Literatuur hinkstapsprongsgewijs

36 marc mijlemansHet kortverhaal is een zeer eigen literair genre, dat andere normen en zelfs andere waarden kent dan de grote broer, die we dus vanaf heden niet meer « grote broer » noemen. Heden, dat is het lezen van het postuum gepubliceerde « De trein naar Grivegnée » van Marc Mijlemans in Humo. Hoe het moet dus.

« Zij trekt haar jas over de leden en in de frisse, heldere avondlucht wandelt zij en kijkt omhoog » (p.61-62). Na haar dood schetst M. de onmacht van Chris tegenover het leven, haar angsten : « Haar Enge Bos was het huis dat ritselde en schoof, het doelloze woelen van het kind daarboven, de omineuze donder van de vrachtwagens buiten. Elke seconde kon het raam tot scherven rinkelen. Zij sliep onrustig » (p.66). Deze tekst zit ook in het verhaal « Het enge bos » dat besluit met de cruciale vraag uit het Mijlemans-werk: « Als de trein vertrekt, waar wacht men dan ? Op het perron of op de sporen. Ay, dat is maar de vraag » (p.134).
Wanneer zij ophield hem terzijde te staan, moet dat gemis fataal zijn. Immers: « Leegte staart mij tegemoet. Met C., weifelend omtrent de zin des levens, voer ik lange gesprekken. Ik wens namelijk een volstrekt monopolie op depressies. Zij dient, gedragen op lichte voetjes, het huis rond te rennen en blijde boodschappen te verkondigen. Dàt is taakverdeling, alleen dààruit groeit harmonie » (p.50). Vier maanden later moet hij die « blijde boodschappen » definitief missen. « Films, zoals het spannende The Ipcress File, worden in blikken opgeborgen: men kan ze, zo vaak men wil, weer oproepen. Mensen niet. Er is van hen maar één vertoning » (p.76). Gelukkig is er als middel tegen pijn en weemoed en leven, nu dit boek « Mijl op zeven ».
Minder genade vindt de door A.G.Christiaens samengestelde bundel Vlaamse verhalen over de Tweede Wereldoorlog onder de titel « Voor de vrede uitbreekt ». Wel een leuke titel trouwens, voor een volgens de flap pretentieuze « meest volledige inventarisatie van Vlaamse oorlogsverhalen ». Dat er dan toch heel wat uit de boot gevallen is, mag duidelijk wezen en enige verantwoording van de samensteller middels een inleiding of nawoord, ware dus op haar plaats. Nee, dit lijkt een vrij willekeurige grabbel in een volle doos, want dat er over de oorlog geschreven is, dat staat vast.
Zelfs literaire kwaliteit bleek geen norm voor deze bundel. Je kan het goedkope sentiment van het pseudo-realisme van André Demedts toch geen kwaliteit noemen? Bekendheid was al evenmin een norm, Roger Pieters die hier weet te ontroeren, is tenminste nog geen Nobelprijskandidaat geweest. Vaste waarden vind je hier ook: Claus, Piet van Aken met het bekende « Grut », Ivo Michiels met een tekst die iedereen terecht uit het hoofd kan opdreunen « Ikjes sprokkelen ». Maar wat staat een nogal nadrukkelijk filosoferende Axel Bouts daar dan weer te doen ? Of een flauwe plot van Marc Andries ? Of Frans de Bruyn, die echter wel overtuigt wanneer hij aantoont dat in oorlogssituaties alle menselijke waarden wegvallen. Een André Janssens is dan weer erg indringend dankzij verrassende wending en suggestiviteit.
Verder is er een te opzettelijke Frank Liedel om te laten zien dat inhoudloze woorden plots inhoud krijgen (en omgekeerd) en een klassieke Vandeloo (en dat is géén pluim op Josses hoed). Om te besluiten met een schrijnend verhaal van Jan Walravens. De letter W dus, want de verhalen zijn alfabetisch geordend. Nee, plezante, niet volgens hun titel, wel volgens hun auteur.
Een echte thematiek ontdekte ik ook niet. De verkrachte onschuld, het geweld, de machtswellust, seks, zoeken naar identiteit, verraad, naast (opvallend leeftijdsgebonden, vaak vanuit de visie van het kind dat de auteur toen was) anekdotiek van de herinnering. Nee, een andere verantwoording dan de toevallige verwijzing naar de oorlog en het feit dat dit onderwerp weer goed in de markt ligt, heb ik niet gevonden. Of heb ik, geleid door Mijlemans’ ontroerend cynisme weer niet ver genoeg (of te ver) gezocht? Een verwaarloosbare bundel Vlaamse literatuur.
PITTORESKE MINIATUREN
Dan toef ik liever in Italië, al bevat de bundel van Malerba ook verwijzingen naar de wereldoorlog. De Italiaanse auteur Luigi Malerba (°1926) debuteerde met zijn verhalenbundel « La scoperta dell’alfabeto » in 1963. Sindsdien publiceerde hij nog romans als « De slang », « Salto mortale », « Il protagonista », « Diario di un sognatore » en « Il pianeta azzurro », naast jeugdboeken en scenario’s voor film en televisie.
Reeds in zijn debuutbundel, die nu vertaald werd als « De ontdekking van het alfabet », was duidelijk dat Malerba brak met het naoorlogse Italiaanse realisme. Hij presenteert hier minutieuze portretjes, in pasteltinten, van het leven in een boerengemeenschap rond Parma, voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Soms komisch, soms ironisch, soms grotesk, soms tragisch, maar steevast ontroerend in de tekening van de personages, hun naïviteit die garant staat voor hun onschuld, tegenover de (in de bundel nooit uitgesproken maar vaak op de achtergrond aanwezige) schuld van systemen en machten (oorlog, kapitaal, stad). Malerba bouwt een spanning op zonder er misbruik van te maken : centraal blijft de tekening van mens, milieu, gewoonten…
Twintig onafhankelijke schetsen die toch in sfeer — en ook via personen en lokatie — bij elkaar aansluiten, tonen de auteur als een meester van de suggestie: emoties, symbolen, realia, karakters, plot, alles is aanwezig om het kortverhaal tot een novelle te laten uitgroeien. De beperking die de auteur zichzelf oplegt, betekent in dit geval geen opgave voor de lezer die mijmerend en invullend mee gestalte geeft aan een gemeenschap die sterk op de realiteit geënt blijft, maar opgebouwd is vanuit een innerlijk spanningsveld.
En is de auteur vaak vertederend in zijn milde ironie, dan vergeet hij de harde achtergrond niet: het pittoreske wordt een niet-expliciete aanklacht. De sfeer waarin de oorlog op de achtergrond opduikt wordt vaak dreigend en bedreigend voor het individu dat hiertegen, en tegen de natuur, trachtte overleven. De confrontatie van een gesloten boerengemeenschap met (anti-)cultuur, het failliet van het isolement, zoals de auteur dat in zijn eigen jeugd moet ervaren hebben, en de ondergang van het individu daarin, mag als centraal terra van de bundel gesteld worden.
Malerba gebruikt vaak, zonder het tot een literair systeem te laten verworden, het inbrengen van een vreemd element in de gesloten traditie: een epidemie, krankzinnigheid, een ongeval, natuurelementen, de oorlogsrealiteit, zelfs een Argentijnse stier die door de overheid in een dekstation wordt geplaatst!
De ironie, toch al vaak onderbroken door de onderhuidse dreigingen, door subtiele verwijzingen naar Duitsers en partizanen, wordt schrijnend wanneer je een boer die na twee jaar gevangenis nog enkel « beschaafd Italiaans » spreekt, in dat taalgebruik ten onder ziet gaan. De auteur hoeft geen commentaar om zijn idee over het gevangeniswezen aan de lezer mee te delen. Grotesk en tragisch zien we een dokter naast zijn patiënt in bed belanden en in dezelfde nacht beiden bezwijken aan een longontsteking. Ironie, absurditeit… de realiteit is evenwel nooit ver verwijderd uit deze teksten.
FANTASTIEK
In oktober ’76 verhaalde Jeroen Brouwers in een brief aan Tom Van Deel zijn avontuur om bloemen « Fleuropsgewijs » te laten bezorgen. Na het volgen van een serie aanwijsbordjes « Fleurop » belandde hij bij een hotel waar een Fleurop-congres plaatsvond. En waarvandaan hij helaas geen bloemen kon bestellen. Hij besluit dit kilometerlange avontuur: « Zo’n gegeven zou Johan Daisne, of Hubert Lampo, een mooi verhaal in de pen geven, denk ik. Mij niet ». (Kroniek van een karakter, pag. 49).
Waarmee duidelijk wordt dat de magisch-realistische novellistiek van Daisne geënt was op de realiteit. En dat blijkt nog maar eens wanneer je de door Hubert Lampo geselecteerde verhalen van de in 1978 overleden Daisne doorneemt.
Uit zestig teksten koos Lampo er dertien, waarvan niet toevallig drie uit die nog steeds fascinerende bundel « Zes domino’s voor vrouwen » en evenmin toevallig niks uit de latere periode, van « Twee schelpen en wat gruis » over « Zuster Sharon » tot « Dieter ». Wel aanwezig het naar mijn gevoel nog steeds meest sfeervolle « Grüss Gott » en niet de lange nog steeds in herdruk verschijnende novelle « De trein der traagheid ».
Voor Daisne was zo’n novelle een ideaal, vermits de lectuur van een verhalende tekst nooit het anderhalf uur, het filmideaal, mocht overschrijden. Wat hijzelf dan natuurlijk redelijkerwijs met de voeten trad door het afleveren van enkele romans die nog steeds hun ereplaatsje mijn boekenkast verdienen. (*)

(*) Alhoewel de rest van de tekst – en dus ook de ondertekening – ontbreekt, durf ik er veel op verwedden dat we hier weer de onnavolgbare Johan de Belie aan het werk zien in De Rode Vaan nr.37 van 1987. Ik had van hem ook nog een tekstfragment over “Mijl op zeven” dat ik nergens kwijt kon, daarom heb ik het nogal oneerbiedig na zijn inleiding over Marc Mijlemans geschoven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.