal geven! Daan Hugaert stelt b.v.: “Waarom heeft Gent niet het Bokrijk-gehalte van Brugge? Omdat hier een heel palet van stijlen wordt aangeboden.” En Roland van Campenhout: “Door de studenten heb je een sfeer in Gent die andere steden niet hebben. Gent is net klein genoeg om geen dorp te zijn, maar het is geen verziekte grote stad.” Zelfs Wannes van de Velde zegt tegen Rudy Vandendaele in Humo: “Ik zal je iets verklappen: wat stadsgevoel en stadssfeer en stadsbeeld betreft, heb ik meer affiniteit met Gent dan met Antwerpen.” En om af te sluiten twee grote namen uit het popwereldje. Eerst was er Lou Reed, wiens vrouw in het Sint-Lukasziekenhuis werd verpleegd en die aan Dirk Blanchart (die hem moest rondgidsen) verklaarde: “Now I understand why people would never want to leave this town.” En daarna oreerde niemand minder dan Randy Newman in De Gentenaar van 9/8/2008: “Gent is een op-en-top warmbloedige stad met straten vol uitgelaten mensen. Een soort New Orleans, maar dan beter georganiseerd.”
Gent is inderdààd een oord van gezelligheid, waar het grootse verleden nog tastbaar aanwezig is, terwijl er ook de knusheid van een provinciestadje heerst. Door een concentratiepolitiek is het racisme de jongste jaren wel een beetje toegenomen met als onvermijdelijk gevolg een paar uitwassen aan beide kanten, maar de grote criminaliteit wordt hier toch nog altijd binnen de perken gehouden en ’s avonds kom je eerder een onbekende tegen die je goedenavond wenst dan één die je een ponjaard tussen de ribben duwt. Hieronder dus de geschiedenis van mijn geliefde stadje op basis van vele documenten (1).
DE BIJLOKE
In de Middeleeuwen was Gent één van de grootste steden in Noordwest-Europa. Dit blijkt niet alleen uit de kerken, de ruïnes van de Sint-Baafsabdij of het machtige Gravensteen, maar ook uit de honderden stenen burgerhuizen die van in de 12de eeuw het stadsbeeld bepaalden. Het eerste hospitaal in Gent was in die tijd gevestigd aan de zuidkant van de Sint-Michielskerk, langs de Leie. Voor het steeds maar uitdeinende Gent werd het hospitaal weldra te klein. In 1228 besloot men te verhuizen. Het nieuwe hospitaal verschoof een stukje stroomopwaarts van de Leie, naar een terrein dat de “Bijloke” heette, wat “omheind stuk grond” betekent. Naast een hospitaalgebouw werd ook een vrouwenklooster opgetrokken van de orde van Citeaux, dat in de persoon van de abdis zou instaan voor het beheer van het ziekenhuis, al dient gezegd dat al van bij de aanvang ook tal van lekenzusters de dienst uitmaakten. Bij het begin van de zestiende eeuw werd een tweede, kleinere ziekenzaal bijgebouwd. Die kreeg de benaming “kraakhuis”.
Van 1873 tot 1878 realiseerde Adolphe Pauli zijn imposant neogotisch hospitaalgebouw op de site van de Bijloke. De Bijloke werd als ziekenhuis gesloten in 1982 en in oktober 1995 werden de gebouwen definitief opgedeeld tussen de hogeschool (die in de constructie van Pauli terecht kon) en de stadsconcerten, die eerst de oude ziekenzaal (1172 vaste stoelen, mogelijke aanvulling tot 1324 plaatsen), daarna het 19de eeuwse anatomisch theater en tenslotte in 2000 ook het Kraakhuis inpalmden. Het is overigens onduidelijk waarvoor deze naam staat. Sommigen denken dat het een verbastering is van “krankhuis”, anderen zien een verband tussen “kraken” en “sterven” (een zaal voor de ergste gevallen zouden we kunnen zeggen). Alleszins is het een benaming die ook buiten de Arteveldestad voorkomt.
JACOB VAN ARTEVELDE
De Arteveldestad. Het woord is gevallen. Waarom wordt Gent zozeer geassocieerd met Jacob Van Artevelde of beter nog: waarom wil Gent zo graag geassocieerd worden met een figuur waarover eigenlijk bitter weinig bekend is? Laten we stellen dat het een overblijfsel is uit de negentiende eeuw toen de romantici wanhopig op zoek gingen naar historische figuren die de eenheid van een volksgemeenschap konden symboliseren (het beeld van Artevelde op de Vrijdagmarkt werd op 14 september 1863 ingehuldigd).
Nochtans is Artevelde geen onbesproken figuur wat dat “eenheidsbrengen” aangaat. Hij kon weliswaar Gent, Brugge en Ieper op één lijn krijgen door op een neutraliteitspolitiek aan te sturen in de oorlog tussen Frankrijk en Engeland, waarvan Vlaanderen respectievelijk politiek en economisch afhankelijk was. Door die neutraliteit begon Engeland opnieuw wol te leveren zonder dat dit tot represailles van de Franse koning (in de figuur van Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen) moest leiden. Toch zou Artevelde nadien wat te veel toenadering hebben gezocht tot de Engelse koning Edward III, wat hem mogelijks het leven kan hebben gekost, maar ook het conflict tussen de volders en de wevers heeft hij nooit goed kunnen beheersen. Ook dat heeft hem misschien uiteindelijk de kop gekost of zou Barbara Tuchmann (“De waanzinnige veertiende eeuw”) het toch bij het juiste eind hebben en had hij zich in al die conflicten te zeer persoonlijk verrijkt? Volgens Patricia Carson (“Jacob van Artevelde”, Leuven, Davidsfonds, 1996, 159 blz.) was hij gewoon op zijn tijd vooruit omdat hij de middeleeuwse feodaliteit wilde ruilen voor een meer “economisch” tijdperk. Wij zouden zeggen: hij was een kapitalist. Zodat Tuchmann misschien toch gelijk had…
SINT-MICHIELS
In het milleniumjaar 2000 werd in de Sint-Michielskerk een tentoonstelling georganiseerd. Twintig jaar eerder gebeurde dit ook reeds en toen was dat naar aanleiding van het einde van de restauratiewerken. In 2000 was er geen echte aanleiding, maar pastoor Flamand oordeelde dat het gewoonweg weer eens tijd was om de schatten van de zolder (maar meer nog uit de kelder) te halen en alle Gentenaars in staat te stellen mee te genieten van de kerkelijke edelsmeedkunst en het religieuze borduurwerk. Pronkstukken waren de zogenaamde reliekhouders. Deze komen niet vaak aan de oppervlakte omdat ze zo duur zijn om te verzekeren. Het schrijn met de heilige doorn (uit de doornenkroon van Christus) werd enkele jaren geleden bijvoorbeeld uitgeleend aan Antwerpen voor de Van Dijck-tentoonstelling en toen diende het voor meer dan drie miljoen te worden verzekerd! Dat maakt dat zo’n tentoonstelling, zelfs met eigen bezittingen, toch een dure aangelegenheid is.
De opening gebeurde door vicaris-generaal Paul Van Puyenbroeck, Philippe Gombault en Luc Serneels van de kerkfabriek en professor emeritus De Schrijver, die heel de geschiedenis van de kerk nog eens oprakelde. De eerste steen van de huidige kerk werd immers in 1440 gelegd, maar daarvóór stonden er reeds diverse houten kapellen (zo vanaf 1060). God keek blijkbaar niet goedgunstig neer op deze blijken van religiositeit, want het duurde tot 1650 vooraleer de kerk onder dak stond. De werken liepen enorme vertraging op door geldgebrek, stabiliteitsproblemen en natuurlijk de beeldenstorm. Het was overigens na deze beeldenstorm dat de meeste kunstschatten werden verzameld door de energieke pastoor Breydel, niet voor niks een afstammeling van de Brugse beenhouwer. Het marmeren altaar kon hij echter niet redden, tenzij dit tijdens de Franse Revolutie werd vernietigd (daarover bestaat nog altijd geen studie). Als de kerk toen werd omgedoopt (!) in de Tempel van de Rede, kon het orgel worden gered door iemand die de “slopers” enkele tonnen drank aanbood. Veel bracht het niet op, want later werd het toch vernietigd. Vandaar dat er nu een orgel van Pieter Jan De Volder (1767-1841) staat.
Daarnaast waren dan nog eens de problemen in verband met de toren, die oorspronkelijk (in 1632) op 134 meter was voorzien (na de Antwerpse kathedraal zou het dan de hoogste van Vlaanderen geweest zijn), maar men is (in 1825) slechts tot 46,70 meter geraakt. Voor de spits werden nog tot in 1919 plannen getekend en maquettes ontworpen (te zien op de tentoonstelling), maar het is er nooit van gekomen.
Om terug te komen op het schrijn: dat werd aan Antwerpen uitgeleend omdat het van dezelfde periode is als de kruisafname die Van Dijck voor de Sint-Michielskerk heeft geschilderd. Op dit schilderij staat Maria Magdalena overigens mooier (want gebruinder) afgebeeld dan op een gelijkaardig schilderij in Antwerpen. Wie echter meer geïnteresseerd is in de relikwie zelf, komt er bekaaid vanaf. Niet alleen doet de kerkelijke overheid daar zelf niet kinderachtig meer over (indien al die doorns écht uit de doornenkroon van Christus zouden komen, dan had die zowat een heel woud op zijn hoofd staan), er valt bovendien niets van te zien. Hij is, net als de stukjes van het kruishout, tot stof en as vergaan. Een lot dat ons overigens allemaal te wachten staat. Amen.
ARCHITECTUUR ALS DECOR VOOR HET SOCIALE LEVEN IN DE 18DE EEUW (2)
De 18de-eeuwse architectuur is bij uitstek een “theatrale” architectuur: ze functioneert immers in een maatschappij waarin het leven van de adel en de hogere burgerij (groothandelaars en nijveraars) een subtiel spel is, bepaald door de ongeschreven regels van rang en stand. De architectuur wordt hierbij ingezet als een belangrijke troef.
De gevels van de hôtels-de-maître omkaderen zo de flanerende dames en heren. Bijgevolg is de Kouter dé plaats om te zien en gezien te worden. Het plein is omzoomd door verschillende modieuze gevels, zoals deze van het Hotel Falligan en de Hoofdwacht. Op de Kouter of place d’armes vindt de wapenschouwing plaats, worden schutterswedstrijden georganiseerd en worden vele vuurwerken ontstoken. Ook het theatergebouw van de Sint-Sebastiaansgilde zorgt ervoor dat de Kouter zich in de 18de eeuw ontwikkelt tot het nieuwe centrum van het society-leven.
Het Franse ideaal entre cour et jardin, waarbij het hoofdgebouw of corps-de-logis gelegen is tussen een voorkoer en een tuin, blijkt in Gent door plaatsgebrek niet haalbaar. De herenhuizen moeten immers ingepast worden in het reeds vrij hechte stadsweefsel. Dikwijls worden verschillende oudere panden gebruikt als basis voor nieuwe, brede hotels.Toch zijn de 18de-eeuwse woningen veel ruimer van opzet dan tot dan toe gebruikelijk. Van de smalle huizen, hoog opgebouwd en bekroond door een trapgevel, stapt men – indien de financiële middelen het toelaten – over op in de breedte uitgebouwde woningen, waarvan de gevel vlak afgeboord wordt door een kroonlijst. Voor kleinere woningen worden klok- en halsgevels gebruikt. Van skeletbouw evolueert men naar gebouwen met bredere muurdammen, waarop de versiering evenwichtiger kan worden aangebracht. Franse houten vleugelramen vervangen de stenen kruisvensters.
Hét voorbeeld is inderdaad Frankrijk, waar de absolute monarchen, Louis XIV, XV en XVI het culturele leven sterk monopoliseren en domineren. Achtereenvolgens komen de classicerende barok, het rococo en het classicisme tot ontwikkeling. Via modelboeken, zoals deze van Blondel en De Neufforge, wordt de Franse invloed ook in onze contreien verspreid. De Franse bezettingen in 1700/06, 1708 en 1745/49 zijn hierbij eveneens een belangrijke factor. Globaal gezien breken de nieuwe stijlen bij ons door met een kwarteeuw vertraging. In plaats van de Franse witte natuursteen wordt in Gent meestal geopteerd voor een (minder dure) bepleisterde baksteengevel, die zacht groen, blauw, roze, grijs of gebroken wit geschilderd wordt.
De invloed van de Lodewijk XIV-stijl (1700-1740) komt in Gent echter zeer weinig voor. Eén van de vroegste voorbeelden is het Waepen van Zeelant uit 1702 op de Korenmarkt. Gent gaat pas echt door de knieën voor het rococo (1740-1770), een speelse en frivole stijl. Het stabiele en economisch gunstige Oostenrijks bewind in deze periode leidt tot een ware bouwwoede in onze streken. Er komt een typisch Gents rococo tot ontwikkeling dat zeer uitbundig en plastisch van vormgeving is. Mooie voorbeelden zijn het Hotel Falligan (1755), de Hoofdwacht (1738), en de voorgevel van het Hotel d’Hane-Steenhuyse (1768).
Ook het classicisme (1770-1790) kent in Gent succes. Hierbij wordt dan wel sterker het Franse model gevolgd. Eén van de vroegste voorbeelden hiervan is de achtergevel van het Hotel d’Hane-Steenhuyse (1771).
De straatgevel vormt het visitekaartje naar buiten toe en vertolkt dus de sociale status van de bewoner. Toch wordt het echte sociale spel achter de gevel gespeeld, en dit spelen is dikwijls letterlijk te nemen, want in de 18de eeuw vormt de speeltafel een belangrijk element in het sociale contact, vergelijkbaar met de eettafel in de 19de-eeuwse diner-cultuur. Dammen, schaken, tricktrack, kaarten en het lottospel behoren tot het favoriete tijdverdrijf.
Het interieur van de woning is een actief element in het tonen, behouden en eventueel verhogen van de status. De aankleding van het interieur is er dus op gericht de bezoekers te imponeren. Toch mag men de regel van de bienséance of welvoeglijkheid niet overtreden: de inrichting moet gepast zijn, in overeenstemming met de reële status. Wie zijn woning boven zijn stand decoreert, is al gauw de risée van de hogere kringen… Wie zijn woning echter té spaarzaam inricht, mag eveneens rekenen op verontwaardigd gefluister achter de paravents…
Toch zijn bepaalde regels in Gent soepelder dan in Frankrijk. Zo is in Frankrijk de kleur-combinatie rood/wit/goud het privilegie van het vorstenhuis. In Gent laat graaf d’Hane-Steenhuyse echter zonder scrupules zijn slaapkamer in deze kleuren decoreren…
In de hall vertolkt de grootte van de plavuizen de rijkdom van de bewoner. De ontvangst-kamers of de appartements de parade et de société worden bij voorkeur in enfilade aaneengeschakeld, dit is met de deuren zijdelings in elkaars verlengde. Bij de ontvangst van belangrijk bezoek worden alle deuren opengelaten: de diepte van de zo geboden doorblik is één van de parameters voor de welvaart van de bewoners. Een zogenaamd Chinees salon, gedecoreerd met exotische wandschilderingen op papier of zijde, is bijna verplicht als teken van welstand, verfijning en kosmopolitisch denken.
Maar de architectuur vertolkt niet alleen de status van de bewoners; ze wordt ook gebruikt om de status van de bezoeker te benadrukken. Zo is de plaats waar men ontvangen wordt van groot belang. Hierbij spelen twee elementen : tot hoever komt de gastheer om de bezoeker te verwelkomen? En tot hoever mag de bezoeker vervolgens in het woonhuis doordringen: wordt hij te woord gestaan in de antichambre, in de chambre, of wordt hij toegelaten tot in de persoonlijke vertrekken?
Eveneens pionnen in het sociale spel zijn de bedienden, die prominent aanwezig zijn in het receptieve gedeelte van de woning. De meubilering in de ontvangstruimten bestaat immers nog voor een groot deel uit verplaatsbaar meubilair. Zo worden de chaises courants en de verschillende soorten tafels door de bedienden opgesteld waar en wanneer men ze nodig heeft. Pas aan het eind van de 18de eeuw zullen kamers met een vast omschreven functie en permanent opgesteld meubilair, zoals salons en eetkamers, opgang maken.
Toch is er in de 18de eeuw een stijgende aandacht voor comfort en privacy in de woning. Diensttrappen en dégagements zorgen voor een discrete verplaatsing van de bedienden. Vooral in de privévertrekken, de appartements de commodité, wordt gestreefd naar intimiteit en gerieflijkheid. De ruimten zijn hier niet té groot en dus goed te verwarmen, logisch geschikt ten opzichte van elkaar, en voorzien van comfortabel meubilair.
Dit samengaan van aandacht voor representatie enerzijds en streven naar gerieflijkheid anderzijds is kenmerkend voor de architectuur van de 18de eeuw. Het sociale spel wordt gespeeld vóór het (architecturale) decor, maar achter de coulissen komen de acteurs in alle comfort en privacy tot zichzelf.
In september 1996 hield het veilinghuis Loeckx zijn eerste veiling in het Hotel Van Goethem in Ingelandgat, dat door hen werd aangekocht en op die manier van de ondergang gered.
Het zag er inderdaad niet goed uit voor dit prachtige pand uit de achttiende eeuw dat een twaalftal jaren eerder door de stad Gent werd aangekocht met de bedoeling er een meubelmuseum van te maken. Men kon echter niet aan de nodige fondsen geraken en daarom werd het doorverkocht aan de Vlaamse Gemeenschap die het huis in 1985 uitriep tot beschermd monument maar het evenwel verder liet verkrotten. Uiteindelijk werd de woning op nieuwjaarsdag 1993 gekraakt, wat er uiteraard ook geen goed aan deed, maar Peter Loeckx legt er de nadruk op dat de grootste vernielingen daarvóór zijn gebeurd.
Toen hij met zijn Oostendse partner Cecile Govaert in maart 1994 voor ongeveer elf miljoen frank het huis kocht, vlogen de krakers aan de deur en kon de restauratie beginnen. In 1996 stond de gevel nog in de steigers en werd ook nog niet geraakt aan de bovenverdiepingen, maar het gelijksvloers werd goedschiks kwaadschiks in gereedheid gebracht om er reeds veilingen te kunnen laten plaatsvinden, aangezien het vorige veilinghuis in de Ajuinlei gesloopt werd. De enige noodzakelijke wijziging was het overkoepelen van de binnenkoer, die toch niets waardevols bevatte.
Tot dan toe werden reeds voor zeven miljoen restauratiewerken uitgevoerd (schouwen, plafonds met stucwerken), maar het zullen zeker niet de laatste zijn. De eerste verdieping is een schitterende locatie voor tentoonstellingen en op de grote zolder kunnen wellicht ook kamerconcerten plaatsvinden. Maar dat is dan letterlijk en figuurlijk toekomstmuziek. Subsidies heeft men tot nu toe niet ontvangen, maar ook niet gevraagd zo blijkt, aangezien deze werken dringend noodzakelijk waren en een subsidieaanvraag ze zodanig zou vertragen dat er wellicht onherstelbare schade zou optreden.
Het hotel Van Goethem werd in het midden van de 18de eeuw gebouwd in opdracht van J.B.Van Goethem, administrateur van de Oostendse compagnie. De bekende schilder Pieter Norbert Van Reysschoot werd aangezocht om met enkele werken het huis op te vrolijken en deze horen dan ook bij de verkoop. In afwachting van een veilige expositieruimte worden ze nu echter nog bewaard in het Museum voor Sierkunst. In de zogenaamde Chinese kamer moet ook nog een “grisaille” (monochrome, ruwe muurschildering) gerestaureerd worden. Nadien ging het huis over in de handen van de familie Macquaert-Ter Linden, gevolgd door de familie Morel, notaris Timman, tot het tenslotte de familie Brunin was die het huis overliet aan de stad.
Belangrijke acteurs in die 18de eeuw waren de jezuïeten. Om het aanzien van Gent te verhogen waren ze met heel veel geld aangetrokken door het stadsbestuur. Zij vestigden zich in de Volderstraat.
Het samengaan van die twee aspecten blijft ook in de volgende eeuw nog een feit. Zo is Gent op 1 september 1827 de eerste stad na Brussel om met 313 gaslantaarns uit te pakken. De gas werd overigens geleverd door de Imperial Continental Gas Company, gevestigd op wat nu de Waalse Krook wordt genoemd, een oliegasfabriek van de Engelse ingenieur Drory en de Gentse stadsarchitect Louis Roelandt (1786-1864), de ontwerper van o.a. het operagebouw, het Justitiepaleis, de Aula van de universiteit, het slachthuis en het pakhuis, maar ook van de Stapelhuizen in Antwerpen en de O.L.V.Kerk in Sint-Niklaas.
Gent was nogal orangistisch gezind (met aan het hoofd burgemeester Joseph Van Crombrugghe). In 1815 waren in Ledeberg zelfs een heel leger Russische soldaten gekazerneerd, omwille van de Slag van Waterloo (vandaar de naam van de wijk “Moscou”). Misschien daarom dat men hier nog uitbundig de verjaardag van Willem I vierde toen in Brussel al de opstand woedde. Zelfs op 26 september 1833 was er nog een opstootje in de opera omdat een minderheid de uitvoering van het volkslied eiste. Let echter wel op: dit had niets met de taal te maken (de Gentse bourgeoisie was even verfranst als al de rest), maar wel met de economische opbloei onder Willem I. Enerzijds uit dankbaarheid voor de speciale gunsten die hij Gent had toegestaan (de universiteit!), maar anderzijds ook uit platte commerciële overwegingen, namelijk Holland als afzetmarkt. De orangistische beweging werd vooral geïnspireerd door de Gentse vrijmetselarij met aan het hoofd Hippolyte Metdepenningen (1799-1881), wiens standbeeld aan het Justitiepaleis prijkt.
KEIZER KARELSTRAAT
Alhoewel de vrijmetselarij oorspronkelijk niet antiklerikaal was, moeten we hier toch een sprongetje maken naar de laïcisering van de maatschappij. Zo hadden in 1699 de Capucinessen ofte Grijze Zusters zich in het voormalige klooster van de spinnessen of linnenspinsters (een kloostergemeenschap zonder vaste kloosterregel) aan de Reep gevestigd (3). Maar onder de keizer-koster Jozef II werd het klooster opgeheven en in 1784 verkocht aan een zekere Van Poppelen om er een stoffenfabriek in onder te brengen. Datzelfde jaar vestigde de familie Lousbergs, afkomstig uit Maastricht, zich in Gent. Kort daarop (op 24 juli 1784) huwde François Xavier Lousbergs met Marie Catharina Villiot, dochter van een der eerste Gentse katoendrukkers/kooplieden, François Villiot, die sinds 1767 in Gent een katoendrukkerij uitbaatte. Met de steun van zijn schoonbroer Charles Villiot stichtte François Xavier een identiek bedrijf in de Sint-Margrietstraat. Er zouden er nog een paar volgen.
In 1790 werden de Grijze Zusters in eer hersteld en namen opnieuw hun pand in. Alweer zes jaar later vlogen ze echter weer aan de deur, deze keer op last van de Franse bezetter, die de gebouwen vernielde. In 1813 werden ze door architect Van de Cappelle heropgetrokken als fabriek voor koopman Gomard Verhegghen.
Ondertussen leden de bedrijven van de familie Lousbergs heel erg onder de crisis van 1810-1811. De oudste zoon, Godefroid, pleegde zelfmoord de dag voor het faillissement van zijn firma werd uitgesproken. Zijn broer Hubert wist amper de katoendrukkerij te redden.
Of het iets met hun Hollandse roots te maken had, weet ik niet, maar het tij keerde alleszins onder het bewind van Willem I. Het dient trouwens gezegd dat de hele Gentse textielindustrie floreerde vanaf 1820 dankzij de stimulansen vanuit het centrale gezag (in 1820 waren er 29 katoenbedrijven in Gent, dat waren er tien jaar later al 63!). Zo kon in 1823 Ferdinand Lousbergs (1799-1859), zoon van Hubert, de fabriek van Verhegghen verwerven. Bovendien kon hij zijn katoenspinnerij uitbreiden met de aanpalende tabaksfabriek.
Zijn familie was al één van de eersten geweest om vanaf 1819 stoommachines aan te schaffen, Ferdinand zelf deed er nog een schepje bovenop door in 1833 als allereerste de weefstoelen “à la Jacquard” in te voeren. Alhoewel het niet denkbeeldig is dat het spotlied “De vier weefgetouwen” van Karel Waeri hierdoor werd geïnspireerd, dient toch ook te worden toegegeven dat Lousbergs bekommerd was over het lot van zijn arbeiders. Hij mag dan nog het voorbeeld geweest zijn van de typische “paternalistische” patron, hij heeft er toch voor gezorgd dat zijn arbeiders de cholera- en tyfusepidemieën, die de negentiende eeuw teisterden, zonder problemen zijn doorgekomen, dankzij “ruime en luchtige” productieruimtes.
Het geld voor die weefgetouwen had Lousbergs bijeengegaard omdat de Algemene Handelsmaatschappij in 1829 een bestelling plaatste bij de Vlaamse katoenfabrikanten voor het leveren van 40.000 stukken katoen. 37.000 daarvan werden toegewezen aan Gentse bedrijven…
Lousbergs, die in een huis van de firma in het Gewad woonde en zo zuinig leefde als zijn Hollandse afkomst laat vermoeden, verwierf ook een immens terrein tussen de Reep en de Lange Boomgaardstraat (4), waardoor de Keizer Karelstraat (de oorspronkelijke naam “Nieuwebrugstraat” is slechts heel kort in voege geweest) werd aangelegd. Van die gelegenheid maakte hij gebruik om voor zichzelf een luxueus herenhuis in de buurt van zijn fabriek op te trekken. Aan de overkant van de straat liet hij een monumentale toegangspoort bouwen, zodat hij op die manier bij wijze van spreken vanuit zijn bed zijn fabriek kon binnenrollen. Achter de fameuze toegangspoort huist nu de basisschool van het Sint-Lievenscollege.
Toch heeft hij niet lang van deze faciliteiten kunnen gebruik maken, want de bouw sleepte aan tot 1855 of 1856 en in 1859 overleed Lousbergs reeds. Hij deed dat kort nadat zijn “onderhuurder”, de drie jaar oudere Emelie Tiquent, een Franse rentenierster, eveneens was overleden. Aangezien men wel vaker hoort dat mensen die een nauwe emotionele band met elkaar hebben, elkaar slechts met enkele maanden overleven, kan men zich de vraag stellen of Emelie inderdaad enkel maar een “onderhuurster” was… (5)
Op het moment dat Lousbergs stierf, stelde het bedrijf 1.500 mensen te werk. Omdat hij geen kinderen had, gingen huis en fabriek naar de aangetrouwde familie de Hemptinne. Wellicht is dit een tak van de prominente familie in Temse, maar op het eerste gezicht geen dichte. De Hemptinnes van Temse waren de laatste eigenaars van de steenbakkerij van Tielrode, waar nu het Waesmeer is. De familie heeft destijds zelf nog de overgang bepaald van steenbakkerij naar recreatiedomein, maar is intussen volledig “verdampt”.
In zijn testament schonk Lousbergs aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (een voorloper van het OCMW) een terrein van 1,3 hectare langs de Visserij, plus de som van 400.000 frank om er een tehuis voor gebrekkige en bejaarde katoenarbeiders op te richten. De familie de Hemptinne probeerde nog het testament aan te vechten (het is de grootste schenking aan de stad Gent ooit), maar ze moesten uiteindelijk capituleren: het tehuis ging eind 1865 open. Er was aanvankelijk plaats voor veertig bejaarden. Uit erkentelijkheid gaf de stad de kaai in 1864 de naam van de schenker.
Door de crisis in de jaren dertig werd de NV Lousbergs in 1933-34 geliquideerd en werd het gebouw opnieuw opgekocht door de Zusters van Liefde, die er de Sint-Bavo Humaniora uitbouwden. Ook nu weer was Lousbergs een innovator, zij het deze keer een trieste, want het was de eerste grote katoenspinnerij die in Gent gesloten werd.
Zijn woonhuis werd daarna vooral bekend eerst als veilinghuis en later als het zogenaamde Huis der Notarissen. Nu is het huis eigendom van de firma Optima.
De laatste bejaarden verlieten het tehuis op de Lousbergskaai begin 1998. Het complex stond lange tijd leeg, maar werd uiteindelijk aangekocht door de Lofting Group en Condominium 99. Men vindt er nu kantoren en lofts.
Rond diezelfde tijd nam Sint-Bavo ook het terrein in van het mineraalwaterbedrijf Gand-Thermal, dat reeds braak lag sedert ik in het begin van de jaren tachtig mijn intrek had genomen in het appartementsgebouw Keizer Karel naast de woning van Lousbergs. Vanaf dan had ik geen uitzicht meer op de slaapkamers van de meisjes, die als intern in Sint-Bavo verbleven en, al dan niet bewust, zich vaak met het licht aan en de gordijnen open omkleedden om te gaan slapen (6). Dit troostvolle spektakel moest nu plaats ruimen voor klaslokalen die zo dicht bij mijn raam zijn gelegen, dat ikzelf nu moet uitkijken hoe ik door de kamer flaneer!
WERELDTENTOONSTELLING
Het gebouwencomplex in het Citadelpark, waarbij dus ook het voormalige Casino, waarin nu het SMAK is gevestigd, is nog een overblijfsel van de Wereldtentoonstelling in Gent in 1913 (net als het vroegere postgebouw op de Korenmarkt trouwens), maar het is geen toeval dat uit datzelfde jaar ook het socialistische feestpaleis Vooruit dateert: de socialisten wilden immers een tegenhanger voor dat burgerlijke symbool, om hun voet naast die van de textielbarons te plaatsen.
Die Wereldtentoonstelling was ook de aanleiding om het Zuidstation te laten verdwijnen ten voordele van het Sint-Pietersstation. Dat betekende ook een grondige wijziging van het stadscentrum. Vroeger was het Zuid immers een prestigieuze uitgaansbuurt met tal van cafés, dancings en bioscopen. Nu begon het verval in te treden dat bij de eeuwwisseling uiteindelijk zou uitmonden in een gigantische kaalslag gevolgd door een reusachtig winkelcomplex van projectontwikkelaar Urbis.
Toch zou het nog tot 1929 duren vooraleer het Zuidstation volledig zou verdwijnen. Op de spoorlijnen werd het Albert I-park aangelegd (met een standbeeld van de vorst door Temsenaar Karel Aubroeck), dat door iedereen evenwel het Zuidpark wordt genoemd. In de jaren zestig werd dit beeld evenwel opnieuw verstoord omdat alles baan moest maken voor Koning Auto. En zo werd de afrit van de E17 tot in het centrum van de stad gebracht.
Op de wereldtentoonstelling in Gent trof men zowel Filippijnen als Senegalezen aan, die elk een primitief dorpje in Gent installeerden. Een zestigtal Filippijnen exposeerden hun primitieve nijverheden en huishouden voor de bezoekers, maar ook oorlogsdansen. Ook het Senegalees dorp maakte een diepe indruk op de bezoekers, maar werd omschreven als een soort kermisattractie. Dat is niet zo verwonderlijk als je weet dat deze ‘inboorlingen’ aan een impressario verbonden waren en de Senegalezen getrainde expobewoners waren. Ze hadden weinig aanpassingsproblemen en organiseerden zelfs een ‘grand bal’. Voor de Filippijnen viel het wat tegen, want op het einde van de Gentse expositie ging hun impressario ervandoor en liet hij de Filippijnen aan hun lot over, waardoor ze na de afloop van de tentoonstelling in Gent al bedelend moesten zien te overleven.
In het paviljoen van Belgisch Kongo troffen we geen Kongolezen aan, maar ditmaal gaf men uiting aan de exotische fascinatie met behulp van optische middelen. Langs een gang in het paviljoen werd de bezoeker naar een klein platform geleid, opgesteld in het midden van een
rotonde. Hierop kon men een panorama bewonderen van 1640m². De twee kunstschilders van dit werk hadden hiervoor speciaal twee maanden in Kongo rondgereisd. Het doek moest een les in de ‘koloniale vooruitgang’ voorstellen. Simplistische tegenstellingen zoals de afbeelding van lianen bruggen naast ijzeren viaducten, hutten naast fabrieken enz., moesten de bezoekers van de vooruitgang door de koloniale ingreep overtuigen.
Net als de wereldtentoonstelling kon ook het variététheater als ‘een wereld in het klein’ beschouwd worden. Artiesten van diverse nationaliteiten stonden op het podium, waar het exotische element vaak het onderwerp van de act was. Zo werden er tal van exotische en folkloristische dansen opgevoerd. Ook illusionistsche acts waarbij men een ‘tour du monde’ presenteerde aan het publiek waren zeer populair. ‘Black Faces’, blanke artiesten die werden zwart geschminkt, waren zeer geliefd. Geleidelijk aan vonden ook ‘des véritables nègres’ hun ingang in het variététheater. Het feit dat zwarte variétéartiesten heel lang opmerkelijk minder vergoed werden voor hun optreden dan hun blanke collega’s bewijst dat hun populariteit de raciale vooroordelen niet kon wegwerken. Naast zwarten verschenen ook andere exotische volkeren op het toneel, zoals Turken en Arabieren. De opvoering van de ‘wilde vrouw’ in dit spektakel kon zoals bij de Turkse of Arabische harems eveneens voor een bijkomend erotisch effect zorgen.
Circus Renz (die zijn naam zou geven aan een bekende virtuoze accordeonmelodie) voerde de pantomime ‘L’Ile de Sumatra’ op. Deze pantomime behandelde ‘Vie, Moeurs et Aventures des habitants de l’île de Sumatra’. Het zondige karakter van de primitieven in deze pantomime stond haaks op de luxueuze uitvoering. Deze bestond uit een ‘ballet au grand complet’, ‘brillants effets de lumière électrique’, ‘costumes somptueux et caractéristiques de la grande maison de Berlin’. Uit de westers klinkende namen van de acteurs leiden we af dat de exotische personages door westerlingen vertolkt werden.
Die Wereldtentoonstelling vormt ook de aanleiding voor commentaren van diverse literatoren. Zo leren we zowel Karel Van de Woestijne als Cyriel Buysse als onvervalste racisten en moralisten (al die exotische toestanden geven aanleiding tot zedenverval) kennen (zie Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap XV, p.86 e.v.). Men zou kunnen aanvoeren: het is de weerspiegeling van de tijdsgeest, maar daar staat tegenover dat iemand als Stijn Streuvels, die nochtans door Buysse himself in diens auto naar de Expo werd gevoerd, zijn commentaar op de journalistieke gewrochten van Buysse over de Wereldtentoonstelling kort en bondig formuleerde als “zeveraar”!
EEN GEDEELDE STAD
Hoe dan ook, “De gedeelde stad” zou als titel dezelfde lading moeten dekken als de slagzin “Gent heeft geen gezicht”, waarmee cultuurfilosoof Bart Verschaffel zijn inleidende bijdrage op het fotoboek aanvat. Geef toe, deze slagzin is enigszins dubbelzinnig (in een pamflet misbruikten de CVP-jongeren hem dan ook als een aanval op het SP-PVV-stadsbestuur) en kwam als titel zeker niet in aanmerking.
Toch zit er een grond van waarheid in die niet eens negatief is, maar juist de charme van Gent uitmaakt. “Brugge houdt zichzelf en anderen het beeld voor van ‘historische stad’,” schrijft Verschaffel, “Antwerpen is een ‘cosmopolitische havenstad’, Leuven is een ‘universiteitsstad’.” Gent eist geen enkele van deze kwalifikaties op en beantwoordt er tegelijk toch aan. Vandaar: “Gent heeft geen (specifiek) gezicht”.
Dit boek wil dus de stad Gent in haar vele verschijningsvormen tonen en meteen ook “de stad” als zodanig. Dit heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis van dit boek.
Aansluitend bij de stedebouwkundige wedstrijd “Pit in de kern” (1988) gaf toenmalig minister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Pede aan de Koning Boudewijnstichting immers de opdracht een concept voor een fotoboek over de kwaliteiten van de stad uit te werken.
Het boek moest meer zijn dan een klassieke, toeristische publicatie, het moest oog hebben voor de levende stad in al haar facetten, voor de mensen en de activiteiten in de stad. De onderliggende bedoeling was het stedelijk wonen en leven te propageren, een halt toeroepen aan de uittocht naar de voorsteden dus, de zogenaamde “suburbanisatie” van onze steden, met vooral in de jaren vijftig en zestig stadsverval, verkrotting en grootschalige vernieuwing als gevolg.
De Koning Boudewijnstichting verkoos dit concept uit te werken voor één stad, om zo de veelzijdigheid van de stad te kunnen tonen. Een synthese van stadsbeelden is immers niet voldoende om een stad te beleven: de contrasten en de samenhang tussen beelden worden pas sprekend als ze betrekking hebben op één reële stad.
Waarom dat dan precies Gent werd, daarover werden op de persvoorstelling wel allerlei grapjes gemaakt (“de Gentse lobby in de Koning Boudewijnstichting”) zonder dat er een echt duidelijk antwoord kwam, maar gezien het veelzijdige karakter van Gent lag dit misschien voor de hand. Hoe dan ook, al wie Gent liefheeft kan met dit boek maar best tevreden zijn.
Na de inleidende beschouwingen van Bart Verschaffel, waaruit o.a. mag blijken dat “door haar uitgestrektheid Gent ingrijpende en soms brutale veranderingen heeft kunnen absorberen en op die manier wonderlijk gaaf is gebleven”, volgen een aantal stedelijke excursies van ingenieur-architect Mil De Kooning. Met oog voor het detail wordt telkens een indringende impressie van een stadsdeel uitgewerkt: het centrum, Gent-Zuid, de Sint-Machariuswijk, de stadsrand, Muide en Meulestede. Telkens verhaalt de auteur het ontstaan en de evolutie, de problemen en de mogelijkheden, de vergissingen en de uitdagingen van elk gebied.
“De stad is een collage,” schrijft De Kooning, “Ze is niet gaaf, niet af. Een stad vraagt om bescherming, om behoud, maar ze vraagt ook om verandering.” In de laatste bijdrage “architectuur en stad” behandelt De Kooning dan ook deze spanning tussen verleden en toekomst. De tekst is een betoog voor goede architectuur, voor “gebouwen die onvervaard en met persoonlijkheid een gesprek kunnen aangaan met zichzelf en met de stad”.
EEN REBELSE STAD
Het boek van het Mercatorfonds daarentegen heeft als ondertitel “Apologie van een rebelse stad” meegekregen en die is waarschijnlijk afkomstig van de samensteller, stadsarchivaris Johan Decavele. Deze heeft in 1984 immers nog een tentoonstelling over Gent in de 16de eeuw opgezet onder de titel “Het einde van een rebelse droom”.
Gent speelde als calvinistische republiek echter niet enkel een leidinggevende rol in de opstand tegen het Spaanse gezag in die tijd, reeds in 1128 werd er hier geschiedenis geschreven toen een woordvoerder van de bevolking de graaf van Vlaanderen ter verantwoording riep voor zijn onrechtmatige beleid. Deze man stelde voor dat vertegenwoordigers van de Gentse bevolking zouden oordelen of de graaf na al zijn schendingen van het geldende recht nog wel verder zou mogen regeren, dan wel of hij verplicht moest worden het land te verlaten, zodat de vertegenwoordigers een betere kandidaat zouden kunnen aanduiden.
Ook in de 13de eeuw, toen Gent uitgroeide tot de belangrijkste industriestad van West-Europa, was de stad een voorloper in het gebruik van de volkstaal in officiële documenten en dat ten nadele van het Frans dat gebruikelijk was bij de elite (met de door Conscience nochtans zo geroemde graven van Vlaanderen op kop) en van het Latijn in kerkelijke middens.
Met de kerkelijke instanties ging Gent in die tijd trouwens meteen ook reeds een “schoolstrijd” aan, aangezien de stedelijke overheid het kerkelijke monopolie op het onderwijs doorbrak. En nog in deze zelfde periode verwierven de ambachtslieden in de naweeën van de Guldensporenslag (die eerder een sociale dan een nationale strijd en zéker geen taalstrijd was) een medezeggenschap in het stadsbestuur dat nergens in Europa werd geëvenaard.
Gent zal trouwens steeds een koppositie blijven innemen wat het industrialiseringsproces betreft, niet alleen op het vlak van modernisering en/of mechanisering (denken we maar aan Lieven Bauwens), maar ook of zelfs vooral op het vlak van de sociale gevolgen die dergelijke veranderingen met zich meebrachten. Zo is Gent ook de bakermat van het socialisme in Vlaanderen.
Dit alles “en nog veel meer” lezen we in het eerste gedeelte van dit majestueuze boekwerk dat de geschiedenis van de stad Gent behandelt. Naast Decavele zelf treffen we als auteurs o.m. ook nog aan: Adriaan Verhulst, Walter Prevenier en Ludo Milis, terwijl de voorgeschiedenis (de prehistorie en de Romeinse periode) uitgebreid en deskundig belicht wordt door Marie Christine Laleman en Hugo Thoen. Op een manier die we eerlijk gezegd niet voor mogelijk hielden, worden hier zowel de verlangens van een groot publiek als van geïnteresseerde wetenschappers vervuld.
Het laatste hoofdstuk van dit deel is voorbehouden voor prof.Herman Balthazar (die zijn bijdrage had toegezegd nog voor hij provinciegoeverneur werd). Het is een erg “kleurrijke” beschrijving geworden, die ons echter wel een beetje op onze honger laat omdat ze reeds in 1940 wordt afgebroken. De echt “hedendaagse” geschiedenis wordt ons dus onthouden, ook al mag Gilbert Temmerman, de eerste socialistische burgemeester van Gent, toch reeds een kleine bijdrage leveren nog voor het “voorwoord” (van prof.Van Caenegem). Gaston Geens zorgt dan met een “nawoord” voor het politieke evenwicht…
Het tweede deel is gewijd aan de kunstgeschiedenis. Elisabeth Dhanens behandelt de plastische kunsten tot 1800 en Robert Hoezee en Bart De Baere (twee medewerkers van Jan Hoet die zelf “geen tijd had”) brengen ons naar de dag van vandaag toe (en deze keer wel heel letterlijk: de allerrecentste ontwikkelingen zijn reeds vertegenwoordigd). Dezelfde scharnierdatum werd gekozen voor de behandeling van de “kunstnijverheid”, resp. door Erik Duverger en door Lieven Daenens, maar bij nader toezien is deze opsplitsing in “echte” en “toegepaste” kunst niet steeds even bruikbaar. Twijfelgevallen zouden op de koop toe eventueel nog terecht kunnen in het vijfde deel, dat gewijd is aan de architectuur en waarvoor Geert Van Doorne tekent als auteur.
Het muziekleven, beschreven door Micheline Lesaffre, is een ontgoochelende oppervlakkige opsomming, waarin dan nog figuren als Karel Waeri of Walter De Buck ontbreken (niet deftig genoeg?) om natuurlijk nog te zwijgen over een eventuele bijdrage over popmuziek!
Professor Van Elslander van zijn kant heeft in zijn goed gedocumenteerd stuk over de literatuur dan weer wél aandacht voor de volkse aspecten, maar net zoals bij prof.Balthazar wordt ook hier de draad veel te vlug afgebroken. Dat de naam van Hugo Claus enkel opduikt in een “kritisch overzicht van de literatuur” (naast een vermelding als plastisch kunstenaar) is toch echt wel onverantwoord.
De voornaamste verdienste van dit werk ligt dus zeker bij het prachtige documentatiemateriaal dat werd verzameld door An Delva en Patrick Viaene. Met zijn bijna 700 prenten is het boek trouwens het rijkst geïllustreerde werk geworden van het Mercatorfonds en dat wil wat zeggen!
De prijs is dan natuurlijk in verhouding, maar anderzijds mag men dit soort boeken niet vergelijken met de manier waarop men zich vlug even een pocket of een bestseller gaat aanschaffen. Als geschenkboek kennen beide boeken echter huns gelijke niet.
Zij het dat het beter is ze te ontvangen dan ze te moeten geven…
KONINKLIJKE ACADEMIE VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE
In 1603 werd in Rome de eerste Academie gesticht. De “Accademia dei Lincei”, letterlijk vertaald: van de lynxogigen, wat stond voor “scherpzinnige onderzoekers”. Het was inderdaad een refleks tegen de verketteringen die wetenschapslui vaak moesten ondergaan. In het midden van de zeventiende eeuw volgden nog de Royal Society of London en de Académie Française. Pas in 1772 was het de beurt aan Brussel. Uiteraard was die eentalig Frans, zodat de eer van de eerste Vlaamse academie te beurt valt aan Gent in 1886 (al zou uiteindelijk enkel de Nederlandse Taal- en Letterkunde er worden beoefend en niet de andere wetenschappen). Toen werd dankzij de steun van eerste minister August Beernaert uiteindelijk toch de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde opgericht, gevestigd in Gent in het rococo-hotel van architect David ’t Kint, gebouwd op de resten van het Dammansteen of het Huis van Oombergen (de middeleeuwse patriciërsfamilie Damman werd in de 16de eeuw de heren van Oombergen) in de huidige Koningstraat 18 (een zijstraat van de Sint-Jacobsnieuwstraat). De Academie bestaat uit 30 leden (10 taalkundigen, 10 literatuurwetenschappers en 10 letterkundigen). Daarnaast zijn er 25 buitenlandse ereleden en een onbeperkt aantal binnenlandse ereleden, die voordien werkend lid zijn geweest. De Academie vergadert iedere derde woensdag van de maand.
Ook dat verwaterde zodat op een bepaald moment de stoel van vaste secretaris voor zeven jaar niet werd ingevuld. Pas eind 1997 werd dit ambt opnieuw opgenomen, door een Antwerpenaar dan nog wel, de linguïst Georges De Schutter. Toch draait de academie nog niet naar behoren. Voor 250 fr. als zitpenning haal je immers b.v. geen Hugo Claus binnen. Met de werkingsgelden wordt bijna uitsluitend aan tekstedities gedaan, b.v. de volledige bibliografie van Louis Paul Boon. Die armoedige toestand is te wijten aan het feit dat toen de academies onttrokken werden aan onderwijs, ze naar wetenschapsbeleid werden overgeheveld, behalve precies de Academie voor Taal- en Letterkunde die op de veel armere cultuurbegroting terechtkwam.
HET HUIS VAN ALIJN
Uit diverse onderzoeken die de afgelopen jaren zijn gevoerd, is gebleken dat het begrip ‘Volkskunde’ vooral bij jongeren negatieve associaties oproept, zoals starheid en oubolligheid. Daarom werd het ‘Museum voor Volkskunde’ ‘Het Huis van Alijn’. Maar niet alleen dààrom. Zowel de Europese als de niet-Europese etnologie krijgt voortaan een plaats naast de Vlaamse volkscultuur. Door haar sterke gerichtheid op de eigen, autochtone cultuur is de volkskunde in de jaren ’30 en ’40 immers vatbaar gebleken voor politiek misbruik. Dat heeft na de Tweede Wereldoorlog geleid tot een grondige bezinning op de grondslagen van het vak, uitmondend in een theoretische heroriëntatie binnen de Europese volkskunde in de jaren ’60. Het concept van de authentieke, statische volkscultuur van de plattelandsbevolking maakte plaats voor een dynamische opvatting van volkscultuur als cultuur van het dagelijkse leven, waaraan alle sociale groepen binnen de samenleving deel hebben.
Vanaf de jaren ’70 zien we in het volkskundig onderzoek een duidelijke heroriëntatie. De geografische invalshoek speelt niet langer meer de hoofdrol. Het mentale aspect, de functie en betekenis van cultuurverschijnselen en de sociaal-culturele verschillen zijn centraal komen te staan. Een ander belangrijk aspect is de accentverschuiving in het wetenschappelijk onderzoek. In eerste instantie ontwikkelde de volkskunde zich in de richting van een historisch vakgebied. Het zwaartepunt kwam te liggen op de geschiedkundige aspecten van cultuurverschijnselen.
Vanaf de jaren ’80 is een ontwikkeling op gang gekomen die zich meer richt op de contemporaine benadering van de cultuur van het dagelijkse leven waarbij aansluiting wordt gevonden bij sociaal-wetenschappelijk onderzoek.
Een andere verandering in het etnologische onderzoek heeft te maken met de samenstelling van de bevolking. Er is meer en meer sprake van een veelheid van etnische entiteiten. De verschillende etnische groepen in deze multiculturele samenleving brengen een voortdurend proces van sociale interactie met zich mee. In het daarmee gepaard gaande dynamische, etnologische proces spelen begrippen als land / plaats van herkomst, verleden, tradities, rituele en religieuze beleving een belangrijke rol. Tegelijkertijd zien we dat verschillende etnische groepen zich aspecten toe-eigenen van het culturele repertoire van andere groepen; dit leidt tot assimilatie, acculturatie of selectieve overname bij het construeren van een ‘nieuwe’ identiteit. Het etnologische onderzoek richt zich nu ook expliciet op de processen van betekenisgeving en toe-eigening en op het functioneren van alledaagse cultuurverschijnselen in een multiculturele context.
De eigenheid van het vakgebied kan ook gevonden worden in het inter-, multi- of transdisciplinaire karakter. De etnologie kan worden beschouwd als een verbindingswetenschap die qua object, invalshoek en methode andere wetenschappen – zoals de geschiedenis, de culturele antropologie, de sociologie en de literatuurwetenschap – doorkruist en de cultuurverschijnselen via grensverkeer met verwante disciplines betekenis toeschrijft.
Het Huis van Alijn op de Kraanlei is gevestigd in wat men vroeger het Kinderen Alijnshospitaal of Sint-Catharinahospitaal noemde. De moord op de gebroeders Alijn in de 14de eeuw ligt aan de basis van de stichting van het hospitaal. Twee verschillende versies doen de ronde; een geromantiseerde en een historisch gedocumenteerde.
In de 14de eeuw lagen de Gentse wevers en volders voortdurend met elkaar in de clinch. Een jonge volder, Hendrik Helijn of Alijn, werd verliefd op een zekere Godelieve, een rijke weversdochter. Haar vader weigerde toestemming te geven voor een huwelijk en had voor zijn dochter ene Simon Rijm als partner in gedachten, een rijke patriciër, afkomstig uit het weversambacht. Maar Godelieve bleef ongevoelig voor de avances van de rijke wever. Gekwetst door haar weigering en opgehitst door de haat tegen de vijandige volders, zon Simon Rijm op wraak.
Vergezeld van zijn broer en enkele bendeleden begaf hij zich naar de Sint-Janskerk (de huidige Sint-Baafskathedraal) en vermoordde er tijdens de kerkdienst zijn rivaal Hendrik Alijn, diens broer Zeger en een dienaar. Met bebloede kleren trok hij naar Godelieve en dwong haar met hem te vluchten. Het duurde niet lang of het koppel werd gevat. Simon Rijm en zijn trawanten werden veroordeeld tot eeuwige verbanning uit de stad. Godelieve vond een onderkomen in het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg. (Verder is er in Gent nog het Klein Begijnhof in de Lange Violettestraat en het Elisabethbegijnhof, gelegen tussen Rabotstraat en Begijnhoflaan.) Als boetedoening voor de moordaanslagen zou de familie Rijm dan een hospitium inrichten voor arme zieken.
Volgens een meer historische versie echter behoorde Simon Rijm samen met zijn broer Goessin tot één van de oudste en invloedrijkste families van Gent. In 1352 had hij Hendrik Alijn, schepen van de stad, en diens broer Zeger smadelijk beledigd. Meer details hierover zijn niet bekend. Tussen beide families en hun achterban ontstond een diepe haat, “wanconst, rancuer, nyt ende onminne”. De Graaf van Vlaanderen gaf in 1353 aan de schepenen in hun functie van “paysierders” (vredebrengers) de opdracht beide partijen met elkaar te verzoenen.
De schepenen riepen beide partijen bij zich en gingen over tot een “zoendinc”. Beide partijen moesten verklaren “bi trouwe, bi eede, bi waerheden, ende bi aldien dat zi van Gode houdende waren, als kerstenen lieden”, dat zij wat gebeurd was in het verleden zouden vergeten en de vrede niet meer zouden verstoren, op gevaar af een boete van 300 pond parisis te moeten betalen aan de tegenpartij.
Niettegenstaande deze dure eden trokken Simon en Goessin Rijm vergezeld van enkele trawanten naar de Sint-Janskerk en vermoordden er verraderlijk Hendrik Alijn, terwijl ze Zeger tot op het kerkhof achtervolgden en hem dodelijk verwondden. Ook een knecht werd gedood.
De terreur die Simon en gezellen deed ontstaan (zelfs in kerkdiensten waar zwangere vrouwen aanwezig waren), was zo groot dat ze de oorzaak was van verscheidene miskramen “ende van vare eenighe bedorven syn ende de vrucht die si droughen”. De moord op schepen Alijn werd gepleegd in het begin van 1354. Ze werd bezwaard door heiligschennis en majesteitsschennis, vermits ze in een kerk plaatsvond en een lid van de magistratuur het slachtoffer was. De moordenaars namen onmiddellijk de benen.
De Graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, begaf zich terstond naar Gent. Hij besprak de zaak op 9 mei 1354 in zijn raad en beval het stadsmagistraat de zaak verder te onderzoeken: “daden segghen ende bevelen onsen vorseide scepene van Ghent dat zy tfoseide fait naer de grothede ende horribelhede vorseid corrigieren zouden”.
Vermits de beschuldigden niet opdaagden, werden zij bij verstek buiten de wet geplaatst en er werd bevel gegeven hun woningen te slopen, met verbod ze opnieuw op te bouwen door henzelf of hun nakomelingen. Op het hoofd van de schuldigen werd bovendien een prijs gezet van 100 pond tournois: “wie die enighen van desen vors. personen ter dood bringhen zal ende van desen misdoeners, die zal hebben van onser stede goede honderd pond. torn.”
Op 26 mei 1354 had Pieter Alijn, broer van de twee slachtoffers en echtgenoot van Marie Rijm, zuster van Simon en Goessin Rijm, plechtig beloofd geen wraak te zullen nemen voor de bedreven moorden, op straffe van 1.000 pond tournois boete.
Op 5 mei 1362 riep graaf Lodewijk van Male zijn raad samen in de abdij van Drongen. In het bijzijn van Lodewijk van Namen velde hij volgende uitspraak: beide partijen dienden af te zien van alle represailles. Zij dienden te verzaken aan alle eisen tot schadevergoeding. Simon en Goessin Rijm zouden een jaarlijkse rente van 100 pond parisis samenbrengen waarvan de opbrengst zou gebruikt voor het onderhoud van een godshuis of hospitium. Daar er twee dodelijke slachtoffers waren (de dienaar was klaarblijkelijk “quantité négligeable”, een slachtoffer van “friendly fire” zou men vandaag zeggen), dienden zij een eeuwdurende rente samen te stellen van elk 20 pond parisis om er twee kapelanijen mee op te richten.
Voor het godshuis zelf moest er eerst een degelijk gebouw gevonden worden. Simon Alijn en Catherina Zelverberch, ouders van de slachtoffers, bepaalden nog tijdens hun leven dat het huis dat zij bewoonden nabij de Oudburg langs de Leie als godshuis kon worden ingericht.
Op 23 juli 1363 ratificeerde de abt van de Sint-Baafsabdij, die het patronaatschap had van de Sint-Michielsparochie tot wier jurisdictie het nieuwe hospitium behoorde, het legaat, alsook de bouw van een bedelhuis met klok en toren en de stichting van de twee kapelanijen.
Op 15 augustus van hetzelfde jaar bevestigde de graaf deze schenking en stond aan Simon d’Amman en verwanten van de broeders Alijn toe het huis, de tuin en de aanhankelijkheden van de ouders Alijn tot een godshuis in te richten.
Vanaf zijn ontstaan werd het godshuis door beide families rijkelijk begunstigd met de bedoeling de pijnlijke sporen van hun haat en vendetta uit te wissen. Uiteindelijk verklaarden op 10 november 1364 de Gentse schepenen dat Simon Van der Zickelen de diverse geldsommen bestemd voor het onderhoud van het hospitium en afkomstig van de familieleden in het kader van het “zoengeld” aan de administrateurs van het Alijnshospitaal overhandigd had.
Zonder verwijl (“onverwijld”, zoals de splitsing Brussel-Halle-Vilvoorde) dienden acht oude, arme en zieke personen aangenomen te worden. Ze dienden de opbrengsten die aan het hospitium verbonden waren onder elkaar te verdelen, mits aftrek van de algemene kosten. Al naargelang de inkomsten al dan niet voldeden konden de bestuurders het aantal prebendetrekkers verminderen.
Omstreeks 1513 was het godshuis, waarschijnlijk wegens slecht bestuur, in vervallen toestand geraakt. Het werd toen heropgericht door Lievin Van Pottelberghe en zijn vrouw Lievine Van Steelandt. Dezen deden toen zestien nieuwe huisjes bouwen. In 1529 stichtten ze acht nieuwe prebendes, zes op hun kosten en twee op wat nog overbleef van de oude goederen van het godshuis. Hun zoon François Van Pottelsberghe legde in 1543 de eerste steen van de kapel die nu nog steeds bestaat. Zijn vrouw kwam ruimschoots tussen in de bouw en deed de kapel inwijden op 29 maart 1546 door de bisschop van Doornik. Het torentje werd opgericht in 1549.
Tijdens het Franse bewind stond het Alijnshospitaal onder leiding van de Stedelijke Commissie der Burgerlijke Godshuizen. In 1883 werd het door de Commissie verkocht en verhuurd als beluik. De kapel deed dan dienst als werkplaats en schrijnwerkerswinkel.
In 1913 fungeerde het gebouw als tentoonstellingsruimte tijdens de Gentse wereldtentoonstelling.
In 1941 koopt het Gentse stadsbestuur het gebouw, dat in 1943 tot beschermd monument wordt uitgeroepen. In 1953 wordt beslist om het Museum voor Volkskunde in het Alijnshospitaal onder te brengen. In 1954 wordt gestart met de restauratie naar plannen van Valentin Vaerwijck en sedert 1962 doet het dienst als Museum voor Volkskunde.
DE VANDER DONCKT-DOORGANG
Tussen 1846 en 1852 werd op aanvraag van Vander Donckt een winkelgalerij opgericht in de Vlaanderenstraat, vandaag beter gekend als de ‘Gloaze Stroate’. Die bijnaam ontleent ze aan het volledig beglaasde tongewelf en de portiek in laat-empirestijl, die eveneens maximaal beglaasd werd. De winkelgalerij moest dag en nacht ‘iets’ te bieden hebben en om aantrekkelijk te blijven, diende ze geregeld vernieuwd te worden. Boven in de gevel van de passage was Mercurius aanwezig, het symbool van de handel.
De burgerij was grotendeels aanhanger van een liberale politiek. We zien dan ook in de periode van 1880 tot 1914 enkel liberale burgemeesters in Gent. Van 1881 tot 1895 betrof dit Hippolyte Lippens en van 1895 tot 1921 Emile Braun. Wel werd de meerderheid van de liberalen verbroken met de eerste gemeenteraadsverkiezingen onder het stelsel van algemeen meervoudig stemrecht in 1895. In dat jaar werden de socialisten de grootste partij en zochten de liberalen de steun op van de katholieken. Vanaf 1911 dienden de liberalen met de socialisten het eerste antiklerikale kartel te vormen om aan de macht te blijven.
Reeds vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen de Gentse arbeiders zich te verenigen en op te komen voor hun rechten. Associaties van textielarbeiders die streden voor betere lonen werden opgericht. In 1880 werd de coöperatieve Vooruit gesticht. Er was een coöperatieve bakkerij, maar ook drukkerijen, volkshuizen, apotheken, kledingszaken enz. Met hun overwinning van de verkiezingen in 1895 konden ze heel wat sociale maatregelen doorvoeren. Gent speelde een voortrekkersrol voor het socialisme in heel België. De eerste stappen naar een democratisering van cultuur, onderwijs en pers werden gezet en de vrije tijd nam toe voor iedereen.
Niet toevallig vonden ook in Gent op het einde van de negentiende eeuw tal van herstructureringswerken plaats om het stadscentrum van mooie brede lanen te voorzien en de chaos aan het oog te onttrekken. Één van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Gentse burgemeester Hippolyte Lippens, was de realisatie van het Zollikofer-De Vigneplan tussen 1880 en 1888. Het Zuidkwartier, tussen de Nederschelde, Zuidstation en de Brabantdam, was ten prooi gevallen aan verloedering. Achter de statige burgerhuizen ging een verrotte buurt schuil.
Het Zollikofer-De Vigneplan maakte hieraan een einde. Men sloopte de hele buurt en talrijke
nieuwe brede lanen werden gebouwd om een betere verbinding van het Zuidstation met het
stadscentrum rond de Korenmarkt en de Vrijdagsmarkt te maken. Net als in Parijs was het slopen van tal van arbeiderswoningen een noodzakelijk onderdeel van de herstructurering. Haussmann noemde zichzelf niet voor niets een ‘artiste démolisseur’ of een ‘sloopkunstenaar’. In Gent werden een 950-tal arbeiderswoningen met de grond gelijk gemaakt. De bewoners ervan werden naar de rand van de stad verdreven. Met dergelijke werken bracht men de flaneur in de waan dat hij leefde in een wereld vol luxe, terwijl al wat lelijk was naar de rand van de stad verdreven werd, waardoor het leek alsof het uit de samenleving verdwenen was.
De opvolger van Lippens, burgemeester Emile Braun, maakte na het Zollikofer-De Vigneplan werk van de herwaardering van het rijke culturele erfgoed van de Gentse Stadskuip. Dit werd gestimuleerd door tal van verenigingen die de Gentse identiteitsvorming bevorderden zoals ‘De
Maatschappij voor Geschied- en Oudheidkunde van Gent’. De Sint-Niklaaskerk werd gerestaureerd, net als het Belfort, de Sint-Baafskathedraal en het Gravensteen. De Middeleeuwse chaotische straatjes maakten plaats voor ruime overzichtelijke pleinen zoals het Sint-Baafsplein. Het fabriekspand en het arbeidersbeluik in het Gravensteen werden ontruimd en vele aangrenzende huisjes werden gesloopt. Onoverzichtelijke steegjes maakten plaats voor gemakkelijk te controleren ruime pleinen en brede lanen. Ook de nieuwe gasverlichting in de Gentse straten werd als een verhoogd gevoel van veiligheid door de burger ervaren. Deze gasverlichting liet bovendien toe dat winkels langer open bleven. Men was immers niet langer afhankelijk van de opkomst en de ondergang van de zon. De mogelijkheid om dankzij de gasverlichting tot een uitbreiding van de productietijd te komen, liet men dan ook niet links liggen, ook al leed de slaap hier onder.
HET NIEUWPOORTJE
Of de vernieuwing van de wijk “Nieuwpoort” ook onder de “restauratie van de binnenstad” viel, weet ik niet, maar het is alleszins een feit dat tussen 1890 en 1893 deze wijk werd platgegooid, zoals niemand minder dan Jean Ray knap evoceert in Het Volk van 4 november 1956.
“Het Nieuwpoortje was een arme volkswijk. Het was bijna een heel klein schamel stadje op zijn eigen, eng omsloten midden de grote Sint-Jacobsparochie. Men kon erin langs twee enge straatjes die uitkwamen op het Steendam: de Sint-Jansdreve en ’t Oliestraatje, welke men meestal met een enkele naam noemde: Sint-Jan-in-d’Olie; langs de Oude Schaapmarkt en, langs de kant van ’t pas, door een soort mollengang. Om er langs de Oude Schaapmarkt te komen moest men een boogbrugsken over.
Want ’t Nieuwpoortje had zijn eigen waterloop: het Sint-Jansvaardeken, dat tegelijkertijd met de afbraak gedempt werd, tot spijt van Jan den Bliek, want er zat paling in: “Al was ’t vaardeken iets minder dan nen gracht!”
Een deel der huizekens waren donkere en bouwvallige krotten die meer dan tweehonderd jaar oud waren (dit zegden de mensen tenminste, en ’t kan wel waar zijn).
Andere waren de gewone woonstjes der sloppen uit die tijd, ’t is te zeggen: al niet veel beter. Maar er waren ook kleine, vernepen half-burgershuisjes, “waar men meer droog brood at dan in de krotten” (gezegde van die tijd). Daar waren ook een aantal oude loodsen, die de voddeligos – vodden, benen en oud ijzer – voor bergplaats gebruikten en bij warm zomerweer stonken “dat men er tot op Sint-Pieters onpasselijk van kon worden”. Alsook een paar stallingen van koetsiers die “veur eigen rekeninge reden”, o.m. de beroemde Cies de Neuze, met de beste vigilante van Gent. Zijn neus was een waar omnument en Cies vertelde dat hij soms een beetje “in zijn zicht stond”. Af en toe om zijn cliënten plezier te doen, maakte Cies een klein drapeautje met een rekkerken aan ’t einde van “zijne fliepe” vast. (7)
Maar ’t Nieuwpoortje had ook een voornaam gebouw: Richmond. Richmond was een danszaal, wier breed portaal in de draai van ’t Oliestraatje wijd openstond.
Voor die tijd mocht het heel schoon genoemd worden. Het eerste groot mechanisch orgel (Limonaire) prijkte er met zijn hamerventjes (Jacquemarts) en zijn veelvuldige registers.
Het Nieuwpoortje-bij-nacht was een donkere hel, want alleen op de uitkanten brandden een paar gaslantarens met dansende vlinders. Het middelpunt bezat ook een lantaren, maar een petroollantaren die midden de steeg hing en verzorgd werd door een der bewoners. Ook gebeurde het dat bij donkere winteravonden sommige brave mensen hun “kinkeetje” vóór de ruitjes te branden stelden: “De sukkelaars buiten profiteren alzo van de klaarte en wij en hebben er niet minder licht door,” klonk de menslievende slogan van die dagen.
Ofschoon de bewoners van deze volkswijk doorgaans arme lieden waren, mocht men ze niet vergelijken bij deze van de beruchte “cités”, Koer, Negenennegentig, Luizengevecht, De Vrezebeluik (8), Arme Cité enz. Volk uit de onderwereld vond men er niet.
Het waren meestal werklieden, venters met karren (geen leurders!), voddeligos en kleine schamele bedienden, iets meer dan de toenmalige afgejakkerde fabriekwerkers.
Gelijk overal elders waar een grote volksmassa bijna samen huist, werd er soms wat luid gesproken en geroepen, doch zelden kwam het daar tot een der homerische twisten en vechtpartijen, waarvan de voorgenoemde koeren voortdurend het toneel waren. “De mensen kwamen er goed overeen.”
Toch had de ‘Nieuwpoorter’ zijn ‘fijtje’: hij was xenofobisch aangelegd. Xeno… wat een stadhuiswoord, nietwaar, maar het wil zeggen ‘vreemdelingenhatend’. Lieden die er niets te doen hadden en er maar uit nieuwsgierigheid kwamen rondneuzen, lieten er dikwijls van hun pluimen, en daarmee bedoelen we een vloed kernachtige scheldwoorden en ook een aantal vliegende, onbruikbare voorwerpen, zoals rotte peren of patatten, kolenstronken en soms wel een half vergane pantoffel.”
KONINKLIJKE ACADEMIE VOOR SCHONE KUNSTEN
In 2001 werd het 250-jarig bestaan van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten gevierd. Deze instelling werd door Phillipe-Karel Marissal in 1751 opgericht, en verkreeg de koninklijke bescherming van keizerin Maria Theresia in 1771. De architectuurafdeling werd in 1970 losgekoppeld van deze instelling en functioneerde verder onder de benaming SHIAS (Stedelijk Hoger Instituut voor Architectuur en Stedebouw), later omgevormd tot ‘Hoger Architectuurinstituut De Bijloke’. De opleiding architectuur werd om besparingsredenen in 1988 afgebouwd, de laatste studenten architectuur studeerden af op 27 juni 1991. De afdeling binnenhuisarchitectuur – later omgevormd tot interieurvormgeving – bestaat echter nog altijd.
In 1995 werd de ‘Koninklijke Academie voor Schone Kunsten’ het ‘Departement Architectuur Audiovisuele en Beeldende Kunst’ van de Hogeschool Gent. Na 25 jaar scheiding werden de oorspronkelijke opleidingen opnieuw gehergroepeerd. Het departement “Koninklijke Academie voor Schone Kunsten” is met zijn 1100 studenten en 200 personeelsleden nu één van de grootste departementen van de Hogeschool Gent.
Vele bekende Vlaamse kunstenaars en architecten waren eens student aan deze roemrijke school. Beroemde architecten zoals o.a. Victor Horta, Louis Roelandt, Charles van Rysselberghe, Geo Henderick en Gaston Eysselinck en niet in het minst een aantal schitterende hedendaagse architecten studeerden of doceerden aan deze academie.
Opvallend maar niet verwonderlijk is dat de Academie gedurende de gehele negentiende eeuw en zelfs nog tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw vasthield aan de opvattingen van het neoclassicisme. De neogotiek, erg populair in de Sint-Lucasscholen, werd in de Academie in veel mindere mate gehuldigd. De invloed van het modernisme liet lange tijd op zich wachten. Pas na 1945 werden de principes van de internationale stijl geïntroduceerd in het architectuuronderwijs van de Gentse Academie.
De evolutie die geschetst wordt vertrekt van het classicisme en neoclassicisme waaraan onder meer Jean-Baptiste Pisson, Bruno-Emmanuel Quaetfaslem, Lodewijk Roelandt en Charles Leclerc-Restiaux op een verschillende en persoonlijke wijze gestalte gaven.
Bij de volgende generaties vindt men invloedrijke vertegenwoordigers van de neostijlen, onder meer Louis Minard en Adolphe Pauli. Laatstgenoemd architect ontwierp onder meer het Burgerlijk Hospitaal De Bijloke, de huidige campus voor een aantal afdelingen van de Academie.
Eind negentiende, begin twintigste eeuw is het architecturaal spectrum van de aan de bouwmeesters erg gediversifieerd. Aan markante persoonlijkheden ontbreekt het niet: we denken onder meer aan de scholenbouwer Karel (of Charles) Van Rysselberghe, aan de “rode bouwmeester” Ferdinand Dierkens en aan Victor Horta, de spilfiguur van de Belgische en internationale Art Nouveau. Maar ook Oscar Van de Voorde, de architect van de Gentse Wereldtentoonstelling in 1913 en uitzonderlijke figuren als Geo Henderick en Albert Van Huffel, – de ontwerper van de Basiliek van Koekelberg – studeerden aan de Gentse Koninklijke Academie.
Aan de architectuur van de interbellum-periode leverden ook de oudstudenten J.-A. De Bondt, Jules Lippens, Marcel Neerman, Gaston Eysselinck en Georges (Geo) Bontinck een zeer persoonlijke bijdrage. In hun werken vindt men zowel invloeden uit de Art Deco als van het modernisme en het functionalisme van de jaren twintig en dertig.
Na een periode van kwalitatieve hoogconjunctuur in de jaren zeventig en tachtig werd vanaf 1986 de architectuurafdeling afgebouwd, de laatste architecten studeerden af in 1991. Het indrukwekkend architecturaal oeuvre van haar docenten en afgestudeerden blijft evenwel de getuigenis van de open en vrije geest die heerste in deze school: van het “neo-brutalisme” uit de jaren zeventig, over het postmodernisme van de jaren tachtig tot de hedendaagse “nieuwe eenvoud”.
Na de heroïsche periode van het modernisme en het naoorlogse optimisme – met als hoogtepunt de “expo architectuur” van 1958 – keerde een aantal architecten van de Academie Gent zich af van de anti-architectuur van de jaren zestig die gedomineerd werd door commerciële woningbouwproductie in de randstad en explosieve bouwwoede van appartements- en kantoorgebouwen in de 19de eeuwse stadsgordel.
In de nadagen van de turbulenties rond 1968 komt een nieuwe impuls vanuit een jonge generatie architecten als Eric Balliu en Johan Baele van architectenbureau BARO en de associatie Jo Raman en Fritz Schaffrath. Twee invloeden zijn duidelijk aanwezig: de erfenis van de moderne architectuur uit het Interbellum en de brutalistische architectuurbenadering uit de jaren vijftig. Men spreekt van het “Nieuw Brutalisme”. Samen met andere jonge docenten beïnvloeden zij de functioneel expressionistische architectuur van tal van afgestudeerden uit de jaren zeventig. Zo winnen Johan Bosschem en Jan De Vis van SAR+G, in 1978 met een extreem brutalistisch ontwerp de wedstrijd voor het bouwen van het Centrum voor Middenstandsopleiding te Leuven. Achiel Hutsebout levert met zijn ontwerp voor het atheneum te Denderleeuw waardevolle functioneel brutalistische architectuur. Hij krijgt daarvoor erkenning in de internationale architectuurpers.
Directeur Loys Vervenne stimuleerde vanaf het midden van de jaren zeventig de vrije benadering van het architectuuronderwijs dat verstrekt werd door een talentvol professorenkorps. Jo Crepain en anderen omschrijven de Academie Gent tussen 1975 en 1985 als ‘ontegensprekelijk de boeiendste architectuurschool van Vlaanderen’. Door de hoge kwaliteit van het onderwijs was de school een aantrekkingspool geworden voor vele studenten en docenten die onvoldoende aan hun trekken kwamen in andere Vlaamse architectuurinstituten. Dit heeft ontegensprekelijk geleid tot een hoogconjunctuur aan talentvolle architecten die afstudeerden in deze periode. Mede door zijn eigen oeuvre en door het organiseren van de bekende WISH voordrachten in de Zwarte zaal van de Academie beklemtoont Jo Crepain als jong docent in de jaren tachtig de invloed van de internationale architectuurtendensen zoals o.a. de Zwitserse Ticino-bewegingen en de nieuwe Japanse en Nederlandse architectuur.
Nieuwe thema’s bevestigen de autonomie van de architectuur van de jaren tachtig, deze thematisering onttrekt de architectuur van o.a. Paul Robbrecht en Hilde Daem, Denis Van Impe en Dirk Coopman uit de impasse van het zuiver functionalisme. Daartegenover beïnvloedt het Amerikaans postmodernisme van Venturi en Rauch duidelijk de architectuur van Restyling bureau en het neo-modernisme van Richard Meier inspireerde de architectuur van Luc Dubrulle en van Dirk Bontinck.
De belangstelling vanwege de internationale architectuurpers voor de Vlaamse architectuur die omschreven werd als “De Nieuwe Eenvoud” betekent vanaf begin de jaren negentig de internationale doorbraak voor Stéphane Beel en Lieven Achtergael, zij kregen de opdracht voor de uitbreiding van een museum in Utrecht (NL). Paul Robbrecht en Hilde Daem kwamen in 1992 in de belangstelling met hun ontwerp van de tentoonstellingspaviljoenen voor Documenta IX te Kassel en kregen aansluitend de opdracht voor de verbouwing van het Rotterdamse museum Boijmans-Van Beuningen. Jo Crepain kreeg na het winnen van de Premio Internazionale di archittettura Andrea Palladio van 1988 een aantal opdrachten voor het ontwerpen van grote woningbouwprojecten in Nederland.
Ook de belangrijke architectuurwedstrijden van de jaren negentig werden beheerst door ex-studenten en docenten van de Academie Gent, zo werd de nationale architectuurwedstrijd voor het Belgisch paviljoen van de wereldtentoonstelling van Sevilla in 1992 gewonnen door Jan Thomaes van Driesen-Meersman-Thomaes. De internationale architectuurwedstrijd voor het nieuwe concertgebouw te Brugge werd in 1998 gewonnen door Paul Robbrecht en Hilde Daem. Stéphane Beel en Lieven Achtergael waren laureaten, en in 1999 werd de internationale architectuurwedstrijd voor het nieuwe gerechtsgebouw te Gent gewonnen door Stéphane Beel en Lieven Achtergael. Johan Bosschem en Dirk Coopman waren laureaat.
In 1986 werd door de Minister van Onderwijs Daniel Coens vastgesteld dat er in de architectuurafdeling onvoldoende studenten ingeschreven waren om te voldoen aan de toenmalige subsidienorm. Bovendien mislukten de onderhandelingen met andere inrichtende machten voor een fusie met een ander architectuurinstituut. Als gevolg daarvan besliste de Gentse gemeenteraad op 7 juni 1988 de architectuurafdeling “De Bijloke” af te bouwen. Na deze dramatische feiten was de verslagenheid groot bij zowel studenten en docenten als bij de afgestudeerden. Niettegenstaande een jarenlange juridische procedure tegen de beslissing van de Minister, door de Stad Gent bij de Raad van State aanhangig gemaakt, bleef de beslissing onherroepelijk.
GENT IS MEER DAN DE OUDE STADSKERN ALLEEN
Op 27 juni 1991 vond in de Bijlokecampus de proclamatie plaats van de laatste lichting architecten die afstudeerden aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (toen Hoger architectuurinstituut “De Bijloke”). Dit betekende het einde van één van de oudste en meest prestigieuze architectuurscholen van België.
Er zullen dan ook allicht weinig tentoonstellingen zijn, waar zo werd naar uitgekeken dan naar “de Gentse Stadsgezichten” (Bijlokemuseum van 30 september tot 17 december). Bijna een jaar eerder werden de Gentenaars immers opgeroepen zelf een bijdrage aan deze tentoonstelling te leveren met foto’s, voorwerpen of gewoonweg verhalen uit hun wijk of buurt. Want tentoonstellingen over Gent hebben zich tot nu toe te veel beperkt tot de oude stadskern. De pas opgerichte vzw Gent Cultuurstad wil ook de wijken met een duur woord “historisch legitimeren”.
Wijk- en buurtbewoners zullen allicht raar opkijken als ze vernemen dat ze nog “historisch gelegitimeerd” moesten worden. Voor hen is het wellicht vanzelfsprekend dat hun buurt evenzeer een historisch verleden heeft als de binnenstad, zij het dan dat dit verleden zich minder ver uitstrekt.
ANDZUUNSOEPE
En als we het goed begrepen hebben, is dat nu precies wat conservator Geert van Doorne bedoelde met dat moeilijke begrip “historisch legitimeren”. In tegenstelling tot de kern waarvan de geschiedenis reeds in tal van tijdelijke of permanente tentoonstellingen werd vastgelegd, berust de studie van de historie van de wijken nog grotendeels op de mondelinge overlevering van de buurtbewoners. En vandaar ook dat het noodzakelijk werd om deze getuigenissen op te tekenen en via historisch opzoekingswerk aan de waarheid te toetsen. Evenwel niet om “het kaf van het koren” te scheiden, want ook stadslegenden hebben hun recht van bestaan.
Alhoewel de tentoonstelling “Gentse Stadsgezichten” dan toch alweer nieuwe ontdekkingen uit de kern zelf herbergt (het stucplafond van Jan Hanssche voor het Huis Canfyn nabij de verdwenen Korte Ridderstraat b.v.), gaat de belangstelling toch vooral naar wijken als het Sluizeken (met een computer-navigatiesysteem op punt gezet door het Nieuwpoorttheater en het Huis van Alijn) of het Rabot (met veel aandacht voor de zogenaamde “gashouders” die een nieuwe bestemming moeten krijgen als het nieuwe Justitiepaleis er komt) en naar randgemeenten als Oostakker (met het bedevaartsoord Lourdes) of Ledeberg (met een recept voor “andzuunsoepe”).
Een en ander kadert ook in het “erfgoedconvenant” (alweer zo’n stadhuiswoord) dat minister van cultuur Bert Anciaux heeft afgesloten met “de drie zustersteden”, zijnde Gent, Antwerpen en Brugge. Het gaat hier om het roerend erfgoed, dus archieven en bezittingen van stadhuizen, kerken, bibliotheken en dergelijke. Het is vooral de bedoeling dit erfgoed te “ontsluiten” of te “reïntegreren”, dit wil zeggen: opnieuw tot leven brengen binnen een context, waaraan de gewone burger ook iets heeft. Het spreekt vanzelf dat een tentoonstelling als deze daarvan de perfecte illustratie is.
Voor de uitvoering van dit “convenantproject” heeft minister Anciaux Gent 15,6 miljoen frank toegeschoven. Het stadsbestuur trok dit bedrag op naar meer dan 18 miljoen om zo een eerste werkingsjaar te financieren van de nieuwe vzw Gent Cultuurstad. Vier mensen zullen in dat kader worden tewerkgesteld. Twee daarvan zijn reeds bekend: de Antwerpse archeoloog Steven Thielemans, die als coördinator optreedt, en de Gentse kunsthistorica Christine De Weerdt, die voor de communicatie zal instaan. Later worden er nog een wetenschappelijk medewerker en een administratieve kracht aan toegevoegd.
Steven Thielemans was alvast reeds volop betrokken bij de voorbereiding van deze tentoonstelling. Hij was degene die de contacten onderhield met de buurtbewoners. Zo’n honderdtal kwamen hun verhaal doen, wat ongeveer 700 foto’s opleverde, waarvan een aantal werd opgenomen in zogenaamde “familiealbums”, die ter inzage liggen op de tentoonstelling. Thielemans vond het vooral opmerkelijk dat nogal wat mensen met een klaagzang begonnen over hun buurt, maar naarmate het gesprek vorderde, werd hun houding steeds positiever.
Ondertussen wordt er wat afgevloekt in Gent. Natuurlijk door autobestuurders, maar ook door gebruikers van omgeleid openbaar vervoer, door lek rijdende fietsers, ja zelfs door voetgangers die hun benen breken in al die opengebroken straten. Op zo’n moment staan ook de winkeliers in de binnenstad traditiegetrouw aan de klaagmuur. Maar politiek denken betekent ook verder kijken dan je neus lang is, op lange termijn denken. De binnenstad is onleefbaar geworden door en voor de auto’s, daarover is iedereen het eens. Zone 30, verkeersluwe straten… het is allemaal onontkoombaar. En voor de middenstand is dat niet eens slecht! Spreekt men in zo’n gevallen immers niet vaak van een winkelstraat?
Natuurlijk, het probleem van de bereikbaarheid wordt wel erg groot. Parkings aanleggen enkele kilometers buiten de stad heeft geen enkele zin. Of hebben de beleidsvoerders nog nooit een zware boodschappentas moeten dragen misschien? Of regent het nooit voor hen? Toegegeven, het is geen eenvoudig probleem, want ondergrondse parkings zijn vanuit esthetisch standpunt nog het beste te verdedigen in de binnenstad, maar wat dan met de veiligheid? Vrouwen hebben terecht angst zich alleen in die parkings te begeven. En zij zijn toch de voornaamste “shoppers”? Door de ontvolking van de binnenstad zal die onveiligheid trouwens nog toenemen. Na de kantooruren zal het centrum stilaan een soort van spookstad worden.
Het probleem stelde zich nog eens acuut toen drie Gentse centrum-dekenijen Belfort, Koestraat en Minard bekend maakten dat ze de handen in elkaar zouden slaan t.g.v. de jaarlijkse braderiefeesten. Deze dekenijen zagen de voorbije jaren hun kliënteel immers zienderogen dalen. En aangezien naar hun mening alle smeekbedes bij de stad toch maar in dovemansoren vielen, wilden ze op die manier er zelf verandering in brengen.
Dat zij zich boos maken over het feit dat de verkeerssituatie zich schier maandelijks wijzigt, daar kunnen we inkomen. Er is b.v. dringend nood aan een kaart van Gent die de eenrichtingsstraten aangeeft, maar geen enkele firma durft dit aan omdat ze al snel achterhaald zou zijn. Echte Gentenaars trekken nog een beetje hun plan, maar wat met bezoekers uit het hinterland? En dat juist op een moment dat de winkelcentra in de randgemeenten als paddestoelen uit de grond rijzen!
Een gevolg van de eenrichtingsstraten en van de parkeerproblemen is ook dat minder auto’s juist voor méér verkeer zorgen in de binnenstad. Iedereen moet immers kilometers omrijden en is bijna continu op zoek naar een parkeerplaatsje.
De dekenijen stellen daarom voor de as Cataloniëstraat-Vlaanderenstraat opnieuw in beide richtingen open te stellen. Akkoord dat een onderzoek destijds uitwees dat dit vooral doorgaand verkeer was, maar de winkeliers uit die straten hebben daar geen last van. En vertragingsmiddelen zoals verkeersdrempels zijn ook geen probleem, aangezien de tram toch in een aparte bedding zal rijden.
Misschien kan men in Gent lessen trekken uit wat in Antwerpen is gebeurd. Een aantal uitbaters van restaurants en cafés in de omgeving van de Antwerpse Grote Markt willen hun klanten een gratis pendeldienst aanbieden. Een busje zou de klanten dan van en naar hun verderop geparkeerde auto kunnen voeren. Het idee werd gelanceerd door een uitbater van een restaurant in de uitgangsbuurt van het Antwerpse stadscentrum, maar ook in een autovrije zone.
“Mensen geraken met hun wagen gewoon het stadscentrum niet meer in”, verklaarde een collega uit de nabijgelegen Suikerrui aan “De Morgen”. “En als men toch z’n wagen ergens verkeerd parkeert, dan wordt men weggetakeld. Dat jaagt de klanten weg.” De oplossing is volgens de horeca-mensen daarom de restaurantbus. Die zou dagelijks tussen 16 en 4 uur pendelen tussen de Zuiderdokken en het stadscentrum. De horeca-uitba­ters zouden de dienst gratis verlenen. Om het zwartrijden tegen te gaan, krijgen de klanten in het café of het restau­rant een gratis ticket om terug naar hun auto te rijden.
Zelfs de Antwerpse politie vond het een schitterend initia­tief. “We moeten eerlijk zijn,” sprak een politiecommissaris. “Het historische stadscentrum kan die grote hoeveelheden auto’s niet meer opvangen. We zullen daar in de toekomst zelfs nog strenger voor moeten optreden. En we mogen niet zo naïef zijn te verwachten dat iedereen met de fiets boodschappen zal doen of op restaurant zal gaan!”

Ronny De Schepper

(1) Meestal afkomstig van het stadsbestuur maar dan zonder vermelding van de auteur. Bovendien werden al die teksten door elkaar gehaspeld en ook nog eens met eigen brouwsels vermengd. Ik wil hier zeker geen pluimen op mijn hoed steken die mij niet zouden toekomen, daarom wil ik vooraf duidelijk stellen dat men er mag van uitgaan dat alle “serieuze” teksten van overheidswege zijn, de grappen en grollen daarentegen zijn van ondergetekende. Ieder zijn stiel!
(2) Hiervan is de auteur wél bekend. Het betreft Leen Meganck.
(3) Terloops dient erop gewezen de Reep of beter gezegd de Nederschelde van de negende tot de elfde eeuw de scheiding heeft gevormd tussen het Franse en het Duitse keizerrijk. Ik zou helaas aan de Duitse kant van de grens hebben gewoond…
(4) Op deze plaats moet ooit het Hof ter Wyngaarde (eigenlijk Wijdenaarde) hebben gelegen, een torenvormig gebouw te midden van een omgrachting. Wellicht gaat het terug tot de dertiende eeuw toen dit gebied (Overschelde) in 1254 bij de stad Gent werd gevoegd.
(5) Het is onduidelijk of Lousbergs er inspraak in had wie er zoal in de Keizer Karelstraat mocht komen wonen, maar alleszins is het een feit dat enkel de “fine fleur” van Gent er terecht kon. Typerend voor die tijd is wel dat naast edellieden (zoals baron Jules de Saint-Genois, tevens schepen en bibliothecaris), professoren (zoals die in nr.53) en industriëlen, er ook plaats werd ingeruimd voor kunstenaars, zoals de bekende architect Louis Minard, maar ook kunstschilder Felix De Vigne, die trouwens eveneens een “onderhuurder” had in de gedaante van een collega-schilder, Lieven de Winne. Honi soit qui mal y pense… Op zijn eigen huisnummer is ook lange tijd mevrouw Françoise Van Monckhoven gedomicilieerd. Zij was als meid opgeklommen tot de betere standen door het feit dat ze de moeder was van een onwettig kind van een (onbekend gebleven) rijke vader (Lousbergs zelf?). Naar deze zoon, Désiré, werd ondertussen zelf ook reeds een straat genoemd, aangezien hij een pionier zou worden op het vlak van de fotografie.
(6) Sedert Dutroux (wiens vader op de koop toe ook zicht had op deze meisjes) wordt er niet meer gegniffeld met deze mededeling, maar eerder bedenkelijk gekeken. Weet echter dat het om laatstejaars ging, dus die waren al vlug achttien jaar of ouder…
(7) Jean Ray noemt langs zijn neus weg nog enkele typisch Gentse figuren uit die wijk, zoals Meleke die weigerde te verhuizen en dan ook op de valreep nog terplaatse stierf. Of Mondje Plas “de nietdeug die ervan profiteerde om alle dagen aan haar deurken te gaan roepen: ‘Meleke, morgen breken ze uw kot af!’ “. Of Bertje-de-Mestraper “die zich maar tweemaal in ’t jaar waste, op Carnaval en op de Gentse Feesten”. Of Labasko “die op de foren had gestaan als schamoteur en van wie men een liedeken had gemaakt, waarvan zelfs de vermaarde folklorist Lodewijk Lievevrouw-Coopman niet kon vertellen wat het eigenlijk betekende”.
(8) Waar de beroemde operazangeres Vina Bovy is geboren!

Selectieve bibliografie
CAPITEYN, André, Gent in Weelde herboren, Wereldtentoonstelling 1913, Gent, Stadsarchief, 1988.
Marco Daane & Dirk Leyman, “Gent, de dubbelzinnige” (in de stedenreeks “Het oog in ’t zeil”, uitg.Bas Lubberhuizen, 2003)
Ronny De Schepper, “Gent, je zit in mijn binnenzak”, De Rode Vaan nr.37 van 14 september 1990.
DECAVELE, Johan (ed.), Gent: apologie van een rebelse stad: geschiedenis, kunst, cultuur, Antwerpen, Mercatorfonds, 1989.
DESEYN, Guido, Gids voor oud Gent, Antwerpen, Standaard, 1984.
VAN WEVERKE, Hans, Gand Equisse d’histoire sociale, Bruxelles, La Renaissance du Livre, 1946.

2 gedachtes over “Tyler Farrar wordt dertig…

  1. Beste Ronny

    het zal je allicht interesseren dat de Uitgeverij Sun een prachtig boek heeft uitgegeven:
    Historische Atlas van Gent. Een Visie op verleden en toekomst. Met oude kaarten en foto’s en interessante artikels.
    Groeten,
    Jan

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s