Boon-herdenking in Aalst

00Vijftien jaar geleden werd de tentoonstelling “Fabrieksstad Aalst” geopend…

Alhoewel de tentoonstelling in drie (eigenlijk vier, want in het Belfort waren er twee afzonderlijke tentoonstellingsruimten) locaties plaatsvond, kon je deze niet zo maar willekeu­rig bezoeken. De organisatoren dwongen je een bepaalde route te volgen. Dat wekte aanvankelijk wel wat wrevel op, maar al vlug merkte je dat het echt niet anders kon: de tentoonstelling zit streng chronologisch in elkaar en komt pas tot zijn volle recht indien men het opgelegde parcours volgt. De zoeterige stank van het nabije Amylum op het “fabriekseiland Chipka” moet men erbij nemen en vormt in zekere zin ook een illustratie van de tentoonstelling…
In het Belfort op de Grote Markt keerde de bezoeker terug naar tijden uit de vorige eeuw, toen Aalst nog een middeleeuws ogend stadje was, gelegen aan de kronkelige Dender. Het is het Aalst dat aan de vooravond van de industriële revolutie reikhalzend uitkijkt naar de komst van de eerste trein. Zodra dit stalen monster echter de beslotenheid van het stadje binnenstoomt, breken er andere tijden aan. Fabrieksschoorstenen schieten als paddestoelen uit de grond en de machine bepaalt vanaf nu het ritme van de dag. Dagelijks trekken duizenden arbeiders naar het mythische fabriekseiland Chipka, genoemd naar het Russische stadje Sjipka, waar in 1877 het tsaristische Rusland een overwinning behaalde op het Ottomaanse rijk. Merkwaardig genoeg ging datzelfde Sjipka in het Aalsterse volksgeheugen juist symbool staan voor de Russische revolutie. Het is de tijd van de gebroeders Daens, van de anarchistische bende van de Zwarte Hand en ergens in een verre achterbuurt groeit het kleine Ondineke op…
Wanneer de bezoeker na het Belfort vervolgens het Museum Oud-Hospitaal binnenwandelt, laat hij het sociale strijdgewoel van Chipka (nu geen eiland meer tussen de gekanaliseerde Dender en de oorspronkelijke rivier, aangezien deze laatste werd toegedekt met asfalt en nu Burchtstraat heet) ver achter zich. Hier in de Sint-Jozefsparochie brengt Boon zijn kindertijd door en beleeft hij zijn eerste verkenningstochten in de schilderkunst, literatuur en film. Aansluitend wordt de geboorte van Boon als schrijver en als journalist in beeld gebracht. Binnenkijkend in het alledaagse leven van het gezin Boon, tegen de achtergrond van de nationale geschiedenis, is de bezoeker getuige van het ontstaan van Boons magnum opus “De Kapellekensbaan”. Terwijl zijn roman in druk is, trekt Boon zich terug in zijn nieuwe villa te Erembodegem.
Het derde deel van de tentoonstelling stond opgesteld in De Werf. We schrijven inmiddels jaren vijftig. In een ware vooruitgangseuforie wordt België volgegoten met beton. Televisie-antennes kronen de daken van de huizen, de mensen kijken naar “Schipper naast Mathilde” of spelletjes als “’t Is maar een woord” en in Brussel wordt naarstig gewerkt aan het Atomium, de stalen ode aan een decennium van elektriciteit en glimmend metaal. Van tussen het groen rond zijn huis in Erembodegem observeert Boon deze wereld met een kritische blik. En hij schrijft. Over de Hollywood-dictatuur die het optimisme propageert. Over de nieuwe jeugd die zich begint te verzetten en aan het einde van de jaren zestig een wereldrevolutie zal trachten te ontketenen. Over het failliet van die nieuwe ideologieën en de vlucht in het ik-tijdperk van de jaren zeventig. Over priester Daens, over Mieke Maaike, over de geuzen en over zichzelf. Te midden van een nooit eerder samengebrachte verzameling manuscripten, foto’s en beeldend werk treedt Boon de bezoeker tegemoet van achter verschillende maskers.
Het stramien van deze tentoonstelling was ontleend aan de Boon-biografie van Kris Humbeeck “Gelijk een vis zwemt moet ik schrijven” (De Arbeiderspers, 2000). Bij de tentoonstelling hoort de catalogus “Onder de giftige rook van Chipka” (Ludion/Querido, 1999).
ONTSPOORD
Daarnaast liep in het Oud-Politiecommissariaat van Aalst ook nog de tentoonstelling “Ontspoord”, een project met plaatsgebonden installaties. Een dertigtal jonge kunstenaars behandelt drie centrale thema’s uit Boons literaire oeuvre: anarchie, erotiek en sociaal engagement. De titel “Ontspoord” speelt in op eigen uitspraken van Boon over zijn kunstenaarschap. Hij noemde zichzelf immers een ontspoord schilder. Bovendien roept dit beladen woord onmiddellijk een aantal associaties op die in de hedendaagse kunst centraal staan. Het grensoverschrijdende aspect van de kunst, het experiment, de creatieve ontkoppeling, de metafoor van de tentoonstelling als laboratorium. We kunnen hierbij ook denken aan zijsporen, alternatieve invalshoeken, nieuwe zienswijzen om het oeuvre van Boon te benaderen. De ontsporing als creatief begrip, met een duidelijke referentie aan de zachte anarchie, het rebelse karakter van het weerbarstige individu. De rebellie, ongetwijfeld een karaktertrek van Boon, geeft aanleiding tot reflectie, tot kritisch afstand nemen, ongrijpbaarheid.
Deelnemende kunstenaars waren Mo Becha, Frederick Bell, Luc Berghe, Frederik Bil, Peter Boelens, Wouter Bolangier, Hilde Braet, Rik de Boe, Tom Deceuster, Jan de Cock, Evert Defrancq, Luc de Roeck, Geert Desmedt, Jan de Vliegher, Ilse Goris, Thomas Huyghe, Aarich Jespers, Freya Maes, Valerie Mannaerts, Peter Morrens, David Neirings, Annick Nölle, Lieven Piron, Ije Raaijmakers, Merlin Spie, Joris van der Borght, André van Schuylenbergh, Hans Verhaegen, QoQo & Schulteiss.
Ook in Gent had dat jaar een tentoonstelling plaats, waarin jonge kunstenaars hun visie gaven op het werk van Louis Paul Boon. “Boon grafisch ingepakt” was te zien in de Stedelijke Bibliotheek aan het Zuidpark. De studenten van de eerste meestergraad grafische vormgeving van het departement Academie van de Hogeschool Gent werken traditiegetrouw aan een cultureel jaarproject. Alle grafische vaardigheden komen daarbij aan bod. Dat wil dus zeggen, zowel typografie en lay-out als ruimtelijke grafiek; fotografie en beeldmanipulatie, naast diverse teken- en schildertechnieken. Opmerkelijk was dat de meeste studenten Boon weliswaar wel kénden, maar bijna niemand had reeds iets gelezen van zijn hand. Toch werden ze uitgenodigd een boek te kiezen en daarop hun persoonlijke visie te geven in de grafische richting, waarin ze zich specialiseerden. De voornaamste conclusie bleek te zijn dat de artiesten in spe zich hadden geamuseerd. Deze positieve ingesteldheid blijkt volgens de leraars alvast uit de diverse werken. Maar of ze nu ook “een geweten geschopt zijn”, dat laten ze in het midden. Nochtans treedt uit de werken eerder de desolaatheid en het miserabilisme naar voren, zelfs als men zich (zoals men van jongeren mag verwachten) op de erotiek concentreert.
Zijn hele leven lang is Louis Paul Boon op zoek geweest naar geestverwanten, om zo zijn normoverschrijdende ideeën omtrent kunst en literatuur van een solidere basis te voorzien. Zo sprak in de marge van de tentoonstelling Bert Vanheste over Boon en Hugo Claus, Geert Buelens over Boon en Paul van Ostayen, Yves T’Sjoen over Boon en Richard Minne, Jos Joosten over Boon en Jan Walravens, Ernst Bruinsma over Boon en Ivo Michiels, Annie van den Oever over Boon en Ferdinand Bordewijk en Frans Vyncke over Boon en Roger Serras, Boon was immers ook bevriend met de echtgenoot van Lieve De Maere (en dus vader van Geraldine, Frédérique en Rebecca) die zelfmoord pleegde begin 1979.
Wat Claus betreft, die verhouding was eerder complex. Er was een wederzijdse bewondering, maar ook competitie, wat af en toe tot fricties leidde. Zoals die keer dat Elly Claus in het openbaar zei dat Boon de beste Vlaamse schrijver was of toen Claus trots zijn manuscript over Boon ging overhandigen op de redactie van Vooruit (1964). Boon reageerde immers droogjes met “Ik zal er wel eens naar kijken als ik tijd heb”…
Er was ook een volksbal voorzien. Dat werd dan ritmisch schuifelen op jazzdeuntjes van de Onion City Street Band en Bigband Combo. “Boons geliefkoosde muziek” schreven de organisatoren en dat zal wel juist zijn, al is het vooral bekend dat Boon niet van muziek hield, tenzij van Gregoriaanse gezangen terwijl hij schreef, maar die kwamen op dat volksbal uiteraard niet aan bod… Dat in tegenstelling tot het onvermijdelijke gelegenheidsbier, het Kapelleken. Het is een zwaar bier (7,5 volume alcohol) en op het etiket prijkt een foto van Boon, genomen door zoon Jo. Voor een (genummerde!) fles van 75 centiliter betaalde men 180 fr. Deze onvermijdelijke “nevenaspecten” wekken altijd een beetje ergernis op, maar in het geval van Boon is men eerder geneigd zich daarmee te verzoenen. Bovendien is het eigenlijk een “recyclage” van het Bockbier dat erg populair was rond de eeuwwisseling, maar ondertussen uit de gratie is geraakt. Uiteraard verwijst de benaming naar de roman “De Kapellekensbaan”, waarvan althans één laag zich afspeelt in die periode, maar geen enkele Vlaming zal de dubbelzinnige betekenis van de uitdrukking “de kapellekens doen” ontgaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.